Home / Internationaal / Midden-Oosten en Noord-Afrika / Revolutie en contrarevolutie in het Midden-Oosten en Noord-Afrika

Revolutie en contrarevolutie in het Midden-Oosten en Noord-Afrika

Revolutie en contrarevolutie in het Midden-Oosten en Noord-Afrika

Op 14 september sloten de Amerikaanse en Russische regeringsleiders in Genève een akkoord om het Syrische arsenaal aan chemische wapens aan een internationale controle te onderwerpen met het oog op de ontmanteling ervan. Dat heeft de directe dreiging van een imperialistische interventie in Syrië wat weg genomen. Het bloedige conflict waar de Syrische bevolking hard onder te lijden heeft, is echter verre van opgelost.

Dossier door Nicolas Croes uit de oktobereditie van ‘De Linkse Socialist’

De effectieve vernietiging van de chemische wapens is midden in een burgeroorlog bovendien niet gegarandeerd. Hoe kunnen de massa’s een uitweg vinden uit het doodlopende straatje van strijd tussen het dictatoriale regime van Bachar al-Assad, islamistische fundamentalisten en de kapitalistische oppositie?

De gevestigde media hebben de verschrikkelijke beelden van de slachtoffers van de chemische wapens uitgebreid getoond. Eens te meer werd het sensationele aspect centraal gesteld zodat de context plaats moet maken voor de meest spectaculaire feiten. Er werd op de logische emotionele reacties gerekend om een militaire interventie te rechtvaardigen.

Zoals wel vaker voorkomt, werd ons een bijzonder hypocriet rookgordijn voorgehouden. Sommigen dachten dat er net een conflict was uitgebroken in Syrië, terwijl er de afgelopen 2,5 jaar al tienduizenden doden vielen en miljoenen mensen op de vlucht sloegen. De verontwaardiging van het establishment is enkel gericht op de verdediging van de eigen belangen. De levensomstandigheden van de massa’s in de regio – omstandigheden gedomineerd door miserie, honger, sociale en regionale ongelijkheid, gebrek aan toekomstperspectieven en gebrek aan nationale en democratische rechten – zijn daarbij nooit het voorwerp van bekommernis.

Het VS-imperialisme is overigens bijzonder hypocriet als het een rode lijn rond gifgas trekt en dat een misdaad tegen de mensheid noemt, terwijl de grootste voorraad chemische wapens ter wereld zich in de VS bevindt. Geen enkele andere macht heeft al zo vaak en zo enthousiast gebruik gemaakt van deze wapens. Denk maar aan wat er gebeurde in de oorlog in Vietnam. Maar de VS staat niet alleen op het front van de hypocrisie. De Duitse regering moest toegeven dat het toelating had gegeven om tussen 2002 en 2006 chemische producten naar Syrië uit te voeren.

Op 17 december is het drie jaar geleden dat een revolutionaire golf eerst Tunesië en vervolgens Egypte overspoelde en bijna de volledige regio meetrok. Van Marokko tot Jemen en Bahrein waren en massale acties. De gevestigde media hebben daarbij de nadruk gelegd op het verzet tegen de dictaturen en de democratische eisen van de betogers. Maar de woede van de massa’s die doorheen de strijd tot uiting kwam, had ook sociale en economische eisen tegen de armoede, massale werkloosheid, afbouw van de openbare diensten (wat zeker sinds de jaren 1990 het geval is),… Er is een bijzonder jonge bevolking in de regio, zo is 66% van de Egyptische bevolking jonger dan 25 jaar. Die jongeren hebben onder het huidige systeem amper enig toekomstperspectief.

De bewegingen kwamen dus niet uit de lucht gevallen. Wie de situatie aandachtig volgde, kon de voortekenen van protest onder de oppervlakte van de schijnbare stabiliteit van de dictaturen opmerken. In Egypte waren er tussen 2004 en 2008 gemiddeld 194 stakingen per jaar, vooral in de textielcentra en rond het Suez-kanaal. Tussen 2008 en 2010 waren dat er 1.600 per jaar. In Tunesië was er in 2008 een opstand in het mijnbekken van Gafsa. Dat leidde tot de ergste sociale onrust in het land sinds de ‘broodrellen’ van 1984 en het was de grootste beweging sinds Ben Ali in 1987 aan de macht kwam. Er waren eerder ook massabewegingen in Libanon (2005) en Iran (2009) waarbij enorme mobilisaties de gevestigde regimes uit evenwicht haalden. Zelfs indien deze twee laatste bewegingen niet direct rond sociale thema’s losbarstten (de moord op de voormalige premier Rafic Hariri in Libanon en de massale fraude bij de Iraanse presidentsverkiezingen), waren die thema’s nooit ver weg.

Begin december 2010 stelde het Committee for a Workers’ International (CWI), de internationale organisatie waar LSP de Belgische afdeling van is, in een tekst voor zijn wereldcongres over het Midden-Oosten en Noord-Afrika: “Alle despoten en autoritaire regimes in de regio zijn bang van massale opstandige bewegingen. Bewegingen zijn mogelijk in Iran of in Egypte en kunnen vervolgens elders voor inspiratie zorgen. Als de arbeidersklasse de leiding niet opneemt, kunnen deze bewegingen erg diverse richtingen uitgaan.”

De moeilijkheden van het proces

Een uitbarsting van enorme woede is niet voldoende om tot een overwinning te komen. Een revolutionair proces is een complex gegeven. Het volstaat niet om dictators omver te werpen als hun systeem overeind blijft. De bewegingen in Tunesië en Egypte kwamen voor het Westerse imperialisme en de regionale machten als een verrassing. Het was echter geen toeval dat deze bewegingen plaatsvonden in landen met een sterke traditie van arbeidersstrijd, waarbij zowel Ben Ali als Moebarak overigens van het toneel verdwenen na stakingsacties. Maar na de eerste verrassing deden het imperialisme en de lokale machten er alles aan om het initiatief terug in handen te krijgen.

In Bahrein kwamen troepen van Saoedi-Arabië en de Emiraten snel en brutaal tussen om het regime te redden. De repressie was erg hard en werd onder het goedkeurend oog van de Westerse bondgenoten toegepast. De arbeiders en armen konden hier niet op de krokodillentranen van Washington, Londen of Parijs rekenen. Elders was er eveneens bloedige repressie, waarbij er amper enige diplomatieke verontwaardiging weerklonk. Dat geeft meteen aan hoe we de ‘humanitaire oorlog’ in Libië of de mogelijke interventie in Syrië moeten zien.

De imperialistische interventie in Libië had niets met de belangen van de bevolking te maken. De Westerse imperialistische machten aarzelden eerder niet om lucratieve akkoorden met dictator Khadaffi te sluiten. Met de interventie in Libië wilden ze vooral de revolutionaire golf in de regio stoppen vooraleer andere betrouwbare bondgenoten zoals Saoedi-Arabië of de Golfstaten zouden geraakt worden. Om de controle op de regio en zijn grondstoffen terug in handen te krijgen, was het laten vallen van een dubieus element als Khadaffi een risico dat graag werd genomen.

In Syrië was een directe interventie een ander paar mouwen. De interventies in Irak en Afghanistan waren nog niet beëindigd of deze in Libië kwam er bij. Bovendien is er een erg sterke religieuze en etnische verdeeldheid in het land waardoor een interventie een gevaarlijk avontuur zou vormen. Het Syrische leger was bovendien van een ander kaliber en het regime beschikte toen (en nu nog steeds) over een zekere steun onder de bevolking alsook over bondgenoten met regionale belangen (zo bevindt de enige Russische marinebasis aan de Middellandse Zee zich in Syrië).

Het kwam destijds niet tot een directe militaire interventie, maar er kwam wel materiële, logistieke en andere steun om de oppositie te ‘ondersteunen’. Die steun kwam van de bondgenoten van het VS-imperialisme zoals Saoedi-Arabië en Qatar. Meteen werd via deze weg geprobeerd om de revolutionaire golf op een doodlopend zijspoor te zetten. Saoedi-Arabië en Qatar hebben bovendien hun eigen specifieke belangen waarbij werd bijgedragen aan de ontwikkeling van fundamentalistische krachten. Het werd voor de VS noodzakelijk om direct tussen te komen om ook een steunpunt uit te bouwen.

De enige kracht waar de arbeiders en jongeren op kunnen rekenen: zichzelf

Wat de impact van een directe imperialistische interventie in Syrië zou zijn, zien we met de mislukking in Libië. De weinige infrastructuur waar het land over beschikte, werd vernield door de invasie. Meer dan twee jaar later blijven grote delen van het land oncontroleerbaar of zijn ze overgenomen door zwaar bewapende milities. Het conflict is bovendien uitgebreid tot Mali. De afwezigheid van het perspectief van een voor het imperialisme stabiel regime en het risico voor een uitbreiding van het conflict zijn in Syrië nog veel groter.

In Syrië is er een betrokkenheid van Hezbollah uit Libanon, Iran, Rusland en China in het pro-Assad kamp en anderzijds Al Qaeda, Saoedi-Arabië, Qatar, Turkije, Egypte (tot aan de val van de Moslimbroeders), de VS en de EU in het kamp van de oppositie. Iedere kracht heeft ook eigen belangen met bovendien conflicten tussen soennieten (de meerderheidsstroming in de islam) en sjiieten en zelfs tegenstellingen binnen die stromingen.

In buurland Libanon is er al een terugkeer van bloedige aanslagen. Op 15 augustus ontplofte een bomauto in het bastion van Hezbollah (dat Assad steunt en sjiietisch is), een nooit geziene aanslag in een dergelijk beschermde omgeving. Hierbij vielen een dertigtal doden en meer dan 300 gewonden. Een week later waren er aanslagen op twee soennitische moskeeën waarbij 45 doden vielen. Mogelijk was het Syrische regime bij die aanslag betrokken.

Als wij ons resoluut verzetten tegen een imperialistische interventie, betekent dit niet dat we ons tot het kamp van Assad of het kamp van de oppositie van het Vrije Syrische Leger (rond voormalige toplui van het regime) rekenen, laat staan dat we de diverse fundamentalistische krachten steunen. De energie van de massa’s moet ingezet worden om zowel het imperialisme als de reactionaire krachten van diverse pluimage aan de kant te schuiven. Daartoe moet de beweging bewapend worden met een programma en methoden waarmee over etnische en religieuze grenzen heen kan gemobiliseerd worden.

Dat is enkel mogelijk op basis van een programma dat opkomt voor de zelfverdediging van de massa’s (met niet-sectaire en democratisch georganiseerde zelfverdedigingscomités) en dit koppelt met een antwoord op de sociale kwesties (door de sleutelsectoren van de economie uit de handen van de kapitalisten te halen om ze onder democratische controle en beheer van de werkenden en armen te plaatsen). In Tunesië en Egypte zagen we hoe embryo’s van eigen strijdcomités aanwezig waren. Dergelijke comités kunnen potentieel de bron voor een nieuwe macht op basis van arbeidersdemocratie vormen.

De vijand van mijn vijand: een vriend?

Velen verheugen er zich op dat het VS-imperialisme verzwakt uit de Syrische crisis komt. In eigen land beschikt de regering amper over steun voor een interventie, uit peilingen bleek dat slechts 9% van de bevolking een directe interventie wilde. De verkozenen stonden onder een grote druk, zowel onder Republikeinen als Democraten was dat het geval. Bij een stemming voor het parlement riskeerde Obama een zelfde blamage als zijn Britse collega David Cameron. Die werd in het Britse parlement vernederd toen een meerderheid tegen zijn oorlogsplannen stemde. Dat was mee een gevolg van de massale tegenstand onder de bevolking.

De VS heeft het nog nooit zo moeilijk gehad om bondgenoten te vinden voor een militair avontuur. Enkel de Franse regering was er meteen bij en ook de Turkse regering leek bereidwillig te zijn. Maar ook in die landen is er een grote tegenstand onder de bevolking, 56% van de Fransen en 72% van de Turken is uitgesproken tegenstander van een militaire interventie.

Ter linkerzijde zijn er nog steeds aanhangers van het schematische standpunt dat de vijand van een vijand plots een vriend zou zijn. Dat principe wordt zeker toegepast tegenover de VS en het won terrein met de ideologische verzwakking van de arbeidersbeweging onder het gewicht van het neoliberale offensief na de val van de stalinistische dictaturen van het Oostblok. Er wordt ons dagelijks ingelepeld dat er geen alternatief op het kapitalisme mogelijk is. Bij sommigen heeft dat als gevolg dat het anti-imperialisme wordt beperkt tot een ‘progressieve’ retoriek waarbij over een solidaire samenleving (en niet langer een socialistische) wordt gesproken en vooral wordt uitgekeken naar een gemakkelijke weg. Zo gaven sommigen steun aan de ‘anti-imperialist’ Ahmadinejad, waarbij de beweging van 2009 zelfs werd afgedaan als door de CIA aangestuurd. Momenteel zijn er verschillende linkse krachten die het anti-imperialisme inroepen om het regime van Assad goed te praten. Dat dictatoriale regime geniet overigens de actieve steun van de ‘Communistische’ Partij van Syrië, een van de partijen die deel uitmaakt van het ‘Nationale Progressieve Front’ rond de Baath-partij van Assad.

Zo tekenden de PVDA en de Parti Communiste Wallonie Bruxelles (PCWB) een verklaring tegen een militaire imperialistische interventie in Syrië waarbij met geen woord over het Syrische regime werd gerept. De oproep ging uit van 63 ‘communistische’ partijen, waaronder de Syrische die dus deel uitmaakt van het regime. We begrijpen het gevoel dat dringend tegen de dreiging van een interventie moet ingegaan worden, maar de minste ruimte voor pro-Assad krachten beperkt de mogelijkheden voor de ontwikkeling van een brede anti-oorlogsbeweging. Ook in ons land is dat het geval. Bij een anti-oorlogsactie in Brussel gingen pro-Assad betogers over tot het aanpakken van wie kritiek heeft op het Syrische regime. Ze konden dat doen omdat het platform te vaag was over de dictatuur in Syrië. Hoe kunnen we onder die omstandigheden een massale anti-oorlogsbeweging uitbouwen?

De oppositie bewapenen?

Een andere, maar even verkeerde, opstelling is die van steun aan de Syrische rebellen zonder duidelijkheid te geven over het karakter van die rebellen en de wijze waarop steun wordt gegeven. We waren verrast toen we lazen dat de Franse NPA (Nouveau Parti Anticapitaliste) van Olivier Besancenot eiste dat Frankrijk “wapens aan de Syrische revolutionairen” zou geven, terwijl er aan werd toegevoegd dat “geen vertrouwen” in de Franse staat kon gesteld worden. Er werd verduidelijkt dat er geen wapens naar de islamisten mochten gaan, maar er werd wel aan toegevoegd: “Wie heeft de legitimiteit om in de plaats van iemand anders te beslissen?” Deze benadering wordt in ons land gedeeld door de SAP/LCR die stelt dat “de Syrische bevolking er nood aan heeft dat wapens worden geleverd aan de krachten van het verzet.” Aan wie zouden die wapens geleverd worden en tegen welke politieke prijs? Wij denken dat het zelfbeschikkingsrecht van de bevolking niet mag verhinderen dat we duidelijk zijn over hoe de strijd kan gevoerd worden.

Ook hier begrijpen we het gevoel van dringendheid, maar een analyse van de gebeurtenissen die in eerste instantie ‘militair’ is, volstaat absoluut niet. Enkel de methode van massastrijd op basis van een programma dat breekt met het regime en de economische basis ervan kan de bevolking verenigen over religieuze grenzen heen en zelfs leiden tot breuken binnen het leger. De beste manier om de tanks van Assad te bestrijden, is met een beweging die ervoor zorgt dat deze tanks zich tegen Assad richten.

Het klopt dat de krachten die zo’n programma en methoden in Syrië kunnen verdedigen beperkt in aantal zijn, voor zover ze al georganiseerd zijn. Maar we mogen de regionale context van revolutie en contrarevolutie niet uit het oog verliezen. Het was overigens die context die aan de basis van de Syrische revolte van 2011 lag. Recent nog waren er meer dan een miljoen betogers in buurland Turkije tegen de regering-Erdogan. De geest van massamobilisatie is ook daar uit de fles.

Wij verdedigen een consequente internationalistische benadering in de hele regio, ook in Tunesië en Egypte waar massabewegingen dictators ten val brachten maar de macht nog niet uit de handen van de elite hebben gehaald. Het argument van de ‘vijand van onze vijand’ heeft de leiding van het Volksfront in Tunesië, een alliantie van verschillende progressieve krachten (waaronder medestanders van de Franse NPA en de Belgische PVDA), er overigens toe aangezet om een akkoord tegen Ennahda, de heersende islamistische partij, te sluiten. Het ging om een akkoord met Nidaa Tounès, een seculiere pro-kapitalistische partij die vooral veel voormalige lakeien van Ben Ali groepeert. Zo’n akkoord is de beste manier om de jongeren en werkenden te desoriënteren. Het laat Ennahda en co toe om zich te profileren als de echte revolutionairen die geen enkele band hebben met krachten van het oude regime.

Een socialistisch perspectief

De crisis van het kapitalisme, het verdwijnen van de autoriteit van de elites en het massale verzet van de massa’s om de levensomstandigheden te verbeteren en nieuwe rechten af te dwingen, bieden de mogelijkheid om socialistische ideeën op een bredere schaal ingang te laten vinden. Miljoenen arbeiders en jongeren zoeken een alternatief en een strijdmethode, waarbij ze op basis van ervaring de kloof moeten dichten tussen de algemene staat van het bewustzijn vandaag (een erfenis van 20 jaar offensief neoliberalisme, aangedikt met het verraad van zowel stalinisme als sociaaldemocratie) enerzijds en wat nodig is om het kapitalisme omver te werpen anderzijds.

Het is in dat kader dat het CWI actief is in meer dan 40 landen, ook in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, en bouwt aan een internationaal revolutionair instrument waarmee lessen uit vorige en huidige strijdbewegingen worden getrokken om sterker te staan in de strijd tegen het kapitalisme en in de opbouw van een socialistische samenleving zonder miserie, oorlog en uitbuiting.

Leave a Reply