De verborgen redenen achter de communautaire opstoten

De volgende federale verkiezingen zullen pas binnen een jaar en een half plaatsvinden, maar de verkiezingscampagne hangt al volop in de lucht. Zoals dat in België altijd het geval is, gaat dat gepaard met forse opstoten van communautair opbod.

Jean Peltier

De voornaamste reden voor dit klimaat van pré-campagne is dat de regering Verhofstadt maar wat aanmoddert en nauwelijks vooruitgang boekt. Ze is er dan wel in geslaagd haar Generatiepact op te leggen, maar de stakingen en betogingen maakten dat ze haar pact stevig mocht amenderen en haar «hervormingsdrang» binnen de perken moest houden. Sindsdien werd het project van een competitiviteitspact, dat een loonsbevriezing en nieuw gepruts met de index moest inhouden, naar moeizame discussies tussen patronaat en vakbonden gestuurd. Van de 200.000 nieuwe jobs op vier jaar tijd die Verhofstadt in 2003 als doelstelling naar voor bracht, zijn we lichtjaren verwijderd. De werkloosheidsgraad verandert niet. Bovendien wordt elk «nieuw ideetje» dat met veel vertoon door een minister wordt voorgesteld – de mazoutcheques, de huurblokkering,… – zeer snel door een ander weerlegd.

De paarse coalitie lijkt dus vermoeid te zijn, maar niemand denkt echt dat een andere formule, en dan vooral de klassieke rooms-rode formule, meer dynamiek zou hebben of meer succes zou boeken. Hoe zou dat ook kunnen, gezien de opvallende gelijkenis tussen de voorstellen en de programma’s van alle grote partijen ? En dus vertoont iedere partij de neiging zich terug te plooien op het domein dat het minste kost en electoraal het meest kan opbrengen : opruiende communautaire verklaringen.

Van Vlaamse kant komt er een onafgebroken stroom van voorstellen. De CD&V wil dat Vlaanderen haar eigen grondwet aanneemt. SP.a-voorzitter Vande Lanotte wil snel de tewerkstellingspolitiek regionaliseren. En zo verder. Van Franstalige kant worden deze eisen systematisch voorgesteld als het bewijs dat de kapitaalkrachtige en egoïstische Vlamingen het verarmde Wallonië, verstrikt in economische moeilijkheden, aan haar lot willen overlaten.

En dus laten ook alle Franstalige partijen opnieuw de spierballen rollen op het welbekende thema : « Wij, Walen en Brusselaars samen, zullen geen enkele institutionele hervorming aanvaarden die de Vlamingen ons willen opleggen. Dat ze het maar proberen! ». Dit alles uiteraard verpakt in nobele overwegingen over het behoud van de solidariteit tussen de gewesten en de mensen, de verdediging van de zwaksten, de strijd tegen separatisme et onverdraagzaamheid,… In de loop van de laatste twee maanden hebben alle Franstalige partijen, PS, MR, CDh, FDF en zelfs Ecolo de zelfde marsliederen gezongen.

Deze roerende eenheid tussen de partijen van elke regio kondigt echter niets goeds aan voor de werkende bevolking, noch in het Zuiden, noch in het Noorden. De gezamenlijke redenering van de Franstalige politici is simpel. Het gaat als volgt. In Wallonië gaat het economisch slecht en er is geen heil te vinden behalve in grote investeringen vanuit de privésector (wat het Marshallplan van Di Rupo verondersteld wordt aan te trekken). We hebben op zijn minst 20 jaar nodig om de regio weer op de juiste weg te zetten. Tijdens die periode kan er geen sprake van zijn dat we institutionele hervormingen aanvaarden die zouden leiden tot een vermindering van de financiële transfers vanuit Vlaanderen, zeker voor wat betreft de sociale zekerheid. Dit zou immers een loden last leggen op de projecten die moeten leiden tot een heropleving. Maar, wat er ook gebeurt, de volgende 20 jaar zullen we de broekriem moeten aanhalen en de zeldzame wapens waarover we nog beschikken (zoals lagere lonen in Wallonië dan in Vlaanderen!) inzetten om het patronaat te verleiden.

Aan Vlaamse kant is het niet beter. De economische situatie mag er relatief dan beter zijn, het patronaat en de politici weten dat de minste economische crisis die voorsprong tot weinig of niets kan herleiden. Een economische crisis zou de aantrekkingskracht van delokalisatie terug aanwakkeren en de werkloosheid doen toenemen. In dit perspectief ligt de aantrekkingskracht van een grotere autonomie tegenover Wallonië minder in het behoud van een beetje meer Vlaams geld in de regionale kas, maar gaat het er vooral om de Vlaamse vakbondsbeweging te verzwakken en haar te dwingen tot matiging door haar af te snijden van de “harde bastions” in Wallonië.

Zich laten verleiden door de stijgende communautaire koorts zou dramatische gevolgen hebben voor de vakbondsbeweging en de arbeiders. Enkel een gezamenlijke strijd kan ons in staat stellen de voortgang van de neo-liberale politiek af te blokken, een politiek die een enorme schade toebrengt in alle regio’s.

Delen: Printen: