Recensie. “All Quiet on the Western Front” geregisseerd door Edward Berger

De nieuwe bewerking van de klassieke anti-oorlogsroman ‘Van het westelijk front geen nieuw’ door Erich Maria Remarque komt op een gepast ogenblik. Er is immers de achtergrond van een imperialistische aanvalsoorlog in Europa en van toenemende geopolitieke spanningen tussen grootmachten die dreigen uit te monden in een conflict dat veel dodelijker en destructiever is dan wat dan ook in de vorige eeuw.

Door Thomas Carmichael (Socialist Party, ISA in Ierland)

De film begint met de naïeve tiener Paul en zijn vrienden die net afgestudeerd zijn van school. Samen met de rest van hun schoolgenoten worden ze door een reactionaire leerkracht opgezweept in een nationalistische vurigheid. Ze struikelen bijna over elkaars opgewonden haast om dienst te nemen in het Duitse leger. De schrijnende openingsscène heeft ons, de kijker, al een voorproefje gegeven van de gruwel waaraan zij zich onbewust verbinden. We zien immers hoe honderden bebloede en verscheurde uniformen van doden aan het front worden gehaald, gewassen, hersteld en teruggestuurd om opnieuw verdeeld te worden onder nieuw slachtvee.

Eindelijk bij de loopgraven aangekomen, krijgen de enthousiaste nieuwe rekruten als eerste taak om de identiteitsplaatjes van de lichamen van hun gesneuvelde kameraden te halen. Kort daarna worden ze geconfronteerd met de eerste vijandelijke beschietingen en vanaf dan bestaat hun leven uit een neerwaartse spiraal van bloed, modder, trauma’s en dood. Ze krijgen te maken met mitrailleur- en geweervuur, prikkeldraad, tanks, gifgas, vlammenwerpers en alle andere gruwelen van de oorlog. Dat alles in de hoop een paar honderd meter braakliggend terrein op de vijand te winnen.

Ondertussen zijn er twee subplots in de film. De ene volgt een Duitse politicus die met het Franse opperbevel onderhandelt over vrede en de andere een rechtse Duitse generaal die zich beklaagt over wat de ‘sociaaldemocraten’ zijn geliefde vaderland aandoen – terwijl hij overvloedig dineert in de veiligheid van een verlaten landhuis achter de frontlinies. Het benadrukt de barbaarse futiliteit van de horror in het centrale plot.

Edward Berger neemt in de film geen blad voor de mond in de beschrijving van niet alleen de gruwel van de loopgraven, maar ook de criminaliteit en barbaarsheid van de heersende klasse in de oorlog. Terwijl onze protagonisten van de ene verwoestende slag naar de andere worden gestuurd alsof ze niet meer zijn dan pionnen op een schaakbord, zien we hoe de Franse generaals weigeren in te stemmen met een staking van de vijandelijkheden om aan beide zijden levens te sparen terwijl de onderhandelingen over een wapenstilstand gaande zijn.

De film brengt geen expliciet socialistische analyse van deze oorlog voor de kapitalistische overheersing van markten en de uitbreiding van imperialistische invloedssferen, waarin de arbeidersklasse van de strijdende landen tegen elkaar werd uitgespeeld ten voordele van hun respectieve heersende klassen. Anderzijds laat Berger er geen twijfel over bestaan dat het een conflict was waarin de mensen aan de onderkant van de samenleving massaal werden opgeofferd door de mensen aan de top en dit in naam van niets dat uiteindelijk echt de moeite waard was om voor te vechten.

Dit alles wordt nergens duidelijker dan helemaal aan het eind van de film, wanneer de reactionaire Duitse generaal, na een toespraak met echo’s van de ideeën en retoriek die spoedig wortel zouden schieten in de Duitse samenleving en plaats zouden maken voor de opkomst van het fascisme, zijn mannen op een vergeefse, laatste wanhopige poging stuurt om nog een laatste linie loopgraven van de vijand te veroveren, ook al is de wapenstilstand getekend en zullen de vijandelijkheden over slechts een kwartier worden beëindigd. Dit zorgt voor een verwoestend en wraakroepend climaxmoment waarbij het publiek enkel kan bedenken hoe oorlog niet enkel toen maar ook vandaag een brutaal en zinloos fenomeen is voor de meerderheid van de bevolking.

Delen: Printen: