Home / Dossier / Dialectisch materialisme: de marxistische methode

Dialectisch materialisme: de marxistische methode

We publiceren een vertaling van de brochure ‘Introduction to Dialectical Materialism – the foundation of revolutionary theory’ door Shaun Arendse (2015) van onze Zuid-Afrikaanse zusterorganisatie.

Deel 2. De marxistische methode: Dialectisch materialisme

Het marxisme is, net zoals alle ideeën, het product van historische ontwikkelingen. Geen enkel idee ontstaat in een vacuüm maar wordt beïnvloed door de al bestaande ideeën, ook al zijn het net die ideeën die het wil vervangen. Een nieuw idee drukt zich zelfs vaak uit in dezelfde taal of bewoordingen van de al bestaande ideeën.

Over de ontwikkeling van het marxisme legde Engels uit dat:

Het moderne socialisme is in essentie het directe product van waarnemingen. Enerzijds van de in de huidige maatschappij heersende klassentegenstellingen tussen bezitters en bezitlozen, tussen kapitalisten en loonarbeiders. Anderzijds van de in de productie heersende anarchie. Wat echter zijn theoretische vorm betreft, treedt het moderne socialisme aanvankelijk op als een verdergaande, zogenaamd meer logische consequente voortzetting van de door de grote mannen van de 18de-eeuwse Franse Verlichting opgestelde beginselen. Zoals iedere nieuwe theorie moest het moderne socialisme eerst met het aanwezige gedachtemateriaal aanknopen, hoezeer het ook wortelde in de materiële economische feiten.

– De ontwikkeling van het socialisme van utopie tot wetenschap, 1880

In de tijd van Marx en Engels was het intellectuele gedachtengoed van de westerse en Oudgriekse filosofen algemeen bekend, of toch bij het meer geschoolde publiek. 150 jaar na de tijd van Marx klinken deze ideeën niet meer zo vertrouwd. De betekenis van veel alledaagse woorden is intussen ook veranderd. Toch moeten revolutionairen proberen om deze ideeën te begrijpen. Een basisoverzicht van de geschiedenis van de filosofie komt later aan bod in deel IV, eerst leggen we het dialectisch materialisme verder uit aan de hand van enkele meer gekende ideeën van de moderne wetenschap.

Hoe kunnen we iets weten?

Om dialectisch materialisme te kunnen begrijpen, moeten we starten met de meest elementaire vraag van allemaal: hoe kunnen we iets te weten komen over de wereld rondom ons? Hoe weten we waar we “objectieve verklaringen” kunnen vinden?

Het menselijk begrip van de wereld doorheen de geschiedenis kan vergeleken worden met een schaar. De ene handgreep vertegenwoordigt de wereld zoals die werkelijk is; de andere ons begrip van de wereld. Hoe dichter beide handgrepen bij elkaar komen, hoe accurater, hoe preciezer ons begrip van de wereld is.

Mensen hebben altijd geprobeerd om deze kloof te overbruggen. En hoewel deze pogingen nooit willekeurig zijn geweest, ontstonden er verschillende visies op hoe men deze kloof kon dichten. Deze visies waren telkens producten van de toen geldende sociale condities, net zoals de verschillende standpunten over de “rechtvaardigheid” van lonen en winsten dat vandaag zijn.

Zo ontwikkelden primitieve samenlevingen, zonder wetenschappelijk inzicht en met weinig begrip van de natuur, bovennatuurlijke ideeën om de wereld te begrijpen. Ze dachten bijvoorbeeld dat goden of geesten het weer controleerden (zie deel IV voor meer informatie over primitieve religies). Zonder een begrip van wat een “objectieve verklaring” is, kon de juistheid van hun ideeën niet bepaald worden, ze gingen bijvoorbeeld niet na of ze via hun ideeën correcte voorspellingen konden maken. Ideeën werden zo “onafhankelijk” gemaakt. Ze werden gescheiden van de sociale condities die hen creëerden en werden verheven tot de status van objectieve verklaringen, uit hun eigen recht. Dit gaf ideeën een onbetwistbaar statuut als vanzelfsprekende waarheden die bestaan buiten de geschiedenis. Maar dit zet de relatie tussen ideeën en de wereld op zijn kop! Mensen geloofden onterecht dat de wereld zich moest aanpassen aan hun ideeën, niet dat ze hun ideeën zich moesten aanpassen aan wereld om ze preciezer of “juister” te maken.

In filosofische taal wordt deze benadering idealisme genoemd. Wanneer we spreken over “idealisme” in de filosofische zin, mogen we dit niet verwarren met het moderne, alledaagse gebruik van het woord. Vandaag wordt iemand een “idealist” genoemd wanneer iemand “goede” of “eerlijke” motieven heeft voor zijn of haar daden. Dat is echter niet wat bedoeld wordt met idealisme in de filosofie. Daar betekent idealisme dat men ideeën verheft tot de status van objectieve verklaringen, dat men ideeën als ideaal (vandaar de naam) of “afgeronde perfectie” beschouwd – met andere woorden ideeën worden abstract (dit wordt verder uitgelegd in deel III). In deze logica heeft de schaar 2 rechter handgrepen – via “ons begrip van de wereld” proberen we “ons begrip van de wereld” te vergroten.

Het doodlopende straatje van het idealisme neemt vaak de vorm van religie aan en ook vandaag bestaat idealisme nog overal. Het is bijvoorbeeld niet moeilijk om een luie journalist te vinden die het einde van het Zuid-Afrikaanse, kapitalistische apartheidsregime verklaart door iets te zeggen als: “De erkenning dat democratische rechten konden en moesten uitgebreid worden naar alle rassen en dat leidde ertoe dat de leiders van apartheid uiteindelijk aan de onderhandelingstafel gingen zitten in de late jaren ‘80”.

Wanneer je hierover verder nadenkt wordt duidelijk dat zo’n bewering helemaal niets verklaart. Waarom kwamen de leiders van de apartheid tot deze erkenning? Waarom veranderden ze hun standpunt in de late jaren ’80 en bijvoorbeeld niet in de late jaren ’60? Dat zijn de vragen die beantwoord moeten worden om uit te leggen waarom, eerder dan het gewoon te vermelden als een feit. Deze “verklaring” geeft ons de indruk dat de apartheidsleiders gingen slapen als racisten en wakker werden als helden van vrijheid en democratie.

Deze onbevredigende verklaring van onze verzonnen, maar levensechte, journalist is het resultaat van idealisme – d.w.z. het niet nodig vinden om veranderingen in ideeën te verklaren omdat ideeën los bestaan van sociale condities. Om een echte verklaring van het einde van de apartheid te vinden, moeten we net starten bij het onderzoeken van de sociale condities. Met andere woorden, we moeten kijken naar de veranderingen die plaatsvonden in de maatschappij in de late jaren ‘80. De verandering in de attitudes van de leiders van de apartheid, was een product van de economische crisis in Zuid-Afrika, de massabeweging van de zwarte arbeidersklasse en de instorting van de Sovjet-Unie die leidde tot het einde van de Koude Oorlog. Deze veranderende sociale condities verklaren waarom de apartheidsleiders tot hun “uiteindelijke erkenning van democratische rechten” kwamen en waarom ze er toe kwamen om een akkoord te sluiten met de ANC, waardoor de apartheid werd beëindigd (maar tegelijk ook de kapitalistische economische fundamenten behouden en gegarandeerd bleven).

Van subjectief idealisme tot objectieve wetenschap

Het menselijke begrip van de wereld is enorm toegenomen in de laatste eeuwen, en het zorgde voor de uitvinding van opmerkelijke technologieën, medicijnen, industriële technieken … die voor een vorige generatie onmogelijk hadden geleken. Hoe heeft de maatschappij zich bevrijd uit het doodlopende straatje van het idealisme en is zij beginnen begrijpen waar men moest zoeken voor objectieve verklaringen? De doorbraak kwam er het eerst in ons begrip van de natuur. Maar hoe kwam het dat ons begrip van de natuur veranderde? Voor het grootste deel van de menselijke geschiedenis, bijvoorbeeld, keken mensen ‘s morgens naar de zon, net zoals jij de zon morgen kan zien opkomen. Als wij naar de zon kijken zien we hetzelfde als onze voorouders. Onze voorouders begrepen echter niet waar ze precies naar keken. De zon leek voor hen op een bal vuur die boven hun hoofd rondcirkelde. Ze gaven de zon waarschijnlijk een naam en zeiden dat het een god was.

Vandaag begrijpen we dat de zon een ster is net zoals de miljarden andere sterren in ons heelal. De zon blijft branden door een proces van nucleaire fusie, ze is meer dan 100 maal groter dan de aarde, is meer dan 149 miljoen kilometer van ons verwijderd, en we weten dat het de aarde is die rond de zon draait en niet andersom.

Maar de zonsopgang ziet er nog steeds hetzelfde uit. We kunnen de nieuwe feiten over de zon niet zomaar met onze ogen waarnemen. Het is zelfs niet evident om te begrijpen dat de sterren die we ’s nachts zien hetzelfde zijn als de “vuurbal” die we overdag zien. Hoe was het mogelijk dat we ons denken over de zon zo radicaal konden veranderen?

Dit was mogelijk door de uitvinding van de telescoop en het bestuderen van de nachtelijke sterrenhemel tijdens de wetenschappelijke revolutie in de 17de eeuw. Nauwkeurige observaties van vroege wetenschappers maakten het mogelijk om dingen op te merken die onzichtbaar waren voor het blote oog. Door het observeren van de banen van planeten rond de zon, konden wetenschappers het “opkomen” van de zon verklaren als het resultaat van de rotatie van de aarde. Er werd op basis van observatie een objectieve verklaring ontwikkeld.

Dat deze nieuwe verklaring voor de zonsopgang accurater was, werd bewezen door haar vermogen om voorspellingen te maken. Edmond Halley was bijvoorbeeld in staat om te voorspellen in welk jaar een bepaalde komeet terug zijn volgende verschijning in de sterrenhemel zou maken, en dit op basis van nieuwe theorieën over zwaartekracht en elliptische banen. Halley’s voorspelling was correct en de komeet verschijnt sindsdien om de 75-76 jaren.

Materialisme – het eerste fundament van marxisme

Het nieuwe aan de wetenschap was het erkennen dat de natuur een objectief bestaan kent, een bestaan onafhankelijk van eender welk “standpunt” men inneemt. Volgens de wetenschap kunnen enkel objectieve observaties van de wereld ons voorzien van feiten. Dit was een grote doorbraak voor het menselijk begrip. De moderne wetenschap legde vast hoe we de relatie tussen de wereld, of toch minstens de natuur, en onze ideeën moeten begrijpen. Zoals Karl Marx zei in zijn tweede stelling over Feuerbach: “De vraag of aan het menselijk denken objectieve waarheid mag worden toegekend, is geen theoretische, maar een praktische vraag.” Met andere woorden, de juistheid van onze ideeën over de wereld moet getest worden door het onderzoeken van de dingen die we proberen te begrijpen.

Zoals in de wetenschappen, is het idee dat alles in de wereld een objectieve verklaring heeft, het eerste fundament van het marxisme. In de filosofische taal van de 19de eeuw noemen we dit fundament van het marxisme: materialisme. Wanneer we spreken over “materialisme” in de filosofie, mag men dit niet verwarren met het alledaagse gebruik van het woord. Vandaag is iemand een materialist als die persoon veel belang hecht aan het bezitten van materiele rijkdom en uiterlijk vertoon. In de filosofie is materialisme het idee dat de wereld bestaat onafhankelijk van de “standpunten” erover.

Hieruit volgt dat alle dingen die op het eerste gezicht subjectief lijken, zoals gedachten en emoties, religieuze ideeën, waarden en normen… eigenlijk een objectieve verklaring hebben. Gedachten en emoties zijn bijvoorbeeld het product van onze hersenen. Als er geen hersenen zijn, dan zijn er geen gedachten en emoties. De emoties ervaren door mensen hebben allemaal een evolutionaire oorsprong in de primitieve gemoedstoestanden ervaren door minder complexe wezens. Verschillende overtuigingen en ideeën, zoals religieuze of politieke opvattingen, hebben een objectieve verklaring in de sociale condities van de maatschappij die hen gecreëerd hebben. Zoals Marx zei: “de condities bepalen het bewustzijn”.

Dialectisch denken – het tweede fundament van het marxisme

Er is één bijzondere eigenschap van de wereld die zo fundamenteel is dat ze wel deel moet uitmaken van de manier waarop we over de wereld denken. Deze eigenschap is essentieel om de wereld zo accuraat mogelijk te kunnen beschrijven. Overal zien we dat niets in de wereld statisch, onbeweeglijk of gefixeerd is. Door een groot aantal verschillende processen ondergaan alle dingen een constante verandering. Deze vaststelling bepaald het tweede fundament van het marxisme: de dialectiek, of het dialectisch denken, dat de constante verandering in de wereld beschrijft.

Wanneer de fundamenten van het materialisme en het dialectisch denken gecombineerd worden, spreken we over de marxistische methode of het dialectisch materialisme. Door de processen van verandering te herkennen, beschrijft het dialectisch materialisme heel goed de manier waarop de wereld zich ontwikkelt, en kan ze helpen om de “kenniskloof” te dichten.

Dialectisch materialisme helpt ons om te begrijpen dat alles wat bestaat, van de sterrenstelsels tot onze gedachten, deel uitmaakt van een spectrum van continue ontwikkeling. Zoals Trotski stelde: “het bewustzijn groeide uit het onbewuste, psychologie uit de fysiologie, de organische wereld uit de anorganische, het zonnestelsel uit de nevels.” De moderne wetenschap bevestigd het bestaan van dit proces van continue ontwikkeling in de natuur. Het marxisme op haar beurt bewijst dat dit proces ook geldt voor de ontwikkeling van maatschappijen, daar zelfs niet bij stopt, en zelfs geldt tot aan het niveau van ideeën, zoals we die we in deze tekst bediscussiëren.

 

Deel 3 De werktuigen van het dialectisch denken

Dialectisch materialisme is een methode. Het is geen loper die ons automatisch kennis verleent over de wereld. Dialectisch materialisme leert ons simpelweg waar te kijken voor objectieve verklaringen. Er is geen binnenweg rond het vinden en bestuderen van feiten over alle dingen die we hopen te begrijpen, hoe zaken veranderen incluis. Hoe we die feiten organiseren en verbinden om ze te begrijpen is echter cruciaal.

Modellen, abstracties en veralgemeningen

Modellen gebruiken is één van de methodes om theorieën te ontwikkelen en observaties uit te leggen. Een wetenschappelijk model is een manier om te beschrijven hoe de wereld werkt. Modellen zijn gesimplificeerde weergaven die ons toelaten iets te begrijpen dat we misschien nooit zullen zien – m.a.w. we maken een “perspectief” dat niet begrensd is door onze zintuigen. Bijvoorbeeld, via het zonnestelsel, een modern wetenschappelijk model, zijn we in staat heel wat meer te begrijpen dan ons gezichtsvermogen toelaat.

Sommige modellen “lijken” helemaal niet op de zaken die ze beschrijven. Atomen zijn bijvoorbeeld de bouwstenen van alle materie in het universum, de mens inbegrepen. Het model van het atoom dat hieronder wordt weergegeven is echter met opzet ontworpen om te lijken op het zonnestelsel.

Het model toont drie sub-atomische deeltjes waaruit een atoom bestaat: een proton- en neutronkern in het midden (de grijze en zwarte cirkels) met “graviterende” elektronen (de witte cirkels). Het model stelt deze sub-atomische deeltjes voor als kleine cirkels, maar het is een simplificatie van een atoom om ons te helpen om het te begrijpen. Elektronen zijn negatieve elektrische ladingen, lijkt zo’n lading op een witte cirkel? Vrijwel zeker niet. Protonen en neutronen kunnen verder worden opgedeeld in up quarks en down quarks, lijken deze echt op grijze en zwarte cirkels? Opnieuw, bijna zeker niet.

Maar toch – mathematische vergelijkingen die een meer precieze beschrijving van atomen toelaten ter zijde gelaten – faciliteert dit model een begrijpelijke weergave van een atoom dat ons helpt de chemische elementen en reacties te begrijpen die de basisblokken van het universum creëren. Door dit model te gebruiken kunnen we voorspellingen doen die op hun beurt bewijzen dat het model wel degelijk beschrijft hoe materie op verschillende manieren ontwikkelt.

Het model van de atoom is dus een abstractie. Wat bedoelen we met abstractie? We bedoelen dat we iets uit zijn context halen en het simplificeren om het te begrijpen. Dit vormt een belangrijk onderdeel van denken. Eens het ontwikkeld is, kan een model worden veralgemeend en toegepast op alle gelijkaardige fenomenen. We hoeven bijvoorbeeld niet de triljoenen atomen waaruit het menselijk lichaam bestaat te bestuderen om na te gaan of ze allemaal in een model van de atoom passen. We gebruiken dit model voor elk atoom tot een observatie aantoont dat ons model iets niet uitlegt. Als dat gebeurt, keren we op onze stappen terug, vragen we ons af waarom en ontwikkelen we een preciezer model vanuit meer precieze observaties.

Het marxisme gebruikt deze wetenschappelijke methode ook. Marx’ meesterwerk, het kapitaal, is een gedetailleerde studie van hoe de kapitalistische maatschappij werkt. Het is een toonbeeld van de dialectisch materialistische methode. Marx bestudeert de historische ontwikkeling van het kapitalisme, maar om de verschillende economische processen binnen het kapitalisme te beschrijven simplificeert hij deze door middel van abstracte modellen of wiskundige vergelijkingen, vooraleer hij ze terug in hun historische context plaatst. Zelfs de simpelste ideeën in het marxisme maken gebruik van abstracties en veralgemeningen. Neem bijvoorbeeld het idee van “de werkende klasse”. Op elk moment, in elke gegeven maatschappij bestaat de werkende klasse uit verschillende sociale lagen en miljoenen, nu miljarden individuen. Er zijn metaalarbeiders, mijnwerkers, mensen werkzaam in distributie, bedienden, werklozen enz. Binnen elke sector is er een arbeidsdeling en zijn er verschillende jobs. Er is geen enkel individu dat een perfect voorbeeld is van “de werkende klasse”. De term is echter wel een erg nuttige veralgemening die ons de maatschappij helpt begrijpen.

De limieten van modellen, abstracties en veralgemeningen

Veel van de ideeën en concepten die we in het dagelijkse leven gebruiken zijn abstracties of veralgemenende modellen. Deze cruciale “mentale binnenwegen” zorgen ervoor dat we niet worden overladen met informatie. Deze manier van denken heeft echter ook een keerzijde. De limieten ervan begrijpen is van het grootste belang om zeker te zijn dat onze ideeën de wereld accuraat beschrijven. In de volksmond zegt men dat het “fout is om te veralgemenen”. Ze bedoelen daarmee meestal, en terecht, dat het fout is om een hele groep mensen te veroordelen voor de misdaden van één individu, om ze allemaal “over dezelfde kam te scheren”. In algemene filosofische termen is het enkel soms verkeerd om te veralgemenen, maar het is cruciaal om te weten wanneer het verkeerd is. Dit punt kan worden bewezen met de simpelste abstractie – een naam, of een etiket.

 

Kijk naar de foto hierboven. Wat is dit?
Antwoordde je “appel”?

Wat is dit?
Antwoordde je opnieuw appel?

 

 

We gebruiken hetzelfde etiket om deze twee appels te beschrijven. Onze etiketten behandelen hen als identiek. In feite zijn ze helemaal niet identiek. Ze hebben om te beginnen al verschillende vormen en tinten! Als je al in rekening had gebracht dat er verschillende soorten appels bestaan, had je in plaats van “appel” te antwoorden misschien “granny smith” en “golden delicious” kunnen zeggen. Maar ook daar stopt het niet. Ik had je dan granny smith appels kunnen tonen.

Opnieuw, geen van hen is identiek. Ze hebben verschillende vormen, groottes en tinten. Hoewel het etiket “granny smith” op een kleiner aantal appels slaat, behandelt het nog steeds een reeks heel diverse dingen als identiek.

Meestal kunnen we deze verschillende soorten zonder problemen en gemakshalve “appels” noemen. Het etiket “appel” is echter te onnauwkeurig als we willen weten met welke variëteit we zoete cider zouden kunnen brouwen of een goede appeltaart zouden kunnen bakken. Niet alles dat kan worden beschreven met het etiket “appel” kan immers even goed voor deze dingen gebruikt worden.

Kunnen meer precieze etiketten ons helpen deze limieten te overwinnen? We kunnen deze appel bijvoorbeeld… een volledig uniek etiket geven, “appel 1” bijvoorbeeld. Het etiket appel 1 is van toepassing op deze appel en op geen enkele andere appel in de wereld. Elke vast te stellen eigenschap van deze appel die haar verschillend maakt van eender welke andere appel – haar afmetingen, vorm, kleur, gewicht etc. – wordt beschreven door het etiket appel 1. Kunnen we door ons etiket zo ver te specificeren deze appel accuraat beschrijven?

Het antwoord is: alleen voor een korte periode. Alle eigenschappen die worden beschreven door het etiket appel 1 ondergaan veranderingen van het ene uur op het andere en van de ene seconde op de andere. Deze appel kon perfect worden beschreven door

het etiket appel 1 indien deze appel los zou bestaan van tijd. Alles dat bestaat is echter tijdsgebonden. Elke appel die van de boom werd geplukt is aan het rotten. Binnen een korte of langere periode zal haar kleur donkerder, en uiteindelijk bruin, worden. De stevige ronde vorm zal gerimpeld, vervormd en zacht worden. Alle eigenschappen die appel 1 beschrijven zullen verdwijnen. Zal het dan nog steeds gewoon dezelfde appel 1 zijn?

Ja en nee. Indien we een camera met tijdsintervallen zouden installeren zou je de appel voor je ogen kunnen zien rotten, maar wat rest is niet “appel 1” maar een “rotte appel”. Die eerste zouden we met plezier opeten, de tweede zouden we niet eens willen aanraken. Het etiket appel 1 wordt nutteloos voor het beschrijven van deze appel na amper een paar weken, door het verstrijken van tijd en door veranderingsprocessen.

Als ik wil vasthouden aan het etiket appel 1 zal ik erop moeten staan dat er niets is veranderd. Wanneer ik dit doe, hecht ik meer waarde aan het etiket dan aan het ding dat het moet beschrijven. Het etiket wordt volledig uit haar context gerukt en het wordt geheel abstract. Dit leidt ertoe dat we de wereld als statisch en onveranderlijk gaan beschouwen omdat onze abstracte modellen en etiketten statisch en onveranderlijk zijn. Dit brengt ons rechtstreeks terug bij het idealisme, zoals beschreven in deel 2.

Wat we hier beschrijven zijn de limieten van de formele logica. Dialectisch denken wordt soms dialectische logica genoemd. Formele logica kan ons niet helpen processen van verandering te begrijpen; dialectiek kan dat wel. Het woord “logica” wordt vandaag nog steeds gebruikt, normaal in aanmaningen om “logisch na te denken” over een probleem of om “logica toe te passen” op een situatie. Het woord komt van het Oudgriekse woord logos, wat rede betekent. Het kan nuttig zijn om de verschillende vormen van logica te zien als verschillende vormen van redeneren.

Abstracte ideeën over de maatschappij

Wanneer we de maatschappij proberen begrijpen, hebben abstracte etiketten die processen van verandering niet in acht nemen een verwarrend effect. We weten bijvoorbeeld wat de ideeën “gerechtigheid” en “eerlijkheid” algemeen betekenen, maar als we ze niet in hun context plaatsen zijn ze betekenisloos. De interpretatie van “gerechtigheid” door de kapitalistische klasse is een “eerlijke” winst kunnen maken op hun investeringen; de interpretatie van de werkende klasse is een “eerlijk” loon kunnen krijgen voor hun arbeid. Aangezien een hoog loon winsten doet afnemen en hoge winsten lonen reduceren, worden dezelfde etiketten “gerechtigheid” en “eerlijkheid” hier gebruikt om verschillende dingen te beschrijven. Als je een onderhandelaar van de vakbond en een fabriekseigenaar op het nieuws laat debatteren zullen ze beiden “gerechtigheid” en “eerlijkheid” als abstracte concepten tegen elkaar gebruiken. Beiden zullen vanuit hun perspectief het gevoel hebben dat “gerechtigheid” en “eerlijkheid” aan hun kant staan, maar ze zullen er zo goed als zeker in falen om elkaar te overtuigen. Indien het debat niet verder gaat dan abstracties en men “gerechtigheid” en “eerlijkheid” geen context geeft, schakelen we de televisie beter uit, we zullen toch niets op steken.

Een ander voorbeeld is het etiket “ANC” [African National Congress, Afrikaans Nationaal Congres, nvdr]. Dit etiket wordt gebruikt om een organisatie te beschrijven die al meer dan honderd jaar bestaat. We gebruiken het vandaag als een korte manier om te verwijzen naar één of andere nieuwe politieke lijn van het de regering of een nieuw geval van corruptie waarin het ANC betrokken is. Wanneer we echter kijken naar de rol van het ANC doorheen de laatste honderd jaar is het etiket “ANC” niet precies genoeg om ons de geschiedenis van die organisatie te helpen snappen.

Van haar stichting in 1912 tot in de jaren ‘40 was het ANC een elitaire lobbygroep die probeerde de Britse Koningin te beïnvloeden. Hun oorspronkelijke doel was om zwarten die onroerend goed bezaten, vooral landeigenaars, stemrecht te geven. In de jaren ‘50 en het begin van de jaren ‘60 begon het ANC – onder invloed van de industrialisatie, de verstedelijking en de ontwikkeling van de werkende klasse – zich te richten op massa-actie, zoals boycots en stakingen. Gedurende de jaren ‘60, ‘70 en ‘80 was het ANC verboden en bestond het vooral in ballingschap. Het ballingschap gaf de organisatie een meer heimelijk en gesloten karakter. In Zuid-Afrika zelf werd het ANC echter steeds meer een symbool voor de vrijheidsstrijd die werd gevochten door andere krachten zoals studenten en vakbonden. Na 1994 werd het ANC de regeringspartij van een neokoloniale, kapitalistische maatschappij. Al deze ontwikkelingsfases van het ANC waren verschillend, dus op welke fase slaat het etiket “ANC” dan wel? Tenzij we duidelijk zijn over de historische context waarin we het etiket “ANC” gebruiken, zullen we fouten maken.

Eén van die fouten die ontstaat door het verkeerdelijk gebruik van het etiket “ANC” is vooral voor jongeren frustrerend. Voor de jeugd betekent “ANC”, “het ANC van na 1994”, d.w.z. een neoliberale, kapitalistische regeringspartij. Voor sommige ouderen daarentegen, zeker in rurale gebieden, betekent het etiket “ANC” , “het ANC van tijdens de jaren ‘80”, d.w.z. een symbool van vrijheidsstrijd. De leiders van het ANC misbruiken deze fout, eigen aan de formele logica, om de oudere generatie om steun te vragen voor hun anti-arbeiders politiek. Vandaag doorzien echter miljoenen mensen deze truc wanneer ze zeggen: “Dit is niet ons ANC”. Deze leuze getuigt eigenlijk van een diepgaand filosofisch inzicht! Het erkent het element verandering en de limieten van het statische etiket “ANC”.

Dialectisch denken

Trotski vatte samen hoe dialectisch denken ons helpt de limieten van statische etiketten te overkomen. Hij legde uit dat:

“Ruw denken werkt met concepten als kapitalisme, moraal, vrijheid, de arbeidersstaat* enz. als vaste abstracties, ervan uitgaande dat kapitalisme gelijk is aan kapitalisme, moraal gelijk is aan moraal enz. Dialectisch denken analyseert alle zaken en fenomenen binnen de voortdurende verandering die ze doormaken en zoekt tegelijkertijd in de materiële condities naar de kritische grens voorbij dewelke “A” ophoudt “A” te zijn, voorbij dewelke een arbeidersstaat[*] ophoudt een arbeidersstaat te zijn.

De fundamentele fout van ruw denken is dat het wenst zich tevreden te stellen met bewegingsloze afdrukken van een realiteit

die bestaat uit voortdurende beweging. Dialectisch denken geeft concepten, door middel van dichtere benaderingen, correcties, concretiseringen enz. een rijkdom van context en flexibiliteit; ik zou zelfs zeggen een tastbaarheid die hen dicht bij levende fenomenen brengt. Niet kapitalisme in het algemeen, maar een gegeven kapitalisme in een gegeven stadium van ontwikkeling. Geen arbeidersstaat in het algemeen, maar een gegeven arbeidersstaat in een achtergesteld land, omcirkeld door imperialistische mogendheden, enz.

Dialectisch denken verhoudt zich tegenover ruw denken op dezelfde manier als een film zich tegenover een foto verhoudt. De film maakt de foto niet overbodig, maar combineert een serie van foto’s volgens de wetten van beweging. Dialectiek ontkent het syllogisme [het etiket van de formele logica] niet, maar leert ons syllogismen te combineren op een dergelijke manier dat ze ons begrip dichter brengen bij een voortdurend veranderende realiteit.”

Een kleinburgerlijke oppositie, 1939

[* Met de “arbeidersstaat” verwees Trotski naar Soviet Rusland (de USSR). In deze polemiek verdedigde hij de Russische revolutie tegen kleinburgerlijke (of middenklasse) “revolutionairen” die, bang voor de Stalinistische degeneratie van Soviet Rusland, dialectisch materialisme overboord hadden gegooid en zich terugtrokken in een vorm van idealisme dat probeerde om de revolutionaire doctrine, het dialectisch materialisme, de fouten aan te wrijven van diegenen die haar verraden hadden.]

Zoals Trotski uitlegt vervangt dialectisch denken simpele modellen, broodnodig voor het dagelijkse leven, niet. Het verbindt ze en plaatst ze in een spectrum van voortdurende ontwikkeling. Dialectisch denken betekent dat we onszelf trainen te onthouden dat alles voortdurend verandert. Dit staat ons toe om van onze gedachten steeds dichtere benaderingen of beschrijvingen van de wereld te maken. Door verandering te erkennen, worden de mazen van het net van het menselijk begrip heel wat dichter.

Het gereedschap van dialectisch denken (hieronder beschreven) zijn modellen. Zoals alle modellen zijn ze gesimplificeerde weergaves van de wereld die ons toelaten processen van verandering te herkennen en begrijpen. Net zoals Rutherfords model van een atoom niet laat zien hoe een atoom er echt uitziet, maar er een gesimplificeerde weergave van is, is dialectisch denken niet identiek aan de verschillende processen van verandering, maar een algemene manier om deze te beschrijven. In die zin is dialectisch denken, zoals alle modellen, een abstractie. Zoals Engels uitlegt in Dialectiek van de Natuur: “De wetten van de dialectiek zijn geabstraheerd uit de geschiedenis van de natuur en de menselijke maatschappij. Ze zijn niet meer dan de meest algemene wetten van deze twee aspecten van historische ontwikkeling en denken zelf.” Engels legde verder uit:

“Het is vanzelfsprekend dat door eender welk evolutionair proces te beschrijven als de negatie van de negatie [één van de gereedschappen van dialectisch denken dat hieronder word uitgelegd] ik niets zeg over het specifieke proces van ontwikkeling van, bijvoorbeeld, het graan van de gerst van het ontspruiten tot de dood van de vruchtdragende plant. De berekening van integralen is namelijk ook een negatie van de negatie. Als ik zoiets zou zeggen zou ik enkel de nonsensicale stelling poneren dat de levensloop van een gerstplant gelijk is aan de berekening van integralen, of socialisme wat dat betreft.”

Anti-Duhring, 1877

De transformatie van water doorheen haar verschillende aggregatietoestanden (vast-vloeistof-gas) en de ontwikkeling van de Europese maatschappij doorheen haar stadia van ontwikkeling (oudheid-feodaliteit-kapitalisme) zijn beiden voorbeelden van verandering. Een verandering in de aggregatietoestand van water wordt

gedreven door het energieniveau van watermoleculen (thermodynamiek). De verandering in de maatschappij wordt echter gedreven door klassentegenstellingen en -strijd. Om te kunnen inzien dat wat totaal verschillende dingen lijken (bijvoorbeeld ijs en damp) eigenlijk verschillende stadia zijn in de ontwikkeling van hetzelfde, moeten we dialectisch denken. Dit laat ons toe om in te zien dat de verschillende stadia (ijs-water-damp) dezelfde watermoleculen zijn die op een andere manier geordend zijn. Op eenzelfde manier zijn de verschillende historische vormen van de Europese klassenmaatschappijen (slavenhouders maatschappijen, feodale maatschappijen en kapitalistische maatschappijen) verschillende manieren waarop mensen in klassen “geordend” werden, gelijklopend met het niveau van de ontwikkeling van de productiekrachten van de maatschappij op dat moment. Het specifieke proces van verandering moet worden gezocht, zoals Trotski zei, “in de materiële condities van die veranderingen”.

Het woord dialectisch is afgeleid van het Oud Grieks en betekent letterlijk “discussie”, meer bepaald een discussie tussen mensen die er dan wel verschillende meningen op na houden, maar willen samenwerken om de waarheid te vinden. Een discussie onderkent de mogelijkheid tot verandering. In een discussie kunnen mensen tot een vergelijk komen, net als dialectiek kan beschrijven hoe “appel 1” een “rotte appel” wordt. Op die manier is een discussie verschillend van een debat. In een debat denken mensen dat enkel zij de waarheid kennen. Een debat is als de vaste etiketten van formele logica. Er is geen manier waarop “appel 1” een “rotte appel” wordt, ze werken niet op elkaar in, maar houden koppig vol dat enkel zij gelijk hebben.

Het gereedschap van dialectisch denken

Marx en Engels formuleerden drie “wetten” van de dialectiek om veranderingen te beschrijven. Ze gebruiken het woord “wet” in de taal van de wetenschap van toen, d.w.z. in de zin van een theorie of een verklaring voor observaties. De alledaagse betekenis van het woord “wet” suggereert echter een wetgever die eerst een wet opstelt waaraan de wereld zich dan moet aanpassen. Dit is natuurlijk tegengesteld aan de manier waarop we de “wetten” van de dialectiek moeten begrijpen. De wetten van de dialectiek zijn een beschrijvingen van ontwikkelingsprocessen en veranderingen in de wereld.

Voor de duidelijkheid spreken we daarom beter over het gereedschap van het dialectisch denken in plaats van de “wetten” van de dialectiek. In de handen van iemand die weet hoe ze te gebruiken, kunnen gereedschappen nuttige producten scheppen uit grondstoffen. Ook dialectisch denken kan, wanneer de persoon die zich ervan bedient er in “geschoold” is, gebruikt worden om uit rauwe en onsamenhangende observaties nuttige beschrijvingen te maken van veranderingsprocessen. Marx en Engels schoven drie zulke stukken gereedschap naar voor, al hebben ze namen die vandaag eerder ouderwets klinken: (1) “de wet van omvorming van kwantiteit in kwaliteit, en vice versa”, (2) de wet van de “negatie van de negatie” en (3) de wat van de “interpenetratie van tegengestelden”. Ze zijn echter gemakkelijker te onthouden door hen bijnamen te geven die zijn gebaseerd op alledaagse zinsneden. Engels maakte immers het punt dat “de mens al dialectisch dacht lang voor hij dialectiek kende”, het is dus geen verrassing dat dialectisch denken een onbewuste uitdrukking vindt in ons alledaags taalgebruik.

Gereedschap 1: “veranderingen van kwantiteit in kwaliteit”, of “de druppel die de emmer doet overlopen”

Tot op een zeker niveau verandert een bepaalde toevoeging of aftrekking niets. Tot welk niveau hangt af van het betreffende proces van verandering. Binnen de filosofie zegt men dat bepaalde veranderingen in kwantiteit geen kwalitatief effect hebben.

We hier een voorbeeld van eerder in dit hoofdstuk wanneer we het over de rotte appel hadden. Dat was een voorbeeld van een verandering in kwantiteit die leidde tot een verandering in kwaliteit. In het geval van de appel is de verandering in kwaliteit een negatieve aangezien de appel wegrot. De appel is nog steeds herkenbaar als een appel, maar er zal een punt komen waarop de appel zodanig is weggerot dat wanneer iemand ze ziet die persoon niet zal kunnen zeggen wat het oorspronkelijk was. De graduele (negatieve) veranderingen in kwantiteit bracht een verandering in kwaliteit voort. Van appel naar detritus (ontbonden organische materie).

Een voorbeeld van hoe het gereedschap van de “verandering van kwantiteit in kwaliteit” kan helpen een verandering in de maatschappij te begrijpen, is de opkomst van het Europese kapitalisme uit een feodale maatschappij. Tijdens het feodalisme was de rol van geld in de economie beperkt. De meeste betalingen gebeurden in natura, zonder dat daar geld bij te pas kwam. Boeren leverden bijvoorbeeld arbeid in ruil voor bescherming van een heer en toegang tot zijn land. Toen de proto-kapitalistische handelaarsklasse haar handelsactiviteiten uitbreidde binnen de feodale maatschappij werden steeds meer delen van de economie gereguleerd door geld in plaats van door betalingen in natura. Tot op een zeker punt veranderde dit het feodale karakter van de maatschappij niet. Vanaf er echter een bepaald punt – een bepaalde kwantiteit – werd bereikt in de accumulatie van rijkdom en macht door de kapitalistische klasse werden ze ertoe gedreven een gevecht aan te gaan met de feodale heersende elite die hen belemmerden. In Engeland en Frankrijk leidde dit tot burgeroorlogen en revoluties die de kapitalistische klasse aan de macht brachten. Dit waren de gebeurtenissen die een kwantiteit in een kwaliteit veranderden; het kapitalisme werd uitgebouwd als een nieuwe kwaliteit uit eerdere veranderingen in kwantiteit. Zoals Marx zei, “de nieuwe maatschappij ontwikkelde zich in de baarmoeder van de oude”.

Plotse Sprongen

Een sleutelidee binnen het gereedschap van “verandering van kwantiteit in kwaliteit” is het idee van een plotse “sprong” of “omslag”, wanneer een verandering in kwaliteit plaatsgrijpt. Hoe snel de sprong gebeurt hangt vanuit een menselijk perspectief af van het specifieke proces van verandering. De kwalitatieve “sprong” van water naar stoom gebeurd, vanuit ons perspectief, wanneer we de eerste bellen zien verschijnen. Sprongen in de evolutie worden echter gemeten in miljoenen jaren, de Cambrische explosie, wanneer een grote diversiteit aan dieren evolueerden, vond bijvoorbeeld plaats

over een periode van 20 tot 25 miljoen jaar. In evolutionaire tijd gemeten is dit een “sprong” maar vanuit menselijk oogpunt is dit een miljoen generaties! Net als dialectiek zelf is het idee van een “kwalitatieve sprong”, een nuttige abstractie maar we moeten die in de juiste context plaatsen en op een specifiek proces van verandering toepassen als we willen weten wat telt als een “sprong”.

Dit idee is cruciaal wanneer het wordt toegepast op de maatschappij. Het helpt ons om ons voor te bereiden op snelle veranderingen in de maatschappij en in het (klassen)bewustzijn. Via dit gereedschap houden we onze ogen open voor verschuivingen in kwantiteit die later omslaan in een abrupte verandering in kwaliteit. Zonder dit te doen ontstaan sociale verandering schijnbaar volledig uit het niets. De Egyptische revolutie van 2011 bijvoorbeeld wierp de dictator Mubarak, die reeds decennia aan de macht was geweest, omver. Ook buurland Tunesië maakte een revolutie door, maar de vonk die de Egyptische massa’s in actie dwong was een stijging in de broodprijs. Dit was de “druppel die de emmer deed overlopen”. Voor velen, de kapitalistische media in het bijzonder, was dit als een donderslag bij heldere hemel. De dag voor de revolutie, zeiden commentatoren ongetwijfeld “de dingen veranderen nooit” en de “werkende klasse is te conservatief”, maar gewapend met het gereedschap van “de veranderingen in kwantiteit en kwaliteit” kunnen revolutionairen zich voorbereiden op dit soort plotse sprongen en niet verrast worden door gebeurtenissen.

Gereedschap 2: De “negatie van de negatie”, of “niets is voor altijd”

In filosofische taal betekent het woord “negatie” eindigen of voorbij gaan. Met de “negatie van de negatie” – het eind van het einde – wordt dus bedoeld dat zelfs iets dat iets anders ten einde brengt zelf ook zal eindigen – niets is voor altijd.

Laten we dus opnieuw de appel als voorbeeld nemen. Als die onverstoord in een open veld wordt gelaten, zullen de zaden binnenin de appel uitgroeien tot een scheut, die de appel als voedsel gebruikt. De negatie van de appel is de scheut. De appelboom die uit de scheut zal groeien zal echter ook niet eeuwig blijven staan. Hij zal ook een negatie kennen en op een gegeven moment sterven.

De “negatie van de negatie” betekent echter niet dat dingen in een eindeloze cyclus worden herhaald. Bij elke negatie vindt ontwikkeling plaats. In het voorbeeld van de appel is dat via een gradueel proces van natuurlijke selectie (een evolutionair proces van verandering in de natuur). Hierdoor zullen alleen die zaden die het meest aangepast zijn aan hun omgeving op dat moment (het kan vochtiger zijn dan anders, of er kan juist een droogte zijn) overleven en het best in staat zijn om te groeien. Zij zullen dat lichte voordeel doorgeven aan de volgende generatie en zo zal de soort als een geheel langzaam veranderen.

Laten we een ander voorbeeld nemen uit de maatschappij. In primitieve maatschappijen werd land in gemeenschappelijk bezit (of zonder bezitsverhoudingen) gehouden. De negatie hiervan was de ontwikkeling van een klassenmaatschappij met private eigendom van land. Marxisten verwachten dat gemeenschappelijk eigendom op zijn beurt de negatie wordt van privaat eigendom. Het zal echter niet gemeenschappelijke eigendom zijn zoals in primitieve maatschappijen, maar socialistische gemeenschappelijke eigendom op basis van een technologisch ver ontwikkelde maatschappij. De negatie van de negatie brengt ons dus niet in de oorspronkelijke situatie terug maar in een nieuwe derde situatie die kwalitatief, al kan dat zowel negatief als positief zijn, fundamenteel anders is.

Gereedschap 3: de interpenetratie van tegengestelden ofte het leven is nooit eenvoudig

De wereld zit vol tegengestelde krachten. In filosofisch taalgebruik zeggen we dat de wereld vol contradicties zit. Deze tegengestelde krachten bestaan echter steeds samen. De positieve pool van een magneet trekt bijvoorbeeld de negatieve pool van een andere magneet aan, maar elke magneet heeft zowel een positieve als negatieve pool. Zelfs als je een magneet in stukken snijdt heeft ze nog steeds een positieve en negatieve pool. Deze tegengestelden bestaan samen – ze ‘interpenetreren’.

Laten we terug gaan naar onze appel. De chemische banden die haar atomen samen houden worden tegengewerkt door chemische processen die de banden breken en de appel doen rotten. De krachten zijn in oppositie met elkaar. Ze werken elkaar tegen, maar bestaan binnen hetzelfde object.

In maatschappijen kan de aanwezigheid van deze contradictie worden waargenomen in de strijd tussen klassen, zoals tussen de arbeidersklasse en de kapitalistische klasse binnen een kapitalistische maatschappij. Er is een tegenstelling tussen de belangen van de kapitalistische klasse om winst te maken en die van de werkende klasse om hogere lonen te bekomen. Er is dus een tegenstelling tussen het individueel (of privaat) eigendom van de economie door de kapitalistische klasse en het collectieve werk van de arbeidersklasse.

De interconnectie van het gereedschap

Elk stuk gereedschap van dialectisch denken heeft haar eigen “gespecialiseerde” toepassing, maar ze hangen allen samen. Met andere woorden, om een nuttig resultaat te bekomen moet je ze steeds alle drie samen gebruiken. Je kan immers ook geen meubel bouwen met enkel een hamer. Gereedschap 3 verbindt uiteindelijk de andere twee en kan ons naar hen terugleiden. De accumulatie van contradicties kan in één pool bijvoorbeeld zwaarder doorwegen dan de andere pool, deze veranderingen in kwantiteit kunnen dan leiden tot veranderingen in kwaliteit (gereedschap 1) en de negatie vormen van waar we mee begonnen (gereedschap 2).