Home / Recensies/Cultuur / Wolven op Wall Street

Wolven op Wall Street

Recensie door Margaret Collins, Socialist Alternative New York

“Fuck de klanten… Verplaats het geld uit de zakken van de klanten naar die van jou… Niemand weet of een aandeel zal stijgen, dalen of ter plaatste blijft trappelen. Beurshandelaars weten dat nog het minste van al. Het is een rotzooi. We creëren niets, we bouwen niets. Als de klant dan stopt en het geld cash terug wil, wat doe je dan? Je zoekt een ander briljant idee, een andere situatie, een ander aandeel, om de opbrengst te investeren en dat elke keer opnieuw omdat ze verslaafd geraken. De klant denkt dat hij stinkend rijk is, wat hij op papier ook is, en jij en ik, de beurshandelaars, gaan naar huis met harde cash via commissies.”

De nieuwe beurshandelaar Jordan Belfort, gespeeld door Leonardo DiCaprio, krijgt op zijn eerste dag uitgebreid advies van zijn cokesnuivende baas Mark Hanna, gespeeld door Matthew McConnaughey. Nadat hij zijn job verloor tijdens de crash van Wall Street van 1987 vond Belfort zichzelf terug uit als handelaar in kleine aandelen van bedrijven die niet kapitaalkrachtig genoeg zijn om op de beurs van New York genoteerd te zijn. De aandelen van kleine bedrijven worden voor minder dan een dollar verkocht, maar met een commissie van 50% doet de handelaar het beter dan minder 1% commissie op de grote aandelen. De aandelen van de kleine bedrijven zijn waardeloos. Belfort maakt gewone werkende mensen op een eigenzinnige manier wijs dat ze miljonair kunnen worden. Sommigen trappen in de val. Belfort zegt: “Ik verkocht vuilnis aan vuile mensen en verdiende er veel geld mee”.

Wat de film niet toont, is dat niet alleen Belfort maar de volledige samenleving probeerde om de minst geïnformeerde en arme mensen ervan te overtuigen om aandelen te kopen. Dat is overigens een fatale zwakte in de film. Scorsese overrompelt de kijkers met een spektakel van cocaïne, prostituees en de algemene degeneratie van de vrolijke kliek rond Belfort. Hij slaagt er echter niet in om de context te schetsen. Tegen eind jaren 1980 kon je in Manhattan bij wijze van spreken geen stuk pizza kopen zonder dat de aandelenprijzen mee op het ticket vermeld stond. Dat was na de crash op die ‘Zwarte Maandag’ in 1988.

Op Zwarte Maandag 1987 was er de grootste val op de beurs sinds de crash van 1929. De Dow Jones ging gemiddeld met 22% achteruit. Het kapitalisme had kapitaal nodig en dus werden alle media ingezet om de werkende bevolking ervan te overtuigen dat ze hun zuur verdiende spaargeld beter in de beurs zouden steken omdat ze daar rijk zouden worden. De levensstijl van de rijken druipt van het televisiescherm achter Belfort, maar het verhaal wordt niet uitgelegd. Het was geen achtergrondverhaal, het stond vooraan in het bewustzijn van brede lagen.

De eindeloze herhalingen van uitwassen door Belfort worden in de 2u45 durende film op de duur vermoeiend en zinloos. Het is veelzeggend dat Jonah Hill als Danny Azoff, de rechterhand van Belfort, meer de toon van de film bepaalt dan Jordan Belfort. De nadruk ligt doorheen de film op de sfeer van decadentie waardoor dit het enige is dat bijblijft. Eerdere films als ‘The Boiler Room’ en ‘Glengarry Glen Ross’ slaagden er beter in om het interne functioneren van de aandelenzeepbellen naar voor te brengen.

Wist Scorsese echt wel wat hij deed? Stond hij onder druk van filmbazen om in te spelen op een jongeren generatie van bioscoopbezoekers, of maakte hij een verkeerde inschatting van het soort verhaal dat moest verteld worden? We weten dat hij ooit een briljante filmmaker was die een wereld creërde rond werkende mensen die aan de rand van de criminaliteit stonden. De straat – en de mensen die daar vertoeven – was het terrein van Scorsese die een enorm oog voor detail had. Het deed wat denken aan de films van Buñuel of Godard over de Europese burgerij. We kunnen lacherig doen om Jack LaMotta in ‘Raging Bull’, we kunnen zelfs denken dat hij lomp en vulgair is. Maar hij blijft wel steeds een herkenbare mens.

Soms zien we in ‘The Wolf of Wall Street’ nog elementen die de vroegere meester kenmerkten. Er zijn enkele lange scènes die semi-geïmproviseerd aandoen en bouwen op grappige conversaties en erg natuurlijke acteerprestaties. Maar het script komt zelden boven het niveau van de karikatuur. Scorsese is ondertussen een 70-jarige man die al enkele decennia in Hollywood leeft, midden de mensen van de filmindustrie. Het is uiteraard mogelijk om op latere leeftijd nog uitstekende artistieke werken te maken, maar dan moeten artiesten wel nog beschikken over hun nieuwsgierigheid en de drang om het verhaal van echte mannen en vrouwen te brengen, los van de plaats dat die in de samenleving innemen. In deze film slaagt Scorsese daar niet in.

Kunst moet niet persé antikapitalistisch zijn om gesmaakt te worden, maar je moet al in een of andere grot leven om te weten wat er gebeurd is sinds eind jaren 1980. De volledige wereldeconomie werd geraakt als gevolg van de steeds grotere opmars van speculatie. Belfort zou vandaag grijnzen als hij ziet dat veel omvangrijkere zwendel en fraude door grote makelaarskantoren gepaard gingen met veel minder arrestaties en geen veroordelingen. De kapitalistische politici hebben van de periode na de jaren 1980 gebruik gemaakt om de wetten te herschrijven zodat ongeveer iedere vorm van speculatie ‘legaal’ werd. Belfort vertelt het publiek steevast: “Je wil de saaie details niet kennen.” Scorsese vergist zich. De wereld wil de details wel kennen. Dat is waarom de meeste ernstige critici ‘The Wolf of Wall Street’ niet wisten te smaken. Nu de wereld gehavend is door de speculanten van Wall Street is deze film eigenlijk irrelevant.