Theorie: Lenin en de revolutionaire pers

Voor Lenin, leider van de Oktoberrevolutie in 1917 en van de Russische marxisten (de bolsjevieken), viel de revolutionaire pers samen met het punt waar theorie en praktijk elkaar snijden. Lenin was dan ook erg betrokken bij de ontwikkeling van een revolutionaire krant. Elk goed artikel moest volgens hem algemene ideeën en theorie omzetten in concrete slogans en suggesties om de beweging vooruit te helpen. Lenin zou op officiële documenten – ook na de machtsovername van 1917 – altijd naar zichzelf verwijzen als “journalist”. In een van zijn artikels stelt hij ook dat hij zichzelf eerder als “publicist” dan als “theoreticus” beschouwt. Ongetwijfeld doelde hij daarmee op de idee dat in een “publicist” theorie en agitatie samenvloeien.

Peter Delsing

Lenin schreef niet alleen voor de revolutionaire arbeiderspers. Hij wilde op de hoogte zijn van alle technische aspecten van de zaak: het maken van maquettes, de typografie, het corrigeren van artikels,… Hij probeerde het hele proces van de productie van een arbeiderskrant onder de knie te krijgen. Ook hier: geen arbeidsdeling tussen zuivere “hand”- en “intellectuele” arbeiders. Dit is bijvoorbeeld ook iets waar we met de redactieraad van Socialistisch Links naar streven.

De bedoeling van Lenin en de bolsjevieken was niet om een vrijblijvend literair orgaan op te zetten. De pers was in hun ogen een ideologisch wapen tegen de dictatuur van de tsaar en de burgerij. Lenin was er erg mee begaan dat de artikels in de pers van de bolsjevieken begrepen werden door de arbeiders. Hij stelde zelf: “Ik heb nooit iets anders gewenst, heb nooit van iets anders gedroomd dan van de mogelijkheid om voor arbeiders te schrijven.” Zonder een politieke krant kan een beweging, volgens hem, onder moderne condities niet echt “politiek” worden genoemd.

Omdat het kapitalisme getekend wordt door klassentegenstellingen heeft een arbeiderspers van nature een polemisch karakter: ze bekritiseert en heeft geen schroom om de heilige huisjes van het kapitaal aan te vallen. De “waarden” van de burgerij zijn geen algemene, eeuwige waarden. Een revolutionaire arbeiderspers rukt het valse masker van de “neutraliteit” van de media af. We tonen aan hoe de heersende ideeën op duizend manieren gevormd – en misvormd – zijn door de heersende productiewijze en de heersende klasse. Tegenover de alledaagse leugens en weglatingen van de burgerij moeten we de waarheid over de kapitalistische condities van arbeiders en jongeren plaatsen.

Een voorbeeld hiervan is de campagne van de bolsjevieken toen Lenin er in 1917 door de burgerlijke pers van werd beschuldigd samen te werken met de Duitse regering (die toen oorlog voerde tegen Rusland). De Duitse regering had de trein met Lenin doorgelaten richting Rusland. De bolsjevieken voerden een lange, geduldige campagne van “tegeninformatie”, ingaand tegen de idee dat Lenin een “agent van het Duitse imperialisme” was. Een ander voorbeeld is de heksenjacht die de burgerlijke pers een aantal jaren geleden voerde tegen de linkse ABVV-syndicalist Albert Faust, zogenaamd wegens “verregaande fraude”. Het was nodig in onze eigen pers de leugens en de laster van de burgerlijke media te weerleggen. Zij verzwegen bewust dat het hier draaide rond een afrekening van de nationale vakbondsbureaucratie met iemand van de linkervleugel binnen de vakbond.

Doorheen de strijd tussen persorganen en partijen of fracties kristalliseren zich de verschillende tendenzen uit. De strijd zoals die wordt gevoerd in kranten, media, etc. anticipeert en bereidt de openlijke klassenstrijd voor. Lenin stelt hierover: “Alle kwesties waar de massa’s in de revoluties van 1905 en 1917 voor op de barricades stonden, kan je in een embryonale vorm terugvinden in de pers van die periodes”. Het doel van de polemiek is daarbij duidelijk te maken wie de tegenstrever zal zijn in toekomstige strijdbewegingen, het voorzien van burgerlijke en kleinburgerlijke tactieken tegen de arbeidersbeweging, etc. Lenin zou er zich meermaals over beklagen als hij vond dat de Pravda te weinig strijdbaar en aanvallend klonk, omdat hij daar een verzwakking van de politieke principes in zag. Door openlijke discussie maken marxisten ook duidelijk waarin onze ideeën over een weg vooruit verschillen van andere stromingen binnen de arbeidersbeweging, waarmee we strategisch en programmatorisch van mening verschillen.

De bedoeling van een revolutionaire pers is het bewustzijn van de arbeiders rond de uitbuiting in de kapitalistische maatschappij te veralgemenen en zo op te tillen. In 1898 werd de Russische sociaal-democratie opgericht, en daarmee ook de eerste krant Rabotchaia Gazeta. Na politieke repressie verdwijnt de redactie naar het buitenland.

In de beginjaren zou Lenin vooral polemiseren tegen de stroming van de “economisten”. Zij wilden de strijd van de arbeiders beperken tot een zuiver economische strijd. In hun pers weerspiegelde zich dit in een vulgarisering, een versimpeling van het marxisme. Lenin stelde daartegenover: “Arbeiders willen ook zaken bijleren, ze willen ook zaken leren die zogenaamd ‘enkel voor intellectuelen’ worden geschreven”. Het komt er niet op aan om zuiver het fabrieksnieuws te herkauwen. Het hele politieke leven moet in een begrijpelijke, maar niet simplistische taal in klassetermen worden uitgelegd. “Een vulgaire schrijver veronderstelt een lezer die niet nadenkt en niet in staat is om na te denken”.

In de Iskra, de krant van de Russische sociaal-democratie (niet te verwarren met de “sociaal-democratie” van vandaag), had je natuurlijk een rubriek met bedrijfsnieuws en brieven van arbeiders. Lenin was erg veeleisend rond de details in deze rubrieken. Maar daarnaast moesten de arbeiders zo breed mogelijk politiek worden geïnformeerd als voorbereiding op de politieke en de klassenstrijd.

Lenin maakte een onderscheid tussen verschillende niveaus van bewustzijn, waar verschillende vormen van communicatie aan beantwoordden. Een eerste groep die hij onderscheidt zijn de meest ontwikkelde arbeiders, de drijvende krachten binnen de partij en de arbeidersbeweging – de voorhoede. Hier moest het “centraal orgaan” van de partij op zijn gericht. Vervolgens was er de doorsnee arbeider, wiens interesse hoofdzakelijk was gericht op lokale problemen en agitatie. Hieraan beantwoordde de populaire krant: zij moest aan elke lokale kwestie de ideeën van het socialisme en de politieke strijd verbinden. De minder politiek ontwikkelde lagen van de klasse, tenslotte, moesten worden bereikt via pamfletten, brochures, mondelinge agitatie,… Dit schema van een revolutionaire pers werd pas realiteit op het moment dat de bolsjevieken een massapartij werden. Intussen werd het centraal orgaan gericht op de meer politiek ontwikkelde arbeiders, maar wel met een benadering die ingang kon vinden bij de bredere lagen.

Ook met Socialistisch Links proberen we vandaag – in het huidige stadium van ontwikkeling van LSP-MAS – een balans te vinden tussen “centraal orgaan” en “populaire krant”. Een balans tussen lokale thema’s en algemene politieke en theoretische artikels. Net zoals bij de bolsjevieken is het de bedoeling om het bewustzijn van zo breed mogelijke lagen op te tillen tot dat van de voorhoede van de klasse: een proces dat in actie, doorheen strijdbewegingen in een versnelling komt. Een “elitaire” of statische opvatting over de “voorhoede” – hem dikwijls aangewreven door burgerlijke commentatoren – was Lenin vreemd.

Naast een instrument voor propaganda en agitatie was het blad ook een “collectieve organisator” van de partij. Zeker in de condities van tsaristisch Rusland was het blad dikwijls een van de enige vormen van organisatie. Dit in tegenstelling tot de meer vrije omstandigheden in de “democratische landen”: “Publieke meetings, verkiezingsagitatie, openlijke agitatie in de vakbonden,… In Rusland hadden we om dit te vervangen nood aan een revolutionaire krant.” (Lenin)

Het centraal orgaan diende ook om de versnipperde marxistische cirkels – met hun voor de politierepressie kwetsbare, lokale bladen – politiek een te maken door de vestiging van een heus partijblad. Om het opdoeken van de krant te verhinderen werd de redactie in het buitenland gevestigd. De Iskra kon wel worden gedrukt in de grote industriële centra in Rusland zelf. Daar was de greep van de politie moeilijker uit te oefenen.

Het distributienetwerk van het blad was – in een situatie van illegaliteit – het “skelet van de partij”. Doorheen de “Rode Post” kon niet alleen de Iskra worden verspreid, maar konden ook ervaringen worden uitgewisseld door de militanten. Het legde vaste relaties vast tussen de steden. Lenin begon bij de oprichting van de sociaal-democratie met een tour langs de verschillende “cirkels” tegen de idee van zuiver lokale bladen. Dit ging immers in tegen de noodzakelijke politieke eenmaking in een partij en het uitwisselen op nationale basis van de ervaringen van de leden, om zo tot een gemeenschappelijk bediscussieerd en beslist programma te komen.

Tijdens het tweede congres van de Russische sociaal-democratie in 1903 – waar ook de statuten worden bediscussieerd – krijgt het blad een plaats in de partij, natuurlijk onderworpen aan het Nationaal Congres en het daarin verkozen Centraal Comité. Het punt was echter dat de redactie zich in het buitenland bevond: in de feiten bestond er dus een politieke autonomie. Lenin verdedigde uit noodzaak deze situatie van “2 centra” (redactie en Centraal Comité), omwille van de conditie van clandestiniteit. Gezien het belang van de redactie in zo’n situatie werd die ook verkozen op het tweede congres.

Het was over de samenstelling van de redactie van Iskra en de omschrijving van wie als partijlid kon gelden dat het meningsverschil tussen mensjevieken en bolsjevieken voor het eerst naar voor kwam. De mensjevieken stonden voor een veel lossere invulling, waarbij “iedere staker” lid zou moeten kunnen worden. Eigenlijk bedoelden ze meer iedere student of intellectueel met vage sympathie voor de arbeidersbeweging. Daartegenover stelde Lenin de noodzaak van actieve deelname aan de partij-activiteiten en politieke eenheid over een revolutionair programma.

Toen de leden van de Joodse Bund, die kost wat kost hun “autonomie” wilden verdedigen, het congres verlieten, had het standpunt van Lenin een meerderheid bij de stemming. De mensjevieken weigerden zich na het congres echter neer te leggen bij de genomen beslissingen. De mensjevistische leider Martov weigerde deel te nemen aan de redactie, waarin hij nochtans was verkozen met Lenin en Plekhanov.

Lenin bood de mensjevieken aan om de meningsverschillen in de partijpers naar voor te brengen, wat ze weigerden. Lenin verliet zelfs de redactie om toch maar de interne partijpolemiek te kunnen laten spelen. Plekhanov en Martov ridiculiseerden daarop in de nieuwe Iskra de beslissingen van het congres. Lenin richtte in januari 1905 het bolsjevistische fractieblad Vperiod op om de discussie ten volle te kunnen voeren. Tot zover de mythe dat Lenin een “dictator” was die met harde hand zijn mening wou opleggen, in de plaats van de leden van de partij politiek te overtuigen.

De meningsverschillen tussen mensjevieken en bolsjevieken waren uiteindelijk politiek, die tussen een opportunistisch aan de slippen hangen van de liberale burgerij, of een onafhankelijke politiek van de arbeidersklasse volgen. Pas in 1912 werd die breuk in de Russische sociaal-democratie definitief.

