Politieke alternatieven voor de arbeidersbeweging in de 21ste eeuw

Het tweede en laatste deel van het interne LSP-document "Politieke alternatieven voor de arbeidersbeweging in de 21ste eeuw", geschreven in 2003, gaat in op nieuwe formaties ter linkerzijde. Hiermee wordt ons standpunt over de noodzaak voor een nieuwe arbeiderspartij verduidelijkt. Lees hier het eerste deel van de tekst.

Nieuwe formaties van de arbeidersbeweging

Het proces van verburgerlijking van de voormalige burgerlijke arbeiderspartijen is in een kwalitatieve versnelling gekomen na de val van het stalinisme in ‘89-’91. Eenmaal in de regering hebben die partijen onveranderlijk een pro-kapitalistische neo-liberale politiek gevoerd. In de vijf jaar Gauche Pluriel in Frankrijk werd door de regering Jospin voor 31 miljard euro geprivatiseerd tegenover 26,4 miljard euro tussen ’93 en ’97 onder Balladur en Juppé. Resultaat: Jospin haalde niet eens de 2de ronde in de presidentsverkiezingen. De PCF haalde nog slechts 3,37% van de stemmen tegenover 11% voor de drie Trotskistische formaties. Het doorstoten van Le Pen naar de tweede ronde had een enorm politiserend effect op de Franse maatschappij. In de 2 weken tussen de eerste en de tweede ronde van de presidentsverkiezingen kreeg de LCR maar liefst 3.000 aanvragen voor lidmaatschap, de PS zelfs 10.000.

Vroeger zou zoiets geleid hebben tot een opstand in de PS. Vonk beweert dat “links-reformistische stelllingen” 40% van de stemmen haalden op het jongste PS-congres. Vonk vergeet echter te vermelden dat de rechtervleugel dat gemakkelijk pareerde en haar controle over de partij herstelde. Vonk vermeldt evenmin dat de 10.000 nieuwe leden van de PS hoofdzakelijk linkse intellectuelen zijn die zich nooit eerder wilden engageren, maar nu met de dreiging van Le Pen een lidkaart hebben aangeschaft. Vooral de aanvragen van de LCR illustreren echter welke respons een duidelijke oproep voor de creatie van een nieuwe, gefedereerde arbeiderspartij, gericht naar het electoraat van de drie trotskistische groeperingen, de basis van de PCF, de talloze anti-globalisten, onder meer van Attac, had kunnen krijgen.

De creatie van zo een brede, anti-kapitalistische federale partij, waarin eenieder het recht zou hebben zijn eigen programma te verdedigen, zou een enorme aantrekkingspool geweest zijn. Zo een partij had vrijwel onmiddelijk enkele 10.000-en leden kunnen tellen en zou al bij de parlementsverkiezingen en vooral later in de bewegingen tegen Raffarin’s plannen in het onderwijs, de gezondheidszorg en het pensioenstelsel, een enorme aantrekkingspool geweest zijn. De LCR deed er echter 2 maand over om een, overigens zeer zwakke, oproep te lanceren. Op die manier ging een tweede keer een enorme kans verloren in Frankrijk om een nieuwe arbeiderspartij op te zetten. De eerste keer was in de presidentsverkiezingen in ’95 toen LO een electorale doorbraak realiseerde, maar eveneens naliet op een ernstige manier een breder initiatief te nemen.

De situatie in Frankrijk is echter zo gerijpt voor een nieuwe arbeiderspartij, dat de kwestie de komende maanden en jaren telkens opnieuw op de agenda zal staan. In het voorjaar bleef Raffarin enkel overeind door het debat te rekken tot aan de zomervakantie en vooral doordat er in de ogen van de stakers geen politiek alternatief voorhanden was. De idee van “beter één vogel in de hand, dan tien in de lucht” was de Franse arbeiders niet besteedt. Raffarin staat echter nog een heet najaar te wachten. Electoraal kan de PS zich welicht op korte termijn wat herstellen. Kwa partijleven en reëel impact in de arbeidersbeweging durven wij dat uitsluiten.

Het voorstel van de leiding van de Italiaanse Communistische Partij – PCI – voor een rechtser beleid en een naamsverandering naar Democratisch Linkse Partij (PDS) leidde in ‘91 tot een linkse splitsing die aan de basis lag van de Partij voor Communistische Herstichting – PRC. De PRC trok onmiddelijk niet enkel oud PCI-leden aan, maar ook een hele laag nieuwe activisten. Ze won 5,2% in de verkiezingen van ’92 en 8,6% of 3,2 miljoen stemmen in ’96. Eind ’97 had de partij maar liefst 130.000 leden. De RC beantwoordt hiermee wellicht het best aan de beschrijving “semi-massapartij”. Het voorbeeld van de RC toont echter ook aan dat het creëren van nieuwe partijen geen garantie is voor de verdere ontwikkeling ervan.

De PRC die in een bepaald stadium duidelijk elementen bevatte van centrisme (revolutionair in woorden, reformistisch in daden), is sindsdien ontwikkeld in een reformistische richting. Ze probeerde dat te verbergen door een anti-stalinistisch discours en door afstand te nemen van de belangrijkste politieke partijen. Dat was echter een rookgordijn voor een draai naar rechts. Op lokaal niveau nam de PRC deel aan coalities die saneringsplannen doorvoerden. Die evolutie is ten koste gegaan van de steun van een strijdbare laag arbeiders en vooral jongeren. De toekomst van de PRC is onzeker. Het is mogelijk dat het ritme van de klassenstrijd de DS of delen ervan dwingt een meer radicale poistie in te nemen, althans in woorden. Dat zou kunnen leiden tot een tweede Olijfboomcoalitie en confrontaties tussen de leiding van DS en de Italiaanse massa’s.

De nieuwe arbeiderspartijen zullen ontstaan in een periode van scherpe economische crisis en sociale oproer. Behalve omwille van hun historische wortels in de arbeidersbeweging kenden de voormalige burgerlijke arbeiderspartijen een relatief stabiel bestaan om 2 redenen. Eerst en vooral omdat de lange na-oorlogse periode van groei toestond dat de heersende klasse in de ontwikkelde kapitalistische landen concessies deed. Vervolgens omdat ze een alternatief leken te bieden op de totalitaire regimes van het Stalinisme. Het zou een vergissing zijn te denken dat de nieuwe arbeiderspartijen dezelfde stabiele basis zouden kennen als de oude arbeiderspartijen in de periode na WOII.

De Socialistische Partij van Nederland

Met haar 41.792 leden, 9 parlementsleden en meer dan 200 gemeenteraadsleden is de Nederlandse SP de vierde partij van Nederland geworden. Nog geen jaar na de installatie van het nieuwe kabinet Balkenende is de steun voor dat kabinet, dat voor maar liefst 17 miljard Euro wil bezuinigen, teruggelopen tot slechts 22% in de opiniepeilingen. De SP komt in die peilingen als grote overwinnaar uit de bus. Daarmee wordt bevestigd wat wij schreven in onze perspectieven tekst van 2002 (§69): “De nieuwe regering gaat echter een zeer labiele toekomst tegemoet en dat nog voor de klasse zelf in beweging is gekomen. Met het oog op dat laatste is vooral de vooruitgang van de SP belangrijk. Mathematisch ver onder het resultaat van CDA en LPF, slaagde de SP erin haar stemmenaantal op te trekken van 3,5M% naar 5,9%, in zetels van 5 naar 9. Deze uitslag is tegen de achtergrond van een toenemende klassenstrijd kwalitatief veel belangrijker dan die van CDA en LPF.

Eind zestiger, begin zeventiger jaren ontstonden veel maoïstische partijtjes en organisaties, ook in Nederland. De ondernemers waren in eerste instantie niet ongelukkig met de splitsing van de Communistische Partij Nederland (CPN). Via de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) werd zelfs steun gegeven aan de opbouw van de KEN-ml (Kommunistische Eenheidsbeweging Nederland – marxistisch-leninistisch), om zo ‘concurrentie’ te creëren voor de ‘staatsgevaarlijke’ CPN. Dit bleek echter een enorme misrekening. De KEN-ml zou een belangrijk aandeel hebben in de grote havenstaking van 1970 in Rotterdam. Bijna dertigduizend havenarbeiders staakten wekenlang en werden daarmee een enorme inspiratie voor arbeiders in heel Nederland. Het was deze KEN(ml) die, na een splitsing en nog een naamsverandering (MLCN) in 1972 voortgezet werd als de Socialistiese Partij (in die tijd volgens de moderne spelling).

De SP werd in de zeventiger jaren opgebouwd door vrij consequente actie aan de basis. Via een aantal artsen in Oss maakte de partij naam met ‘gezondheidszorg voor het gewone volk’. Ook op het gebied van milieu-activisme bouwde de SP een goede naam op omdat de SP ook de arbeiders van vervuilende bedrijven benaderde, en erop hamerde niet aan hun brood te komen, want tenslotte werd ook hun gezondheid bedreigd. Door een groot aantal plaatselijke acties bouwde de SP bolwerken op in Noord-Brabant en een aantal andere plaatsen als Nijmegen, Vlaardingen en Zoetermeer.

Toch brak de SP tot ver in de tachtiger jaren niet echt door. De massale beweging naar links in de PvdA in de zeventiger jaren, die sterk bleef tot in de jaren tachtig, ging volledig aan de SP voorbij. Een nog ernstiger fout was dat de SP zich afkeerde van de feitelijk bestaande vakbeweging, de FNV, en probeerde om een klein alternatief bondje met de naam "Arbeidersmacht" op te bouwen. Hiermee sloot de SP zich bijna volledig af voor de grote groep van kritische vakbondsactivisten elders.

De ideologie van de partij was nog steeds sterk doordrongen van de ideeën van het maoïsme. De partij zou zich zoveel mogelijk moeten ‘onderdompelen’ in de bevolking als een ‘vis in het water’. Tegelijkertijd werden alle andere denkbare organisaties van de arbeiders of van links in het algemeen verketterd. Dit leidde tot een vreemde mengeling van sectarisme, zoals tegenover de vakbeweging, maar ook van opportunisme, in het volgen van ‘het volk’, ook waar die in de ban was van (door de burgerlijke media gevoede) vooroordelen. Een kras voorbeeld was de publicatie van de brochure ‘Gastarbeid en Kapitaal’ in 1983. Hierin stelde de SP migranten in feite voor de keus: volledig opgaan in de Nederlandse cultuur, of een premie krijgen om zo snel mogelijk het land te verlaten.

Na het wederom missen van een kamerzetel in 1986 besluit de partijleiding, onder leiding van Jan Marijnissen die eind 1987 gekozen werd als partijvoorzitter, de bakens te verleggen. Zowel ideologisch als organisatorisch voert de partij vernieuwingen door. Marxistische literatuur wordt niet meer verkocht, de gebruikelijke aanspreektitel ‘kameraden’ wordt vervangen door ‘partijgenoten’, scholingsmateriaal over het wetenschappelijk socialisme wordt niet meer bijgedrukt en dergelijke. Op het congres van 1991 komt de omvorming van de SP in een stroomversnelling. In 1991 werd iedere verwijzing naar het marxisme-leninisme geschrapt uit de statuten en presenteerde de partij zich voortaan als een radicalere variant van de sociaal-democratie.

De PvdA was in diskrediet geraakt door de continue deelname aan bezuinigingen en aanvallen op de sociale zekerheid. De CPN en de PSP hadden zichzelf geliquideerd door zich te begraven in een vaag linkse club als Groen Links zonder echte arbeidersbasis of socialistisch programma. Kortom, de SP kon zich met succes presenteren als de enige partij die voor gewone arbeiders opkwam, en die zich niet neerlegde bij de macht van de grote ondernemers. In 1994 haalde de SP voor het eerst twee zetels in het parlement. Een belangrijke rol in de groei van de SP speelde de verwerping van iedere vorm van zakkenvullerij. Voorop staat dat de gekozene zijn of haar vergoeding afstaat en in plaats daarvan wordt de vertegenwoordiger betaald door de partij. In feite een variatie op ons principe van een arbeidersloon voor een arbeidersvertegenwoordiger.

De SP zit in een totaal andere positie dan de vrij kleine groep in de zeventiger jaren. Ongemerkt is de partij echter ook veranderd van een radicale revolutionair-socialistische organisatie in een partij die eerder de geleidelijke verandering via het parlement, aangevuld en ondersteund met wat buitenparlementaire actie voorstaat. De SP is een kleine massapartij waarbinnen de Nederlandse sectie van het CWI een revolutionaire stroming uitbouwt. Tegelijk blijven we echter onze ogen open houden voor gebeurtenissen buiten en naast de SP.

Een ingewikkeld en uitgerokken proces

De jaren ’90 hebben aangetoond dat de vorming van nieuwe arbeiderspartijen een ingewikkeld en uitgerokken proces zal zijn. Het zal sprongen in het bewustzijn vereisen op basis van massale bewegingen, zowel op politiek als op industrieel vlak, vooraleer de meest klassebewuste arbeiders de noodzakelijke stappen zullen zetten om zo een partij op te bouwen. Het vormen van zo een partij, zelfs indien ze niet van bij het begin socialisme in haar programma zou hebben, zou objectief een enorme stap vooruit betekenen. Het zou betekenen dat de arbeiders hun eigen onafhankelijk politiek instrument creëren, een instrument via hetwelk de meest bewuste arbeiders zich in de politieke strijd zouden gooien.

De al eerder aangehaalde ervaringen in Frankrijk en de creatie van de Socialist Labour Party in Groot-Brittanië illustreren dat dit proces gepaard zal gaan met gemiste kansen omwille van een combinatie van objectieve factoren en de zwakte van de subjectieve factor (de revolutionaire partijen). In Groot-Brittanië hebben de sectaire stalinistische methodes van Scargill de kans, in het midden van de jaren ’90, om een nieuwe partij op te zetten die een brede laag jongeren en arbeiders zou aanspreken, doen verloren gaan. Wij boden Scargill aan om en bloc toe te treden tot de SLP, we garandeerden de SLP zelfs een waarnemer op ons NC om haar vertrouwen te winnen dat we geen geheime agenda hadden. In plaats van de SLP op te richten als een open federatie waarin ieder zijn eigenheid kon behouden, koos Scargill voor een strikt gecentraliseerde formatie.

Door het mislukken van de SLP en later de door de SWP tot een frontorganisatie omgevormde Socialist Alliance is het proces van vorming van een nieuwe arbeiderspartij in Groot-Brittanië langer uitgerokken. De massale oppositie tegen Blair uit zich nu ook binnen de vakbonden. De eis om de financiële steun aan New Labour te verminderen of stop te zetten wordt door steeds bredere groepen gedragen. Het uitstel in de vorming van een nieuwe arbeiderspartij heeft ertoe geleid dat sommige vakbondsleiders de eis van hervorming van New Labour naar voor brengen. Sommige oude linksen willen de Labour Party opnieuw opeisen. Anderen willen ontwikkelen naar a-politiek syndicalisme in plaats van te vechten voor een nieuwe arbeiderspartij. Hoe dan ook weerspiegelt dat een verandering binnen de vakbonden.

Onder verschillende condities zijn soortgelijke ideeën opgekomen in Spanje ten aanzien van de PSOE. Ook daar is dat een weerspiegeling van het falen van de door de PCE geleide IU (Linkse Eenheid) die geen links alternatief op de PSOE heeft voorgesteld en lokaal in besparingscoalities met de PSOE zit. In Portugal behaalde een kartel van de ex-pro-Albaanse stalinisten van de UDP, de Portugese sectie van het VSVI, de PSR en Politics XXI, een split van de PCP, onder de naam Links Blok met 140.000 stemmen 3 parlementszetels binnen. Het Links Blok is er in geslaagd de ruimte ter linkerzijde van de PS en de PCP in te vullen. Behalve de activisten van de drie stichtende organisaties heeft het een aantal gereactiveerde activisten uit de jaren ’70 en ’80 bijeen gebracht. Haar programma ‘Portugal – nieuwe tijden, nieuw links’ , weerspiegelt haar reformistische opvattingen in “een nieuwe, innoverende taal”. Alternativa Socialista, de Portugese afdeling van het CWI werkt binnen het Links Blok samen met de oppositiestrekking “Ruptura”.

Het voorbeeld van Portugal werd door de SAP opgevoerd als één van de mogelijke scenario’s voor België, samen met de Rood/Groene alliantie in Denemarken en de SSP in Schotland. Wij staan niet noodzakelijk negatief tegenover pogingen om het vacuüm ter linkerzijde, links van SP en Agalev, via linkse coalities in te vullen. Het voorstel van de SAP is alvast een stap vooruit in vergelijking met hun eerdere posities in ’99 – geen deelname aan ons voorstel voor een linkse alliantie, maar knutselen met kandidaten op verschillende lijsten, waaronder Ecolo, Leef e.a. – in ’00 – met hun oproep voor een rood/groen blok tegen het blauw/zwarte gevaar – of 2003 – toen leden van de SAP opriepen voor de AEL-kandidaten op de lijst Resist.

Sectarisme en opportunisme

We moeten opletten voor sectarisme en opportunisme en elke trend naar een sectaire houding ten aanzien van de arbeidersklasse en de jongeren bestrijden. Sectarisme heeft echter niets te maken met het innemen van een principieel standpunt voor de verdediging van ons programma en de opbouw van onze organisatie in oppositie tegen andere politieke groepen die een verkeerd programma vertegenwoordigen en een verkeerde werkmethode die verwarring en desoriëntatie zaait onder de arbeiders. In volle Spaanse revolutie voerde Trotski een polemiek met Victor Serge, Georges Vereecken en Henk Sneevliet die dachten dat Trotski te streng (te sectair) was tegenover de POUM en haar belangrijkste leider Andres Nin.

Nin was eerst leider van de Spaanse Linkse Oppositie. Hij weigerde het voorstel van Trotski om aan entrisme te doen binnen de jongsocialisten – een organisatie met 10.000-en leden die snel radicaliseerde – om er de beste militanten te winnen. In plaats daarvan fusioneerde de organisatie van Nin met het “Arbeiders- en Boerenblok” (een rechts communistische organisatie die dicht bij de stellingen van Bucharin aanleunde) om de POUM te vormen. De POUM was niet in staat zich te oriënteren op de snel radicaliserende jongsocialisten (hun leider, Santiago Carillo zou weldra aansluiten bij de PC). Erger nog: in Catalonië trad de POUM toe tot de Volksfrontregering. Wij denken dat niet Trotski, maar Nin, Vereecken en co zich sectair opstelden door hun principeloze fusie die een hinderpaal betekende om zich te oriënteren op de massa van de radicaliserende jongsocialisten.

In het algemeen is een politiek front met “revolutionairen” een hindernis om zich te richten naar de radicaliserende massa van de arbeiders. Niet omdat de delen van zo een front slechte bedoelingen zouden hebben, maar omdat delen ervan de noodzaak niet begrijpen om zich te richten naar de massa’s, noch de methode kennen waarop dat kan (onder meer via overgangseisen). Het was daarom dat Trotski dacht dat de POUM, Vereecken, Sneevliet en co de echte sectairen waren. De taktiek van het éénheidsfront blijft een belangrijk aspect van onze werking, maar we moeten afwegen hoeveel tijd en middelen we erin investeren. Formele allianties met andere groepen zijn onvermijdelijk van tijdelijke aard en kunnen van korte duur zijn.

De Scottish Socialist Party heeft nu 2.000 leden op papier, waarvan een goede 300 actief. In mei 2003 behaalde ze liefst 6 parlementsleden. Dat is omwille van het politieke vacuüm door de verburgerlijking van New Labour en de verrechtsing van de SNP. Het CWI is daar niet door verrast, maar het ligt binnen de lijn van wat we van bij het begin dachten. Het CWI heeft zich ook nooit verzet tegen de vorming van de SSP. Het meningsverschil met onze voormalige sectie draaide rond hun voorstel om Scottish Militant Labour, de revolutionaire partij, te ontbinden en al haar bezittingen en vrijgestelden over te hevelen naar de SSP, door henzelf beschreven als een hybride partij (tegelijk reformistisch en revolutionair).

Het CWI stelde voor meer tijd te nemen door SML, dat een enorme autoriteit genoot onder meer op basis van de strijd tegen de Poll Tax en in de jaren ‘90 tot 22% scoorde in verkiezingen in Glasgow, te herlanceren als SSP, een revolutionaire partij. Bovendien stelden we voor als optie 2, indien de meerderheid van SML niet kon overtuigd worden van optie 1, om SSP te lanceren als een brede socialistische partij van arbeiders en jongeren. Ook in dit geval verdedigden wij echter de nood voor revolutionaire socialisten om hun eigen programma, politieke lijn en organisatie te behouden en ervoor te vechten binnen de SSP en de arbeidersklasse, met als doel de opbouw van een revolutionaire partij.

De meerderheid van onze voormalige sectie in Schotland lanceerde de SSP, maar verliet helaas de idee om een revolutionaire partij en een internationale op te bouwen. Ze lostten hun organisatie op in een losse groepering van SSP-leiders binnen de International Socialist Movement (ISM). Ze hebben het programma en de methode van het CWI opgegeven. De posities van het CWI over het Midden-Oosten, Cuba, de economie en andere worden niet langer verdedigd door ISM of de SSP. De SSP en haar leiding hebben nu een links-reformistisch programma aangenomen. Hoe de SSP zal ontwikkelen staat bijgevolg ter discussie. Onze kameraden werken als fractie binnen de SSP, we weigeren er de bureauctratische regels na te leven die enkel platforms toestaan en alle SSP leden opleggen om publiek uitsluitend het SSP-blad te verkopen.

De SSP werd een succes omwille van de objectieve situatie, de invoering van een proportioneel kiesstelsel, maar vooral omwille van de erfenis van Scottisch Militant Labour. Het was SML dat de strijd rond de Poll Tax had gestart en geleid. Tommy Sherridan werd vanuit de gevangenis verkozen als eerste SML-gemeenteraadslid. SML behaalde in de jaren ’90 tot 22% van de stemmen in Glasgow. Zonder de autoriteit van SML had de SSP nooit geworden wat het vandaag is. In Portugal, is het succes van het Links Blok een weerspiegeling van de radicalisatie in de maatschappij en van het verraad van de SP en de PCP. Bovendien bracht vooral de UDP en ook de PSR een reeks activisten aan die het project konden dragen. Tenslotte ligt de kiesdrempel er net zoals in Denemarken veel lager dan in België.

De SAP vergist zich als ze denkt dat de KP, de PC, Leef, de SAP en de LSP, of de ondertekenaars van de oproep rond ‘Groen en Links in Vlaanderen’ over de autoriteit beschikken en de militante kracht om een SSP op te starten. Ze vergist zich eveneens als ze denkt dat eerdere samenwerking tussen die organisaties voldoende éénheid heeft gecreëerd voor samenwerking in een permanent links blok. Alleen al omtrent de sluiting van Cockerill zijn er minstens drie posities: de PC steunt de officiële positie van de vakbond en ijvert hooguit voor een sociaal plan, de SAP pleit voor reconversie, LSP voor nationalisatie onder arbeidscontrole.

In Gent steunen een deel van de SAP-restanten, wat overblijft van de KP en een deel van Leef het afvalbeleid van de stad, terwijl LSP er volop in de clinch mee ligt, idem voor de huisvestingspolitiek. Dat wil niet zeggen dat we niet bereid zijn tot een éénheidsfront met deze organisaties rond specifieke afgebakende thema’s, verkiezingen incluis, maar een permanente samenwerking lijkt ons in dit stadium onmogelijk. Dat kwam al tot uiting in Luik waar de vrijheid om met eigen materiaal naar buiten te komen in vraag gesteld werd door één van de stuwende krachten achter de lijst PC-RDS.

De krachten voor een formatie vergelijkbaar met de SSP bestaan op dit ogenblik niet in België. Zelfs een blok van alle linkse partijtjes en groepen zou noch over de autoriteit beschikken, noch over een voldooende maatschappelijke draagkracht. Organisaties als Attac, dat in Frankrijk en Duitsland een vrij massale aanhang kent, reiken in België niet verder dan wat NGO-bureaucraten, oude activisten en hier en daar een geïsoleerde jonge academicus. Dat kan uiteraard veranderen op basis van massale bewegingen. Op dit ogenblik zou een links blok echter staan of vallen met de militante kracht van zowel PvdA als LSP. Dat zou echter een fundamentele verandering in de politiek van de PvdA vereisen, die tot nog toe ieder ernstig voorstel in die zin, heeft afgewezen voor zover het niet uitdrukkelijk onder de door haar voorgestelde naam en programma geschiedt.

Zelfs na het debâcle met Resist wijst niets erop dat de crisis binnen de PvdA zou kunnen leiden tot een dergelijke politieke verschuiving. Bovendien zullen wij de lessen van Trotski betreffende de POUM in Spanje niet uit het oog verliezen. Onze eventuele deelname aan een dergelijk blok is afhankelijk van de mate waarin dat een latere oriëntatie naar bredere groepen radicaliserende arbeiders en jongeren niet schaadt. Voor alle duidelijkheid: noch de SSP, noch het Links Blok, noch de Rood/Groene Alliantie zijn nieuwe arbeiderspartijen. Het zijn interessante tussentijdse formaties die bij gebrek aan een arbeiderspartij het vacuüm ter linkerzijde gedeeltelijk opvullen. Wij kunnen daaraan deelnemen, en nemen eraan deel in Schotland en in Portugal. Het zou echter verkeerd zijn alle pijlen op die formaties te richten en niet open staan voor andere ontwikkelingen via de vakbonden of linkse groepen die zich mogelijk afscheuren van de traditionele burgerlijke arbeiderspartijen.

Zowel op 4 en 5 december 2000 als op 9 en 10 juni 2003 nam het CWI deel als waarnemer aan de conferentie van Europees anti-kapitalistisch links. Deze conferentie maakt deel uit van een reeks van 6 die werd opgestart in maart 2000 te Lissabon door de Rood/Groene alliantie van Denemarken, het Links Blok van Portugal, de SSP en de LCR. Hun doel is radicaal links op Europese schaal te verenigen op basis van debatten, pluralisme en samenwerking. Uiteindelijk willen ze en Europees politiek alternatief creeëren tegen de neo-liberale sociaal-democratie. Onder de deelnemers van de 6de conferentie bevonden zich naast de 4 initiatiefnemers de Socialistische Alliantie van Engeland en Wales, de SWP, het Spaanse Espacio Alternativo, de PRC, SolidaritéS van Zwitserland, de ÖDP van Turkije en als waarnemers de Socialist Party van Engeland en Wales en de Socialist Party van Ierland, Synaspismos van Griekenland, IU van Spanje, en de DKP van Duitsland. De Rode Allantie van Noorwegen, de SP van Nederland, La Gauche van Luxemburg en de Beweging voor Socialisme van Zwitserland namen deel aan eerdere conferenties.

Binnen EACL lopen de meningen over diverse punten ver uiteen. IU vond bijvoorbeeld dat neo-liberalisme e capitalisme hetzelfde betekenen en dat het daarom voldoende is te spreken over neo-liberalisme. Het Links Blok stelde dat de massa’s leren uit politieke ervaring en niet uit programma’s. De RC van haar kant pleitte ervoor dat de Europese Commnistische partijen open zouden staan voor EACL, met de duidelijke implicatie dat indien dat niet zou lukken, de RC binnen de Communistische Europese fractie zou blijven. Dat zou EACL enorm verzwakken, zowel inzake gewicht als inzake haar mogelijkheid om de beruchte norm van 7 landen met parlementaire vertegenwoordigers te halen. De LCR en de SWP vonden dat de eis voor een socialistisch Europa te revolutionair was om hem in het programma van EACL op te nemen. Over het karakter van de sociaal-democratie was er een meningsverschil met IU, de Rood/Groene alliantie en de SWP die allen argumenteerden dat er geen fundamentele verandering had plaats gegrepen in de sociaal-democratie.

In het algemeen stonden wij links van de anderen in de conferentie, meestal in en minderheid van 2. Het is echter niet uitgesloten dat ze ons in de toekomst eveneens uitnodigen, niet in het minst omdat ze hopen via Joe Higgins in Ierland de criteria voor een Europese Linkse Partij te behalen. Wij staan niet automatisch afkerig tegenover samenwerking met EACL. Het zou nuttig zijn een aantal argumenten in de meeting in geschreven materiaal op te nemen. Het is niet uit te sluiten dat de SAP probeert via de oproep ‘groen en links in Vlaanderen’ een Belgische poot uit de grond te stampen met het oog op de Europese verkiezingen. Onze houding zal bepaald worden door de credibiliteit van die lijst en de mate waarin dit project aansluit bij de realiteit op Europees en op Belgisch niveau.

Pogingen ter linkerzijde in België

Sinds de verkiezingen van 18 mei zijn de voorstellen voor een breder initiatief om het vacuüm ter linkerzijde, links van SP en Agalev in te vullen, vermenigvuldigd. Deze initiatieven worden helaas niet geschraagd door massale bewegingen of brede groepen van arbeiders en jongeren. Bovendien bestaat er niet de minste duidelijkheid over de houding die moet aangenomen worden t.a.v. SP.a, PS, Agalev en Ecolo. Naarmate de verkiezingen van juni volgend jaar dichterbij komen vrezen we voor een afvallingskoers. Er bestaat nochtans ook in België een objectieve nood aan een strijdpartij die alle stromingen binnen de arbeidersbeweging verenigt. Die zal echter pas een draagkracht krijgen op basis van massale gebeurtenissen op politiek en industrieel vlak.

Het totale gebrek aan een voldoende ingeplantte arbeiderspartij die uitdrukking kan geven aan de talloze strijdbewegingen laat zich al voelen sinds de staking tegen het Globaal Plan van ‘93. De grootste staking sinds 1936, in termen van aantal deelnemers, strandde op het feit dat iedere alternatieve regeringsformule nog rechtser zou zijn dan die van Dehaene. Diezelfde redenering bleef bestaan ten tijde van de regenboogcoalitie en nu ook met paars. Op basis van de ervaring ten tijde van het Globaal Plan werd destijds in Wallonië Gauche Unis opgericht en in Vlaanderen de Rood/Groene beweging. Gauches Unie, dat meer dan 2% behaalde in de verkiezingen, ging uiteindelijk ten onder aan de louter electoralistische aanpak en het gemaneuvreer van POS en PC. Rood /Groen was een doodgeboren samenraapsel van ‘linkse’ intellectuelen en oud-activisten.

In ’94 ontstond in Antwerpen de Beweging voor Sociale Vernieuwing rond voormalig SP-gemeenteraadslid en Payoke oprichtster Patsy Sörensen. Onder andere de KP en de SAP namen hieraan deel. BSV wordt vandaag door een politiek bureaulid van de SAP aangehaald als na te volgen voorbeeld: geen hergroepering, dat stadium zou de SAP al voorbij zijn – met wie weten we niet – maar een recompositie. Het verschil zou hem liggen in het feit dat bij hergroepering elke component onafhankelijk blijft bestaan, terwijl recompositie zou betekenen dat de verschillende componenten volledig met elkaar en de onafhankelijken verstrengeld waren. Met andere woorden: SAP en KP hadden zich opgelost in BSV, althans dat wil de SAP ons doen geloven.

BSV had echter noch een project, noch een programma. Resultaat: BSV sloot een akkoord met Agalev en Patsy en Mieke (Vogels) trokken arm in arm naar de Gemeenteraadsverkiezingen. BSV bezette en bloc de laatste plaatsen van de Agalev lijst. De gerecomposeerde SAP had het blijkbaar goed uitgerekend. Stemmenkanon Patsy, toekomstig schepen, stond helemaal achteraan de lijst. Ze werd verkozen en sleepte met haar voorkeurstemmen nog 2 andere BSV-leden de gemeenteraad binnen. Die 2 waren als bij toeval SAP-leden, ééntje die de grote coalitie met SP, VLD, Antwerpen ’94 (o.a. CVP en VU) en Agalev binnenstapte en eentje dat alleen in de oppositie achter bleef. Het werd een smadelijke afgang, voor BSV omdat het geen enkel gewicht in de schaal kon leggen en voortdurend toegaf aan de meerderheid, voor de SAP omdat haar oppositielid in de gemeenteraad een aantal flinke bokken schoot.

BSV sloot in 2000 een akkoord met Vivant voor een gemeenschappelijke lijst. Dat werd een totale flop. Vandaag laat BSV haar leden vrij te kandideren op om het even welke “democratische lijst”. Patsy onderhandelt sinds 2002 met de SP.a van Patrick Jansens. Daarmee is de cirkel bijna rond. Na de witte mars (oktober ’96) wou Paul Marchal, vader van één van de vermoorde meisjes, de massale beweging die hierdoor werd losgeweekt politiek vertalen in een nieuwe formatie. Die formatie viel echter al gauw uiteen nadat bleek dat ze door extreem-rechts was geïnfiltreerd. Frappant waren echter de illusies die sommige linksen in dat soort formaties koesterden en vooral ook in de voorzitter van de toenmalige Dutroux-commissie, Marc Verwilghen, VLD’er en later minister van Justitie. Samen met de liberaire lijsten ROSSEM en Banaan, de lijst WIT en Waardig Ouder Worden, drukte de PNP het verlangen uit naar een partij die ‘de gewone man’ vertegenwoordigd.

De enige ernstige poging sinds Gauche Unie om een alternatief links van SP.a, PS, Agalev en Ecolo te creëren was ongetwijfeld Debout!. Die behaalde ruim 2% in de Europese verkiezingen van ’99, 4 tot 6% in sommige Waalse industriële gebieden, ondanks het feit dat de PC een eigen lijst naast die van Debout indiende. Debout was een uitvloeisel van de strijd van de arbeiders van Clabecq die met hun milticolore mars op 2 februari ’97 maar liefst 70.000 syndicalisten hadden gemobiliseerd. Dat was zonder enige oproep of steun van de vakbondsleidingen noch van de zogenaamde nieuwe sociale bewegingen. Het was op basis van de autoriteit van die strijd dat de syndicale delegatie van Clabecq zowel de PvdA als de LSP, als een deel van de SAP en zelfs enkele PC-leden kon verenigen met een reeks syndicalisten voor een gemeenschappelijk electoraal initiatief.

Debout ging echter gebukt onder het isolement waarin Clabecq door toedoen van de nationale vakbondsleidingen werd gedreven. Die deed er alles aan om een eenmaking van de strijd tegen de sluiting van Renault met die van Clabecq te torpederen. Bovendien eiste het proces tegen 13 syndicalisten, waaronder D’Orazio en Mara, zowat alle energie op. Als gevolg daarvan en van het feit dat de PvdA fors op de rem stond, bleef Debout bij een éénmalige ervaring. Hoewel het aantal strijdbare syndicale delegaties in de voorbije jaren fors is terruggedrongen, moeten we er niet aan twijfelen dat er de komende jaren steeds meer strijdhaarden op bedrijfsniveau zullen ontstaan. Wij denken dat de eerste stappen naar een nieuwe arbeiderspartij vooral vanuit de syndicale delegaties in de bedrijven kunnen komen.

Dat heeft ons echter niet verhinderd zelf een aantal initiatieven te nemen om het vacuüm ter linkerzijde intussen gedeeltelijk aan te boren. In ’99 pakten we uit met een voorstel tot linkse alliantie. In Luik en Brussel hadden we kandidaten op de PC-lijst, in Gent-Eeklo met een lijst van Militant Links, en in Aalst-Oudenaarde-Ronse namen we deel aan Leef. In 2000 herhaalden we tijdens de gemeenteraadsverkiezingen onze samenwerking met Leef. In 2003 namen we deel aan RDS-PC in Brussel, de PC-lijst in Henegouwen en de PC-RDS-lijst in Luik. Aangezien leef zichzelf beschouwt als en netwerk en niet direct als een zichzelf opbouwende formatie was Leef tegen 2003 fors verzwakt. Een loutere herhaling van de lijst in 1999 zou geen correcte weerspiegeling geweest zijn van de reële krachtsverhoudingen. Een herhaling van Leef-1999 zou een belemmering geweest zijn voor LSP. Vandaar ons voorstel aan Leef om als kartel Leef-LSP op te komen in 2003. Leef bedankte hiervoor. Wij kwamen op als LSP in Vlaanderen en Brussel voor de senaat en in Oost-Vlaanderen voor de kamer.

Sommige linkse activisten hopen dat de PvdA ooit een gedaanteverwisseling zal ondergaan vergelijkbaar met die van de SP in Nederland en dat op die manier, al gebruiken ze meestal niet die bewoordingen, ook in België een kleine massapartij kan ontstaan. Zij zien niet de specifieke voorwaarden waardoor de SPNL zo een ontwikkeling kon doormaken nl. het proces van verburgerlijking van de PvdA in Nederland voltrok zich veel eerder dan het geval was in België zowel voor de SP.a als voor de PS. Zelfs in de regering konden SP.a en PS zich steeds verschuilen achter de CVP/PSC en later VLD/MR. In Nederland was de PvdA lange tijd het politieke instrument bij uitstek van de burgerij. SPNL telde anno ’91 reeds 15.000 leden en tientallen gemeenteraadsleden en was toen al in ledenaantal de vierde partij.

De PvdA zelf ziet de noodzaak van een nieuwe arbeiderspartij niet in. Ze gaat ervan uit dat die al bestaat nl. de PvdA zelf. Een eventuele strijd om de PvdA om te vormen naar een soort SPNL-bis maakt meer kans om de PvdA tot schroot te herleiden dan te leiden tot electorale successen. Wij denken niet dat de PvdA de ervaring van de Nederlandse SP kan overdoen. Pogingen om via opportunische bokkensprongen het probleem van een nieuwe arbeiderspartij te omzeilen, zullen de PvdA niet redden. Het zal integendeel, zoals Resist, de demoralisatie van de eigen militanten alleen versterken.

Een nieuwe arbeiderspartij

Zowel de PvdA als Vonk verwijten ons dat we zouden pleiten voor een nieuwe reformistische partij in opvolging van SP.a en PS. Dat is niet correct. Wij pleiten voor een nieuwe arbeiderspartij en het programma dat we voorstellen aan die partij is het programma van LSP. Wij zijn echter realistisch genoeg om te beseffen dat we vandaag de meerderheid van arbeiders, zelfs diegenen die strijdbaar zijn, daarvan wellicht niet zullen kunnen overtuigen en dat de meest waarschijnlijke uitkomst een reformistisch programma zal zijn. Het is echter niet omdat dit volgens ons de meest waarschijnlijke uitkomst zal zijn dat we ons binnen zo een nieuwe formatie zomaar zullen neerleggen bij een reformistisch programma, integendeel we zullen georganiseerd vechten voor het LSP-programma, maar we zullen het niet voorstellen als “te nemen of te laten”. Onze kameraden mogen ons perspectief en ons programma niet met elkaar verwarren.

We moeten hier nog aan toevoegen dat gezien de diversiteit van ideeën in de arbeidersbeweging zo een nieuwe formatie wellicht eerder een federatie van verschillende strekkingen zal zijn, dan een partij in de letterlijke zin van het woord. Het is echter niet omdat zo een strijdformatie in het algemeen een reformistisch programma dreigt aan te nemen dat het geen stap vooruit zou betekenen voor de arbeiders. De Vonk vraagt zich af welke zin het heeft om een nieuwe, wellicht reformistische, partij te promoten. Als je ervan uitgaat dat SP.a en PS burgerlijke arbeiderspartijen zijn waarvan een deel van de basis gewonnen kan worden voor een revolutionair programma: geen. Als je er echter vanuit gaat dat SP.a en PS steeds meer verburgerlijken en het impact van de arbeidersbasis, voor zover die er nog is, voortdurend afneemt, dan heeft het zeker zin. Het bestaan van reformistische arbeiderspartijen na WOII was een gegeven dat onder meer het verschil inzake sociale zekerheid tussen de VS, waar zo een partij niet bestond, en West-Europa, waar ze wel bestonden, helpt verklaren.

We hebben al eerder aangegeven dat we denken dat een nieuwe formatie in België, gezien de syndicalisatiegraad en het gewicht van de georganiseerde arbeidersklasse, wellicht op basis van strijd vanuit syndicale delegaties zal ontstaan. Het is echter niet omdat het syndicale apparaat op dit ogenblik overkomt als een monolitisch blok dat er ook daar geen delen, onder druk aan de basis, naar links zouden kunnen opschuiven en de eis van een nieuwe arbeiderspartij zouden kunnen naar voor brengen. De ontwikkelingen op industrieel vlak en binnen de bonden zullen beslissend zijn. Destijds waren we voorstander van een organische band tussen de vakbonden en de SP en PS.

Naar het ACV toe riepen we op voor een breuk met de zuiver burgerlijke CVP en de oprichting van een democratische éénheidsvakbond van ABVV en ACV op een strijdbaar socialistisch programma. Juist omdat SP en PS destijds hun gebrek aan strijdbaarheid trachtten te compenseren door anti-katholiek fanatisme, en daardoor heel wat oprechte christelijke arbeiders in de handen van de CVP hadden gedreven, steunden we de oproep van WKAP (Werkgroep Kristelijke Arbeiderspartij) voor een onafhankelijke christelijke arbeiderspartij. We zagen hierin een tijdelijke brug die de kans zou bieden voor een arbeiderséénheidsfront met een mogelijke fusie met de SP aan het einde van de rit.

Wellicht waren we destijds, omwille van onze werking als marxistische fractie binnen de sociaal-democratie, te éénzijdig en exclusief in onze benadering van de band tussen ABVV/FGTB en SP/PS. Post factum zou een gedeeltelijke steun aan andere arbeidersformaties, afhankelijk van hun inplanting onder syndicalisten, mogelijks een betere formule geweest zijn. Sindsdien is van hervormingen al lang geen sprake meer, wel van tegenhervormingen. De sociale basis van SP.a en PS bestaat nu vooral uit middengroepen. De weinige arbeiders die er nog actief zijn verlaten die partijen net op het moment dat ze in strijd gaan. Ze komen niet naar die partijen om de maatschappij te veranderen, maar gaan er juist van weg als ze dat willen.

De vakbonden oefenen niet langer druk uit op de sociaal-democratie om de belangen van hun leden te verdedigen, zelfs al was het maar heel gedeeltelijk, integendeel, de sociaal-democratie komt nu tussen bij de vakbonden om aan de vakbondsbasis de neo-liberale besparingslogica te verkopen. De greep van de sociaal-democratie op de vakbonden verhindert iedere veralgemening van strijd. Onder die omstandigheden zijn wij voorstander van een totale breuk van de vakbonden met de verburgerlijkte sociaal-democratie. Wij zijn het echter niet eens met die syndicalisten die ervoor pleiten met de vakbond niet aan politiek te doen. Integendeel, de vakbonden hebben juist een arbeiderspartij nodig die hun eisen politiek kan vertalen.

De relatie van de ABVV-top met de sociaal-democratie is een enorme rem op de arbeidersbeweging. Het ABVV gooit bijna systematisch de handdoek in de ring, aanvaardt de grote lijnen van de regeringspolitiek en verzet zich niet tegen sluitingen en afdankingen. Hooguit probeert het ABVV sociale afvloeiingsplannen te onderhandelen, politieke lobying en juridische spitstechnologie. Een krachtsverhouding opbouwen op basis van strijd vermijdt het ABVV ten alle prijze. Door het gewicht van de syndicale bureaucratie, mede door haar bijna ongeevenaarde integratie in het staatsapparaat slaagt het ABVV erin iedere strijdhaard te doven. Deze politiek heeft echter haar limieten.

Paars kan onmogelijk blijven tegen de Europese trend van drastische saneringsplannen ingaan. Zodra de verkiezingen achter de rug liggen zal ze wellicht een inhaalmaneuver inzetten. Op dat ogenblik zullen zowel het ABVV als het ACV onder forse druk staan aan de basis. Het nadeel van het gewicht van de syndicale bureaucratie zou dan wel eens kunnen omslaan in een voordeel, eens de trein aan het rollen gaat. Hoewel de gedeeltelijke verwijding van het ACV met de CD&V en de aankondiging dat ze bereid is ook met andere partijen te praten niets te maken heeft met een bocht naar links, maar alles met een poging om te gaan schooien bij de regering en hoewel een deel van het ACV-apparaat ongetwijfeld uitkijkt naar de SP.a en de PS als gesprekspartner binnen de regering, is een diepe radikalisatie van de ACV-basis geenszins uitgesloten. In periodes van verhevigde klassenstrijd kan vanuit die hoek de vraag naar een arbeiderspartij zich opnieuw stellen. Deze keer zal het voor de SP.a, gezien haar politiek in de regering, moeilijker zijn deze beweging te recupereren.

Besluit

De stabiele periode van het kapitalisme ligt definitief achter de rug. Steeds meer arbeiders en hun gezinnen, maar ook belangrijke delen van de middengroepen en zelfs de kleinburgerij zullen het kapitalisme in vraag stellen. Dat zal gepaard gaan met restanten van de vorige periode, met verwarring, ideologische en organisatorische zwakheden. Tot op zekere hoogte zal de beweging, ook de arbeidersbeweging, in de loop van de strijd, een aantal van de verworven gewaande ervaringen, opnieuw moeten leren. De nood aan een georganiseerde linkerzijde binnen de vakbonden, alsook in uitzonderlijke gevallen tijdelijke scheuringen, zullen een kenmerk worden van de nieuwe periode. Tegelijk zal het inzicht van de nood aan een brede politieke arbeidersformatie, eerst onder een voorhoedelaag, geleidelijk doordringen.

Hoewel de objectieve nood aan een nieuwe arbeiderspartij zich nu al meer dan 10 jaar stelt, zijn de krachten voor de vorming ervan vandaag nog steeds niet gerijpt. Dat zal pas gebeuren op basis van massale industriële en politieke strijd. Zoiets kan echter zeer snel ontwikkelen. We moeten onze krachten daar systematisch op voorvereiden. Intussen zijn we bereid om deel te nemen aan eenheidsfronten rond concrete eisen voor zover ze geen belemmering vormen op de uitbouw van onze partij en op onze interventie in of rond toekomstige massapartijen. Een fusie van klein links zou echter voor beide een fatale vergissing zijn.

LSP staat vandaag voor een dubbele taak: enerzijds de uitbouw van de revolutionaire stroming, anderzijds de creatie van een breder politiek instrument van de arbeidersbeweging. Die twee taken zijn niet aan elkaar tegengesteld, maar vullen elkaar juist aan. De brede politieke formatie van de arbeidersbeweging is een taktische kwestie die arbeiders moet toestaan aan de hand van practische ervaringen de nood aan een revolutionair programma en een revolutionaire massapartij in te zien. Dat is tenslotte waar het ons om te doen is: de creatie van een instrument dat de maatschappij in socialistische zin kan omvormen. Die taak kan enkel volbracht worden door een revolutionaire massapartij. De retoriek van SAP omtrent hergroepering en recompositie houdt hier totaal geen rekening mee: hun doel is de nieuwe formatie, voor ons is dat slechts een middel om de nood aan een revolutionaire massapartij bij bredere lagen dieper te laten inzinken.

De beste voorbereiding op de toekomstige ontwikkelingen en onze belangrijkste taak blijft echter de uitbouw van de revolutionaire stroming. Dat vergt een juiste analyse van de objectieve situatie, correcte perspectieven en een stevig overgangsprogramma. Het vergt echter ook een fitte, dynamische organisatie. Dat proberen we te bereiken door het koppelen van concrete doelstellingen aan onze perspectieven. Doelstellingen inzake recrutering, ledenbijdragen, strijdfonds, bladverkoop en vorming. We willen dat ieder LSP-lid een deel van die taken op zich neemt met een ijzeren wil om ze te realiseren! Dat alleen kan ons de garantie bieden dat LSP voorbereid is op de massale gebeurtenissen die ons te wachten staan!

Samenvattend kunnen we stellen dat (1) de uitbouw van de revolutionaire partij onze belangrijkste taak blijft; dat we (2) om een revolutionaire massapartij te creëren wellicht een omweg zullen moeten maken langs een nieuwe arbeiderspartij; dat (3) die nieuwe arbeiderspartij zich wellicht pas zal concretiseren na een breuk van een segment van de syndicale militanten met de voormalige burgerlijke arbeiderspartijen; en dat (4) zelfs bij belangrijke politieke en industriële bewegingen een nieuwe arbeiderspartij pas concreet zal worden indien er bewust een politiek in die richting gevoerd wordt.

Het programma dat LSP verdedigt voor een nieuwe arbeiderspartij is het programma van LSP. Het ontbreken van een arbeiderspartij over een uitgerokken periode heeft echter enorme effecten gehad op het bewustzijn van arbeiders en jongeren. Daardoor zal een nieuwe arbeiderspartij wellicht de verwarring en illusies van die arbeidersbeweging weerspiegelen en zal LDP in een eerste fase hoogst waarschijnlijk slechts een minderheid kunnen overtuigen van haar programma. Er zijn echter een aantal minimumvereisten waaraan een nieuwe arbeiderspartij zal moeten voldoen om een nuttig instrument te zijn voor de arbeidersbeweging. Ze zal de verdeel-en-heersstrategie van de burgerij moeten doorprikken.

Dat betekent dat ze absoluut het racisme zal moeten bestrijden omdat dit een deel van de arbeidersbeweging in de handen drijft van reactionaire krachten of krachten die de verdediging van specifieke belangen van één groep voorop stellen op die van heel de arbeidersklasse. Het is juist de ontwil van de voormalige burgerlijke arbeiderspartijen om racisme fundamenteel aan te pakken, die het succes van moslimpartijen verklaart. We mogen deze fout niet herhalen. Een nieuwe arbeiderspartij zal eveneens ingaan tegen het idee dat voormalige arbeiders die intussen werkloos zijn geworden, of kinderen van arbeiders die nooit aan een job geraakt zijn, profiteurs zijn, zoals de burgerij suggereert. Werkloze arbeiders zijn geen profiteurs, maar de slachtoffers van de echte profiteurs: het patronaat en haar politieke en ideologische lakeien.

Het belangrijkste instrument vandaag om de arbeidersklasse te verdelen is zonder enige twijfel het seksisme. Waar er rond racisme een zeker bewustzijn is gegroeid, wordt seksisme in de arbeidersbeweging en vooral onder linkse progressieve intellectuelen als de normaalste zaak beschouwd. De SP.a is de ‘babe-partij’ bij uitstek geworden, pornografie en pornografisch getinte reclame wordt steeds meer bespreekbaar, prostitutie wordt gelegaliseerd alsof het om een sociaal beroep zou gaan. Wie het daar niet mee eens is, wordt verweten een preutse kwezel te zijn. Dat doet ons denken aan de argumenten waarmee men ons enkele decennia geleden racisme en apartheid wou laten slikken. Silvio Marra, oud-delegee van Forges de Clabecq, vertelde ons dat de delegatie na ieder verlof telkens weer de blote madammen moest verwijderen uit de kleedkamers. Als een syndicale delegatie van een staalbedrijf, waar bijna uitsluitend mannen werkten, dat zo belangrijk vond, waarom zouden wij dan niet met evenveel ijver de burgerlijke seksistische vooroordelen bestrijden ten aanzien van de helft van onze klasse.

Delen: Printen: