Home / Op de werkvloer / Lonen / Hoger minimumloon leidt niet tot banenverlies. Een tegenargument voor 14€/u weerlegd

Hoger minimumloon leidt niet tot banenverlies. Een tegenargument voor 14€/u weerlegd

Eén van de vaste argumenten tegen een hoger minimumloon is dat het banenverlies zou betekenen. Arbeid is al zo duur, klinkt het, en dan willen jullie de kost nog optrekken! Het zijn heus niet alleen werkgevers en hun politici die hiermee komen aandraven. Professor Ive Marx stelt bijvoorbeeld dat er voor de strijd tegen armoede “meer mensen aan het werk” moeten en niet minder. “Want dat is wat je krijgt als je arbeid nog duurder maakt.” (De Standaard 26 februari 2019) De professor is duidelijk geen marxist: hij omschrijft de eis van 14 euro per uur, of 2.300 euro per maand, als een “werkelijk waanzinnig idee.”

Het argument van banenverlies wordt vooral gebruikt voor kleine zelfstandigen of voor de horeca. De winstmarges zijn er beperkter en veel zelfstandigen vechten om te overleven. Dat komt niet omdat personeel teveel verdient, maar omdat ze ofwel weg geconcurreerd worden door grotere bedrijven ofwel omdat dalende koopkracht leidt tot minder uitgaven. Welke uitgaven laten we eerst vallen op het einde van de maand? Een etentje op restaurant, een bezoek aan een nagelstudio of andere luxe waarmee we onszelf verwennen. En dan hebben we het nog niet over de mensen voor wie dergelijke uitgaven sowieso al onhaalbaar zijn.

Het voordeel van de campagne voor een verhoging van het minimumloon tot 14 euro per uur is dat er recente voorbeelden zijn. Die weerleggen het theoretische argument dat een hoger minimumloon banen kost. In april 2015 was Seattle de eerste grote Amerikaanse stad waar het minimumloon tot 15 dollar per uur werd opgetrokken. De campagne van Socialist Alternative en gemeenteraadslid Kshama Sawant was daar niet vreemd aan. De bazen schreeuwden moord en brand toen het minimumloon steeg. Ondertussen zijn we enkele jaren verder en is het mogelijk om na te gaan wat de gevolgen van deze verhoging van het minimumloon waren.

Een groep onderzoekers van de University of Washington onderzocht de effecten op de lonen, het aantal banen en de prijzen van producten zoals groenten en fruit. Sinds 2015 nam het aantal banen in restaurants en cafés in de regio Seattle toe van 134.000 tot 158.000. Vooral laagbetaalde werkenden gingen er fors op vooruit. In 2016 kwamen er in de stad Seattle 2,5% jobs bij en steeg het gemiddelde loon met 3,5%. Beide cijfers lagen hoger dan het nationale gemiddelde. Een commentator op de zakelijke website Bloomberg.com merkte op: “We kunnen niet genoeg benadrukken hoe fout de aanvankelijke analyses van de loonsverhoging waren. (…) Het probleem ontstaat als deze mensen geconfronteerd worden met feiten die hun ideologische overtuiging tegenspreken. Dan kan je ofwel je ideologie herdenken ofwel de feiten negeren. De meesten kiezen voor dat laatste.”

De fout in de redenering dat hogere lonen tot banenverlies leiden, ligt onder meer in het feit dat geen rekening wordt gehouden met economische groei en dat hogere lonen mogelijkheden bieden om producten te verkopen aan werkenden die meer verdienen. Gewone werkenden sluizen hun extra inkomsten niet door naar belastingparadijzen, maar spenderen het aan dagelijkse uitgaven of een extraatje. Dit stimuleert de lokale economie, in de eerste plaats de kleine zelfstandigen.

Er zijn overigens heel wat economen die pleiten voor hogere minimumlonen. In 1994 reeds was er een studie van de Amerikaanse economen Alan Krueger en David Card waarin verdedigd werd dat hogere minimumlonen jobs opleveren. In 2014 was er een oproep van 600 Amerikaanse economen, waaronder Nobelprijswinnaars als Thomas Schelling, Robert Solow en Joseph Stiglitz, om het federale minimumloon op te trekken met het oog op economische groei en dalende werkloosheid.

In eigen land gaat de liberale econoom Paul De Grauwe in tegen het argument van de loonhandicap. “Het klopt dat de loonkosten per uur in België bij de hoogste in Europa zijn. Maar je moet niet alleen kijken naar het loon, ook naar de productiviteit. Dan zie je dat we vandaag ongeveer op hetzelfde niveau staan als onze buurlanden en geen achterstand meer hebben. Werkgevers blijven graag hameren op die zogenaamde loonhandicap, maar eigenlijk is dat codetaal voor: ‘We willen meer winst maken.’”

Daar gaat het inderdaad om: welk aandeel van de geproduceerde waarde gaat naar de werkenden en welk aandeel naar de bazen. Momenteel gaan de bazen met het grootste stuk van de taart lopen. Gemiddeld creëren we met een uur werken 48,4 euro, wat boven de gemiddelde in onze buurlanden ligt.

De kapitalisten doen er alles aan om het sociaal draagvlak voor sociale hervormingen, zoals een hoger minimumloon, te ondermijnen. Dat doen ze niet omdat hogere lonen onbetaalbaar zijn, maar wel omdat het tegen hun winstbelangen ingaat. De bazen zullen alle middelen inzetten om die winsten te verdedigen. Elke verbetering van onze levens- en werkomstandigheden die we afdwingen, wordt nadien opnieuw betwist en bij de eerste gelegenheid afgebouwd. Onder het kapitalisme is elke hervorming in ons voordeel slechts tijdelijk. Strijd voor concrete verbeteringen toont dan ook het failliet van dit systeem aan, en de noodzaak van socialistische maatschappijverandering.