In 1912 lanceerden de bolsjevieken de Pravda. Dit gebeurde tegen de achtergrond van een opkomende arbeidersstrijd, als populaire arbeiderskrant. Pravda was een dagblad met een gemiddelde oplage van 40.000 exemplaren. Daarnaast werd er een meer theoretisch centraal orgaan gepubliceerd, in de vorm van de “Sociaal-Democraat”. Dat de Pravda – die regelmatig tegen de tsaristische repressie moest vechten – een arbeidersblad was, zag je ook aan de “collectes” in het blad. Het blad moest leven van de veelheid aan kleine giften van de arbeiders. Dit onderstreepte het klassekarakter van het blad. Het was belangrijk om die steun visueel weer te geven in de krant: de Pravda was het eigen blad van de arbeiders.

De oorlog in 1914 zou het verschijnen van de Pravda opbreken en de pers van de bolsjevieken herleiden tot een centraal orgaan. In 1917 zelf echter speelde de Pravda een belangrijke rol in de mobilisatie van de massa’s voor de revolutie. Zelfs in die mate dat haar lokalen in juli 1917 werden verwoest door leden van de Cadetten (de belangrijkste burgerlijke partij) en extreem-rechtse Kozakken.

In 1917 werden de “2 centra” opgeheven. Het centraal orgaan vindt zijn plaats in de rangen van de partij in Rusland. Lenin is ook niet meer exclusief eindredacteur. Het politieke zwaartepunt van de partij was verschoven naar de nationale congressen en het Centraal Comité.

Met de machtsovername van oktober 1917 geven de bolsjevieken de slogan “vrijheid van de pers” ook een reële inhoud. Die kan immers niet bestaan zolang de pers onderworpen is en gecontroleerd wordt door het kapitaal. Een echte vrijheid van de pers betekent nationalisatie van de drukkerijen en de stocks van papier, met een verdeling van deze middelen op basis van de steun die organisaties hebben in de maatschappij. Net als andere privébedrijven werden de burgerlijke kranten genationaliseerd en gingen ze over in de democratische handen van de sovjets, waarin de massa van de bevolking was georganiseerd.

Lenin benadrukte de rol van de media ook voor de geplande economie, in dienst van de opbouw van een arbeidersstaat. De pers moest een beeld geven van de successen – die elders tot voorbeeld konden strekken – maar vooral ook de tekortkomingen van de sovjeteconomie. Na de dood van Lenin werd de pers een instrument in handen van de nieuwe stalinistische elite. Ze begonnen een campagne van verdachtmakerij tegen Trotski en zijn ideeën over de “permanente revolutie”, die ze compleet misvormden. De “zwarte lijst” met mankementen uit de sovjeteconomie verdween uit de kolommen van de Pravda. Enkel lofzangen op de Grote Leider Stalin kwamen er nog in, naast in toenemende mate leugenachtige verslagen over alle aspecten van het economische en maatschappelijke leven. De openheid en publiciteit in verband met problemen was door Lenin nochtans een “school voor de arbeiderscontrole” genoemd. Er mocht van de bureaucratie onder Stalin enkel nog maar “positief” worden geschreven. In 1924 wordt de discussietribune in Pravda opgeheven. In 1929 wordt dit door Stalin bekroond met de oprichting van een commissie die voor de publicatie van kranten haar toestemming moest geven.

De echte traditie van een revolutionaire arbeiderspers werd verdergezet door de internationale Linkse Oppositie rond Trotski. Zo was het blad van de Amerikaanse trotskisten, Militant, bij zijn eerste verschijning een gevreesd wapen tegen de stalinistische partijen. De verkoop ervan moest soms zelfs fysiek worden afgedwongen, tegen verwoede pogingen van de stalinisten in om de echte tradities van het marxisme in de kiem te smoren. Dit voorbeeld toont aan wat het belang is van onze ideeën en onze pers, en hoe ze een wapen zijn in de strijd voor een andere, socialistische maatschappij.

Delen: Printen: