Splintex: lessen uit de strijd trekken

Interview met Gustave Dache

Om het geheugen op te frissen: op 2 januari vernemen de 840 arbeiders van de glasfabriek AGC Automotive, ex-Splintex (Fleurus), dat een herstructureringsplan 284 jobs zou kosten. De arbeiders gaan daarop spontaan in actie. Deze staking, die langer dan 100 dagen duurde, toonde de immense vastberadenheid van de arbeiders. Ze toonde ook de ongelooflijke agressie van het patronaat, daarin bijgestaan door haar trouwe medewerkers bij het gerecht, de politie en de media. Deze strijd heeft door haar duur, de vastberadenheid van de stakende arbeiders en de agressie van de patroons het kader van dit ene bedrijf overstegen. De staking stelt ook vele vragen naar de rol en de strategie van het syndicale apparaat. Waarom was het niet mogelijk om meer te verkrijgen, gezien de besliste strijd van de arbeiders? Het instrument van de regionale staking, in dit conflict naar voor geschoven door Gustave Dache en LSP-MAS, en opgenomen door vele arbeiders, werd nooit gerealiseerd door de vakbonden.

Vincent Devaux

Doorheen dit interview met Gustave Dache, bekend oud-syndicalist uit de regio van Charleroi, willen we de eerste stappen zetten in de analyse van het conflict. We zullen er later echter zeker nog op terugkomen op een meer diepgaande manier. Het is voor de hele arbeidersbeweging in België van belang om de noodzakelijke lessen uit deze staking te trekken. Dit met de bedoeling om duidelijke perspectieven voor toekomstige strijdbewegingen aan te brengen, noodzakelijke methodes van strijd voor de arbeidersbeweging voor de komende periode.

Gustave Dache speelde een rol in de ontwikkeling van dit conflict. Hij besteedde zijn tijd en energie om de arbeiders van Splintex in deze strijd te kunnen bijstaan. Daarbij baseerde hij zich op zijn eigen ervaring als delegee, maar ook op de beste tradities van de arbeidersbeweging. In het verleden nam Gustave deel aan de befaamde staking van ’60-’61. In die tijd was hij lokaal (Gilly), regionaal en nationaal verantwoordelijke voor de Jeunes Gardes Socialistes (JGS, jongerenorganisatie van de Belgische Socialistische Partij). Hij was ook syndicaal militant in het glasbedrijf Glaverbel. Vervolgens werd hij delegee bij de Metaal, bij Caterpillar. Later nam Gustave nog deel aan verschillende andere strijdbewegingen, in het bijzonder die rond de Forges de Clabecq, met onder meer Roberto D’Orazio en Silvio Marra.

Nederlaag

V.D.: Moeten we spreken van een nederlaag of een overwinning bij Splintex?

G.D.: We moeten de zaken bij hun naam noemen: we hebben te maken met een nederlaag. Zelfs al was er maar één ontslag gevallen, dan nog zou het een nederlaag zijn geweest. Op dit moment moeten we hier de lessen uit trekken en de verantwoordelijkheden nagaan. Ik weet dat meer en meer syndicale verantwoordelijken de neiging hebben om nederlagen als "overwinningen" te laten passeren, zeker wanneer ze zelf onder vuur liggen. Dit verhindert echter niet dat we de realiteit onder ogen moeten zien. Als we tenminste willen vermijden dat klaarblijkelijke nederlagen zich in de toekomst herhalen.

In het geval van AGC-Fleurus gaat het om een nederlaag voor de hele arbeidersbeweging. Natuurlijk moet de strijdbaarheid van de arbeiders bij AGC zeker niet in twijfel worden getrokken. Integendeel. Die was een waardige opvolger van de strijdbaarheid van de arbeidersklasse die we de laatste jaren tijdens een aantal andere conflicten zagen ontwikkelen. In het bijzonder doorheen de confliten bij Renault en Clabecq. Het is niet langs de kant van de arbeiders dat we de oorzaken voor deze nederlaag moeten zoeken. We moeten ze zoeken bij het reformistische syndicale apparaat en de partijen die zich zogenaamd "links" noemen.

V.D.: Denk je dat de vakbond op de interprofessionele vergadering alles heeft gedaan wat ze moest doen?

G.D.: Eerst moeten we de vraag stellen: wat bedoelen we met interprofessionele actie? Volgens mij dient dit om alle krachten van de verschillende centrales te bundelen en zo te wegen op alle sociale conflicten. Tegenover de multinationals is het idee van corporatisme – het verdedigen van enkel het "eigen" bedrijf – reeds lang een vervlogen illusie. In het geval van Splintex werd het conflict vergrendeld door de Algemene Centrale, met de medeplichtigheid van het hele syndicale apparaat. En dit in naam van de autonomie van de centrales, om er zeker van te zijn dat de strijd beperkt zou blijven tot Fleurus. Ondanks, overigens, de wil van de arbeiders om de strijd uit te breiden.

Interprofessionele 24 urenstaking

V.D.: Wat had men op interprofessioneel vlak dan wel moeten doen?

G.D.: De mogelijke effecten van de uitkomst van het conflict op de hele arbeidersklasse dwongen ertoe om alle syndicale krachten in te zetten. Dit om een antwoord te bieden aan de agressieve politiek van het patronaat. 5 weken voor het einde van het conflict heb ik op de inter-professionele bijeenkomst in Charleroi voorgesteld om een 24-urenstaking te houden, met het oog op de vorming van een krachtsverhouding in het voordeel van de arbeiders. In de dagen die daarop volgden hebben meerdere arbeiders van Splintex dit ook voorgesteld op de personeelsvergaderingen van AGC-Fleurus. Ook daar werd dit voorstel echter genegeerd door de syndicale delegatie.

Dit idee van een 24-urenstaking was geen doel op zich, maar had het begin kunnen zijn van meer uitgebreide acties. Ik geloof niet, wat sommige kameraden eronder verstonden, dat die 24-urenstaking het ultieme reddende middel was. De geschiedenis van de arbeidersbeweging leert ons echter dat de patroons maar één taal verstaan: de taal van de actie. En die 24 uren dienden als een beginpunt te worden gezien. Een betoging organiseren in Fleurus voor AGC na 3 maanden van staking als doel op zich en met occasionele dankberichten gaf de indruk van een eerste klas begrafenis.

V.D.: Kan je een beeld geven van de gevolgen van deze nederlaag?

G.D.: Ondanks enkele financiële verbeteringen en de prepensioenen is heel het patronaal plan gepasseerd. Met alle gevolgen vandien voor diegenen die niet werden ontslagen. Bijvoorbeeld de overgang van 3 naar 5 ploegen, de veranderingen van post. Je moet er ook mee rekening houden dat de arbeiders verslagen teruggaan naar het bedrijf en verzwakt werden door de vernietiging van een deel van de meest strijdbare basis en een deel van de leden van de syndicale delegatie. Die laatste moet nu verder werken in een moeilijke situatie. Des te meer aangezien een akkoord van sociale vrede werd getekend en gerespecteerd moet worden en het aantal syndicale delegees fors werd verminderd.

PS: tegen de arbeiders

V.D.: Wat was de rol van de PS in dit conflict?

G.D.: De PS stond zeker niet aan de kant van de arbeiders. Integendeel. Met het ‘comité d’alerte’ (1) zijn ze samengekomen om de directeur te laten bevrijden zodat hij zou kunnen onderhandelen. Toen de directie echter weigerde om te onderhandelen, hebben ze hen zeker niet gedwongen om te onderhandelen. Jean-Claude Van Cauwenberg (minister-president van de Waalse regering, nvdr) beschouwde de staking bij Splintex letterlijk als een zwarte vlek voor Wallonië. Minister van Werk Freya Van den Bossche liet zelfs de tussenkomst van robocops toe. De minister van Justitie loste geen woord over de dwangsommen tegen de staking. Na al die stellingnamen van de kant van politici van PS en SP.a moeten we ervan uitgaan dat ze de onbekwame heelmeesters zijn van een ziek kapitalisme.

(1) Het ‘alertheidscomité’, waarvan het doel was spontane conflicten te vermijden, werd opgericht op initiatief van PS-kopstuk Elio Di Rupo, in de periode dat hij informateur was voor de vorming van de regering. Het comité is samengesteld uit de Waalse Minister van Economie en Werk – J.C. Marcourt – en syndicale en patronale vertegenwoordigers

V.D.: Wat was de houding van de pers in dit conflict?

G.D.: De pers heeft in het algemeen tendentieuze informatie gegeven over het conflict. Zoals gewoonlijk heeft ze de patronale argumenten naar voor gebracht, waarbij ze zover ging om de arbeiders zwart te maken. Bovendien kwam ze voornamelijk met de dreiging van een sluiting van het bedrijf naar voor en de gevolgen dat dit kon hebben voor een regio die al hard getroffen was.

V.D.: De dreiging van een sluiting, was die reëel?

G.D.: In alle belangrijke conflicten, komt die dreiging voortdurend terug, om zo te wegen op de strijdbaarheid van de arbeiders. De syndicale apparaten zijn snel onder de indruk van dit soort argumenten, die meestal enkel bestaan uit een dreigement. Als een patroon wil sluiten, dreigt hij immers niet: hij sluit gewoon. Bij Renault waren er geen dreigementen, ze hebben het bedrijf gesloten. Als de arbeiders zich laten intimideren door die bedreigingen met sluiting, zou er nooit nog een strijd plaatsvinden voor het behoud van jobs. We zouden 100 jaar teruggeworpen worden. De arbeiders zijn altijd geneigd om de strijd te voeren, onafhankelijk van elk dreigement.

Elementen voor strijdsyndicalisme

V.D.: Kan je dan een aantal methodes voor de ontwikkeling van een strijdsyndicalisme aanbrengen?

G.D.: Allereerst, het eerste wat je moet doen in een conflict, is het verkiezen van een groot stakingscomité, verkozen op een algemene vergadering. Met als enig doel de overwinning van de staking. Dit comité moet zijn samengesteld uit de meest strijdbare arbeiders, de meest toegewijden aan hun klasse. Daar kunnen syndicale delegees bij zijn, maar ze moeten hierin een kleine minderheid zijn.

Er zou dagelijks een algemene vergadering moeten zijn met een verslag aan het geheel van de arbeiders. Waarbij de algemene vergadering het enige beslissingsorgaan is.

Het stakingscomité moet, wanneer het conflict een belangrijke omvang aanneemt en het duidelijk is dat het gaat om een kwestie van krachtsverhoudingen, niet aarzelen om het ordewoord van een bedrijfsbezetting te lanceren. Op die manier moet een krachtsverhouding in het voordeel van de stakende arbeiders worden gecreëerd.

Delen: Printen: