Stellingen over marxisme en psychologie

Stellingen over marxisme en psychologie

Peter Van der Biest


1.

Het bewustzijn weerspiegelt meer of minder compleet en nauwkeurig een werkelijkheid die er een onafhankelijk bestaan van leidt. Deze verhouding gaat echter niet beiderzijds op, aangezien de spiegel zelf niet onafhankelijk bestaat van de werkelijkheid, doch erdoor wordt gevormd. Vooraleer de werkelijkheid het voorwerp was van het bewustzijn, was het bewustzijn het lijdend voorwerp van de werkelijkheid. Het bewustzijn heeft een geschiedenis die zich in gelijk opgaande mate voltrekt met de macht die de mensen op hun natuurlijke omgeving kunnen laten gelden. De accuraatheid van onze bewuste verhouding met onze omgeving, de mate waarin de spiegel zijn oneffenheden en krommingen verliest en de realiteit nauwkeuriger en meer rechtzinnig gaat weergeven, deze staan in een recht evenredig verband met de mate waarin de mensheid zelfbeschikking heeft gekregen tegenover de voordien ongecontroleerde, blinde krachten van de natuur. Met andere woorden, in de laatste instantie geldt dat de ontwikkeling der productieve krachten de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van het hoogst mogelijke bewustzijn bepaalt.

2.

Ook voor onze verhouding tot onszelf gaat deze materiële bepaling op. De macht die we uitoefenen op de natuurkrachten die uit ons lichaam opborrelen, staat in eenzelfde verhouding tot de macht die we uitoefenen op de natuurkrachten erbuiten. De primitieve mens staat even machteloos tegenover de uitingen van zijn ziel als tegenover de zelfwerkzaamheid van de aan zijn lichaam uitwendige natuur.

3.

De motor achter de ontwikkeling van de zelfbeheersing is de vermaatschappelijking, die op haar beurt een bepaalde stand van zaken weergeeft in de sfeer van de technologische beschaving.

4.

Freud is op de seksuele wellust gestuit, als ruwe grondslag voor alle hogere cultuuruitingen en maatschappelijke gedragingen. De seksuele wellust vormt de subjectieve grondslag voor de maatschappelijkheid, omdat de arbeidsdeling historisch terug gaat tot de arbeidsdeling tussen de geslachten, die, zoals Marx zegt, haar oorsprong vindt bij de arbeidsdeling in de geslachtsdaad.

5.

De zogenoemde polymorfe perversiteit van het kind, die eerder de benaming amorf, vormeloos, verdient, is het uitgangspunt voor de maatschappelijke bepaling van het sociale groeiproces. De verschillende wellustgestalten waar het kind zich doorheen moet werken zijn even zovele stadia van vermaatschappelijking. Deze vermaatschappelijking moet niet worden gezien als de enkeling die tot de maatschappij wordt gebracht. Het zijn eerder de toenemende bemiddelingen tussen de oorspronkelijke maatschappelijke productieverhouding tussen het kind en de moederborst. Veeleer dan dat het individu wordt opgevoed tot maatschappelijkheid, rekt de vooraf gegeven maatschappelijkheid zich, via de door haarzelf ingebrachte tussenschakels, uit tot een toenemende complexiteit die de enkeling uiteindelijk bewust maakt van zichzelf.

6.

Het is niet de enkeling die tot de maatschappij wordt gebracht, het is de maatschappij die de enkeling tot zichzelf brengt. Dit verklaart waarom zelfbeeld en wereldbeeld in een dergelijke nauwe betrekking staan tot het materiële ontwikkelingspeil van de maatschappij in haar geheel.

7.

Het basisprobleem van Freuds maatschappijanalyse bestaat erin dat hij het gestel van het individu tegen stelt aan dat van de samenleving, en zodoende van de klassieke burgerlijke oppositie tussen maatschappij en enkeling geen historisch bepaalde formatie, doch een vast antropologisch beginsel maakt. Aangezien het grondvraagstuk der psychologie – de verhouding van het zielsleven tot de maatschappij – zo goed als a priori beantwoord wordt met de ontbinding van de voornaamste attributen (van dit vraagstuk) in een eeuwige tegenstelling (de onontkoombare strijdigheid van de beschaving met de totaalbevrediging), kan het ook niet verwonderlijk worden genoemd dat de gehele sociologie van Freud zich ontbindt in tegenstrijdigheden die niet meer tot eenheid terugkeren, doch eerder mettertijd heftiger worden naarmate het beschavingsproces voortschrijdt. Door van zijn oorspronkelijke voorwerp, de burgerlijke enkeling, de basispersoonlijkheid zoals de burgerlijke samenleving deze voorziet, te redeneren naar de samenleving – daar waar deze laatste de prima causa vormt van de basispersoonlijkheid – was Freuds analyse reeds bij voorbaat een soortgelijk lot beschoren als het oude subjectieve idealisme. Door het kennistheoretische Ik niet te begrijpen als de bundeling van bepalingen uit de wereld, maar omgekeerd de wereld te laten verschijnen als een ontdubbeling van het Ik, verloor de wereld buiten het Ik iedere eenheid. De uitvloeisels van het Ik kenden slechts dit laatste als bron van eenheid. Bij Freud nemen, op analoge wijze, de maatschappelijke betrekkingen nietde vorm aan van een geïntegreerd organisme waarin de sociale tegenstellingen plaatsgrijpen als inwendig onderdeel van het historische levensproces van dit organisme. Deze antagonismen zijn tegenstellingen zonder meer, tegenstellingen van de bovenhistorische zogenoemde menselijke natuur; of een fundamentele strijdigheid van de menselijke natuur met het beschavingswerk. Daardoor verspeelt Freud het veelbelovend materialistisch en dialectisch uitgangspunt van zijn klinische opvattingen voor een analyse die, naar haar theoretische en sociologische afronding toe, steeds meer de karaktertrekken vertoont van de metafysische begrippendwang.

8.

De moderne samenleving heeft het peil bereikt waarin de heersende arbeidsdeling niet meer in tegenstrijd staat tot het algemeen en bewust afbouwen van de beschaving van het individu. De burgerlijke verkeersvorm bij uitstek, de individuele ruil, omvat nu zowel de oude verrijkingsvorm van de bourgeoisie als haar ideologische beheersingsvormen. De repressieve desublimering eerst ontstaan als spontane ontbindingsvorm van de burgerlijke beschaving in het tijdperk van het imperialisme, werd pas later op bewuste wijze overgenomen in het alaam van ideologische beheersingsmiddelen. De repressieve desublimering, het laten varen van de burgerlijke zelfbeheersing in de vrije tijd van de bevolking is, vergeleken met de vorige cultuurstadia, in plaats van een tijdelijke toegift een vast en dagelijks onderdeel geworden van de wijze waarop de bourgeoisie de werkende bevolking onderwerpt.

9.

Omdat de vervreemding in de werksfeer, deze bron van verruwing van het proletariaat, tegenover de desublimering in de vrije tijd komt te staan, leeft het proletariaat in een situatie van dubbele ontkenning: de afbouw van de beschaving in de vrije tijd en de afbouw van de beschaving in de werksfeer, neutraliseren elkaar gaandeweg als negatie van de negatie. Het volledig verloren gaan van de beschaving treft nu nog slechts eenzijdig en permanent de bourgeoisie zelf en haar ideologische kaders, waar obscurantisme en geestelijke verdwazing de giftige angel vormen die de eenzijdige specialisatie en sociale vereenzaming hebben achtergelaten. Dit terwijl de toenemende scholing van de arbeidersklasse ertoe neigt om de lat tussen intelligentsia en loonarbeiders gelijk te leggen.

10.

De laatburgerlijke samenleving heeft haar lot in de handen gelegd van een toenemende consumptie door het proletariaat. Wanneer deze in het gedrang komt, verliest de bourgeoisie niet alleen haar laatste erkende rechtmatigheid, doch tevens haar laatste reële macht buiten de onmiddellijke toepassing van geweld, over de arbeidersklasse.

11.

De politieke machtsovername door de arbeiders zal niet alleen een tijdperk inluiden van ‘zuiver materiële’ bevrijding ten aanzien van de oude economische machtsverhoudingen. Zowel de oude africhting van de arbeiders in de werksfeer als de ondermijning van de beschaving in de vrije tijd zullen van hun repressieve karakter worden ontdaan, en plaats maken voor een macht van het individu over zichzelf die in een gelijke verhouding staat tot de macht die het in gemeenschap met anderen uitoefent over de samenleving. In dat opzicht staat de materiële bevrijding van de mensheid gelijk aan de psychologischebevrijding ervan, net zoals de collectieve bevrijding van de arbeidersklasse gelijk staat aan de definitieve bevrijding van het individu.

7 juni

Delen: Printen: