Ons programma

IDEOLOGIE

Veel mensen zullen over zichzelf beweren dat ze geen uitgesproken “ideologie” aanhangen. Meer zelfs: het is een beetje trendy geworden om te zeggen dat je “pragmatisch” bent. Sinds de val van het stalinisme, eind jaren 1980 en begin jaren ’90, beweren de heersende klasse en haar intellectuele medestanders dat het ideologische debat verleden tijd is. Enkel de “vrije markt” zou werken. Dit was letterlijk “het einde van de geschiedenis”, in een bekende formulering van de filosoof Francis Fukuyama. Waar we sindsdien, overigens, niet zoveel meer van vernomen hebben.

De reden waarom weinigen vandaag de slogan “einde van de geschiedenis” nog in de mond nemen, is duidelijk. De klassentegenstellingen namen in de jaren 1990 en 2000 enkel toe. De kloof tussen arm en rijk is immens. Steeds meer arbeiders en jongeren vallen uit de boot. Zoiets moet tot nieuwe vragen leiden en een zoektocht naar een samenhangend antwoord op het kapitalisme. Kortom: een andere “ideologie”, die in staat is om maatschappelijke ontwikkelingen beter te verklaren dan de oude. De heersende klassen hebben doorheen de geschiedenis altijd geprobeerd hun ideeën als “natuurlijk”, “eeuwig” en “vanzelfsprekend” voor te stellen. De burgerij wil daar via haar partijen, onderwijs, media, intellectuelen, enz. niet voor onderdoen. Enkele bekende dooddoeners uit het kapitalistische gamma:

– De maatschappij bestaat niet uit economische klassen, maar uit losse individuen.

Dat klopt niet. Het bestaan van een heersende klasse met privébezit van de machines, grondstoffen, enz. zorgt onvermijdelijk voor uitbuiting van de meerderheid van de bevolking en dodelijke competitie in de plaats van democratische economische planning. Overproductiecrisissen zijn onvermijdelijk binnen een dergelijk systeem.

– Herstructureringen en ontslagen zijn jammer, maar slechts een voorbijgaand fenomeen en noodzakelijk voor onze economie.

Niet juist. De werkloosheid is gegroeid van 70.753 begin jaren 1970 naar meer dan een miljoen RVA-afhankelijken vandaag. De uitstoot van arbeiders was enkel “noodzakelijk” om de winsten van de patroons op peil te houden. Niet voor het gezond houden van “de economie”, maar het gezond houden van de winsten van een kleine elite.

– Wie werkloos is of blijft, heeft dat aan zichzelf te danken. Het is een persoonlijk, geen maatschappelijk probleem.

Weer ernaast. Structurele werkloosheid, ondanks vele behoeften in de maatschappij die niet ingevuld geraken (goedkope kinderopvang, ontspanningsfaciliteiten, meer persoonlijk onderwijs, …), is een kwaal van de kapitalistische crisis van overproductie.

De “loonkosten” zijn slechts een zwakke uitvlucht van kapitalisten met een kort geheugen. In de jaren 1950 en vooral ’60 werd de sociale zekerheid uitgebouwd en stegen de reële lonen nog dikwijls. Maar dit was in een algemene periode van sterke kapitalistische groei. Sinds het neoliberale beleid, begin jaren 1980, daalden onze directe en indirecte lonen (pensioenen, uitkeringen, etc.) gevoelig in koopkracht en nog bazelen de bazen over de loonkost als “arbeidsuitstotend”. Het enige wat er “arbeidsuitstotend” is, is het kapitalistische systeem dat zij verdedigen.

– Rijkdom willen herverdelen is “afgunst” voor wie het wel gemaakt heeft in het leven. Iemands positie in de maatschappij komt overeen met zijn inzet en talenten.

Neen. Herverdeling is gewoon de onbetaalde arbeid terugvragen die de grote aandeelhouders zich, door niets anders dan couponnetjes in te vullen en te verhandelen, op hun luie krent hebben toegeëigend. Rijk worden doe je vandaag meestal door in de juiste familie geboren te worden. De “inzet en talenten” van de meeste arbeiders worden door het kapitalisme voortdurend miskend. Ze worden door eentonigheid, robotachtige routine, gebrek aan controle en inspraak, … amper tot bloei gebracht.

– Socialisme beantwoordt niet aan de menselijke natuur, want “de meeste mensen zijn egoïstisch”.

Ook dit is een misverstand. In de menselijke natuur zijn er zeker elementen van altruïsme, denk aan de relatie van ouders tegenover hun kinderen. Maar de strijd voor socialisme baseert zich niet op de idee dat “we het met minder zullen moeten doen”. Wel integendeel. Precies in het gevecht voor het materiële eigenbelang van de meerderheid van de bevolking ligt het fundament voor toekomstige massabewegingen.

– Revolutie is een chaotische staatsgreep van een kleine minderheid en zo was het ook in Oktober 1917 in Rusland.

Klinkt bekend, maar het zit er opnieuw ver naast. Revoluties vinden enkel plaats als de massa van de bevolking niet meer op de oude manier wil verder leven: als de werkende massa’s op het toneel van de geschiedenis verschijnen. We spreken over een georganiseerde en bewuste ingreep om het beheer van de maatschappij in handen te nemen. De revolutie van Oktober 1917 werd gedragen door de meerderheid van de arbeiders en arme boeren, georganiseerd in democratisch verkozen sovjets of raden.

– Een geplande economie is niet realistisch, want wie zal er nog willen werken?

Zie de stelling over de “egoïstische menselijke natuur”. Het bevredigende van de arbeid zal liggen in het feit dat de werkende massa’s hun productie zelf zullen controleren. Op een democratische manier. Dit zou een enorme materiële en sociale stimulans betekenen. De levensstandaard zou opnieuw kunnen stijgen over heel de planeet, met gigantische mogelijkheden voor nieuwe technologie en wetenschap en rekening houdend met de milieubehoeften. Enkel op basis van democratische economische planning kan rekening worden gehouden met milieuvriendelijke productie.

Het werkelijke algemeen belang zou door discussie in verkozen arbeidersraden of -comités vooropstaan, niet de winst ten koste van alles van een kleine elite. Technologie die nu door de overproductiecrisis voor meer werkloosheid zorgt, zou onder een socialistische planeconomie de vrije tijd en menselijke vrijheid enorm kunnen uitbreiden.

De kapitalistische ideeën worden ons via duizend kanalen dagelijks ingelepeld. Het socialistische antwoord krijgt vanzelfsprekend minder een platform. Een ander voorbeeld: de manier waarop de burgerlijke pers over stakingen bericht. Het gaat bijna altijd over de overlast van een staking. Waarom wordt er nooit gezegd dat zonder stakingen, algemene stakingen en betogingen van de arbeiders het algemeen stemrecht en de sociale zekerheid nooit hadden bestaan? Is dat geen “feit” misschien? Of passen dit soort feiten niet in de heersende ideologie?

Worden de arbeiders vandaag niet meer uitgebuit zoals in de 19e eeuw? Worden de meesten onder ons beter van het kapitalisme, met enkel wat tijdelijke problemen in de marge? De propagandamachine van de burgerij draait zo goed dat sommigen het uiteindelijk, hoewel alle statistieken het tegenspreken, nog zouden geloven ook.

Sommigen denken misschien dat de zogenaamde Vierde Wereld altijd al heeft bestaan en op termijn misschien wel zal verdwijnen. In werkelijkheid is de notie Vierde Wereld een begrip dat pas in het midden van de jaren ‘80, met de besparingen in de sociale voorzieningen, opkwam en sindsdien steeds meer mensen treft. Zelfs wie werk heeft, is sedert een aantal jaar niet meer zeker dat hij of zij aan armoede zal ontsnappen.

Zijn er geen ideologieën meer? Men beweert vandaag nogal gemakkelijk dat er in de 19e eeuw, ten tijde van Marx, nog grote ideologische tegenstellingen waren, maar dat die vandaag verdwenen zijn. De reden hiervoor zou zijn dat de arbeidersklasse, die in de tijd van Marx nog wel bestond, vandaag niet meer zou bestaan. Het klinkt allemaal bekend… maar er is niets van aan.

In de 19e eeuw was de arbeidersklasse nog een kleine minderheid, grotendeels ongeorganiseerd. Politiek leunde ze aan bij de liberale partij, van een arbeiderspartij was nog geen sprake. Die ontstonden pas aan het einde van de 19e eeuw. Een van de belangrijkste taken van Marx bestond er juist in de arbeidersklasse een eigen, samenhangende ideologie te verschaffen en arbeidersorganisaties te creëren die onafhankelijk waren van de burgerij. Marx sprak van de noodzaak om van de arbeidersklasse “op zich” een klasse “voor zich” te maken.

Vandaag is de arbeidersklasse de overgrote meerderheid van de bevolking. Ze is zeer goed opgeleid en georganiseerd in vakbonden. Ze heeft een zekere graad van politieke onafhankelijkheid en in tegenstelling tot de 19e eeuw heeft ze algemeen stemrecht, persvrijheid, stakingsrecht, enz. Het klopt dat de burgerij deze rechten probeert aan te vallen. Vanzelfsprekend doen de bazen er alles aan om onze potentiële sterkte te ondermijnen, van het opsplitsen van bedrijven (denk aan de opsplitsing van het Antwerpse Bayer in Bayer/Lanxess) tot het werken met onderaanneming, enz.

In dit licht moeten we ook de recente aanvallen op het stakingsrecht zien. De patroons willen de potentiële macht van de arbeiders aan banden leggen, voor die zich te duidelijk kan beginnen tonen. In Frankrijk liet Sarkozy een wet stemmen waarbij stakers bij het openbaar vervoer zich 48 uur voor een actie moeten “aangeven” bij de directie. Zo willen ze de effecten van de staking op voorhand kunnen inschatten en staat de deur open voor intimidatie van stakers. Indien “succesvol”, zullen de politici en patroons niet nalaten om dit voorbeeld uit te breiden naar andere sectoren.

In België wordt, net als in Frankrijk, de discussie gevoerd over “minimumdiensten”. Waar dient een staking nog toe, als de vervanging al klaar staat? De nationale vakbondsleidingen van ABVV en ACV boden hier amper een antwoord op. In sommige gevallen dachten ze zelfs mee met de rechterzijde over de invoering van “minimumdiensten”. Zo erg zit de schrik voor nieuwe spontane stakingsacties, en mogelijk meer algemene bewegingen, er blijkbaar in. Trotski stelde al dat als de vakbondsleiders het huidige systeem niet zouden verwerpen, ze steeds meer in de kapitalistische staat geïntegreerd zouden raken.

De vakbondsleiders dragen ook geen lichte verantwoordelijkheid in het gebrek aan perspectief van een hele generatie, door het kapitalisme “verloren” geachte, migrantenjeugd. Vandaag zien we in veel grote Europese steden de opkomst van gettowijken, waar geen politicus nog naar omkijkt. Tot welk soort vervreemding dit kan leiden, zagen we in de gewelddadige uitbarstingen in Frankrijk in de banlieues. Auto’s en bedrijven die in brand vliegen. Het aanvallen van bussen waarin gewone arbeiders zitten, evengoed het slachtoffer van de neoliberale politiek als de jongeren… De aanvallen van groepen migrantenjongeren op hun betogende leeftijdgenoten tijdens de beweging tegen de CPE-jongerencontracten. Dit omdat zij nog tot de “rijken” zouden behoren. Het zijn allemaal tekenen van een zieke, uiteenvallende maatschappij. Nieuwe arbeiderspartijen en de vakbonden zouden het voor alle lagen van onze klasse moeten opnemen, zeker de meest onderdrukte. Dit niet doen, opent de deur voor radicale islamisten en, onder de blanke jeugd, de invloed van extreemrechts.

Er liggen wel degelijk nog grote ideologische debatten in het verschiet. Niet de arbeidersklasse, noch de uitbuiting is verdwenen, en daarmee ook de nood aan een eigen ideologisch fundament niet. Wat verdwenen is, is de ideologie van de sociaaldemocratische “hervormers” en de stalinistische leiders.

Die zijn na de val van de stalinistische regimes in sneltreinvaart overgelopen naar het kamp van de vrije markt. Soms met sociale correcties, maar meestal zonder. Brits ex-premier Tony Blair beweert dat de Labour Party nooit had mogen breken met de liberalen. Eigenlijk wil Blair terug naar de periode van voor Marx.

Het spreekt uiteraard voor zich wie belang heeft bij de bewering dat enkel de kapitalistische ideologie overblijft. Dat betekent immers dat alles bij het oude mag blijven. “Geen ideologie” of neoliberaal “pragmatisme” zijn met andere woorden niets anders dan vormen van de burgerlijke ideologie. Ze heeft ons liberalisering, privatisering, dalende koopkracht en groeiende flexibiliteit opgeleverd.

Dat vanuit Venezuela en Latijns Amerika de discussie over het “socialisme in de 21e eeuw” wordt gelanceerd, komt de kapitalistische klasse vanzelfsprekend niet goed uit. Wij denken dat dit een voorafspiegeling is van het soort discussies die de komende jaren ook in Europa en de ontwikkelde landen zullen ontstaan. Zeker nu een nieuwe economische crisis losgebroken is die de grootste crisis ooit dreigt te worden en wanneer de trend van nieuwe arbeiderspartijen zich doorzet.

Chavez nam, mede door de hoge olie-inkomsten, een aantal positieve maatregelen voor de arme bevolking, die we vanzelfsprekend ondersteunen (speciale supermarkten voor de armen, campagnes voor alfabetisering, betere gezondheidszorg met de hulp van Cubaanse dokters, …). Maar spijtig genoeg blijft Chavez onduidelijk over een echte breuk met het kapitalisme. Er is nog lang niet zoveel genationaliseerd als in Nicaragua in de jaren 1980, waar de film van de revolutie ook werd teruggedraaid. Naarmate de olie-inkomsten verminderen door de economische crisis, zal dat de ruimte van Chavez voor sociale maatregelen sterk beperken. De steun voor het regime kan door de rechterzijde en het imperialisme opnieuw worden ondermijnd. Bovendien wordt de ontwikkeling van onafhankelijke klassenorganen (verkozen strijdcomités, partijen, enz.) door de “top down”-benadering van het regime afgeremd.

De verwijzingen van Chavez naar “socialisme” weerspiegelen een druk van onderuit. Het drukt het verlangen van de massa van de bevolking uit om de ellende en miserie van het kapitalisme achter zich te laten, en te bouwen aan een nieuwe maatschappij.

IDEOLOGIE EN PROGRAMMA

Onder een programma verstaat men dikwijls, gemakshalve, een eisenplatform. Maar eigenlijk is een programma veel meer dan dat. Het eisenplatform is slechts het topje van de ijsberg: de concrete toepassing van een programma onder specifieke omstandigheden.

Het is bijvoorbeeld perfect mogelijk dat je het integraal eens bent met het eisenplatform van Open VLD vandaag, zonder dat je daarom het historisch verloop, de diverse antwoorden die de liberalen doorheen de geschiedenis hebben verschaft, onderschrijft. Om echt een liberaal te zijn, moet je niet alleen het concrete eisenplatform onderschrijven, maar ook hoe men daartoe gekomen is.

Dit wil zeggen een coherent, historisch bepaald, ideologisch kader, een analyse van de situatie vandaag, een algemene oriëntatie, een strategie en een tactiek. Heb je dat niet verwerkt, zou het best kunnen dat je het vandaag eens bent met Open VLD om het morgen – als de concrete condities wijzigen – opnieuw oneens te zijn. Of omgekeerd: dat je het zoals Jean-Marie Dedecker wel eens bent met het liberale historische kader, de liberale ideologie, maar daaraan een verschillend eisenplatform verbindt.

In een partij die de heersende ideologie, de ideologie van de burgerij onderschrijft, speelt dat uiteraard niet zo’n belangrijke rol. In een revolutie of in grote bewegingen kunnen dergelijke verschillen echter rampzalige gevolgen hebben.

Daarom kan je een programma in marxistische zin, meer nog dan in bovenstaand geval, niet beperken tot een eisenplatform. Het Communistisch Manifest, het door Marx en Engels geschreven ontwerpprogramma van de “Bond der Communisten”, is in de eerste plaats een historische analyse van de ontwikkeling van het kapitalisme, een vooruitzicht over hoe dat verder zal ontwikkelen, een algemene oriëntatie op de arbeidersbeweging en een discussie over strategie en tactiek met andere socialistische stromingen. Welgeteld één van de in totaal 80 à 100 bladzijden, afhankelijk van de editie, bevat een eisenplatform van 10 punten.

De Aprilstellingen van Lenin, het programmadocument van de bolsjewieken voor de Oktoberrevolutie, of het Overgangsprogramma van Trotski in 1938 geven eenzelfde beeld. Met andere woorden: marxist ben je niet omdat je het toevallig eens bent met enkele of zelfs alle eisen uit het eisenplatform, maar op basis van je inschatting – historisch en vandaag – van het verloop van de klassenstrijd en de grote, algemene taken die voor ons staan.

LSP en het Committee for a Workers’ International baseren zich voor hun programma op de werken van Marx, Engels, Lenin en Trotski; de teksten van de vier eerste congressen van de Derde Internationale, het stichtingscongres van de Vierde Internationale en de teksten van het CWI (°1974) en haar voorgangers vanaf de Tweede Wereldoorlog. Dat is uiteraard een hele boterham. Bovendien wil dat evenmin zeggen dat wij iedere letter hiervan onderschrijven. We gebruiken deze documenten als referentie, in de eerste plaats als methode van analyseren en als leidraad voor onze oriëntaties en praktische taken.

OVERGANGSPROGRAMMA

Uiteraard begrijpen wij dat niet iedere arbeider of jongere het vandaag 100% eens zal zijn met ons volledige programma. Daarom ontwikkelde Trotski het idee van een overgangsprogramma. Hij bedoelde daarmee een programma dat, vertrekkend van wat nodig is vandaag voor de arbeiders en hun gezinnen, de nood stelt van een socialistische omvorming van de maatschappij.

Trotski wees erop dat het er niet op aankomt een programma uit te werken of eisen te stellen voor een beter of humaner beheer van het kapitalisme, maar oplossingen te bieden voor de noden van de arbeiders en hun gezinnen. Trotski wou aantonen dat het kapitalisme nooit in staat zou zijn deze noden te lenigen. Enkel een socialistische omvorming van de maatschappij kan een blijvende oplossing bieden.

Eigenlijk deed hij niets anders dan een concept dat Marx eerder had toegepast in het “Communistisch Manifest” en Lenin in “Tweeërlei Tactiek” en de “Aprilstellingen” in een meer duidelijke vorm gieten. Lenin lanceerde de slogan “land, brood en vrede” om tot de conclusie te komen dat de Voorlopige Regering dat nooit zou toestaan. Via deze weg kwam hij tot de slogan “Alle macht aan de raden (sovjets)”.

LSP spreekt vandaag over “de nood aan een maatschappij waarin de productie gericht is op de noden van de bevolking, niet op de winsten van een handvol kapitalisten” om tot de conclusie te komen dat dit enkel kan door een socialistische omvorming van de maatschappij.

Onderstaand programma van LSP is eigenlijk niets anders dan een actuele toepassing van dit overgangsprogramma. Het moet gelezen worden in samenhang met bovenstaande opmerkingen over ideologie en programma.

HET OVERGANGSPROGRAMMA VANDAAG

De arbeidersklasse gaat er binnen dit kapitalistische systeem steeds meer op achteruit. De “kathedraal” van de sociale zekerheid en andere verworvenheden liggen al decennia onder spervuur van de patroons en hun politici. Dit is geen onvermijdelijk economisch proces. Het verleden leert ons dat als arbeiders zich organiseren, in vakbonden en arbeiderspartijen, het tij kan keren.

Van een defensieve strijd voor onze belangen – bedrijf per bedrijf of sector per sector – moeten we terug met zijn allen in het offensief gaan en de rijkdom heropeisen die we zelf hebben gecreëerd. Om fatsoenlijke, goed betaalde en stabiele jobs te creëren; de uitkeringen en pensioenen eindelijk fundamenteel in koopkracht te verhogen; een massaal programma van sociale woningbouw op te starten en de woningprijzen een sociaal plafond op te leggen; geliberaliseerde en geprivatiseerde diensten te hernationaliseren onder democratische controle van de bevolking; het onderwijs te herfinancieren; de gezinstaken die nu nog dikwijls op de schouders van de vrouw vallen op maatschappelijk niveau te organiseren;… Kortom, om de behoeften van de meerderheid echt voorop te stellen, in de plaats van de winstzucht van een minderheid van grote aandeelhouders en bazen. Allemaal samen, jong en oud, Vlaming, Waal, Brusselaar en Duitstalige, Belg en migrant, man en vrouw, … staan we sterker.

1. Technologie: vriend of vijand?

De situatie is enorm schrijnend als we nagaan dat de technische en wetenschappelijke mogelijkheden nog nooit zo groot zijn geweest.

Op amper vijf uur vliegen we naar Amerika. Computers zorgen ervoor dat het werk van honderdduizenden bedienden en arbeiders door veel minder mensen kan worden gedaan. Internet, e-mail en gsm vergemakkelijken de communicatie voor diegenen die er toegang toe hebben, en creëren voor veel arbeiders en jongeren het gevoel van een meer internationale gemeenschap. De geneeskunde lost zaken op waar we vroeger alleen van konden dromen.

Maar de zucht naar winst speelt een nefaste rol. De overheidstoelagen voor wetenschappelijk onderzoek worden drastisch verminderd. Enkel onderzoek dat direct door bedrijven kan worden gebruikt, dat direct winst oplevert, wordt nog gesubsidieerd. De bedrijven beweren dat zij het onderzoek wel zullen betalen, in werkelijkheid trekken ze het af van hun belastingen.

De enigen die hier voordeel uit halen, zijn de patroons. De onderzoekscentra verliezen hiermee al hun onafhankelijkheid. Bovendien leidt dit tot concurrentie tussen de verschillende centra om toch maar aan geld te geraken. De wetenschappers worden van elkaar geïsoleerd. Ze kunnen niet met elkaar overleggen, noch ervaringen uitwisselen, waardoor nog eens heel wat energie, tijd en geld verloren gaan.

Als er dan al algemeen nuttig onderzoek wordt gedaan en een oplossing wordt gevonden – denk maar aan de verschillende behandelingen voor hartkwalen – dan nog is het resultaat voor veel mensen niet toegankelijk omwille van de prijs.

Dit terwijl de problemen waarvoor dringend een oplossing nodig is, zich blijven opstapelen. Denken we maar aan AIDS, natuurrampen die miljoenen mensen het leven kosten, kankerbestrijding, afvalproductie en milieuvervuiling, hongersnood in grote delen van de wereld,…

Neem nu de hongersnood. Een logische conclusie zou zijn: er is een ernstig tekort aan voedsel, dus moet er meer geproduceerd worden. Ondertussen draaien bedrijven echter maar op halve kracht omwille van “overproductie”. Voedsel wordt massaal vernietigd om de prijs op peil te houden.

De meeste wetenschappers zijn het erover eens dat een klimaatopwarming nefaste gevolgen zal hebben voor grote delen van de wereld als we er nu niets aan beginnen te doen. Volgens de honderden experts op de klimaattop van de Verenigde Naties in Brussel (april 2007) zullen Antarctica, de sub-Sahara, kleine eilanden en de Aziatische megadelta’s het meest te lijden hebben onder de klimaatverandering. Dan spreken we over overstromingen, zware stormen en aardverschuivingen die veel frequenter zullen voorkomen. De armere delen van de wereldbevolking zullen door deze “natuurrampen” het hardst worden geraakt. Maar ook tal van dier- en plantensoorten worden door de opwarming van de aarde bedreigd.

Met een geplande economie op wereldvlak, onder de democratische controle van de bevolking, zou je onmiddellijk maatregelen kunnen beginnen nemen om de “ecologische voetafdruk” van de mens te verminderen, onder meer door een massale overschakeling naar degelijk en gratis openbaar vervoer. Maar ook door massale investeringen in het onderzoek naar alternatieve energiebronnen. Nu hebben we dikwijls gewoon geen zicht op het potentieel van alternatieven omdat de invloedrijke lobby’s van de olie- of auto-industrie er een stokje tussen proberen te steken.

De sleutelkwestie is: wetenschap en technologie staan in dienst van de multinationals. Ook de burgerlijke regeringen wereldwijd kunnen op het vlak van milieu niet – of enkel halfslachtig als het al veel te laat is – de noodzakelijke maatregelen nemen. Hun beleid is gericht op de bevrediging van de winsthonger en niet de behoeften van mens en milieu. Wij moeten de democratische controle over de wetenschap opeisen, in naam van de wetenschappers zelf en de gehele bevolking. Zolang grote banken, multinationals, … het alleenrecht hebben op mogelijke oplossingen staan we volslagen machteloos. Niet de ontwikkeling van technologie en wetenschap op zich, maar de controle van bovenstaande groepen werkt in ons nadeel. In dienst van de bevolking kunnen wetenschap en techniek de levens van miljoenen mensen redden en zelfs kwalitatief verbeteren.

2.Voor degelijke, goed betaalde en stabiele jobs

  • HERSTEL VAN ONZE KOOPKRACHT!
  • STOP DE FLEXIBILISERING!
  • VERMINDER DE WERKDRUK DOOR
  • ARBEIDSHERVERDELING! 32-URENWEEK ZONDER LOONVERLIES, MET EVENREDIGE AANWERVINGEN!

De woorden van de regering staan soms in schril contrast met de praktijk. In grote delen van Wallonië en Brussel heerst massale en structurele werkloosheid. In juni 2007 lag de werkloosheid in het Waalse Gewest op 14,4% (uitkeringsgerechtigde volledig werklozen en schoolverlaters). Bijna de helft daarvan was langer dan twee jaar werkloos. In het Brussels Gewest bedroeg het aantal officiële werklozen in diezelfde periode 19,9%. Hele generaties worden er door de “vrije markt” van werk uitgesloten!

In Vlaanderen wordt de indruk gewekt dat de werkloosheid in de loop van 2006-‘07 sterk is gedaald en dat er zelfs tekorten heersen (de “knelpuntberoepen”). Veel van die beroepen zijn echter flexibel (schoonmaak, bouw) en worden niet altijd fatsoenlijk beloond voor die extra inspanning. Wat willen de patroons dan? Mensen die zich voor een appel en een ei extra laten uitbuiten? De zogenaamde tekorten worden als argument gebruikt om selectief goedkope arbeiders naar België te halen. Maar dan wel met minder of – in het geval van illegalen of zwartwerkers – geen sociale rechten. LSP is voor gelijke rechten voor alle arbeiders. Enkel op deze manier kunnen we de druk op onze lonen van het patronale “verdeel en heers” tegengaan. Alles wat ons verdeelt, verzwakt ons!

Feit blijft dat er nationaal meer dan een miljoen mensen deels of volledig afhankelijk zijn van een RVA-uitkering. Dit niveau blijft een historisch record. Begin jaren ’70 lag de officiële werkloosheid rond de 70 à 80.000. In 1985 waren er al 505.944 werklozen. Dat kwam overeen met een groei van 1,9% naar 12,3% van de actieve bevolking.

Sinds het midden van de jaren ’80 werden de oudere werklozen (+ 50 jaar) niet meer in de statistieken meegeteld. Dat was al langer het geval voor bruggepensioneerden en, vanaf 1986, voor mensen in loopbaanonderbreking. Vandaag zijn dit belangrijke groepen, van alles samen honderdduizenden mensen, die volledig of gedeeltelijk een RVA-uitkering ontvangen maar buiten de statistieken vallen.

Ook deeltijdse en tijdelijke werkloosheid – voor mensen die wel een arbeidsovereenkomst hebben, maar om een of andere reden niet kunnen werken – worden niet meegeteld. Dit geldt ook voor de mensen die “geactiveerd” werden, waarbij de uitkering wordt gebruikt als loonsubsidie! Dank u, zeggen de patroons.

Sinds juli 2004 worden, op basis van het activeringsbeleid van oudere werklozen, mensen tussen de 50 en 58 jaar wel opnieuw ingeschreven als werkzoekende, tenzij ze een loopbaan kunnen voorleggen die volgens de regering lang genoeg duurde. De regering dwingt de arbeiders via het Generatiepact om langer te gaan werken. Maar als ze op latere leeftijd ontslagen worden, leert de ervaring dat weinig werkgevers 50-plussers nog een kans willen bieden!

In september 2007 lag de officiële werkloosheid in Vlaanderen volgens de VDAB op 6,43%. Daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat Vlaanderen meer mensen in loopbaanonderbreking of bruggepensioneerden kent dan Wallonië en Brussel. Bovendien begint het activerings- en schorsingsbeleid zijn zure “vruchten af te werpen”. In de afgelopen jaren werd de werkloosheidsuitkering van tienduizenden mensen geschorst.

In Oostende, het model van de “activering”, werden jongeren massaal in zogenaamde “jobhuntingsessies” gestoken om collectief te leren solliciteren. Het ging hier zelfs niet om beroepsopleidingen, laat staan dat er een garantie op werk was achteraf. Zo werden de statistieken wel mooi opgesmukt. Ook het onzekere en extreem flexibele systeem van de dienstencheques kende een steeds hogere vlucht. In juli 2007 stond het aantal gebruikte dienstencheques op een recordniveau van 4,38 miljoen. Vooral in Vlaanderen (66,2%, eerste helft van 2007) heeft de dienstencheque een snelle uitbreiding gekend. In Brussel (5,9%) en Wallonië (27,8%) gebeurde dat trager.

Het invoeren van meer en meer 10%-, 20%- of 30%-jobs laat natuurlijk heel wat gegoochel met de statistieken toe. Als je met dienstencheques slechts 3 à 4 uur per week ergens gaat strijken of schoonmaken, schrapt de regering je al uit de officiële cijfers voor de werkloosheid. Dit soort “jobs” wordt zwaar door de overheid gesubsidieerd en het systeem dreigt stilaan onbetaalbaar te worden. De flexibele, deeltijdse of interimcontracten ondermijnen ondertussen steeds meer de positie van de arbeiders die nog wel vast werk hebben.

Zij die pleiten voor een beperking van de uitkering in de tijd, om werklozen sneller naar het OCMW te duwen, leven op Mars of lappen de sociale gevolgen aan hun laars. Als het werkelijk zo is dat mensen liever “kiezen” voor een uitkering dan te werken omdat het verschil tussen beide inkomens te klein is, dan moeten we het probleem eerder zoeken bij de lage lonen dan bij de zogenaamd “hoge” uitkeringen.

Interim-bureaus hebben in het nabije verleden een spectaculaire groei gekend, die nu door de ontwikkeling van de crisis echter wordt afgeblokt. Dat interim-werk een grote aantrekkingskracht heeft op de bedrijven is nogal logisch. Een bedrijf hoeft zo de verantwoordelijkheid van een vaste werknemer niet meer te nemen. Het richt zich tot het interim-bureau dat arbeiders levert, soms zelfs aan dagcontracten! Heb je ze niet meer nodig? Geef ze hun ontslag zonder voor de gevolgen in te staan. Sommige interimmers werken al langer dan drie jaar voor dezelfde baas, leveren de baas al hun ervaring, maar werkzekerheid krijgen ze er niet voor terug, noch een behoorlijk loon.

De Verenigde Staten worden op het gebied van bestrijding van de werkloosheid vaak als voorbeeld aangehaald. De werkloosheidsgraad zou daar zeer laag liggen (tussen de 4 en 5%). Wat er niet bij wordt verteld, is dat de meeste mensen na het volbrengen van hun ene job, er nog een tweede job moeten bijnemen om de eindjes aan elkaar te knopen. Wat als “model” wordt voorgesteld, is een sociaal slagveld. Toch zien we nu al dat onze arbeidsmarkt, door de groei van deeltijdse arbeid en dienstencheques, meer naar het Amerikaanse systeem evolueert.

Een argument dat maar al te vaak wordt aangehaald, is het gebrek aan scholing. Wat een hypocrisie! Enerzijds verwacht het bedrijfsleven dat schoolverlaters klaargestoomd zijn voor die ene specifieke job in het bedrijf. Het subsidiëren van scholen door deze bedrijven om te kunnen beschikken over deze opgeleide jongeren is al lang geen uitzondering meer, maar eenmaal deze “specifiek geschoolde” jongere niet meer nodig is, wordt hij op straat gezet.

Anderzijds eisen de patroons dat er zwaar gesaneerd wordt in het onderwijs. De redenering is hier weer dezelfde: scholen dienen om gevormde arbeiderskracht te leveren, en waarom nog breed vormen als het toch maar is om precaire jobs uit te oefenen, of in de werklozenrij te gaan staan? De eis van de arbeidersbeweging dat onderwijs ook algemeen vormend moet zijn, is een luxe die alleen nog voor burgerzoontjes is weggelegd. Dit is het cynische gedachtegoed achter de zovele cijfers en pleidooien van onze heren bedrijfsleiders en hun organisaties.

De crisis van het kapitalisme leidt tot steeds meer werkloosheid en laag betaalde nepjobs. De ironie van de zaak is dat dit de positie van de kapitalisten juist versterkt, omdat ze de arbeiders kunnen afdreigen met het argument dat ze – als ze dit of dat niet aanvaarden – wel iemand anders zullen vinden om het werk in hun plaats te doen.

LSP is voor een volledig herstel van de index en een minimumloon van 1500 euro netto; kant zich faliekant tegen de afbraak van de sociale zekerheid en de uitholling van het arbeidscontract. Wij verzetten ons tevens tegen iedere bedrijfssluiting omdat dit onder het kapitalisme tot niets anders leidt dan werkloosheid en armoede. De enige maatregel die de massale werkloosheid kan beginnen oplossen, is de onmiddellijke invoering van de 32-urenweek, zonder loonsverlies en met evenredige aanwervingen.

3. Stop de liberalisering en privatisering – Voor een hernationalisatie van de openbare diensten onder democratische controle van de bevolking

In de jaren ’90, na de val van het Oostblok, werd de idee verspreid dat “enkel de vrije markt werkt”. Zowel de sociaaldemocratie als de vakbondsleiders gingen mee in dit fabeltje. Ze weigerden nog langer weerstand te bieden tegen het burgerlijke ideologische offensief. Met de Europese eenmaking als excuus werden onze openbare diensten één voor één aangepakt. Ze werden geliberaliseerd en klaargestoomd voor private concurrentie. Gezien de tragere groei in veel andere sectoren – een gevolg van de overproductiecrisis – zocht het kapitaal naar nieuwe terreinen om winst te maken.

Vandaag beginnen veel arbeiders de gevolgen van deze politiek te zien – of in hun portefeuille te voelen! Denk maar aan de prijsstijgingen voor elektriciteit in België. Test Aankoop berekende dat de prijs voor een kilowattuur (kWh) bij Electrabel tussen januari 2005 en december 2006 al met 50% was gestegen.

Vlak na de verkiezingen van juni 2007 kondigde Electrabel aan dat het zijn prijzen nog eens met 13% tot 20% zou verhogen! Na een storm van protest leek het bedrijf even in te binden. Maar wat bleek? De CREG, Commissie voor de Regulering van Elektriciteit en Gas, publiceerde nadien de resultaten van haar studie over de prijsverhogingen voor gas en elektriciteit. De Commissie bevestigde dat er voor particulieren een stijging met 17% zit aan te komen in 2008. Een gemiddeld gezin zal hierdoor tot 172 euro per jaar extra betalen voor energieverbruik.

En dit terwijl, volgens de Vlaamse controle-instantie VREG, het aantal gezinnen dat niet in staat was om de energiefactuur te betalen in 2006 toenam tot 91.600: een stijging met 50% tegenover een jaar voordien! Het aantal “wanbetalers” steeg in dit Vlaamse voorbeeld ook naar een recordniveau in 2006. Reeds 4,5% van alle huishoudens zijn in Vlaanderen afhankelijk van het sociaal tarief voor elektriciteit. De VREG stelt over deze schandalige uitverkoop van een basisbehoefte: “Klanten zijn pas interessant voor de leveranciers als ze iets opbrengen. Wanbetalers worden dus vlugger aan de deur gezet door hun leveranciers.”

Op de gasmarkt zag je dat Electrabel bij het begin van de liberalisering haar prijzen even drukte om zoveel mogelijk klanten aan zich te binden. Eens de markt verdeeld tussen een aantal spelers, werden de prijzen echter fors opgetrokken om de winsten van big business te spijzen. Dit is natuurlijk de evolutie die je kunt verwachten voor elke vorm van liberalisering en privatisering van een openbare dienst.

LSP stelt zich de vraag waarom de gemeenschap geen controle heeft over de energiemarkt. Waarom is winst een centraal gegeven als het over ons energieverbruik gaat? We eisen ook een afschaffing van de 21% BTW die wordt betaald op energie, een basisbehoefte voor elk individu en elk gezin. LSP is voor een bevriezing van de energieprijzen als eerste maatregel in het onder democratische controle plaatsen van de volledige energiesector. Enkel op deze manier kan ten volle rekening worden gehouden met de behoeften van de arbeiders en hun gezinnen en vanzelfsprekend ook met de ecologische behoeften.

Liberalisering en privatisering betekenen altijd een sociaal slagveld voor het aantal jobs en de werkcondities. Bij De Post werden er 9000 van de 35.000 jobs weggesaneerd. Dat staat gelijk met twee grote autofabrieken die hun deuren sluiten. De resterende Postarbeiders kregen het Georoutesysteem in de nek geduwd. Met minder personeel moet een steeds hogere werkdruk worden getorst. Dit leidde in de afgelopen jaren tot een golf van spontane stakingen in tal van postkantoren over het hele land. Voor wanneer een eengemaakte beweging om heel Georoute weg te krijgen en de stappen naar liberalisering te stoppen?

Bij Belgacom werkten er begin jaren ’90 nog 26.500 mensen, begin 2007 was dat aantal gezakt naar 15.000. Daar moeten er volgens de directie nog eens 1500 af. Sociale drama’s en minder jobs voor de werkende klasse, meer winst voor de patroons. Daar tegenover staat dat bij Belgacom in 2006 voor maar liefst 6,1 miljard euro winst werd gemaakt. Topmanager Didier Bellens kreeg 1,85 miljoen euro salaris, verdiende daarnaast 480.000 euro aan dividenden op zijn aandelen en verkocht voor 6 miljoen euro aan aandelen. De voormalige “openbare diensten” als jackpot voor de kapitalisten! Maar nee, de liberalen, christen- en sociaaldemocraten vinden niet dat dit soort profitariaat moet worden aangepakt. Het zijn de werklozen die de “profiteurs” zijn en die je moet schorsen of hun uitkering in de tijd beperken.

Bij het Spoor werd het goederenvervoer al geliberaliseerd, het reizigersvervoer wordt erop voorbereid. Gaan we dan naar Britse toestanden? Niet toevallig zorgden verschillende ongelukken en andere ellende met de geprivatiseerde spoorwegen er voor een kentering bij de publieke opinie. Vandaag vindt de eis voor een hernationalisatie meer en meer weerklank in Groot-Brittannië, een serieuze verandering in vergelijking met de jaren 1990.

Ook in Latijns Amerika zorgden de ravages van de privatiseringspolitiek voor een verandering in het bewustzijn. Vandaag staan “linkse regeringen” in Bolivië, met Morales, en Venezuela met Chavez onder druk om de bodemrijkdommen te nationaliseren. De plundering en het leegzuigen door de multinationals worden steeds minder gepikt door de massa’s. Zoals Engels, de compagnon van Marx, stelde zijn nationaliseringen “elementen van socialisme” die zich opdringen aan de oude maatschappij in crisis. Ze tonen het bankroet van het kapitalisme en de “vrije markt” aan.

Terwijl de neoliberale regeringen de sociale afbraak organiseren, blijft het aantal mensen dat nood heeft aan goede openbare dienstverlening gedurig stijgen. Werkende ouders, bijvoorbeeld, hebben een waar probleem wat kinderopvang betreft. Zij zouden zeer blij zijn met een door de staat georganiseerde, degelijke kinderopvang.

Dan zijn er nog de honderdduizenden arbeiders en bedienden die iedere dag naar het werk trekken met het openbaar vervoer. Kan er iemand ons vertellen waarom trein, tram en bus steeds duurder worden gemaakt? Wat is hier de logica achter? Is het niet schandalig dat je vandaag 2 euro bij de Brusselse STIB moet betalen voor een busrit, als je je ticket niet op voorhand in de kiosk hebt gekocht? Denkt men zo het fileprobleem op te lossen? Een regering in dienst van de bevolking zou openbaar vervoer gratis maken om het fileprobleem te kunnen aanpakken. In de transportsector zouden er strengere regels moeten komen om te verhinderen dat de werkdruk – eigenlijk winstzucht – vermoeide chauffeurs de baan opjaagt.

De afbraak van de gezondheidszorg is een feit en leidt soms tot drama’s. Volgens de Wereld Gezondheidsorganisatie moeten de Belgen nu al 33% van hun eigen medische kosten betalen, de OESO schat dat percentage op 28% (Knack 10/10/07). Onderfinanciering van de ziekenhuizen wordt een excuus voor artsen om “gepersonaliseerde” raadplegingen te beginnen organiseren, waarbij degene die meer betaalt ook sneller aan bod komt. Artsen worden ook vergoed volgens hun prestaties, wat misbruik in de hand werkt.

LSP wil een einde aan de winstzucht van de farmaceutische industrie, aan de sluipende commercialisering en de misbruiken van de prestatiegeneeskunde. We zijn voor de creatie van een openbare en nationale gezondheidsdienst, met vaste statuten – vandaag steeds meer ondermijnd in de openbare ziekenhuizen – en fatsoenlijke lonen voor het personeel. Elementen als winst of prestige van individuen of multinationals mogen volgens ons niet meespelen in de volksgezondheid.

Het argument voor privatisering is steeds het gebrek aan “rendabiliteit” van de overheidsdiensten. Maar hoe kan openbare dienstverlening nu rendabel zijn? Ze vertrekt immers van de doelstelling om een aantal diensten zo toegankelijk mogelijk te maken voor iedereen, arm of rijk.

Een dienstverlening is per definitie niet rendabel omdat het geen winst kan opleveren. Wat vergeten wordt, is dat het recht op openbare dienstverlening – net als de sociale zekerheid – door strijd werd afgedwongen, met de bedoeling om in een aantal maatschappelijke noden te voorzien.

Onverbloemd betekenen liberalisering en privatisering de uitverkoop van onze diensten, om ons met minder werkgelegenheid en slechtere werkomstandigheden nog eens dubbel en dik te laten betalen. Zo bespaart de regering inderdaad op de overheidsuitgaven, maar ten koste van wie? Wij betalen er geen cent minder belastingen door en de privé-uitbaters van onze voormalige diensten profiteren er dik van!

LSP vecht tegen privatisering, voor gratis openbaar vervoer, gezondheidszorg, postbedeling, huisvuilophaling, omdat die vrij toegankelijk moeten zijn voor ieder van ons, ongeacht leeftijd, werksituatie, geslacht, …

Het argument als zou een openbare dienst per definitie slecht werken, vond ingang bij bredere lagen van de bevolking. Altijd al was de openbare dienst het slachtoffer van praatjes. Ze zou inefficiënt zijn, bureaucratisch, allesbehalve stipt, enz. In de privé daarentegen zou alles koek en ei zijn.

Dit is een compleet vals beeld dat wordt opgehangen. Eerst en vooral is het altijd (ook in de “golden sixties”) zo geweest dat er veel te weinig geld voorhanden was. Maar zelfs meer geld zou de zaak niet hebben opgelost. Om een dienst zo efficiënt mogelijk te laten werken, is er immers inspraak nodig van iedereen die van de dienst gebruik maakt of ervoor werkt.

Zo zouden wij het spoorwegennet stukken efficiënter en toegankelijker maken door reizigers en spoormannen te betrekken in de running van de dienst. We zouden ervoor zorgen dat velen hun auto kunnen thuislaten om naar het werk te gaan door degelijke aansluiting te voorzien op de nodige tijdstippen. We zouden deze diensten gratis en dus toegankelijk maken voor iedereen. Efficiëntie en toegankelijkheid zijn het uitgangspunt van LSP, niet dat van diegenen die willen privatiseren.

4. En de concurrentie dan? Wie zal dit allemaal betalen? Daarvoor is toch geen geld? De bazen zullen dit nooit toestaan!

Een citaat van de arbeiders van Forges de Clabecq, ten tijde van hun strijd in de jaren ’90 voor het behoud van hun fabriek: “Als je een hoop stenen op de grond legt, dan zullen die zich niet uit zichzelf op elkaar leggen om een muur of een huis te vormen. Daarvoor is de tussenkomst van menselijke arbeid nodig. Het is die arbeid die de rijkdommen voortbrengt”. Rijkdom is er voldoende. De vraag gaat erover aan wie ze toekomt.

Als we zien hoe de productiviteit in de voorbije tientallen jaren steeg, blijkt dat de werkduur helemaal niet even snel daalde. Als dat wel het geval was, zouden we vandaag amper een paar uur per week werken. Alle winsten die de patroons tijdens deze periode hebben opgeraapt, hebben ze in de eigen zakken gestopt.

Om de werkloosheid op te lossen, moet het beschikbare werk verdeeld worden over alle beschikbare arbeiders. Door deze herverdeling wordt de lengte van de werkweek bepaald. Zo zou de werkweek drastisch verminderd kunnen worden. Maar pas op: wat wij willen, is het behoud van het volledige loon, want daar hebben wij recht op.

Natuurlijk zullen het patronaat en de regering steigeren. Het zou betekenen dat ze een heleboel winst niet meer in hun zak kunnen steken. Het zou ook betekenen dat hun concurrentiepositie in gevaar komt. Maar concurrentie is zo oud als het kapitalisme zelf. Moeten de arbeiders “om concurrentieel te zijn” misschien alles blijven slikken? Als we die logica doortrekken, kan dat zeer verstrekkende gevolgen hebben. Het zal betekenen dat we op de duur dezelfde lonen aanvaarden als de superuitgebuite arbeiders in China of India.

Als de arbeiders en hun organisaties in het begin van de vorige eeuw dezelfde redenering hadden gevolgd, dan werkten wij – en onze kinderen – nog steeds 12, 13 of zelfs 14 uur per dag in plaats van 8. Toen de arbeidersklasse na WOI de achturendag afdwong, was er geen sprake van loonverlies.

In de plaats van te vertrekken van de vraag wat “haalbaar en realistisch” is voor de ondernemer, vertrekken wij liever van de vraag wat nodig is voor de arbeider. Wij vinden het immers niet meer dan logisch dat de rijkdom die de arbeiders voortbrengen, gebruikt moet worden om tegemoet te komen aan de behoeften van de arbeiders.

5. Voor een strijdbare vakbond

Eén van de voorwaarden om bovenstaande doelstellingen te bereiken, is dat de arbeiders kunnen rekenen op organisaties, zowel op syndicaal als op politiek vlak, waarmee ze de strijd voor deze eisen kunnen voeren.

Het is duidelijk dat er binnen de vakbonden een strijd zal nodig zijn opdat strijdsyndicalisme terug op de voorgrond zou treden. Het overlegmodel waarbij de leiding van de vakbond al pratend probeert om de patroon op andere gedachten te brengen, faalt. De sterkte van de vakbonden, en dat is reeds vele malen in de geschiedenis aangetoond, is net hun capaciteit om arbeiders samen te brengen in een strijd voor hun onmiddellijke belangen.

Het is deze capaciteit waar de patroon schrik van heeft. Als de patroon echter weet dat de leiding van de vakbond te overtuigen valt om het op een akkoordje te gooien, waarom zou hij zich dan genoodzaakt voelen om ook maar één duimbreed in te binden? Heeft de patroon anderzijds het gevoel dat de vakbond bereid is als één man/vrouw op te komen voor de belangen van de arbeiders, zal die patroon een stuk voorzichtiger reageren. Wat belangrijker is, is het feit dat de arbeiders zich dan met een stuk meer zelfvertrouwen in de strijd zullen werpen, aangezien de kans op een overwinning binnen bereik ligt.

De vakbonden dienen niet om de bazen te helpen bij hun “herstructureringen”, maar om de belangen te verdedigen van de werkende mensen. Tegenover het overlegsyndicalisme stellen wij het strijdsyndicalisme. Iedere ontwikkeling in deze richting zullen wij steunen. Er moet gevochten worden voor iedere job en het behoud van alle verworvenheden.

Een nieuwe arbeiderspartij zou ook binnen de vakbonden een strijdbare linkervleugel moeten organiseren om een alternatief te bieden op de “strategie” van de vakbondstop, die neerkomt op niets doen en op het begraven van strijdbewegingen. Dit is een van de belangrijkste redenen waarom veel arbeiders vandaag soms cynisch zijn over de rol van vakbonden, of waarom de vakbondsleiders er niet meer in slagen om jongeren warm te maken voor vakbondswerk.

Denk aan het stilleggen van de beweging tegen het Generatiepact in 2005. In de loop van deze strijd werd – in het beste geval – de basis “geconsulteerd” tijdens regionale vergaderingen zonder dat ze echter mocht beslissen. De beweging werd compleet willekeurig stilgelegd vanuit de top van het ABVV en ACV. Waarom mogen de militanten niet zelf beslissen over het al dan niet beëindigen van een beweging? Er is nood aan reële vakbondsdemocratie, die de macht legt bij een actieve en betrokken basis, die zelf mee kan beslissen via democratische stemmingen over het verloop van de strijd. De potentiële kracht van de arbeidersklasse is aanwezig. We hebben vakbondsleiders nodig die deze macht ook durven gebruiken om onze jobs, lonen, pensioenen, etc. te verdedigen en de strijd van elke dag te koppelen aan het streven naar een andere maatschappij.

6. Voor de vorming van een nieuwe arbeiderspartij

Maar de arbeidersklasse heeft ook een partij nodig die deze strategie politiek kan en wil vertalen. Het is duidelijk dat de SP.a en de PS, ooit gezien door een meerderheid onder de arbeiders als hun partijen, niet meer bereid zijn het gevecht aan te gaan.

Integendeel, ze zijn verworden tot de beste uitvoerders van de besparingspolitiek en zo worden ze ook door steeds meer mensen gezien. De jarenlange deelname aan de regering, de desoriëntatie en demoralisatie sinds de val van de zogenaamde socialistische regimes, met als gevolg daarvan het openlijk omarmen van de “vrijemarktprincipes” hebben deze partijen totaal gecorrumpeerd.

Indien we als werkende mens een politieke vertaling willen van onze eisen, zullen we bijgevolg een nieuwe partij moeten opbouwen. LSP weet dat een dergelijke partij niet uit de lucht zal komen vallen. We beseffen dat zo’n nieuwe arbeiderspartij pas echt levensvatbaar zal worden als ze gedragen wordt door een belangrijk deel van de arbeidersbeweging, meer bepaald door delen van de vakbonden, op basis van ervaringen opgedaan in massabewegingen en massastrijd. Maar als we op de vakbondsleiding moeten wachten, kan het nog lang duren. Het is pas als er voldoende druk van beneden komt, dat de besten onder hen bereid zullen zijn hun kop uit te steken.

Deze partij moet openstaan voor iedereen die wil vechten tegen de sociale afbraak. Ze moet vrije discussie toestaan en toelaten dat verschillende stromingen, vakbonden, actiegroepen, … zich erbij aansluiten. Ze moet vechten tegen iedere verdeling van de arbeiders, of het nu is op basis van nationaliteit, ras, sekse of geloof. De enigen die bij die opdeling belang hebben, zijn de bazen en hun systeem. Allemaal samen staan we sterk. Deze eenheid verkrijgen we het best door op te komen voor volledige gelijke rechten.

Ze moet de strijd aanbinden tegen de uitbuiting van alle arbeiders, ook die in de neokoloniale wereld. Vaak worden de belangen van werkers uit andere landen tegenover de belangen van de werkers van hier geplaatst in een poging om internationale strijd tegen te gaan.

Hadden de arbeiders van Volkswagen Vorst niet sterker gestaan in hun strijd tegen de herstructurering indien ze in staat waren geweest om hun werkmakkers uit de andere Volkswagen-vestigingen te overtuigen, op internationale schaal, om een effectieve strijd te voeren tegen de afbouw van de tewerkstelling, de lonen en de arbeidsomstandigheden? Wij denken van wel. Maar internationale strijd mag en kan niet gebruikt worden als excuus om het gevecht in eigen land niet aan te gaan. De twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Een nieuwe arbeiderspartij moet het zelfbeschikkingsrecht van Vlamingen, Walen en Brusselaars respecteren, zonder in de val te trappen van diegenen die de arbeiders door communautair opbod willen verzwakken. LSP vindt dat ieder volk het recht moet hebben haar eigen beslissingen te nemen. Als een volk wil samenleven met een ander volk binnen één nationale staat, dan moet dit kunnen. Maar op gelijke voet en compleet vrijwillige basis.

Gedwongen samenleven binnen één staat, waarbij de ene bevolkingsgroep minder rechten heeft dan de andere, kan alleen maar leiden tot desastreuze toestanden. Wij zijn bijgevolg voor alle faciliteiten die nodig zijn om ieder gevoel van nationale onderdrukking weg te nemen, dus ook voor taalfaciliteiten.

Heel wat (kapitalistische) nationale staten zijn gebaseerd op de onderdrukking van volkeren en bevolkingsgroepen. België heeft op dit vlak een slechte reputatie. Zo werd aan de Vlamingen gedurende meer dan 100 jaar het recht ontzegd op onderwijs in eigen taal. Alle administratie gebeurde in het Frans. Men wou de arbeiders verzwakken door hen te verdelen op taalbasis. Een citaat uit de Waalse krant Les Nouvelles van 25 oktober 1904: “De Vlamingen van La Louvière hebben gisteren hun loon gekregen en direct zijn ze aan de zwier gegaan waarbij ze gisterennacht overal in de gemeente gevochten hebben. Het is goed erop te wijzen dat telkens als een dergelijke vechtpartij zich voordoet in La Louvière, er Vlamingen spelend met messen worden gevonden.”

Ondertussen is het beeld enigszins gewijzigd. Vandaag is de Vlaming de “vlijtige werker”, de Waal de “profiteur” en de migrant “de messentrekker”. In essentie komt het nog steeds op hetzelfde neer: de patroons strijken de winsten op, terwijl ze de arbeiders tegen elkaar in het harnas jagen. Vooral de sociale zekerheid is een doorn in het oog van de patroons en de regering. Door te dreigen met de splitsing ervan willen ze de Waalse arbeiders chanteren. Tegelijk wordt in Vlaanderen de illusie gevoed dat dit ten goede zou komen aan “alle Vlamingen”.

De enigen die voordeel zouden halen uit de splitsing van de sociale zekerheid zijn de patroons, zowel de Vlaamse als de Waalse. Zij zouden de arbeiders dwingen in te leveren op hun loon, pensioen, vakantiegeld en ziekte-uitkering door te dreigen met een verhuis naar het andere gewest. Geen enkele arbeider heeft hier baat bij, noch de Waalse, noch de Vlaamse, noch de migrant. Alleen de patroons zouden erbij winnen.

Zo’n partij zou moeten ageren voor de nationalisatie van de belangrijkste sectoren van de economie onder arbeiderscontrole, omdat deze sectoren in handen van de privé enkel gebruikt worden om winst te maken voor de patroons en aandeelhouders (banken, renteniers, etc.)

De enige manier om heel de bevolking te laten meegenieten van de opbrengsten en/of diensten van deze sectoren (energie, transport, banken,…) is door ze te nationaliseren en ze uit privé-handen te halen. Maar daar mag het niet bij stoppen. In handen van de huidige staat, die niet meer of minder is dan een marionet van de kapitalistische klasse, zou deze dienst nog steeds “rendabel” moeten zijn, de staat niet te veel mogen kosten enz. Dezelfde argumentatie die nu gebruikt wordt om de openbare “bedrijven” te privatiseren.

Inspraak en controle van de arbeiders en hun gezinnen in en op het beleid is essentieel. Als gebruikers en werknemers weten zij beter dan wie ook wat de tekortkomingen zijn en hoe ze het meest efficiënt voorkomen kunnen worden.

7. Revolutie

Als we zien hoe multinationals hand in hand samenwerken met de meest bloedige regimes; dat oorlogen gevoerd worden omwille van de olie, waardoor duizenden onschuldige slachtoffers vallen; dat hele bevolkingsgroepen zodanig tegen elkaar uitgespeeld worden, dat ze op de duur elkaar beginnen uitmoorden; dat ze nog liever de mensen uithongeren dan hun winsten in gevaar te brengen; dat desnoods het leger de boel militair opkuist, dan is het duidelijk dat dit programma onmogelijk te bereiken is zonder strijd.

Meer nog, om in staat te zijn zelf over de door ons geproduceerde rijkdommen te kunnen beslissen, zal een bewuste beweging van de arbeiders nodig zijn om de macht uit handen te slaan van de zeer kleine minderheid van kapitalisten.

Velen zullen opmerken dat deze minderheid zeer machtig is omdat ze over alle nodige instrumenten beschikt om de mensen onder controle te houden. Ideologisch maakt ze gebruik van allerlei kanalen, zoals het onderwijs, de media, … om de mensen te doen geloven dat heel het kapitalistische systeem van “werken voor een baas” het enige werkbare systeem is.

En als dit niet meer voldoende is, hebben ze de controle over de politie, het leger en het gerecht om via repressie de kapitalistische wetten op te leggen. De pogingen om het stakingsrecht te breken, liggen volledig in deze lijn, net als de poging om via een eengemaakt politieapparaat scherpere controle te kunnen behouden. Zoals we zien bij elke staking staat het gerecht of de politie allerminst aan onze kant.

Maar dit mag of kan ons niet tegenhouden. De krachtsverhoudingen zullen bepalend zijn. Een overtuigde arbeidersklasse, waarbij de meest dynamische kern vastbesloten is om zich niet meer in de luren te laten leggen maar effectief gaat voor de machtsovername, kan door geen duizend legers worden tegengehouden.

We moeten ermee rekening houden dat het voortbestaan van een kapitalisme in crisis aan een zijden draadje hangt. Als het systeem niet meer in staat is haar eigen gelederen te overtuigen, wat dikwijls het geval is in een revolutie, dan is het ten dode opgeschreven.

Het beste voorbeeld is de Russische revolutie, maar ook mei ’68 in Frankrijk of meer recent de revoluties in Servië, Georgië, Oekraïne, enz. zijn voorbeelden van hoe een heersende elite de greep op haar eigen troepen kan verliezen door een ontwikkelende massabeweging. Kijk naar de enorme radicalisering in Latijns Amerika: het politiek worden van de massa’s, de massabetogingen in Mexico, Bolivia en zoveel andere landen, het revolutionaire proces in Venezuela, … Volgens LSP is dit een voorproefje van de revolutionaire bewegingen die ook Europa en de rest van de geïndustrialiseerde landen zullen dooreen schudden.

Wat er echter in veel van deze voorbeelden ontbrak of ontbreekt, is een organisatie die bereid is de hele weg af te leggen tegen het imperialisme in. Daarbij duidelijk de keuze makend voor een ander soort maatschappij. Aan de opbouw van zo’n soort partij, een revolutionaire massapartij, werkt LSP.

8. Hoe moet dat systeem er dan uitzien? Zal dit niet op dezelfde manier degenereren als in Rusland?

Om te vermijden dat we belanden in een situatie zoals in het voormalige Oostblok, waarbij een bureaucratische elite alle voordelen naar zich toe trok en iedere democratische inspraak en controle onmogelijk maakte, moeten we ervoor zorgen dat het systeem en haar economie in functie staan van de reële behoeften van de bevolking.

De discussie over het stalinisme is niet slechts een historische discussie. We kunnen niet gewoon zeggen dat er “fouten” zijn gemaakt in de vroegere Sovjet-Unie. Enkel Trotski en zijn medestanders hebben de opkomst van een bureaucratische elite in Rusland op een marxistische manier verklaard. Het stalinisme was het gevolg van het isolement van de revolutie in een industrieel en cultureel achtergebleven land. Trotski liet twee mogelijkheden open. Ofwel zou de nieuwe heersende elite worden weggeveegd door een politieke, geen sociale, revolutie. Een dergelijke omwenteling zou de geplande en genationaliseerde economie behouden, maar opnieuw sovjet- of radendemocratie instellen. De andere mogelijkheid was dat de bureaucratie zichzelf zou omvormen tot de nieuwe kapitalisten wanneer de bureaucratisch geplande economie onvermijdelijk zou vastlopen. Dit laatste perspectief haalde het jammer genoeg. Een planeconomie heeft arbeidersdemocratie nodig zoals het menselijke lichaam zuurstof.

Socialisme veronderstelt een systeem waarbij zoveel mogelijk arbeiders en hun gezinnen inspraak en controle hebben in de besluitvorming, dit zowel op economisch, sociaal als politiek vlak. Een democratisch productieplan, opgesteld en gecontroleerd door raden, samengesteld uit vertegenwoordigers van de arbeiders van het bedrijf, van de nationale vakbonden en van de bevolking in haar geheel, moet een correcte inschatting kunnen maken van wat nodig en prioritair is. Iedere beslissing moet nadien geëvalueerd kunnen worden.

Ja, maar wat met degenen die aan de macht zitten? Is het niet zo dat, eenmaal aan de bron, iedereen eieren voor zijn geld kiest en corrupt wordt? Als aan de macht zitten, betekent dat hij/zij voordeel bij deze positie kan halen en niet onder controle staat van de gemeenschap, dan zitten we inderdaad met een probleem.

Waar wij voor staan en wat we in onze eigen partij al in de praktijk toepassen, is dat iedere functionaris moet verkozen zijn, maar ook permanent afzetbaar, zodat op het moment dat hij/zij het vertrouwen in hem of haar beschaamt die persoon moet aftreden. Tevens mag hij/zij niet beschikken over een hoger loon dan het gemiddelde van de arbeiders die hij/zij vertegenwoordigt.

Een situatie zoals we die vandaag kennen, waarbij parlementairen vele duizenden euro’s per maand opstrijken, maakt dat hij/zij die ons vertegenwoordigt mijlenver boven de stand leeft van de gemiddelde arbeider. Hoe kunnen zij ooit weten wat de noden zijn? Zij leven niet in de arbeiderswijken, zij gaan niet om met gewone arbeiders, zij eten niet waar wij dat doen en ze gaan niet naar dezelfde cafés. Zij weten niet wat het is om iedere maand met moeite alle rekeningen te kunnen betalen.

Joe Higgins, tot voor kort onze parlementair in Ierland, maar ook onze parlementairen binnen de Labour Party in de jaren ’80 stonden alles af wat boven het gemiddelde loon lag. Dit geld werd besteed aan allerlei campagnes die in het teken staan van de arbeidersstrijd en niet aan de bouw van een villa in het Zuiden van Frankrijk.

9. Voor socialisme en internationalisme

Als de arbeiders van een bedrijf in staking gaan, zal de patroon alles doen om die staking te breken. Hij zal proberen om de vakbondsleiders tot een akkoord aan te zetten. Hij zal, waar dat kan, de harde kern van de staking proberen te isoleren door de anderen tegen hen op te zetten. Hij zal beroep doen op de bedrijfspolitie – als die er is – en politie en gerecht om de piketten te breken.

Hij zal, als de staking te lang duurt, proberen het productieverlies elders op te vangen. Als het kan in een zusterbedrijf in binnen- of buitenland, als het moet bij de concurrentie. De kapitalist zal met andere woorden beroep doen op zijn klasse, op zijn politieke vertegenwoordigers, op de media en op het repressieapparaat om de staking te breken.

In een tijdperk van internationale productie en internationale geldstromen zal de kapitalist steeds meer beroep doen op “solidariteit” van patroons over de grenzen heen. De arbeiders moeten hieruit leren. Ook zij moeten beroep doen op hun klasse om hun strijd te doen slagen. Ook zij zullen, vandaag meer dan ooit, moeten terugvallen op hun collega’s in het buitenland.

Geen enkele strijd breekt overal tegelijk uit, iedere strijd begint ergens. De slaagkansen nemen echter toe naarmate de strijd uitbreidt. Dit geldt voor stakingen, voor bewegingen van burgerlijke ongehoorzaamheid, voor protestmarsen, … maar ook voor opstand en revolutie.

Zelfs een socialistische revolutie breekt uit op het nationale vlak, maar haar uiteindelijke overwinning wordt bepaald door de gebeurtenissen op internationale schaal. Solidariteit is hierbij enorm belangrijk, maar met morele steun of zelfs omhalingen, enz. win je nog niet. Daarvoor heb je de actieve deelname van de arbeiders in andere bedrijven, sectoren, wijken en landen nodig. De revolutie zal dus wel beginnen op lokaal vlak, maar zonder nationale en internationale uitbreiding is ze gedoemd om te mislukken. Arbeidersdemocratie en socialistische planning kunnen niet beperkt blijven tot een land. Dit werd aangetoond in Rusland. Het isolement van Sovjet-Rusland heeft geleid tot haar degeneratie vanaf 1924.

De Russische revolutie, de enige waarin de arbeiders er een korte periode in geslaagd zijn de macht te grijpen, was de belangrijkste gebeurtenis in de geschiedenis. Het experiment was maar gedeeltelijk geslaagd, maar we kunnen er enorme lessen uit trekken. Onder andere dat we ons internationaal moeten organiseren in een wereldpartij. Daarom maakt LSP deel uit van het Committee for a Workers’ International (CWI).

Het CWI is actief op alle continenten. Wij hebben afdelingen in de VS, maar ook in Chili, Brazilië en Venezuela. In Afrika zijn we vertegenwoordigd in Zuid-Afrika en Nigeria. In Azië hebben we afdelingen in Sri Lanka, India, Pakistan, Kazakstan en Japan.

In Europa hebben we buiten België afdelingen in Zweden, Duitsland, Nederland, Engeland, Schotland, Ierland (Noord en Zuid), Oostenrijk, Tsjechië, Rusland, Oekraïne, Polen, Italië, Griekenland, Cyprus, Spanje en Frankrijk. In het Midden-Oosten hebben we afdelingen in Israël en Palestina en sympathisanten in Libanon. Ook in Australië heeft het CWI een afdeling. LSP ziet haar strijd in België dan ook in het kader van de arbeidersstrijd in de hele wereld voor een socialistische maatschappij.

 

Aaanvullend artikel uit februari 2009

Enkel een socialistisch herstelbeleid biedt een duurzame oplossing

Wereldwijd willen regeringen zich een uitweg uit de crisis spenderen. Nauwelijks zijn de banken aan de kassa gepasseerd of ze staan alweer in de rij. Deze keer samen met een reeks industriële reuzen. Taboes worden in een handomdraai opzij geschoven. Niets lijkt te werken. Op ieder herstelplan, volgt een nieuw, nog drastischer, nog groter. In het algemeen belang? Benieuwd als ooit de schade wordt opgemeten. Wedden dat bankiers, industriëlen en andere speculanten, beter bediend zullen zijn dan jij en ik. De Linkse Socialistische Partij verdedigt een ander herstelplan. Het is voordelig voor arbeiders en hun gezinnen en volgens ons de enige duurzame oplossing voor deze crisis.

Hoe moeten de miljarden mensen die honger lijden daar tegen aankijken? Diegenen die niet of nauwelijks over drinkwater beschikken? Wie geen toegang heeft tot elementaire gezondheidszorg? Wie ergens op de planeet ronddwaalt op de vlucht voor oorlog of burgeroorlog? Wat moeten diegenen denken die werkloos werden? De daklozen? Diegenen die op het einde van ieder loon nog een stuk maand over houden? Voor hun problemen was er toch geen geld? De vereiste infrastructuurwerken waren toch onbetaalbaar? Zij moesten toch een paar generaties geduld uitoefenen? De jongste maanden werden enorme bedragen gespendeerd. Een fractie ervan had volstaan. Maar ze werden gebruikt om speculanten te bevrijden van hun rommel en banken te herkapitaliseren.

De voorgaande jaren waren nochtans vette geweest. Gekenmerkt door recordwinsten, recordbonussen, speciale miljonairsfeestjes en megalomane projecten. Dat kon enkel door de uitbuiting fors op te drijven. De recordwinsten werden niet geïnvesteerd in nieuwe productie of maatschappelijk nuttige infrastructuurwerken. Ze werden speculatief belegd. Tussen 2003 en 2008 zijn ‘investeringen’ op de futuresmarkt voor grondstoffen toegenomen van 13 naar 260 miljard $. Voedselprijzen schoten de hoogte in. Honger en opstand waren het gevolg.

De koopkracht in stand houden

Loonindexering, maximumprijzen, BTW-verlaging, nationalisatie van strategische sectoren

In België liep het niet zo een vaart, maar ook hier stegen de voedselprijzen. Spaghetti was in juli 31% duurder dan bij de aanvang van het jaar. De broodprijs, wettelijk vastgelegd tot juni 2004, nam 25% toe. Andere basisproducten werden eveneens fors duurder: stookolie 61%, aardgas 52% en elektriciteit 20%. Aan de prijsdaling van blackberry’s, flatscreens en andere gadgets hebben wij geen boodschap. De loonindexering kon de levensduurte niet bijhouden. De crisis doet vooral de prijzen van basisgoederen meer stijgen dan andere. De Waalse OCMW’s stelden een index op die rekening houdt met het specifieke uitgavenpatroon van kansarme gezinnen. Die neemt dubbel zo snel toe als het officiële indexcijfer. We staan nochtans nog maar aan het begin van de crisis. Nu de consumptie is stil gevallen, dalen de prijzen.

De arbeiders en hun gezinnen moeten zich wapenen tegen de levensduurte vooraleer de crisis hen de armoede in duwt. Dat vereist een volledig herstel van de index. Een herziene indexkorf die beter de echte levensduurte weerspiegelt. Dat moet gebeuren door een onafhankelijke commissie van vakbonden, consumentenorganisaties en kleine producenten. Die moet ook de prijs van levensnoodzakelijke producten wettelijk kunnen vastleggen.

Vakbonden en delen van radicaal links eisen een BTW-verlaging op energie van 21 naar 6%. Dat is goed, maar onvoldoende. De arbeidersbeweging heeft zich destijds verzet tegen het invoeren van BTW. Die is immers voor iedereen gelijk, ongeacht het inkomen. Zeker voor basisproducten pleiten wij voor de afschaffing van BTW. De gehaaide energieproducenten en distribiteurs zullen bovendien de BTW-verlaging misbruiken om hun prijzen op te trekken. Energie is van strategisch belang en zou moeten toehoren aan de gemeenschap. Zoals het ABVV in de jaren ’70 pleiten wij voor nationalisatie onder democratische arbeiderscontrole van de hele energiesector en wettelijk vastgelegde prijzen.

Sociale woningen, publieke infrastructuur, herfinanciering van onderwijs en gezondheidszorg

Wonen neemt een grote hap uit het gezinsbudget. Tussen ’97 en 2007 stegen huizenprijzen in ons land 142%! Huurders hielden in 2005 16% minder over na de huur dan in 1992. Dat komt hoofdzakelijk omdat er nauwelijks sociale woningen voorhanden zijn, ook in vergelijking met de buurlanden. Enkel door het aanbod aan goedkope en comfortabele sociale woningen te vermenigvuldigen, zullen huurprijzen, ook op de privémarkt, dalen. Zoniet zullen mensen krotwoningen blijven betrekken, ook ten koste van veiligheid en gezondheid. Wij zijn geen voorstander van huursubsidies omdat huiseigenaars die vooraf in de huurprijs inrekenen. Een wettelijke beperking van de huurprijs tot een maximaal percentage van het inkomen? Het kan ertoe leiden dat mensen met een laag inkomen nergens terecht kunnen. In combinatie met een forse uitbreiding van de sociale huursector, kan het wel succes hebben.

Ook het onderhoud en de noodzakelijke renovatie van schoolgebouwen, gevangenissen en andere openbare gebouwen werd jarenlang verwaarloosd. Enkel voor prestigeprojecten was er geld. Veel schoolgebouwen staan letterlijk op instorten. Leerlingen krijgen soms jarenlang les in containers. In wat voor waanzinnige maatschappij leven we? Als het economisch goed gaat, is er geen geld. Het vergt crisis vooraleer men broodnodige investeringen wil doorvoeren. Men wil dat echter realiseren via privaat-publieke samenwerking (PPS). Meestal betekent dat, net als sale en lease back, veel publieke kosten voor royale private opbrengsten. De Linkse Socialistische Partij pleit voor 100% publieke investeringen.

Politici hebben de mond vol over de “kennismaatschappij”. Daarin zou onze toekomst liggen. Het onderwijs wordt nochtans stiefmoederlijk behandeld. Dertig jaar geleden werd nog 7% van het bruto binnenlands product besteed aan onderwijs, nu is dat slechts 4,5%. Men wil zelfs beroep doen op gepensioneerde leerkrachten om bij te springen, in plaats van het beroep aantrekkelijker te maken. Wij willen een publieke herfinanciering tot 7% van het BBP.

Ook de gezondheidssector heeft behoefte aan herfinanciering. Ooit stond onze gezondheidszorg aan de top. De voortschrijdende vermarkting, waardoor winst maken belangrijker werd dan genezen, ondermijnt niet alleen de kwaliteit, maar drijft meteen de kost op voor patiënten. Geneesmiddelen zijn inderdaad te duur. Men lost dat niet op door openbare aanbestedingen, zoals wordt voorgesteld door kiwidokter Van Duppen. Ons land heeft een grote farmaceutische sector. Wij willen die niet het voorwendsel verschaffen om de belangen van de patiënt uit te spelen tegen die van de werknemers. Om terugbetaling in de wacht te slepen, zullen arbeiders immers onder druk gezet worden om in te leveren op het loon en de arbeidscondities. De Linkse Socialistische Partij pleit integendeel voor een publieke nationale gezondheidsdienst en de nationalisatie van de farmaceutische sector.

Het werk verdelen aan gelijk loon, verbod op afdankingen, opening van de boeken, opheffing bankgeheim

Sociale woningen, infrastructuurwerken, onderwijs, gezondheidszorg… wij zouden wel weten wat aan te vangen met de vele werklozen en diegenen die op het punt staan hun job te verliezen. We zouden de beschikbare arbeid over iedereen verdelen. Uiteraard zonder loonverlies, want anders zouden velen gedwongen zijn hun inkomen aan te vullen met overuren en zwartwerk.

In de regering komt het er nooit van, maar telkens Groen in de oppositie zit, pleit het voor een 32 urenweek. Het loonverlies wil het opvangen met een basisinkomen, een inkomen voor iedereen, werk of geen werk. Het klinkt aanlokkelijk. Zeker voor wie een interim of een andere snertjob heeft zonder garanties. Het is echter geen toeval dat die idee oorspronkelijk uit liberale hoek komt. Het basisinkomen zou snel uitgehold worden door prijsstijgingen, tot er niets meer over blijft. De kapitalisten zouden arbeiders nog meer als wegwerpproducten behandelen, want “men heeft toch nog een basisinkomen.” Rechtse politici zouden “harde werkers” die hoge belastingen betalen, nog meer uitspelen tegen de “basisinkomers”. Werklozen zouden niet meer bestaan, alleen nog “werkonwilligen die zich nestelen in de sociale zekerheid”.

Nog in de strijd tegen de werkloosheid, gaan stemmen op voor een wettelijk verbod op collectieve ontslagen door winstgevende bedrijven. Wij zijn voor zo’n wettelijk verbod, maar het vergt volledige toegang tot alle economische informatie door de werknemers. Het is dus onmogelijk zonder “opening van de boeken” en “opheffing van het bankgeheim”. Bovendien is het nog maar de vraag of bedrijven die wel verlies maken, maar instaan voor het inkomen van een pak arbeidersgezinnen en een hele regio, wel mogen afdanken. Wij denken dat bij iedere herstructurering, delocalisering of sluiting, nationalisatie moet overwogen worden. Schadeloosstelling moet beperkt worden tot de kleine aandeelhouders, enkel op basis van bewezen behoeften.

‘Bad Bank’, ASLK,… Of Nationalisatie van de financiële sector

De schandalige reddingsoperaties in de banksector, waarvoor wij als belastingbetalers zullen opdraaien, hebben een debat op gang gebracht. Sommigen pleiten voor een ‘bad bank’ waarin alle rommeleffecten worden ondergebracht. Kortom, de overheid neemt alle risico’s kosteloos over. Dit schandalige voorstel zou er alleen maar toe leiden dat de speculanten nog driester tekeer gaan: “doe maar op, de overheid betaalt!”

Anderen schreeuwen voor de heroprichting van een overheidsbank. Die zou minder risico’s nemen in ruil voor een iets lager rendement. “Geef ons onze ASLK terug”, luidt het. Behalve het feit dat dit de crisis niet zou oplossen, geeft dat een verkeerd beeld van wat de ASLK ooit was. Het was een publiek eiland in een systeem waar de markt de wetten stelt. De ASLK moest mee het bad in en werd uiteindelijk opgeslorpt door de private sector. De enigen die heimwee hebben naar de ASLK zijn de fils à papa van de oude politici die de raden van bestuur van de intercommunales en overheidsinstellingen, inclusief ASLK, als een springplank gebruikten voor een lucratieve post in de private sector.

Wij zijn het voor één keer eens met professor De Grauwe en Ivan van de Cloot van Itinera als ze pleiten voor nationalisatie van de hele banksector. Wat ons betreft met schadeloosstelling uitsluitend aan de kleine aandeelhouder op basis van bewezen behoefte. Wij zijn het oneens waar ze argumenteren voor een terugverkoop aan de privé, zodra de banken gesaneerd en terug winstgevend zijn. Wij zouden integendeel deze gelegenheid aangrijpen om heel het bank en kredietwezen aaneen te rijgen in één sterke publieke instelling, onder democratische controle van de gemeenschap. In plaats van de bankdirecties te smeken om krediet te verstrekken, zou de overheid zelf de nodige publieke investeringen kunnen plannen om te beantwoorden aan de echte behoeften van de bevolking.