De periode van de Tweede Internationale tot het einde van de Eerste Wereldoorlog

In het vierde deel van het boek "Sociale geschiedenis van de Europese arbeidersbeweging" wordt ingegaan op de periode van de Tweede Internationale: de ontwikkeling van massapartijen en het uiteindelijke verraad bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog wat zelfs leidde tot het opheffen van de Tweede Internationale. De ontwikkelingen verliepen niet in alle landen op een zelfde manier, zo bleven delen van de arbeiderspartijen buiten het oorlogsgewoel en de steun die daaraan werd gegeven. Die vormden echter een minderheid en enkel in Rusland bleek de sociaal-democratische arbeiderspartij in staat te zijn om een programma en strategie aan te bieden waarmee fundamentele stappen vooruit konden worden gezet.

Wolfrang Abendroth

4. De periode van de Tweede Internationale tot het einde van de Eerste Wereldoorlog

De nationale arbeiderspartijen die nu ontstonden, hadden twee dingen gemeenschappelijk: enerzijds het doel om de kapitalistische klassenmaatschappij om te vormen tot een klassenloze maatschappij, anderzijds Het overeenkomstig karakter van de problemen waarvoor zij zich in landen geplaatst zagen. Alle streefden zij naar een democratisering van de politieke macht, verbetering van de arbeidsvoorwaarden en lonen, evenals verzekering van de positie van de arbeiders in geval van ziekte, invaliditeit en werkloosheid. Ook de strijdvormen – stakingen onder leiding van vakbonden en organisatie van de arbeiders in partijen en vakbonden – leken in de verschillende Europese landen op elkaar. En alom golden maatregelen van de staat op sociaal gebied als belangrijk middel om de successen van de vakverenigingen in hun streven om de levensstandaard van de arbeiders aan de toegenomen productiviteit aan passen en ook in economische crises te stabiliseren – een arbeidsproductiviteit die gelijke tred hield met de technische vooruitgang. Ook zag men het als een taak van de staat, de levensvoorwaarden van diegenen draaglijk te maken, die tijdelijk – door ziekte of werkloosheid – of permanent – door invaliditeit of ouderdom – buiten het arbeidsproces stonden. De machtspolitieke tegenstellingen tussen de regeringen van de verschillende landen namen wel toe, maar desondanks moest alleen al de behoefte aan bovennationale uitwisseling van ervaringen en bovennationale coördinatie van hun activiteiten de nationale arbeiderspartijen dwingen tot een nieuwe internationale organisatie. Zeker, er bestonden toen voor de arbeidersbeweging nog nationale problemen die onopgelost waren, bijvoorbeeld in Polen en Oostenrijk-Hongarije. Maar reeds in hun vroegste fase was de identiteit van de strijd voor nationale eenheid en internationale coöperatie al een kenmerk van deze partijen geweest. Nu bleek opnieuw, dat de problemen in Polen en Tsjecho-Slowakije wel tactische, maar geen principiële meningsverschillen in de Europese arbeidersbeweging opriepen. Voor het herstel van een internationale samenwerking konden zij geen werkelijke belemmering vormen.

Na het einde van de Eerste Internationale waren er internationale arbeidersconferenties belegd, in 1877 in Gent, 1881 in Chur, 1883 en 1886 in Parijs op uitnodiging van de Franse possibilisten en in 1888 in Londen op uitnodiging van het Trade Union Congress. Daaraan nam echter steeds maar een deel van de arbeidersbeweging deel. Voor het eeuwfeest van de bestorming van de Bastille waren op 14 juli 1889 twee congressen in Parijs bijeengeroepen, die met elkaar concurreerden. Enerzijds hadden de possibilisten op instigatie van het Trade Union Congress vooral de vakverenigingen uitgenodigd anderzijds vergaderde er een tegencongres dat door de guesdisten werd georganiseerd. Een overeenkomst over samenvoeging van beide conferenties werd niet bereikt. Het door de marxistische aanhangers van Jules Guesde georganiseerde congres werd bezocht door vertegenwoordigers van alle grote groepen uit de Europese arbeidersbeweging en door gedelegeerden uit de Verenigde Staten en Argentinië. Het leidde tot heroprichting van de Internationale. Men besloot, om op 1 mei 1890 in alle landen te demonstreren voor invoering van de achturige werkdag en deze eis ook aan de staat te stellen (en niet alleen aan de ondernemers). Het zwaartepunt van de Tweede Internationale lag sinds dit congres bij de Europese partijen. De Amerikaanse afgevaardigden speelden op geen der congressen van de Internationale een beslissende rol. Dit kwam doordat hun maatschappijstructuur afweek van de Europese zodat zij ook voor andere problemen stonden. Ook de weinige vertegenwoordigers van arbeidersgroepen uit Azië, die zich later aansloten, konden in dit karakter van de Internationale geen verandering brengen. De Indische gedelegeerden vertegenwoordigden meer een koloniaal onderdrukte natie dan een arbeidersbeweging. De afgevaardigden van de eerst illegale, daarna half-legale arbeidersbeweging van het snel industrieel opbloeiende, maar nog feodaal militaristisch geregeerde Japan, vertegenwoordigden slechts een onbeduidende minderheid. Van de incongruentie tussen haar tot Europa beperkte werkelijkheid en haar universele pretentie werd de Internationale zich niet bewust.

De eerste congressen stonden nog in het teken van de controverses met anarchistische minderheden, die principieel de strijd voor een sociale wetgeving door de staat en deelname aan parlementair werk afwezen. Het congres in Londen van 1896 maakte aan deze controverses definitief een einde. Men besloot, in de toekomst alleen vertegenwoordigers uit te nodigen van organisaties, die “streven naar omzetting van de kapitalistische eigendoms- en productieverhoudingen in socialistische productie- en eigendomsverhoudingen, en deelname aan de wetgeving en parlementaire activiteit onderschrijven. Anarchisten zijn bijgevolg uitgesloten.” Dit besluit weerspiegelde de ontwikkeling binnen de nationale arbeidersbewegingen. Behalve in Spanje waren de anarchisten tot kleine geïsoleerde groepen geslonken. Alleen in Italië, in de Franse en Nederlandse vakorganisatie beschikten zij nog over een waarneembare invloed. In Nederland was het in 1893 op instigatie van de Tweede Internationale gestichte Nationaal Arbeids Secretariaat sterk in syndicalistisch vaarwater gekomen. Het onderhield nauwe banden met de anarchisten (vrije socialisten) rond Domela Nieuwenhuis. De SDAP wist hier geen vat op te krijgen en stichtte een eigen vakcentrale het reeds genoemde NVV – die steunend op de Engelse ervaring en het Duitse organisatiemodel tot een massa-organisatie uitgroeide. Toch wist het NAS altijd nog enkele tienduizenden arbeiders vast te houden. Een tweede organisatorisch steunpunt van het Nederlandse anarchisme vormde de Internationale Anti-Militaristische Vereeniging (1904). Pas in de jaren twintig verliest het Nederlandse anarchisme iedere betekenis.

Pas op het Parijse congres van 1900 schiep de Tweede Internationale technische instrumenten voor de internationale samenwerking van haar aangesloten organisaties. Een internationaal secretariaat, een Internationaal Socialistisch Bureau en een Interparlementair Comité werden geïnstalleerd. De zetel van het secretariaat was te Brussel gevestigd, de eerste voorzitter was Emile Vandervelde. Het Bureau bestond uit twee vertegenwoordigers per aangesloten partij.

Doch de Internationale bleef een weerspiegeling van de ontwikkeling van de afzonderlijke bij haar aangesloten partijen. Zij fungeerde een tussenschakel tussen de debatten die tussen de groepen werden gevoerd, en zij internationaliseerde hun interne controverses. Een eigen invloed op de partijen kon zij maar zelden uitoefenen. Ze heeft evenwel een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren tot de vereniging van de Franse socialisten.

De 25 jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, de tijd van de “klassieke” Tweede Internationale, werden gekenmerkt door een nieuwe industriële bloei. In alle landen waar de industrialisatie reeds op gang was gekomen, steeg het nationaal product. De landen die tot dusver nauwelijks of slechts in geringe mate waren geïndustrialiseerd, raakten bij de kapitalistische ontwikkeling betrokken. In het Duitse Rijk bijv. was de totale waarde van de industriële productie van één jaar sedert de Reichsgründung in 1871 en 1890 bijna verdubbeld, om tussen 1890 en 1913 nog eens met 100 procent toe te nemen. Grote nieuwe industrieën kwamen op. Elektro-industrie en chemische industrie begonnen hun opmars en veranderden de productie-techniek in alle Europese staten. Deze technische veranderingen bewerkstelligden een ongelijkmatigheid in de industriële groei: terwijl de aanmaak van productiemiddelen in deze periode werd verdrievoudigd, steeg de productie van consumptiegoederen veel minder snel. Dit verschijnsel was geenszins een specifiek kenmerk van het relatief jonge Duitse industrie-kapitalisme, maar kwam overeen met een algemene ontwikkelingstendens in Europa. Aanmerkelijke structuurveranderingen waren hiervan het gevolg. Nog rond 1890 nam de uitvoer van Duitsland jaarlijks met 2,3 procent toe. Het groeipercentage tot aan het uitbreken van de oorlog daarentegen steeg jaarlijks met bijna 10 procent. De invoer bleef in dezelfde tijd met minder dan de helft van deze waarde stabiel. De tendens die zich hierbij in de Duitse ontwikkeling manifesteerde, was alleen maar de uiterst pregnante uitdrukking van de algemene tendens van de veranderingen in het hoogontwikkelde Europese industrie-kapitalisme. Hetzelfde geldt voor de in 1878 in Duitsland ingezette overgang tot protectionistische bevoordeling van de zware industrie en het grootgrondbezit. De kapitaalexport, de penetratie middels investeringen in industrieel relatief onontwikkelde Europese en niet-Europese landen en de direct door Europese staten beheerste koloniën nam voortdurend toe. In de voorafgaande fase van industrialisatie was dit vooral een zaak van de Engelsen en Fransen geweest; de Duitse kapitaalbeleggingen in het buitenland bedroegen rond 1880 waarschijnlijk niet meer dan ongeveer een derde van de Franse, resp. een vijfde van de Engelse. De nieuwe industriële bloei had de tendens tot ongelijkmatige ontwikkeling tussen de grote mogendheden versterkt, evenals de tendens tot versnelde expansie. In 1914 bedroegen de Duitse investeringen in het buitenland reeds de helft van de Franse en een derde van de Engelse. De concurrentiestrijd tussen de kapitalistenklassen van de grote industriestaten van Europa moest zich wel verscherpen tot een politiek en militair conflict tussen de staten, die de representanten van deze klassen waren.

De eens door Karl Marx voorspelde ontwikkeling tot concentratie en centralisatie van het kapitaal werd bewaarheid. Ze werd bevorderd door de veranderingen in de productietechniek. In het Duitse Rijk bijv. werd de elektro-industrie beheerst door twee concerns (AEG en Siemens-Schuckert), de chemische industrie eveneens door twee groepen, die onderling weer verbonden waren door talloze octrooi-overeenkomsten, evenals de ijzer- en staalindustrie, die beheerst werd door enkele in kartels gebundelde familieconcerns. Het bankwezen werd vrijwel volledig gecontroleerd door 5 grote banken. Het liberale concurrentiekapitalisme van voor 1890 had verrassend snel plaats moeten maken voor het moderne oligopoliekapitalisme, waar de vrije markt alleen nog secundaire functies bezit. De ommezwaai van Joseph Chamberlain, de reorganisator van het Britse liberalisme, van vrijhandelspolitiek naar protectionisme en kolonialisme symboliseerde rechtstreeks de structuurveranderingen in de hele kapitalistische wereld.

Ook al was deze ontwikkeling in de andere Europese landen nog niet zo ver gevorderd als in Duitsland, zij ging toch ook daar in dezelfde richting. Daarmee trad een verschuiving op in de politieke doelstellingen van de Europese grote mogendheden. Het bewapenings- en militariseringsstreven van deze mogendheden werd opgedreven tot een bewapeningswedloop. Deze was ten dele het gevolg van de directe druk van bepaalde grootkapitalistische machtsgroeperingen – in het bijzonder de zware industrie – ten dele ook van de noodzaak tot uitbreiding van de kapitalistische economie. Deze was immers aangewezen op kapitaalexport naar, en marktbeheersing in de afhankelijke landen en koloniën – zaken die dan ook politiek veiliggesteld moesten worden. Tegelijkertijd nam evenwel ook het aandeel van de staat in het nationaal product toe. Tevens werd het percentage loonafhankelijken onder de beroepsbevolking van de industriële staten hoger. Het percentage zelfstandige kleine ondernemers, ambachtslieden, en in geringere mate boeren nam daarentegen af. Binnen de laag der loonafhankelijken zelf steeg het aantal tewerkgestelden in de administratieve sector van de industrie, maar ook het aantal technische bedienden sneller dan het aantal arbeiders. De uitbreiding van de overheidsadministratie als gevolg van de toegenomen rol van de staat op sociaal gebied en in verband met de bewapeningspolitiek vergrootte het percentage ambtenaren van de centrale overheid, de publiekrechtelijke colleges en instellingen.

De ontwikkeling van de lonen en hun verhouding tot de kosten van levensonderhoud toont in deze periode een duidelijke caesuur, die wederom het duidelijkst in het Duitse voorbeeld aan het licht komt. Van 1890 tot 1900 bleven de kosten van levensonderhoud grosso modo stabiel. Met het begin van het uitrusten van een vloot en van de algemene bewapeningswedloop, na de definitieve overschakeling van de grote mogendheden op een imperialistische politiek, stegen de kosten van levensonderhoud. De waarde van het geld daalde. Stelt men de kosten van levensonderhoud (levensmiddelen, kleding, huur) voor een Duitse arbeidersgezin met drie kinderen in 1890 op 100, dan kan men zien, dat deze in de daarop volgende jaren afhankelijk van de schommelingen in de conjunctuur weliswaar (zij het slechts geringe) wijzigingen ondergingen, maar in 1900 nog op 100 stonden. Na de crisis van 1901/02 stegen ze tot in het jaar 1913/14 snel naar 130. Tussen 1890 en 1900 steeg het gemiddeld loon met in totaal gemiddeld 8 à 10 procent, een stijging die slechts onderbroken werd door de economische crisis van 1891/92. Dit had een reële verbetering van de levensstandaard betekend. Na de eeuwwisseling betekende iedere loonsverhoging alleen maar handhaving van dit niveau en was slechts dan een verbetering, indien ze uitging boven een compensatie van de waardevermindering van het geld. Juist dit laatste was tot het uitbreken van de oorlog voor bepaalde groepen arbeiders onbereikbaar, bijv. voor de relatief goed georganiseerde en rond de eeuwwisseling tot de bestbetaalde arbeidersberoepen behorende typografen, metaalarbeiders en mijnwerkers. Bij beroepscategorieën met een lage graad van organisatie – land- en textielarbeiders – was de situatie natuurlijk niet beter. Andere categorieën arbeiders waren dankzij hun vakverenigingsorganisatie evenwel in staat hun omstandigheden te verbeteren: in Duitsland vooral de arbeiders in de houtindustrie en de bouwvakkers. In deze industrietakken was de kapitaalconcentratie niet zo ver gevorderd. Over het algemeen echter stegen de arbeidsproductiviteit en daarmee de winsten sneller dan de lonen. De druk die de vakbonden nu via de steeds belangrijker wordende CAO’s uitoefenden, leidde tot een langzaam verkorten van de gemiddelde duur van de arbeidsdag. Maar in geen enkel land kon het doel van het oprichtingscongres van de Tweede Internationale de achturige werkdag worden bereikt.

Deze structuurverandering van het Europese en wereldkapitalisme schiep de voorwaarden voor de ontplooiing en activiteit van de in de Tweede Internationale gebundelde arbeiderspartijen en van de sinds 1901 in Internationale Vakbondsconferenties, sinds 1903 in het Internationaal Vakbondssecretariaat verenigde nationale vakcentrales. Maar tegelijkertijd was de verbetering van het levenspeil van de arbeidersklasse (hoe gering ook en hoezeer ook achterblijvend bij de stijging van de productiviteit) evenals de – zij het beperkte – verbetering van haar sociale zekerheid niet het gevolg van een automatische ontwikkeling, maar het resultaat van de klassenstrijd, gevoerd door de socialistische partijen en vakverenigingen. De arbeidersorganisaties waren tegelijk object en subject in de verdere maatschappelijke ontwikkeling geworden, ook al maakten snelle groei en successen, dat zij hun subject-functies theoretisch maar al te vaak overschatten.

Model voor de partijen van de Tweede Internationale en voor de vakverenigingen van het Internationaal Vakbondssecretariaat stond daarbij de Duitse arbeidersbeweging. De verdere bloei van de Duitse sociaal-democratie bleef ook na de oprichting van de Tweede Internationale indrukwekkend. Het aantal leden en kiezers nam toe. In 1912 telden de “vrije” vakverenigingen in Duitsland 2.553.000 leden. De SPD had aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog ruim 1.086.000 leden en 4.250.000 kiezers (ruim 34 procent van de uitgebrachte stemmen en 110 zetels in de Rijksdag. Er bestond geen stad van enige omvang of er waren een sociaal-democratische krant, verbruikscoöperaties, sportverenigingen en culturele organisaties van de arbeiders. De grote volkstribunen van de beginjaren van de sociaal-democratie waren gestorven, Wilhelm Liebknecht, Paul Singer en in 1913 ook August Bebel. Clara Zetkin was de laatste representante van een generatie, die zich destijds onder leiding van Friedrich Engels de principes van de klassenstrijd en niet alleen van het leiden van machtige organisaties eigen gemaakt had. Maar leek de politieke inhoud van de Duitse sociaal-democratie niet in overeenstemming met haar organisatorische sterkte? Had leidende theoreticus, Karl Kautsky, na de dood van Friedrich Engels 1895 niet diens nalatenschap overgenomen, zoals Engels eens zelf, na het overlijden van Marx in 1883 diens leer voortgezet had? Had de partij geen duidelijke strategische richtlijn geschapen in het programma van Erfurt? Had de afwijzing van het door Bernstein verdedigde revisionisme op de partijcongressen van 1899 en 1903 niet uitgewezen, dat de partij het gevaar zou vermijden zich aan de militaire monarchie van Keizer Wilhelm aan te passen; dat zij de analyse van Friedrich Engels in gedachte zou houden, die er in 1891 op wees, dat een vreedzame en legale weg naar de overwinning op de kapitalistische klassenmaatschappij weliswaar mogelijk was in democratisch constitutionele landen als Engeland, Frankrijk en de USA, maar niet in het keizerrijk van de Hohenzollerns, de Habsburgers en Romanows. Het gezag van de Duitse sociaal-democratie bleef onaangevochten in de Tweede Internationale. Ook de meest consequente revolutionairen, de leden van de bolsjewistische fractie van de Russische sociaal-democratie onder leiding van Lenin hielden tot in 1914 de schijn van haar revolutionaire politiek voor werkelijkheid en de Marx-scholastiek van Kautsky voor werkelijk marxisme.

En dan te bedenken, dat de tegenspraak tussen schijn en werkelijkheid, tussen zuiver organisatorische macht enerzijds en anderzijds de strjdbaarheid van de Duitse sociaal-democratische partij en vakverenigingen objectief al lang duidelijk was geworden. De organisatorische bloei had een laag van parlementariërs, arbeidersbureaucraten en bestuursfunctionarissen voortgebracht, die in de vakbondsorganisaties zaten, in de coöperaties, de partijsecretariaten, in de redacties van de partijpers, als afgevaardigden in de parlementen. Ze leefden niet meer alleen voor maar ook van de arbeidersbeweging. Gelijk alle bureaucraten waren zij trots op datgene wat ze te besturen hadden, en vooral op ieder succesje, dat zij in het aloude spoor van de sinds lang beproefde routine konden boeken. Maar de organisatie van de beweging was voor hen veranderd van een hefboom voor actie tot een doel op zichzelf; ongemerkt had er in hun denken een omkering plaatsgehad van doel en middel. In de ogen van deze laag was iedere massa-activiteit bedenkelijk, wanneer zij de grenzen van “de wet” dreigde te overschrijden en de legaliteit van de beweging in gevaar te brengen, of zelfs de vertrouwde routine op de helling te zetten. Nochtans moesten de bureaucraten er genoegen mee nemen en dulden, dat er in de partij nog een tijd lang werd gesproken in termen, dat het kapitalisme eens op een dag ten onder zou gaan, waarna de arbeidersbeweging zijn erfgenaam zou zijn. Want nog steeds was een dergelijke taal een belangrijk middel om nieuwe lagen van de arbeidersklasse de weg naar de partij te wijzen en het aantal leden en kiezers van de organisatie te vergroten. Naar de mening van de leiders mocht de partij evenwel slechts de erfgenaam van deze ondergang zijn, niet de oorzaak ervan. In de vakbonden lagen deze problemen nog gecompliceerder: iedere grote staking plaatste de bureaucratie voor beslissingen, waar zij zich niet tegen opgewassen voelde. Toen de mijnwerkers in 1889 en in 1905 massastakingen uitriepen, waren het niet de bonden die het initiatief tot deze beweging hadden genomen. In 1905 trachtten zij zelfs de stakers te dwingen voortijdig op te geven, terwijl de staking door de partij nog ondersteund werd. En in datzelfde jaar deed de leider van de AIgemene Commissie van de Duitse vakverenigingen, Karl Legien, zijn beroemde uitspraak, dat “algemene staking algemene onzin” was, terwijl tezelfdertijd de mijnwerkers door hun massale staking concessies van de regering afdwongen, en de algemene stakingen van de Russische arbeiders tot de revolutiepoging van 1905 leidde. August Bebel had met steun van een meerderheid op de partijcongressen nog de stelling van Bernstein af kunnen wijzen, die inhield, dat hervormingen onverenigbaar waren met revolutie. Bebel wees daarbij op de dialectische eenheid van beide, die in de dagelijkse strijd tot uitdrukking kwam. Desondanks had Jean Jaurès objectief gelijk, toen hij August Bebel op het Amsterdamse congres van de Internationale in 1904 voorhield, dat er tussen het aantal stemmen en de eigenlijke macht van de Duitse sociaal-democratie een even grote kloof gaapte als tussen haar radicale taal en haar vermogen en bereidheidheid tot handelen; dat had zij gedemonstreerd, toen zij zonder verzet de opheffing van het algemeen en gelijk kiesrecht in het koninkrijk Saksen voor lief nam.

De Duitse sociaal-democratie en de vakverenigingen waren grote organisaties, die alleen al door de druk van hun aanwezigheid talrijke concessies voor de arbeiders wisten te bewerkstelligen. Dit kon echter alleen zolang het ogenschijnlijk vreedzaam evenwicht tussen de imperialistisch geworden grote mogendheden voortduurde en het niet tot sociale of politieke conflicten kwam. Maar iedere crisis moest onthullen, op wat voor lemen voeten deze kolos stond.

Toen de gebeurtenissen van 1905 in Rusland het probleem van de gewelddadige revolutie na meer dan dertig jaar weer op de Europese agenda plaatsten, werd deze probleemstelling ook in de Duitse sociaal-democratie acuut. De tegenstelling tussen vakverenigingscongres en partijcongres van 1905, toen de vakbeweging de algemene staking had verworpen en de partij haar had aanvaard werd in 1906 – na het wegebben van de revolutionaire beweging in Rusland – opgelost, doordat de partij op het congres in Mannheim capituleerde voor de leiding van de vakbeweging. Al eerder had de partij het over haar kant laten gaan, dat haar revisionistische outsiders de koloniale politiek van Duitsland niet langer principieel bestreden, maar alleen nog maar wilden “civiliseren”. Eduard Bernstein’s pacifisme had hem niet verhinderd in te stemmen met de opdeling van China; maar met het chauvinisme van Quessel, Noske, Calwer of zelfs van Maurenbrecher en Hildebrand liet hij zich evenwel niet in. De partij keurde weliswaar de imperialistische koloniale politiek af, maar was niet meer in staat zich van deze sociaal-imperialisten te ontdoen. Slechts een klein groepje van “linkse” outsiders in de partij, zoals Clara Zetkin, leidster van de vrouwenorganisatie van de partij, Rosa Luxemburg, de beste theoretica die de SPD toen rijk was, Karl Liebknecht, Georg Ledebour en de partijhistoricus Franz Mehring alsmede de partijleden die onder hun invloed stonden, onderkenden het gevaar dat de sociaal-democratie in ruil voor sociale en politieke concessies zich aan de bestaande staat zou aanpassen. De goedkeuring van de defensiebelasting door de partij in 1913, kort nadat Bebel uit de dagelijkse leiding van de partij was weggevallen, konden zij niet verijdelen. Maar ook zij werden volkomen overrompeld door de volledige capitulatie van partij- en vakbondsleiding, van de revisionistische rechtervleugel en het scholastiek-”marxistische” centrum in de partij voor de Eerste Wereldoorlog, uit angst voor het verloren gaan van de organisatorische legaliteit – hetgeen inderdaad onvermijdelijk zou zijn indien verzet werd geboden. En ook zij werden volkomen verrast door de tijdelijke isolering van hun aanhangers in de eerste dagen van augustus 1914. Dit “ja” voor de oorlog leidde onafwendbaar tot het einde van de Tweede Internationale.

De richting waarin de Oostenrijkse arbeidersbeweging zich na de hereniging op het partijcongres in Hainfeld ontwikkelde, verschilde niet principieel van de sociaal-democratie en de vakbonden in Duitsland. Afwijkingen vloeiden voort uit de verschillen in de sociaal-economische situatie tussen het Duitse Rijk en het Oostenrijkse deel van de dubbelmonarchie. Zij vloeiden voort uit het verschillend tempo waarin de bureaucratische institutionalisering tot stand kwam. In Oostenrijk zette deze later in dan in haar organisatorische en politieke voorbeeld in het Duitse Rijk. Een andere oorzaak van de afwijkingen lag in het multinationale karakter van de Oostenrijkse staat. De industrialisatie van Oostenrijk schreed weliswaar voortdurend voort, maar binnen de burgerlijke klassen lag de eigenlijke macht nog bij de bankhiërarchie van Wenen. Het probleem van de uitbreiding van het kiesrecht voor de verkiezingen voor de Reichsrat, het Oostenrijkse parlement, was noodzakelijk verweven met het nationaliteitenvraagstuk. In deze situatie duurde het iets langer dan in de Duitse sociaal-democratie, voordat ook in de snel groeiende Oostenrijkse arbeidersbeweging de marxistische theorie werd omgezet in louter ideologie, ten dienste van het bewaren van de eenheid van de totale beweging, bij gelijktijdige politieke inactiviteit. De Russische revolutie moedigde het partijcongres van 1905 aan tot het besluit, het algemeen kiesrecht af te dwingen door een massastaking van een aantal dagen en door een massale demonstratie. In 1907 was de wijziging van het kiesrecht bereikt. De theoretische argumentatie van de partij bleef voorlopig sterker dan bij de Duitse revisionisten rondom Eduard Bernstein gebonden aan het marxistische gedachtengoed, zelfs bij de meest rechtse vertegenwoordigers, zoals Karl Renner. Deze Karl Renner, maar ook Max Adier, Rudolf Hilferding, Otto Bauer en Gustav Eckstein schreven wetenschappelijke verhandelingen, die zeker niet voor die van de Duitse marxisten onderdeden. Met 540.000 vakbondsleden en 150.000 partijleden, met ruim een miljoen stemmen en 82 parlementszetels leek de Oostenrijkse arbeidersbeweging – ondanks de controverses tussen Duitstalige en Tsjechische sociaal-democratie – een aanzienlijke macht te vertegenwoordigen. Doch aan de vooravond van de Eerste Wereldorlog gedroeg zij zich niet anders dan de Duitse partij.

De Franse socialisten konden pas door de Tweede Internationale tot een politieke eenheidsorganisatie komen: de spanningen tussen partij en beweging konden evenwel ook in deze periode niet overwonnen worden. De beslissende wending naar een hergroepering van de onderling verdeelde richtingen ging terug op de controverses tussen het neo-bonapartisme van generaal Boulanger en de republikeins gezinde bourgeoisie. Terwijl guesdisten en consequente blanquisten de strijd van de arbeiders tegen beide vormen van klassenheerschappij proclameerden, wilden de possibilisten en allemanisten samen met de republikeinse partijen de instellingen de republiek tegen Boulanger beschermen. In het belang van dit bondgenootschap moest de klassenstrijd worden verdaagd tot Boulanger verslagen was. Tenslotte was er zelfs een handvol socialisten die Boulanger zelfs wilde ondersteunen. De arbeiders interesseerden zich maar matig voor deze discussies. De meerderheid der Parijse arbeiders en kleinburgers wenste raak te nemen op de moordenaars van de communards, zonder zich daarbij van de gevaren van een bonapartistische dictatuur bewust te zijn.

Bonapartistische en fascistische massabewegingen zijn de bliksemafleiders voor de wanhoop van de middenlagen in perioden van crises. Kunnen de leiders de macht niet gauw genoeg grijpen, dan vallen dergelijke bewegingen weer even snel uiteen als ze opgekomen zijn. Na de nederlaag van Boulanger werden ook de arbeiders zich er weer van bewust, dat de strijd die moest worden gestreden, de klassenstrijd was. De guesdistische-marxistische groep had een steun in de rug gekregen door het besluit van het oprichtingscongres van de Internationale, om in alle landen op 1 mei demonstraties te houden voor de wettelijke invoering van de achturige werkdag. Tegen het verzet van de possibilisten en allemanisten in, gaven de Franse arbeiders hieraan op 1 mei 1890 gehoor. Tegenacties van de zijde der politie deden de wil tot deelname alleen maar toenemen. In 1891 sloten alle groepen zich aan bij de mei-demonstraties. De regering zette het leger in; bij een betoging vielen tien doden. Paul Lafargue werd vanwege zijn oproep voor de mei-demonstratie aangeklaagd en veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf; maar kort daarop werd hij in het parlement gekozen. De opgang van de Franse socialisten was begonnen. Ondanks de versnippering steeg het aantal socialistische gedeputeerden in 1893 van 15 naar 50; met uitzondering van 5 allemanisten sloten zij zich allen aaneen tot één fractie; de woordvoerders werden Jules Guesde en Jean Jaurès.

In deze periode deed de affaire-Dreyfus de Franse republiek op haar grondvesten schudden. De tegenstelling tussen democratisch-republikeins links enerzijds en het blok van antisemitische officieren, monarchistische klerikalen en financiële aristocratie anderzijds veranderde hiermee van een politiek in een moreel conflict. De verkiezingen van 1898 vonden plaats tijdens een economische crisis, die grote mogelijkheden bood voor antisemitische agitatie onder de middenlagen. Resultaat: een kleine meerderheid voor radicalen, radicaal-socialisten, d.w.z. burgerlijk-democratische republikeinen, en socialisten. Het leger, nationalisten, antisemieten, hoge clerus en delen van de grootbourgeoisie bereidden een staatsgreep voor. In deze situatie besloot de socialist Millerand, tot het burgerlijke kabinet Waldeck-Rousseau toe te treden. Dit kabinet heeft ongetwijfeld de republiek gered en het door de invoering van openbaar onderwijs mogelijk gemaakt, dat de jonge generatie tot tolerantie werd opgevoed. Maar in hetzelfde kabinet zat de moordenaar van de communards, generaal Gallifet, als minister van oorlog. Hoewel Millerand kans zag, de eerste sociale wetgeving in Frankrijk tot stand te brengen, was en bleef deze regering burgerlijk. Toen de arbeiders van Chalons in juni 1900 staakten, was het enige antwoord van deze regering: het leger. Rechts wilde dit conflict te eigen bate gebruiken en de regering ten val brengen, aangezien in een dergelijke situatie ook de socialisten voor een motie van wantrouwen moesten stemmen. .Zo kwam het tot een hergroepering der fronten in de Franse arbeidersbeweging. De guesdisten en hun aanhangers stonden als tegenstanders van het “ministerialisme”, van deelname aan de regering, aan de ene kant, de onafhankelijke socialisten onder Jaurès aan de andere, de kant van Millerand. De linkse groeperingen richtten de Parti Socialiste de France op, de ministerialisten de Parti Socialiste Français. De syndicalistische tendensen in de vakverenigingen, met hun wantrouwen tegen iedere zuiver politieke activiteit, werden aanzienlijk versterkt door de zwakheden van het ministerialisme en de onderlinge strijd tussen de politieke partijen. Op de aansluiting van de Fédération Nationale des Bourses de Travail bij de Confédération Générale du Travail (CGT), volgde in 1906 het Handvest van Amiens. Dit beoogde de vakverenigingen van strijdorganisaties van de arbeiders tegen kapitaal te transformeren tot dragers van productie en distributie na de overwinning van de arbeidersklasse. Maar ook dit programma bevatte de mythe van de algemene staking, zoals geformuleerd door Georges Sorel. De massastaking als een van de vele strijdmiddelen werd tot een toverformule gemaakt.

Het Amsterdams congres van de Tweede Internationale noopte de beide socialistische partijen van Frankrijk tot samengaan. Deze vereniging voltrok zich in 1905. De nieuwe naam, Section Française de l’Internationale Ouvrière (SFIO) bewaart tot op heden de herinnering aan deze overwinning van de Internationale op de strijd tussen de nationale fracties. Vanaf het tijdstip van de aaneensluiting nam ook in Frankrijk de externe macht van de beweging snel toe: meer dan een miljoen vakbondsleden, 90.000 partijleden,1.400.000 kiezers en 101 gedeputeerden representeerden haar invloed toen de Eerste Wereldoorlog de Internationale uiteensloeg. In Frankrijk bleek zij even weinig tegen de catastrofe bestand als de arbeidersbeweging in Duitsland.

De Engelse arbeidersklasse kon tijdens het bestaan van de Tweede Internationale weer tot een sterke organisatie komen, uitgaande van kleine nieuwe aanzetten en de resten van de grote traditie uit de eerste decennia van de 19-de eeuw. Haar eerste politieke groeperingen, Social Democratic Federation (SDF), Socialist League en Fabian Society waren qua ledental wel onbeduidend. Maar ze brachten over de verstarde Trade Unions een geest van onrust. De Londense gasarbeiders, die in 1889 de overgang van het tweeploegenstelsel naar het drieploegenstelsel er door kregen, stonden onder leiding van Will Thorne, een lid van de SDF. De eerste nieuwe vakbond, die geen categorale vakvereniging meer wilde zijn, zoals de oude Trade Unions, maar een industriebond, werd geleid door de Fabian W.A. Morris en de uit de SDF voortgekomen leiders Tom Man en John Burnes. De grote dokwerkersstaking van augustus 1889 leidde tot de oprichting van de Dockers Union en tot de doorbraak van het New Unionisrn. Ook in deze werd een leidende rol gespeeld door socialisten. Kort voordien had Keir Hardie de Schotse arbeiderspartij opgericht.

De organisatiegraad, ook van ongeschoolde arbeiders, maakte het nu mogelijk, dat er binnen enkele jaren een loonsverhoging van gemiddeld 10 procent werd bereikt, terwijl de prijzen slechts met 4 procent stegen. Dat verleende het New Unionism extra gezag. In 1893 ontstond met de Independent Labour Party (ILP) de voorloper van een socialistische massapartij. Ook al kwam haar ideologie voor een groot deel nog uit sociaalkritisch christelijke en radicaal-democratische tradities voort, toch representeerde zij voor het eerst sinds de neergang van het Chartisme weer de systematische autonome politieke strijd van grote delen van de arbeidersklasse. In 1894 was bijna een kwart van de gedelegeerden van het Trade Union Congress (TUC) lid van de ILP, die nu begon te ingang te vinden in het Parliarnentary Committee van de TUC. Dit had tot dan toe garant gestaan voor de hechte coalitie van vakverenigingen en liberalen. Hoewel deze ontwikkeling nog vaak crises kreeg te verwerken, en nog door de gedeeltelijke identificatie van de Fabians met de imperialistische buitenlandse politiek en vervolgens met de oorlog tegen de Boeren werd belemmerd, slaagde men er in 1898 op het Trade Unions Congress in, een resolutie aangenomen te krijgen ter ondersteuning van de “working class socialist parties”. Op 27 februari 1900 kwam de eerste conferentie van de Labour Representation Committee bijeen, waar een autonome arbeiderspartij werd geëist. Bij de verkiezingen van 1906 behaalde deze voorloper van de Labour Party haar eerste belangrijke succes: 30 afgevaardigden uit haar rijen werden gekozen. Daarmee was het traditionele Engelse twee-partijen-schema doorbroken.

Intussen was in 1904/05 het hechte skelet van de partijstructuur van de Labour Party ontstaan. Haar afgevaardigden steunden het liberale kabinet tegen de conservatjeven en kregen in ruil daarvoor de mogelijkheid, hun politieke werk via de vakverenigingen te financieren. Dankzij het collectieve lidmaatschap van de Trade Unions had de Labour Party bij het uitbreken van de oorlog in 1914 anderhalf miljoen leden. De meerderheid van de parlementsfractie bezweek evenals die van de meeste arbeiderspartijen van Europa onder de waan van een “verdedigingsoorlog”. Ramsay McDonald, de leider van de ILP werd als fractieleider door Arthur Henderson opgevolgd. Op 5 augustus 1914 werd de oorlogspolitiek van de regening goedgekeurd. De ILP daarentegen capituleerde niet. Ze gaf haar verzet tegen de oorlog in het parlement en in het openbaar nooit op, zelfs niet in de tijd, dat de Labour Party zelf tot de coalitieregering was toegetreden.

In de Noordeuropese landen had sinds de eeuwwisseling een nieuwe industrialisatiegolf de arbeiderspartijen en de vakbonden nieuw leven ingeblazen. De Zweedse sociaal-democratie was al in 1902 sterk genoeg om een demonstratieve staking voor gelijk kiesrecht te organiseren. Dit kon evenwel pas gerealiseerd worden in 1909, na de afscheiding van Noorwegen na de Russische revolutie, en dan alleen nog maar voor de Eerste Kamer. In 1914 deed de Zweedse sociaal-democratie voor het eerst haar intrede in de regering. De neutraliteit van het land in de Eerste WereldrIog maakte grote economische successen mogelijk. Zweden was immers leverancier aan de oorlogvoerende staten. Nu waren concessies van de ondernemers aan de arbeiders mogelijk geworden, zonder dat hun winsten daardoor ernstig in gevaar gebracht werden. Nadat de sociaal-democratie in 1917 opnieuw tot de regering toetrad, begon zo in Zweden de ontwikkeling tot modelland van het reformistisch socialisme. Daarbij kwam de beschikkingsmacht van de bourgeoisie over de productiemiddelen en de banken nooit in het gedrang. Wel werd er een buitengewoon hoge welvaart en sociale zekerheid voor de loonafhankelijken geschapen, zoals die alleen maar mogelijk was in deze Scandinavische uitzonderingssituatie.

In de Deense sociaal-democratie voltrok zich een soortgelijke ontwikkeling. In de Noorse arbeiderspartij daarentegen volgden eerst twee decennia van controverses tussen de linker- en rechtervleugel van de partij, nadat Noorwegen zich in 1905 van Zweden losgemaakt had. Evenals de Nederlandse en Zwitserse sociaal-democratie hadden de Scandinavische partijen in deze periode het voordeel, dat ze door de neutraliteit van hun kleine staten de gedachte van het socialistisch internationalisme en van de strijd tegen iedere oorlog niet openlijk hoefden prijs te geven.

In Nederland deed zich echter een bijzondere ontwikkeling voor. Daar leidde de strijd tussen marxisten en revisionisten tot een organisatorische splitsing in 1909. Al tijdens de spoorwegstakingen van 1903 begon deze scheuring zich af te tekenen. Vooral marxistische intellectuelen rond het blad “De Nieuwe Tijd’ zoals F. van der Goes, H. Roland Holst. H. Gorter, P. Wiedijk (J. Saks), A. Pannekoek en anderen keerden zich tegen de eigenlijke leider van de Nederlandse sociaal-democratie, P.J. Troelstra. Toch was niet hij, maar de gewezen typograaf W. Vliegen de openlijke woordvoerder van het revisionisme, gesteund door de vakbondsman J. Oudegeest en het parlementslid J. Schaper. Toen de meeste oudere marxistische intellectuelen te theoretisch bleven of zelfs moedeloos werden, besloten drie jonge intellectuelen: D. Wijnkoop, J. Ceton en W. van Ravesteyn met een marxistisch weekblad (“De Tribune”) rechtstreeks onder socialistische arbeiders hun ideeën te propageren. Daarbij vielen zij vooral Troelstra zo scherp en zelfs persoonlijk aan, dat de spanningen in de SDAP snel toenamen. In 1909 leidde dit tot het royement en uittreden van de tribunisten. Zij stichtten de Sociaal-Democratische Partij. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bleef de SDP trouw aan het internationalisme in tegenstelling tot de SDAP die voor de vaderlandsverdediging koos. De SDP omvatte echter niet alle marxistisch gezinden, een deel onder wie H. Roland Holst, F. van der Goes en F. Wibaut bleef de SDAP trouw ook nog, op H. Roland Holst na, toen in 1913 het partijprogramma lichtelijk verwaterd werd.

Industrialisatie en wereldpolitiek hadden intussen ook op de Balkan de bodem rijp gemaakt voor de arbeïdersbeweging, In Bulgarije kwam het in 1894 tot de eerste aaneensluiting van socialisten. In 1903 splitsten zij zich – op soortgelijke wijze als in Nederland – in reformistisch “rekkelijke” en marxistisch-revolutionaire “precieze” sociaal-democraten. De “rekkelijken” waren later bereid, de wereldoorlog toe te juichen, de “preciezen” bleven internationalistisch. De beide afgevaardigden van de Servische sociaal-democratie, wier partij in 1903 opgericht was, keerden zich tegen de oorlog. Ook de Roemeense sociaal-democratie onder leiding van Rakowski bezweek niet voor de verleiding, legaliteit voor haar organisatie te kopen met steun aan de oorlogspolitiek van de regering.

Van de grote legale socialistische partijen uit de landen die in de Eerste Wereldoorlog waren betrokken, stonden – naast de ILP – alleen de Italiaanse socialisten niet aan de kant van hun oorlogvoerende regering. Een voordeel voor hen was zeker dat Italië pas aan de oorlog deel ging nemen, toen de massahysterie van het eerste oorlogsjaar begon te verdwijnen. Maar ondanks het feit, dat de regering-Giolitti tot concessies inzake het kiesrecht bereid was, hadden de Italiaanse socialisten reeds de overval op Tripoli in 1911 niet alleen vastbesloten afgekeurd, maar ook met een demonstratieve staking beantwoord. De voorstanders van de annexatie van Tripolitanië, Bissolati en Bononi, werden uit de partij geroyeerd en de weifelende hoofdredacteur van de partijkrant Avanti, Treves, van zijn positie ontheven. Toen zijn opvolger Mussolini in 1915 voor de “revolunaire” oorlog van Italië aan de zijde der geallieerden pleitte, moest ook hij de partij, die zich nog altijd niet liet corrumperen, verlaten. Samen met de Zwitserse sociaal-democraten, hielp zij de Russische bolsjewiki en mensjewiki-internationalisten bij de voorbereiding van de conferentie van Zimmerwald. Vanuit Nederland was het H. Roland Holst die aan de conferentie actief deelnam, terwijl Wijnkoop ondanks sterk aandringen van Lenin weigerde te komen of zelfs maar zijn instemming te betuigen. Hij wilde alleen vergaderen met socialisten die de imperialistische oorlog op revolutionaire gronden afwezen en bestreden.

De Russische sociaal-democratie was dankzij het theoretische werk van de ”Bevrijding van de arbeid” snel de tegenslagen te boven gekomen die zij na het illegale oprichtingscongres van de partij in Minsk had geleden: de regering had dit congres met vervolgingen beantwoord. In voortdurende controverses met de sociaalrevolutionairen kon de sociaal-democratie haar invloed tot delen van de academische jeugd en de industrie-arbeiders uitbreiden. De leiding van de beweging berustte nog steeds bij de emigranten. De theorie van de conspiratieve partij van beroepsrevolutionairen zoals door Lenin ontworpen in zijn geschrift “Wat te doen?” (1), werd op het tweede partijcongres van de Russische sociaal-democraten, dat in Brussel en Londen plaatsvond, aanvaard, zij het door een kleine meerderheid.

Maar noch bij de sociaal-democratische emigranten, noch bij de in Rusland zelf opererende illegalen vormde de bolsjewistische fractie een meerderheid. Toen de Russisch-Japanse oorlog het spontane uitbreken van de revolutie van 1905 mogelijk maakte, werd de revolutionaire rol van de arbeidersklasse in Rusland en Russisch-Polen actueler. Haar hegemonie in de democratische revolutie werd nu in de praktijk bevestigd. Ook in de andere partijen van de Tweede Internationale was de grondslag voor de discussies over de toekomstige vormen van revolutionaire acties nu veranderd: tot nu toe was de revolutie niet meer geweest dan een theoretisch eindpunt, een toekomstverwachting. Maar thans werd ze een reëel probleem. Na de overwinning van het Tsarisme had men de sowjets, de spontaan uit de revolutie voortgekomen organisatie- en representatievorm van de arbeiders evenzeer vergeten als de discussie met Trotski over diens theorie van de permanente revolutie, dw.z. over de mogelijkheid om in een industrieel achterlijk land als Rusland de revolutionaire strijd voor democratie door te trekken tot de overwinning van de arbeidersbeweging, en te doen overgaan in de socialistische revolutie, In 1912, toen de periode van de reactie (die gevolgd was op het neerslaan van de revolutie van 1905/06) langzaam op zijn eind liep, werd door de Praagse conferentie van de bolsjewistjese fractie de splitsing in de Russische partij tussen bolsjewiki en mensjewiki definitief. De bolsjewistische fractie keerde zich toen vastberaden tegen de oorlog, evenals een groot deel van de mensjewiki en een minderheid van de sociaal-revolutionairen. De houding van groepen in de leiding van de Russische sociaal-revolutionairen was evenwel analoog aan die van de leiding van de grote sociaal-democratische partijen in de industrieel ontwikkelde landen. Na het uitbreken van de oorlog ontwikkelde Lenin in een analyse van de samenhang tussen monopoliekapitalisme en imperialisme de theorie, dat het doel nu moest zijn, de imperialistische oorlog om te zetten in een internationale proletarisch-socialistische revolutie. Deze revolutie zou, aldus Lenin, ook uit kunnen gaan van een industrieel laag ontwikkeld land als Rusland.

Die socialistische partijen die nog niet tot grote gevestigde legale massa-partijen uitgegroeid waren, bleven dus in het algemeen vijandig staan tegenover de oorlog, terwijl de geïnstitutionaliseerde massapartijen zich na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vrijwel zonder uitzondering aan de oorlogspolitiek van hun regeringen onderwierpen. Nog op het congres te Stuttgart van de Tweede Internationale in 1907 hadden alle partijen ingestemd met een resolutie, die door Lenin, Martow en Rosa Luxemburg opgesteld was: “Dreigt er een oorlog uit te breken, dan zijn de werkende klassen en hun parlementaire vertegenwoordigingen in de betreffende landen verplicht om – gesteund door de bundelende activiteit van het internationaal bureau – alles in het werk te stellen om door toepassing van de middelen, die haar het meest effectief schijnen, het uitbreken van de oorlog te verhinderen. Deze middelen zullen alnaargelang de verscherping van de klassenstrijd en de verscherping van de algemene politieke situatie uiteraard variëren. Mocht de oorlog toch uitbreken, dan is het hun plicht te ijveren voor spoedige beëindiging en er met alle kracht naar te streven de door de oorlog ontstane economische en politieke crisis uit te buiten om het volk wakker te schudden, en zo de afschaffing van de kapitalistische klassenheerschappij te bespoedigen.”

De vredesdemonstratie van alle partijen van de Internationale eind november 1912 in de domkerk van Bazel had dit appel herhaald. Toen het in juli 1914 steeds duidelijker werd, dat de door het Duitse Rijk gesteunde Oostenrjkse politiek tegenover Servië tot de catastrofe zou leiden, begrepen de socialistische partijen pas op het laatste moment wat er gebeurde. Nog half juli 1914 werd er op het partijcongres van de SFIO in abstracto gediscussieerd over de vraag, welke middelen men kon inzetten in de strijd tegen een eventuele oorlog. Maar men besprak niet het concrete conflict dat bezig was tot de oorlog te leiden. Dit concrete conflict werd niet onderkend. Pas aan het eind van de maand riepen de Europese arbeiderspartijen op tot demonstraties tegen de politiek van hun regeringen en in alle landen gaven de massa’s gehoor aan deze oproep. Toen na slechts enkele dagen, in sommige gevallen slechts na enkele uren, de mobilisatie kwam, gaven deze zelfde massa’s gehoor aan de oproep van hun regeringen. In beslissende situaties kan men de strijdbaarheid van de masma’s niet kunstmatig in stand houden. Ziet men zelf af van werkelijke strijd, dan volgen zij al gauw diegene die een beslissing weet te nemen.

Ook na het uitbreken van de oorlog stond het vast, dat de arbeiders in korte tijd uit hun patriottische roes moesten worden ontnuchterd door hun eigen bittere ervaringen. Dan had een partij die de resolutie van Stuttgart zou hebben uitgevoerd, de massa’s kunnen leiden in de strijd tegen hun regering en tegen de oorlog. Wel had ze dan eerst een periode van isolement, vervolgingen en illegaliteit moeten riskeren. Daartoe waren de meeste grote europese partijen niet meer bereid. Zo moesten ze onafwendbaar instrumenten worden van de oorlogspolitiek van hun regeringen en daarmee van de heersende klassen. Ze bleven het nog, zelfs toen de massa’s toonden weer kritisch te zijn. In plaats van hun aanhang te leiden, volgden zij deze voortaan slechts schoorvoetend in zijn wisselende stemmingen. Vaak poogden zij zelfs, de bewustwording en activiteit van hun leden te verlammen in het belang van hun regeringen.

Zo stortte in augustus 1914 de Tweede Internationale in. Het beslissende probleem van de arbeidersbeweging in de meeste Westeuropese partijen werd nu de strijd van kleine minderheden tegen de leidende groepen. Deze strijd had ten doel, de oude intenties opnieuw tot leven te wekken. Voorlopig leek het daarbij van geen belang, of het ging om de strijd van consequent tegen de oorlog optredende revolutionairen of om een zuiver pacifistische minderheid binnen of buiten het organisatorisch verband van de grote parrtijen. Historische gevolgen kon dit echter pas krijgen, toen in één van de grotere landen de massa’s zelf hadden bewezen, dat ze er genoeg van hadden, de sociale en loonpolitieke concessies uit de periode voor 1914 te moeten bekopen met de bereidheid te sterven op de Europese slagvelden tot meerdere eer en glorie van de heersende klassen. Dit neemt niet weg, dat het werk van een internationale oppositie tegen de oorlog, voor de voorbereiding van zulke acties van aanzienlijke betekenis moest zijn. In de eerste plaats moest echter in het verloop van deze acties zelf blijken, of de organisaties die oorspronkelijk waren opgericht met het doel de kapitalistische klassenmaatschappij te overwinnen, en die inderdaad ingrijpende veranderingen in de sociale positie van de arbeiders hadden bewerkstelligd – of deze organisaties in een revolutionaire crisis hun oorspronkelijke doel trouw zouden blijven, of integendeel in dienst zouden staan van het behoud van de bestaande maatschappijorde.

Verscheidene internationale socialistische conferenties werden tijdens de oorlog gehouden – het congres van het Internationaal Socialistisch Vrouwensecretariaat onder leiding van Klara Zetkin, en de door Willi Münzenberg georganiseerde bijeenkomst van de Socialistische Jeugd-Internationale in het voorjaar van 1915, de door de Italiaanse en Zwitserse sociaal-democratie bijeengeroepen conferentie van Zimmerwald in september 1915 en de conferentie van Kienthal in april 1916. Deze conferenties waren de enige effectieve betuigingen van internationale solidariteit in een periode van politieke zelfmoord waarin Europa verscheurd werd. De heersende klassen hadden deze zelfmoord geënsceneerd en de “pragmatische politici” aan de top van de grote partijen en vakbonden van de Tweede Internationale betuigden hun instemming. Maar deze bijeenkomsten van kleine minderheden waren de eerste schreden op de weg naar het herstel van de Europese arbeidersbeweging na een zware crisis.


(1) Wij zijn het hier niet eens met de inschatting van Abendroth dat Lenins werk ‘Wat te doen?’ zou gericht zijn op de vorming van een conspiratieve partij van beroepsrevolutionairen. Dit werk was er vooral op gericht om een professionele en gecentraliseerde partij uit te bouwen met een sterke betrokkenheid van de leden. Zie hierover ook:‘Wat ze deden met wat te doen’ van Hal Draper.

Delen: Printen: