De Internationale Arbeiders-Associatie

Het tweede deel van Abendroth’s boek "De Europese arbeidersbeweging" gaat dieper in op de Eerste Internationale. Het ontwikkelen van die organisatie is van cruciaal belang geweest voor de Europese arbeidersbeweging omdat hiermee de noodzaak van een eigen organisatie werd gevestigd naast het idee van internationalisme.

Wolfgang Abendroth

2. De Internationale Arbeiders-Associatie (de Eerste Internationale)

De periode van economische bloei, die in 1848-49 aan de eerste opgang van de Europese arbeidersbeweging een einde gemaakt had, versterkte de industriële ontwikkeling van Engeland, en intensiveerde de expansie van de nieuwe productiewijze in Frankrijk en Duitsland. Zolang de hoogconjunctuur aanhield, was de bourgeoisie op het vasteland van Europa tevreden met het politiek bestel, dat na de nederlaag van de revolutie ontstaan was. Dit ondanks het feit, dat zij zelf van wezenlijke deelname aan de politieke macht bleef uitgesloten. In Frankrijk lag de macht in handen van leger, bureaucratie en politie van Napoleon III, in de staten van de Duitse Bond was een per staat wisselend bewind van vorsten, feodale adel en bureaucratie aan de macht. De arbeidersklasse was niet langer in staat tot eigen activiteit, haar leiders waren na de revolutie vermoord, van hun vrijheid beroofd of tot emigratie gedwongen. Alleen in Engeland kon door de aaneensluiting van vakverenigingen een rest van organisatorische continuïteit verzekerd blijven.

Maar de industrieel kapitalistische productiewijze penetreerde met de hoogconjunctuur van 1850 steeds verder in Europa. In de drie decennia van 1850 tot 1880 steeg het aantal door stoomenergie opgewekte paardenkrachten in Engeland van 1,3 tot 7,6 miljoen, in Frankrijk van amper 0,4 tot bijna 1,3, in de Duitse Bond, later het Duitse Rijk, van 0,26 tot ruim 5,1 en in Oostenrijk van 0,1 tot 1,6. Dienovereenkomstig steeg de kolenproductie in Engeland van 49 naar 147 miljoen ton, in Duitsland van 6,7 naar 59,1, in Frankrijk van minder dan 0,5 naar 19,4 miljoen ton. De staalproductie steeg in Engeland van 2,6 naar 5,l, in Frankrijk van 0,8 naar 3,8, in Duitsland van 1,3 naar 12 miljoen ton. De productiegoederenindustrie en de verwerkende industrie vertoonden hetzelfde beeld. De spoorwegen ontsloten Europa.

De sociale en politieke rust van de jaren vijftig van de 19-de eeuw was bedrieglijk. Zolang de economische opbloei ongestoord verliep, konden de post-revolutionaire systemen de tegenspraken tussen de klassen nog verhullen. Maar zodra de liberale bourgeoisie door storingen in de economische bloei genoodzaakt zou zijn, aan te dringen op overheidsingrepen op het gebied van de economische politiek of op activiteiten van de staat in de buitenlandse politiek, moest ook de arbeidersbeweging opnieuw in betekenis groeien. Onder de geëmigreerde leiders van de Duitse democraten in Zwitserland en Engeland was evenwel onenigheid ontstaan. Ieder van hen dacht immers de werkelijke beweging van het historisch proces door zijn eigen schijnactiviteit te kunnen vervangen. De onderlinge rivaliteiten en controverses van de Duitsers die tot de ondergang van de Bond der Communisten hadden geleid, waren typerend zowel voor de verhoudingen onder de toenmalige politieke emigranten van het continent, als in een latere periode voor de verhoudingen onder de Russische revolutionairen voor 1905 en 1917, en de politieke vluchtelingen van de jaren twintig van de 20e eeuw uit Italië en, na 1933 uit Duitsland. Een groot deel van de revolutionairen was naar Noord-Amerika uitgeweken en was zodoende voor de Europese arbeidersbeweging verloren. Slechts weinigen van hen konden de kracht opbrengen zich in deze situatie, die uiterlijk hopeloos scheen, te concentreren op wetenschappelijk werk om de theorie voor de arbeidersbeweging uit te werken, zoals Marx en Engels in die tijd deden.

In de conjunctuur van na 1850 was de materiële positie van een aanzienlijk deel der industrie-arbeiders verbeterd, zij het dat hun relatieve aandeel in het totale nationaal product van de industriële productie gelijk was gebleven. De eerste beperkende maatregelen tegen de ongeremde uitbuiting in de fase van de vroeg-kapitalistische accumulatie ontstonden geenszins door vrijwillige concessies van de ondernemers. Zij werden afgedwongen onder druk van de arbeiders. De Engelse fabriekswet van 1833, die vooreerst alleen voor de textielindustrie gold, stelde de maximumduur van de arbeidstijd vast voor jongeren tussen de 13 en 18 jaar 12 uur, voor kinderen tussen de 9 en 13 jaar 8 uur per dag; arbeid door kinderen onder de 9 jaar werd verboden. De ondernemers trachtten deze wet op alle mogelijke manieren te ontduiken. Ze kregen het voor elkaar, dat het Lagerhuis de minimumleeftijd voor de tewerkstelling van kinderen naar 8 jaar verlaagde en de algemene arbeidstijd voor fabrieken, inmiddels voor alle industrietakken op 12 uur bepaald, ook voor kinderen tot bindende regeling maakte. Dankzij nieuwe successen van de Chartistenbeweging kwam het tenslotte tot de fabriekswet van 8 juni 1847, die de werktijden voor vrouwen en jongeren eerst tot elf, na 1 mei 1848 tot tien uur beperkte. Het tegenoffensief van de industriëlen liet niet lang op zich wachten. Toch slaagde men er in 1850 in, de tienurendag voor alle arbeiders, zij het voorlopig alleen in de textielbranche, wettelijk vast te leggen. De eis die veertig jaar daarvoor door Robert Owen gesteld was en toen door de heersende klassen en de officiële wetenschap als atheïstisch misdrijf tegen de “christelijke arbeidsmoraal” was gebrandmerkt en als utopie was bespot, kreeg nu juridische geldigheid. Het waren de ervaringen uit deze Engelse strijd, die de Franse arbeiders hielpen, de wet op de twaalfurige werkdag, het belangrijkste resultaat van de februari-revoluie van 1848 af te dwingen.

Op basis van deze eerste sociale zekerheden moest het nu voor de gekwalificeerde arbeiders mogelijk zijn om tijdens de periode van economische bloei tot op zekere hoogte te profiteren van de concurrentie tussen de ondernemers bij het kopen van hun arbeidskracht. In conjunctuurperiodes, waarin de arbeidskracht al te schaars werd, kon een loonstijging zelfs door het inzetten van het terreurapparaat van de staat zoals in het Derde Rijk niet volledig worden verhinderd. Maar in de tijd na 1850 had het bonapartistische regime in Frankrijk geen belang bij dergelijke experimenten, hoezeer het ook gedwongen was, in het vervolg elke democratische opwelling en elk politiek streven van de arbeiders te onderdrukken. Het kwam tot concessies aan de arbeidersklasse op het gebied der sociale politiek: er werden rechtbanken voor de beslechting van arbeidsgeschillen, gesubsidieerde liefdadigheidsinstellingen voor arbeiders en gedepolitiseerde verbruiksverenigingen in het leven geroepen – maatregelen, die de arbeiders met het regime moesten verzoenen, en het herleven van hun sociaal zelfbewustzijn verhinderen.

Bij het begin van de volgende crisis waren de arbeiders in Frankrijk en Duitsland niet langer zo’n kleine minderheid als voor 1848. En ze waren er nu materieel en cultureel gedeeltelijk beter aan toe. De regeringen zagen zich genoodzaakt, kinderarbeid te beperken en de arbeiders een – zij het minimale – schoolopleiding te garanderen. Deze bleek onmisbaar voor het verrichten van de gecompliceerde handelingen die de industriële productie vereiste. Een nieuwe economische crisis moest derhalve een politiek en sociaal sterkere arbeidersbeweging in het leven roepen.

Deze economische crisis begon in 1857. Na de oorlogen op de Krim en in Italië kwamen de onderdrukte Polen en Italianen weer in beweging en wekten opnieuw het solidariteitsgevoel van de democraten. De Amerikaanse burgeroorlog bracht de democratische radicalen in het Engelse parlement, en vooral de Engelse arbeiders, ertoe, hun sympathie met de noordelijke staten te betuigen. Zij verhinderden, dat Engeland aan de zijde van de zuidelijke staten van de Union aan de oorlog ging deelnemen. Al eerder hadden de Engelse arbeiders een groot succes behaald: in de Londense bouwvakstaking van 1859, die de ondernemers met uitsluitingen en opheffing van het recht van vereniging in hun bedrijven beantwoordden De staking kon door de samenhorigheid van alle Engelse vakverenigingen, die inzamelingen voor de stakers hielden, na negen maanden worden afgesloten met het afdwingen van het recht op vereniging en vergadering. De solidariteitsacties voor de stakende bouwvakarbeiders hadden geleid tot plaatselijke aaneensluitingen van categorale vakverenigingen. Zij bezorgden de Engelse arbeidersbeweging weer organen, die functioneerden Op basis hiervan begon de hernieuwde strijd voor algemeen kiesrecht, die door enkele burgerlijk-radicale parlementsleden ondersteund werd. Het resultaat was de hervorming van het kiesrecht door Disraeli in 1867 en de hervorming van het parlement door Gladstone in 1884, waarbij aan het grootste deel van de arbeiders in de steden en op het platteland het kiesrecht toegekend werd.

Ook de Franse arbeidersbeweging was door de crisis van 1857/58 gereactiveerd: ondanks het ontbreken van het recht van vereniging en vergadering was het tot een golf van stakingen gekomen voor het behoud van het bestaande loonpeil. Als bewijs dat ze “het beste met de arbeiders voorhad” stuurde de Franse regering een delegatie van vijfhonderdvijftig arbeiders naar de Londense wereldtentoonstelling van 1862. Onder de door arbeiders gekozen delegatie bevonden zich ook aanhangers van Proudhon, onder leiding van Henry Louis Tolain. Deze delegatie nam contact op met de Londense vakverenigingsraad en organiseerde met haar een gezamenlijke demonstratie voor de Poolse revolutie op 22 juli 1863 in Londen. De dag daarop werden de mogelijkheden voor een permanente internationale aaneensluiting van de arbeiders bediscussieerd; de Engelsen stelden een comité in, onder leiding van George Odger, dat een boodschap richtte tot de franse arbeiders. Men eiste samenwerking van de arbeiders van alle beschaafde landen, steun aan de Poolse opstand en verhindering van een loondruk op de Engelse arbeiders, door het ronselen van goedkope arbeidskrachten op het vasteland van Europa.

De eerste bijeenkomst vond plaats op 28 september 1864 in de St. Martinshall in Londen. Naast Engelsen en Fransen waren er talrijke emigranten-groeperingen vertegenwoordigd; o.a. de Italianen door een adjudant van Garibaldi, de Duitsers door representanten van de Londense Kommunistische Arbeiterbildungsverein. Karl Marx werd als een van de twee Duitse vertegenwoordigers in het voorlopig uit tweeëndertig leden bestaande centraal comité gekozen. Ondanks alle scepsis ten aanzien van de rijpheid van de beweging, sloeg hij de betekenis van de aaneensluiting hoog aan. Op 29 november 1864 schreef hij aan zijn vriend Ludwig Kugelmann: ”De Associatie is van belang, omdat de leiders van de Londense Trade Unions erbij zitten, die Garibaldi een enorme ontvangst bereidden en door de monstermeeting in St. James-hal1 het plan van Palmerston voor oorlog met de United States wisten te verijdelen. Ook de leiders van de Parijse arbeidersbeweging staan met hen in verbinding”.

Bij het ontwerp van de statuten en van de preambule waarin de principes van de nieuwe organisatie werden geformuleerd, kon Marx zijn opvattingen doorzetten, tegen de aanhangers van Owen en Mazzini in. Het door hem ontworpen “Adres aan de arbeidersklasse”, het eerste adres van de Internationale Arbeiders Associatie bevatte slechts overwegingen waarmee de aanhangers van de Trade Unions, maar ook de leerlingen van Proudhon of Mazzini konden instemmen. Hij sloot aan bij de gedachtes van de verschillende arbeidersleiders in de afzonderlijke landen, en trachtte hun gemeenschappelijke principes bewust te maken. Zo probeerde hij een proces op gang te brengen, waarin zij door de ervaringen in de eigen strijd tot grotere theoretische eenheid en duidelijkheid kwamen. Het uitgangspunt van de beweging als geheel, de noodzaak van de gezamenlijke klassenstrijd van de arbeiders werd duidelijk uitgesproken. Marx zag evenwel slechts in beperkte mate kans, zijn in het Communistisch Manifest van 1848 ontwikkelde politieke en sociale theorie in het programma van de Internationale op te nemen. Toch werd in ieder geval verijdeld, dat de mutualistische ideeën van de Franse Proudhon-aanhangers of de illusies van Mazzini hun stempel op het programma zetten. Met slechts onbeduidende veranderingen werd het ontwerp van Marx voor het statuut en het adres van de Internationale Arbeiders Associatie met algemene stemmen aangenomen. De preambule is één van de historisch uiterst belangrijke documenten van de arbeidersbeweging. Zij luidt:

    Overwegende,

    dat de emancipatie van de arbeidersklasse het werk van de arbeidersklasse zelf moet zijn;

    dat de strijd voor de emancipatie van de arbeidersklasse geen strijd voor klassenvoorrechten en monopolies is, maar voor gelijke rechten en plichten en voor de vernietiging van alle klassenheerschappij;

    dat de economische onderwerping van de arbeiders aan hen die zich de arbeidsmiddelen, d.w.z. de levensbronnen toegeëigend hebben, de grondslag is van de slavernij in al haar vormen – de sociale ellende, de geestelijke verkommering en de politieke afhankelijkheid;

    dat bijgevolg de economische emancipatie van de arbeidersklasse het grote einddoel is, waaraan iedere politieke beweging ondergeschikt moet zijn;

    dat alle op dit doel gerichte inspanningen tot nu toe zijn mislukt door gebrek aan eenheid onder de verschillende arbeidstakken in elk land en door het ontbreken van een broederlijk verbond tussen de arbeidersklassen van de verschillende landen;

    dat de emancipatie van de arbeidersklasse noch een lokaal, noch een nationaal, doch een sociaal probleem is, dat alle landen omvat, waarin de moderne maatschappij bestaat, een probleem, waarvan de oplossing van de praktische en theoretische samenwerking van de hoogst ontwikkelde landen afhangt;

    dat de huidige, wederoplevende beweging van de arbeidersklasse in de industriële landen van Europa enerzijds nieuwe verwachtingen wekt, maar tevens een ernstige waarschuwing inhoudt tegen een terugvallen in de oude dwalingen, en aandringt op een directe bundeling van de nog verspreide bewegingen; om deze redenen is de Internationale Arbeiders Associatie opgericht. Zij verklaart,

    dat alle organisaties en individuen die zich bij haar aansluiten waarheid, gerechtigheid en zedelijkheid erkennen als hun gedragsregel ten opzichte van elkaar en van alle mensen, ongeacht ras, geloof of nationaliteit. Zij beschouwt het als de plicht van eenieder, de rechten van de mens en van de burger niet slechts voor zichzelf te verwerven, maar voor een ieder die zijn plicht doet. Geen plichten zonder rechten, geen rechten zonder plichten.

De zo ontstane Internationale Arbeiders Associatie kon steunen op een groot deel van de Engelse vakbonden, die collectief waren toegetreden, en op wisselende aantallen individuele leden, bij tijd en wijle ook op enkele vakbonden in andere Europese landen. Een sterke eigen organisatie en aanzienlijke geldmiddelen heeft de Algemene Raad der Eerste Internationale nooit bezeten. Desondanks werd haar een enorme macht toegeschreven door de burgerlijke pers en de geheime diensten van alle regeringen, wier merkwaardige verhouding tot de waarheid sinds de dagen van Stieber en het Keulse communistenproces van 1852 tot op de dag van heden blijkbaar in de loop der historische veranderingen een constante is gebleven.

Inderdaad namen het gezag en aanzien van de Internationale onder de Europese arbeiders tot de nederlaag van de Parijse Commune voortdurend toe, aangezien grote arbeidsconflicten gunstig werden beïnvloed door oproepen namens de Internationale tot solidariteit. De Internationale droeg bij tot een verheldering en ontwikkeling van het politieke en maatschappelijke zelfbewustzijn van de arbeiders, die zij vertegenwoordigde. Haar Engelse leden behoorden tot de Reform League, die sinds februari 1865 burgerlijke radicalen en vakbondsleden verenigde in de strijd voor de democratisering van het kiesrecht. Zij bewerkstelligde de kieswet van 1867. In Frankrijk stonden haar aanhangers weliswaar nog overwegend onder invloed van Proudhon. Maar de hulp van de Internationale en vooral van de Engelse vakbonden tijdens de uitsluiting van de Parijse bronswerkers in 1867, en later bij de stakingen van de textielarbeiders in Rouen en Lyon en de mijnwerkers in St. Etienne leidde ertoe, dat een groep Franse arbeidersleiders, waaronder Eugène Varlin, de noodzaak van stakingen, maatregelen op sociaal terrein en de socialisatie van monopolistisch eigendom van de productiemiddelen als doelstelling aanvaardde. De aanhangers van Blanqui hielden zich eerst nog afzijdig van de Internationale, hoewel Blanqui als toehoorder aan het Brusselse congres van 1868 had deelgenomen. Belgische, Zwitserse, Italiaanse en Spaanse arbeiders sloten zich aan; de leiders van de eerste Oostenrijkse arbeidersorganisatie traden toe.

Via België drong de Eerste Internationale ook in Nederland door. Zij steunde de Amsterdamse scheepstimmerliedenstaking van april 1869. Op 30 augustus 1869 kwam in Amsterdam het “Nederlandsch Werklieden Verbond” tot stand als “Afdeeling der Internationale Arbeiders vereeniging”. Jonge typografen, smeden, een scheepstimmerman en de kleermaker H. Gerhard behoorden tot de oprichters. Onderlinge hulp bij staking was het meest vérstrekkende punt in de statuten. De Nederlandse sectie kon beschikken over het orgaan “De Werkman”.

Benevens het toetreden van een aantal individuele leden in Duitsland en van de emigranten van de Londense Arbeiterbildungsverein kreeg zij de morele steun van de Allgemeine Deutsche Arbeiterverein van het 5de Verenigingscongres van Duitse arbeidersverenigingen en later van de in 1869 opgerichte Sozialdemocratische Arbeiterpartei Deutschlands. De Internationale was erin geslaagd, de representant te worden van vrijwel alle autonome organisaties van de arbeidersbeweging in Europa, en hen tot een uitgebreide samenwerking en discussie over hun doelstellingen en strategie te bewegen. Op deze wijze gaf zij de arbeiders in de landen waar in 1864 nog geen aanzetten tot zelfstandige arbeidersorganisaties voorkwamen de stoot die nodig was om zich van het burgerlijke liberalisme af te wenden.

Op de interne Londense conferentie van 1865 was de tegenstelling tussen de opvattingen van Marx en die van de proudhonistische vertegenwoordigers van de Franse afvaardiging aan het licht getreden. Op het eerste openbare congres van de Internationale van 1866 in Genève, kwam zij in alle duidelijkheid aan het licht. Voortaan bleef het een kenmerk van alle congressen van de Internationale, dat de opvattingen van Marx overheersten in die delegaties die afkomstig waren uit landen met een sterke industriële ontwikkeling, zij werden aangehangen door de meerderheid van de Algemene Raad, vooral met steun van de Engelse vakbonden. Daarentegen domineerden in de delegaties uit de voornamelijk agrarische landen (in die tijd: Italië, Spanje en voorlopig ook nog Frankrijk) of uit gebieden met kleine ambachtelijke bedrijfjes (het Franse deel van Zwitserland) tot aan de Parijse Commune van 1871 de proudhonistische opvattingen en vervolgens die van Bakoenin. Deze tegenstelling bestond, voorzover de sociale basis ervoor nog aanwezig was, lange tijd voort, zoals blijkt uit de sterke positie van de Iberische Anarchistische Federatie (FAI) en de syndicalistische vakvereniging CNT in de Spaanse verzetsbeweging tegen Franco.

Op het congres van Genève in 1866 werden de aanhangers van Proudhon verslagen: de vakbeweging werd erkend alsmede haar belangrijk wapen, de staking. Het voorstel van de proudhonisten, slechts handarbeiders als leden van de Algemene Raad toe te laten, werd verworpen. Aanneming van het voorstel zou tot gevolg gehad hebben, dat Marx zou zijn afgetreden. Tenslotte sprak het congres zich ondubbelzinnig voor de voorstellen van Marx uit om van de bestaande staat maatregelen op sociaal gebied te eisen ten gunste van vrouwen en kinderen, en ter beperking van de werkdag tot acht uur. De proudhonisten wezen iedere inmenging van de staat bij de regeling van het arbeidscontract af, omdat zij dachten daardoor de staat te stabiliseren en de maatschappelijke vrijheid in gevaar te brengen. Daarentegen wees Marx erop dat maatregelen ter bescherming van de arbeiders slechts konden worden verwezenlijkt “door het omzetten van sociale rede in politieke macht”; “onder de bestaande omstandigheden is onze enige methode … algemene wetten, gerealiseerd door de staatsmacht… In het realiseren van dergelijke wetten verstevigt de arbeidersklasse niet de regerende macht. Integendeel, zij zet de macht, die zij nu tegenover zich vindt om in een instrument voor zichzelf. Zij bewerkstelligt door algemene maatregelen, wat bij een aantal geïsoleerde individuele pogingen een nutteloos streven zou blijken te zijn.” De Franse delegatie kon weliswaar een meerderheid voor enkele van haar restricties vinden, maar dat deed niets af aan de principiële betekenis van de Geneefse besluiten. Voortaan werden de vakbonden beschouwd als de “hefboom voor de opheffing van het systeem van loon- en kapitaalheerschappij zelf”, en niet de met staatshulp gecreëerde productiecoöperaties.

De controverse tussen de meerderheid van de Algemene Raad onder Marx’ invloed en de Franse Proudhon-aanhangers herhaalde zich in 1867 op het congres in Lausanne. Onderwerp van het geschil was de rol die de politieke strijd van de arbeidersklasse speelde. De proudhonisten wezen deze politieke strijd van de hand, omdat zij de staatsmacht bij de maatschappelijke ontwikkeling wilden negeren en zodoende uitschakelen. Zo eensgezind men was over de noodzaak tot socialisatie van de monopoloïde takken in de economie, vooral de spoorwegen, zo oneens was men het over de vorm waarin die socialisatie tot stand moest komen. Maar was dit op een andere manier mogelijk dan door bemiddeling van de staatsmacht? Konden grote ondernemingen eigenlijk wel functioneren als eigendom van kleine gedecentraliseerde coöperaties zoals Proudhon veronderstelde? Was bij de moderne technische ontwikkeling het privé bezit van de kleine boeren op den duur houdbaar, of was het – zoals de Belg César de Paepe eiste onvermijdelijk dat de grond in gemeenschappelijk bezit werd gebracht? Hoe moest de Internationale Arbeiders Associatie zich opstellen tegenover de Europees-internationale Liga voor Vrijheid en Vrede van de burgerlijk-radicale democraten? Moest de arbeidersbeweging zich inzetten voor verplicht openbaar onderwijs en, waar dat functioneerde, voor democratisering van het onderwijsstelsel? Al deze kwesties werden of door een compromis opgelost, of verdaagd. Onmiskenbaar was er sprake van een toenadering van de Fransen tot de opvattingen van de meerderheid in de Algemene Raad, maar in veel kwesties bleven er verborgen tegenstellingen bestaan.

Pas het Brusselse congres van 1868 sprak zich, tegen de oppositie van de Franse gedelegeerde in, ondubbelzinnig uit voor socialisatie van de productiemiddelen door middel van de dwang van het openbaar gezag. Ook hoopte het congres, dat de toespitsing van het conflict tussen Frankrijk en Duitsland tot een oorlog kon worden verhinderd door een “Staking der volkeren” tegen de regeringen; maar al te snel bleek dit een illusie.

Het Bazelse congres van de Internationale Arbeiders Associatie sloot in 1869 de debatten over Proudhon’s ideeën af: de resolutie m.b.t. het gemeenschappelijk bezit van grond en bodem werd met 54 stemmen, met slechts 4 stemmen tegen, aangenomen. Maar reeds kondigden zich de controverses aan die tot het einde van de Eerste Internationale zouden leiden. Als afgevaardigde van Lyon was de Russische revolutionair Michael Bakoenin naar Bazel gekomen. Hij kon weinig begrip opbrengen voor een aan de steeds wisselende omstandigheden aangepaste – taaie en systematische vakbondsstrijd om arbeidsloon en arbeidstijd en voor de politieke strijd om uitbreiding van de democratische rechten en de sociale wetgeving zoals die door de arbeiders van de industrieel hoogontwikkelde landen gevoerd werd. Zijn denken beantwoordde aan de situatie van de arbeiders in industrieel minder ontwikkelde landen; het nieuwe conflict vond zijn eerste uitdrukking in de discussie over het erfrecht. Niet minder belangrijk bleek het feit, dat in Bazel voor het eerst een nationale arbeiderspartij optrad, de Duitse Sozialdemocratische Arbeiter Partei. Er was een nieuwe fase in de Europese arbeidersbeweging ingeluid die zoals weldra zou blijken, bepaald werd door de opkomende nationale arbeiderspartijen.

Het uitbreken van de oorlog tussen Frankrijk en Duitsland, in het jaar daarop, toonde aan, dat de besluiten van Brussel niet in overeenstemming met de werkelijke situatie waren geweest. Zonder veel moeite konden de regeringen in de beide oorlogskampen hun volkeren doen geloven, dat zij een verdedigingsoorlog voerden. De aanhangers van de Internationale kwamen alleen te staan. De Algemene Raad in Londen analyseerde de situatie vanuit het standpunt van revolutionair-democratisch, niet echter vanuit een pacifistisch denken. In haar adressen aan de arbeiders van de oorlogvoerende landen stelde zij zich op het standpunt dat het de eerste taak van de Franse arbeiders diende te zijn, Napoleon III ten val te brengen, dat daarna evenwel de Duitse arbeiders plicht hadden, verdere voortzetting van de oorlog te verhinderen. Deze werd nu niet meer gevoerd ter verdediging van Duitsland, maar voor de uitbreiding van de Pruisische macht: “Staat de Duitse arbeidersklasse toe, dat de huidige oorlog zijn strikt defensieve karakter verliest, dan zullen overwinning én nederlaag even rampspoedig zijn”. De afgevaardigden van de Sozialdemocratische Arbeiter Partei in de Noordduitse Rijksdag, Wilhelm Liebknecht en August Bebel, onthielden zich derhalve ook van stemming, toen er over de oorlogskredieten gestemd moest worden. De aanhangers van Ferdinand Lassalle daarentegen stemden voor.

Toen de capitulatie van Sedan tot het uitroepen van de Derde Republiek in Frankrijk geleid had, riep het Brunswijkse centrale comité de Sozialdemocratische Arbeiter Partei Deutschlands op tot demonstraties voor een eervolle vrede met de Franse republiek en verklaarde: “Uit naam van de Duitse Sociaaldemocratische Partij tekenen wij protest aan tegen de annexatie van Elzas-Lotharingen, en wij weten ons daarbij één met de Duitse arbeiders. In het gemeenschappelijk belang van Frankrijk en Duitsland, in het belang van vrede en vrijheid, in het belang van de Westerse beschaving tegen de barbaarsheid van de Kozakken, zullen de Duitse arbeiders de annexatie van Elzas-Lotharingen niet dulden. Wij zullen trouw aan onze werkende broeders aller landen gezamenlijk pal staan in iedere strijd voor de gemeenschappelijke zaak!” De leden van het centraal comité werden direct gearresteerd op beschuldiging van hoogverraad; de “nationale” hysterie van de bourgeoisie in Duitsland was zelfs sterk genoeg, om de meerderheid de Duitse arbeiders mee te slepen. Maar van nu af aan stemden de Eisenachers en Lasalle-aanhangers in de Noordduitse Rijksdag gezamenlijk tegen de oorlogskredieten en eisten het afzien van elke annexatie gelijk het manifest van de Parijse federatie van de Internationale Arbeiders Associatie van hen verwachtte.

Het tweede adres van de Londense Algemene Raad richtte zich tot de Franse arbeiders. Men wees hen erop, dat het dwaasheid zou zijn, de overgangsregering van de nieuwe Derde Republiek omver te willen werpen in een situatie, waarin de Duitse legers voor Parijs stonden. Veeleer was er nu organisatie van de arbeiders onder de nieuwe omstandigheden nodig. De Franse leden van de Internationale volgden deze raad op, totdat de burgerlijke regering voor de Duitse legers capituleerde.

Bij de wapenstilstand had de Franse regering de eis van de overwinnaars, capitulatie en ontwapening van Parijs, dat door een militie van arbeiders en kleinburgers de Nationale Garde, werd verdedigd, ingewilligd, alsmede nieuwe verkiezingen voor de Nationale Vergadering in het vooruitzicht gesteld. Boeren en bourgeoisie wensten vrede tot elke prijs. Meer nog dan voor de Pruisen waren zij bevreesd voor de radicaal-democratische kleinburgers van de metropool. Deze wilden getrouw aan hun jacobijnse traditie, de revolutionaire oorlog van 1793 voor de redding van Frankrijk herhalen, evenals de Parijse arbeiders, die hen hierin volgden – ten dele onder leiding van de aanhangers van Blanqui, ten dele van de Internationale. De Nationale Vergadering, waar de aanhangers van de beide in 1830 en 1848 verjaagde koningshuizen tezamen de meerderheid hadden, en de Franse regering met Thiers aan het hoofd, vergaderden eerst in Bordeaux, daarna in Versailles. De regering wilde nu definitief de Parijse Nationale Garde ontwapenen. De eerste poging daartoe mislukte echter; de arbeiders van Parijs kwamen onder leiding van Varlin de nationale gardes te hulp. Het ambtelijk apparaat van de regering moest de hoofdstad verlaten en de bevolking van Parijs koos zijn eigen gemeentelijke vertegenwoordiging: de Commune In de Commune waren wetgevende en uitvoerende macht in één hand verenigd; de volksvertegenwoordigers konden ten allen tijde door hun kiezers afgezet worden. Burgerlijke jacobijnen, blanquisten, aanhangers van de Internationale, proudhonisten en andere socialisten werkten in de Commune samen. De aanhangers van de Internationale vormden daarbij slechts een kleine minderheid. Enkele democratische en sociale hervormingen werden doorgevoerd (scheiding van staat en kerk, maximumhuren, verbod op nachtarbeid) maar geen fundamentele socialistische hervormingen. Deze zelfbeperking verminderde nochtans de haat van de bourgeoisie niet. De krijgsgevangen legers van Napoleon III werden door Bismarck onder het bevel van de regering-Thiers geplaatst en zij openden op 21 mei 1871 de aanval op Parijs. Na verbitterde tegenstand van de Nationale Garde en de arbeiders, veroverden de regeringstroepen de stad na een week. Het aantal vermoorden en gedeporteerden is niet precies te achterhalen; de overwinnaars zelf noemden een aantal van 14.000 gesneuvelde of terechtgestelde communards, meer dan 5000 gedeporteerden en nog eens 5000 arbeiders die door krijgsraden tot vrijheidsstraffen werden veroordeeld. Binnen 25 jaar was de Franse arbeidersbeweging nu voor de tweede keer van haar actiefste leden beroofd.

De beide Duitse arbeiderspartijen hadden slechts kans gezien een minderheid van hun klasse te organiseren. Zij waren te zwak om te verhinderen, dat hun regering door de verovering van twee Franse provincies de nationale tegenstelling tussen de leidende staten op het Europees vasteland voor driekwart eeuw tot sleutel van de Europese ontwikkeling maakte, waardoor het burgerlijke Frankrijk tot een bondgenootschap met de Tsaar werd gedwongen. De heersende klassen in Duitsland konden zodoende de werkelijke belangen van de bevolking opofferen aan een schijn-”nationale” roes en aan haar eigen grove materiële belangen.

Al voor de dagen van de Parijse Commune had de burgerlijke pers van Europa geprobeerd, de Internationale Arbeiders Associatie te verketteren. In een stemming die op deze wijze was gemanipuleerd werden bijv. in Oostenrijk leidende arbeidersfunctionarissen, waaronder Andreas Scheu en Heinrich Oberwinder wegens hoogverraad tot tuchthuisstraffen veroordeeld, omdat zij met de Internationale hadden gesympathiseerd. Nu, na de gebeurtenissen in Parijs, reageerde de burgerlijke “publieke opinie” uitermate heftig: om de massamoorden in Parijs te legitimeren werd de Commune, met volkomen voorbijgaan aan de historische waarheid, beschreven als product van een samenzwering van de Algemene Raad van de Internationale. De Franse regering vaardigde een uitzonderingswet uit tegen de Internationale Arbeiders Associatie en trachtte andere Europese staten te bewegen, over te gaan tot uitlevering of vervolging van geëmigreerde communards. De regeringen van het Duitse Rijk en de Habsburgse monarchie waren van plan, een conferentie van Europese staten bijeen te roepen voor de strijd tegen de Internationale. De Spaanse regering nam daartoe het initiatief in een rondschrijven nadat Paus Pius IX de Zwitserse regering had berispt: “Zij duldt die sekte van de Internationale, die heel Europa wil behandelen zoals ze Parijs behandeld heeft. Deze heren van de internationale zijn te vrezen, omdat zij werken voor rekening van de eeuwige vijanden van God en de mensheid.” Nog in 1897 hield de encycliek “Quod apostolici muneris” van Leo XIII deze beoordeling van de Internationale en van het socialisme staande. Het was de verdienste van de Britse regering, dat zij door vast te houden aan de principes van de rechtsstaat, de poging wist te verijdelen om Europa te verenigen door middel van een antisocialistische inquisitie.

Intussen was in de Internationale zelf de controverse ontbrand tussen de voormalige leden van de Internationale Alliantie der socialistische Democratie van Bakoenin en de nog steeds door Karl Marx geleide Algemene Raad. Aan deze controverse zou de Internationale Arbeiders Associatie tenslotte te gronde gaan. Het einde van de gevechten in Parijs vernietigde iedere gerechtvaardigde hoop op een nieuwe golf van democratische revoluties in Europa. En de resolutie van de Londense conferentie van de Internationale van 1871 waarin de oprichting van legale arbeiderspartijen in de afzonderlijke Europese landen werd bepleit als voorwaarde voor een socialistische revolutie, was alleen maar de consequentie uit deze situatie. Voor de aanhangers van Bakoenin en Blanqui was dit onaanvaardbaar; beide groepen dachten nog in termen van de nu definitief overwonnen voor-industriële periode van Europa. De resolutie beantwoordde echter evenmin aan de behoeftes van de Engelse vakbeweging, die zoals de verkiezingen van 1868 hadden uitgewezen, nog te zwak was om zelf politiek te kunnen handelen. Zij vestigde haar hoop op een verbond met de radicaal-democratische vleugel van de liberalen, om zo het stemmenaantal voor de verbetering van de sociale positie van de arbeiders uit te kunnen buiten. Karl Marx en de Algemene Raad van de Internationale moesten wel in een geïsoleerde positie komen. Dat werd duidelijk op het Haagse congres van 1872. Weliswaar konden Marx en de Algemene Raad nog een stemmenmeerderheid behalen, maar de stemmen van de Engelse gedelegeerden waren voor hen verloren. Het gevolg was, dat de zetel van de Algemene Raad naar de Verenigde Staten verplaatst werd. Dat betekende tegelijk ook het – in 1876 formeel afgekondigde – einde van de Internationale Arbeiders Associatie.

De “anti-autoritaire” oppositie van de bakoenisten had zich direct na haar nederlaag bij de stemming op het Haagse congres in Zwitserland gevestigd als naar haar mening enig legitieme vertegenwoordiging van de Internationale. Door haar losse organisatie wist zij behalve de Italiaanse en Spaanse anarchisten tijdelijk ook Belgische arbeidersgroepen en Duitse Lassalle-aanhangers achter zich te scharen. In 1877 riep zij in Gent het Socialistisch Wereldcongres bijeen, waar de inmiddels opgerichte arbeiderspartijen uit de Europese landen kwamen opdagen. Op dit congres scheidden de wegen van de anarchistische Internationale, die behalve op het Iberisch schiereiland geen massabeweging meer vertegenwoordigde, zich definitief van die van de overige socialisten. Behalve de betuiging van internationale solidariteit, kon er geen gemeenschappelijke organisatie meer gevormd worden.

Met het Haagse congres was een ontwikkelingsfase in de Europese arbeidersbeweging afgesloten. Zij had in het teken van de Internationale Arbeiders Associatie gestaan, de Eerste Internationale, en zij had de voorwaarden geschapen voor de volgende fase: die van het ontstaan van nationale arbeiderspartijen in de Europese landen, hun aaneensluiting in de Tweede Internationale, en de opbloei van de vakbonden, ook op het vasteland van Europa. In haar positiebepaling inzake het vakbondsvraagstuk in Genève 1866, en in de Londense resolutie van 1871 over de taken van de arbeiderspartijen, had de Internationale de strategie van de arbeidersbeweging in Europa voor de naaste toekomst geformuleerd.

Delen: Printen: