Home / Linkse Socialistische Partij / Geschiedenis van LSP

Geschiedenis van LSP

Het niet aan de kant blijven staan en de wil om een actieve rol te spelen in het dagelijkse politieke proces is kenmerkend voor de Linkse Socialistische Partij. Steeds trachten we net die initiatieven te nemen waarmee we denken de socialistische krachten te kunnen opbouwen en vooruit te helpen.

Belangrijke gebeurtenissen op wereldvlak hebben een grote impact gehad op de socialistische beweging. Dat was zeker het geval met de val van het stalinisme, een gebeurtenis die tot op vandaag zijn sporen nalaat. Ook de krachten van LSP en het CWI internationaal werden erdoor geraakt. Toch slaagden we erin, in een moeilijke periode waarin klassenstrijd slechts een vaag en abstract idee was, de basis te leggen voor wat we vandaag zijn: een kleine, maar zeer dynamische revolutionaire partij.

LSP groeide tussen februari 1992 van 31 leden tot zo’n 100 leden rond de eeuwwisseling om terug te verdriedubbelen tot 300 tegen eind 2008. We zijn georganiseerd in meer dan 30 lokale afdelingen in zowel Vlaanderen, Brussel als Wallonië, kennen een actieve jongerenwerking onder scholieren zowel als onder studenten, bouwden op een aantal werkplaatsen een belangrijke syndicale positie op en kwamen op een actieve manier tussen in de belangrijkste syndicale en politieke bewegingen van de afgelopen 15 tot 20 jaar. We spelen nog steeds de eerste viool op vlak van antifascistische en antiracistische strijd, besteden speciale aandacht aan het vrouwenthema en de strijd tegen discriminatie en seksisme en wapenen onze leden via tweejaarlijkse congressen en tweejaarlijkse conferenties telkens met een analyse, perspectief en programma. Vooral de conferenties die we organiseerden over de nood aan een nieuwe arbeiderspartij en over het Belgische nationaliteitenvraagstuk hebben hun effect niet gemist.

partij11992. De oprichting van Militant. De kern van zo’n 30 leden leidde de Blokbuster-campagne met de internationale betoging in 1992 met 40.000 aanwezigen

Correcte perspectieven zorgden ervoor dat de partij voorbereid was op de turbulente economische en politieke ontwikkelingen die we vandaag meemaken.

LSP kende verschillende stadia van ontwikkeling en paste, afhankelijk van de condities van het gegeven moment, verschillende tactieken toe om haar krachten op te bouwen. Met een oriëntatie op die lagen die het eerst tegen het systeem in opstand kwamen, zonder tegelijk het contact en de benadering naar de brede lagen uit het oog te verliezen, slaagden we erin te bouwen onder het meest strijdbare deel van de arbeidersklasse en haar jeugd.

Wat nu volgt, is een schets van die tactieken, stadia en oriëntatie met de belangrijkste lessen die we eruit trekken.

1. JONGSOCIALISTEN EN SP

Slechts een zeer kleine minderheid van de huidige leden van LSP komt uit de marxistische tendens die sinds 1975 als Vonk en sinds februari 1992 als De Militant actief was in de (Vlaamse) Jongsocialisten (JS) en de SP. Vonk was in 1975 ontstaan vanuit de Oostendse JS. In die periode heerste een revolutionair klimaat: Mei ‘68 zinderde nog na, de Anjerrevolutie in Portugal (1974) lag net achter de rug en ook in Spanje en Griekenland ontwikkelden zich revolutionaire situaties.

Hoewel de sociaaldemocratie ook toen al een lange geschiedenis van verraad achter de rug had, oefende ze nog steeds een grote aantrekkingskracht uit op brede lagen van arbeiders en jongeren. SP-afdelingen telden nog talloze werkende leden die zich actief inzetten voor de partij en waren het toneel van levendige politieke debatten. De volkshuizen vervulden een centrale rol in het sociale leven van heel wat arbeiderswijken. Wie actief wou zijn in de arbeidersbeweging kon daar niet zomaar aan voorbij gaan. De voorlopers van LSP waren bijgevolg van oordeel dat het beter was in die partij aanwezig te zijn met een marxistisch programma dan zich erbuiten te isoleren.

De resultaten logen er niet om. In de loop van de jaren 1980 behaalden Vonkisten steevast 20 tot 40% van de stemmen op JS-congressen. De afdelingen Oostende, Geraardsbergen, Ninove, Aalst, Brussel, Evere, Antwerpen en Aarschot en de federaties Oostende-Veurne-Diksmuide, Brussel, Antwerpen en Aalst kenden allemaal op bepaalde ogenblikken marxistische meerderheden. De Actief Linkse Studenten (ALS), toen nog de officiële studentenorganisatie van de SP, werd al eind de jaren 1970 gewonnen voor een marxistisch programma.

Dit verschijnsel bleef niet beperkt tot België. Elders in Europa, maar ook in Afrika, Amerika, Azië en Australië werden soortgelijke organisaties opgezet die snel aan invloed wonnen. Samengebundeld in het CWI (Committee for a Workers’ International) bekampten deze marxistische tendensen zowat overal ter wereld de gebureaucratiseerde sociaaldemocratische leidingen.

Hier en daar leidde dat tot schorsingen en uitsluitingen, maar in het algemeen zorgde de druk van de basis ervoor dat het tendensrecht binnen de sociaaldemocratische partijen gerespecteerd moest worden.

2. DE VAL VAN DE MUUR

Vanaf het midden van de jaren 1980 en vooral na de val van de Berlijnse muur begon de situatie te keren. De SP oefende steeds minder een aantrekkingskracht uit op arbeiders en jongeren. Daarmee nam meteen de druk aan de basis af om het tendensrecht te garanderen.

In 1990 werd op een congres van de Jongsocialisten een heuse machtsgreep doorgevoerd. Marxisten werden uitgesloten en afdelingen en federaties opgeheven. Zelfs de nationale pers besteedde aandacht aan de afrekening met de Vonkisten.

Eenzelfde machtsgreep vond plaats in de SP. Afdeling Oostende met haar 900 leden werd botweg opgeheven, 22 militanten werden uit de partijrangen gestoten. Voormalig “anarchist” Vande Lanotte werd uit het niets opgevist en klaargestoomd als toekomstig parlementair en minister.

Het werd steeds duidelijker dat de SP door heel wat arbeiders niet meer gezien werd als een instrument om verandering af te dwingen, maar hooguit als de minst slechte variant van de traditionele partijen. De idee dat arbeiders en jongeren zich eerst naar de sociaaldemocratie zouden richten als ze in beweging kwamen, werd steeds onwaarschijnlijker. Dit is de reden waarom de overgrote meerderheid van de CWI-secties geleidelijk opteerde voor open, onafhankelijke organisaties.

De Belgische “Vonkisten” scheurden bijna letterlijk in twee. De minderheid, die om een legaal-technische reden het blad “Vonk” kon behouden, besloot binnen de SP te blijven. De meerderheid, die ook Actief Linkse Studenten en Blokbuster animeerde, legde meer nadruk op onafhankelijk werk onder de nieuwe naam “De Militant”.

Het zou echter nog tot 1995 duren vooraleer met de oprichting van Militant Links officieel voor een open organisatie geopteerd werd. De ultieme test van ideeën ligt in de praktijk. Een sober vergelijk van de resultaten van beide stromingen vandaag leert ons dat de tactiek van de meerderheid de meest vruchtbare was voor de uitbouw van een revolutionaire partij, ondanks de grote media-aandacht in Vlaanderen dat één van hun leidinggevende leden, Erik De Bruyn, als woordvoerder van SP.a rood sinds de voorzittersverkiezingen in het voorjaar van 2008 te beurt valt.

3. ROL VAN HET JONGERENWERK

De val van het Oostblok betekende vooral ideologisch een zware opdoffer voor de arbeidersbeweging. De idee dat het kapitalisme “het enige werkbare systeem” ter wereld zou zijn, werd sterk in de verf gezet door de burgerlijke propaganda. Zowat alle partijen en organisaties die zich op die arbeidersbeweging beriepen, maakten een zware draai naar rechts.

De burgerij maakte gebruik van deze zwakte en versterkte haar offensief op zowat alle verworvenheden van de arbeidersklasse. Het recht op degelijke en betaalbare openbare diensten werd via liberalisering en privatisering afgebouwd. Overal werd de uitbuitingsgraad systematisch opgedreven, wat leidde tot een ongelooflijke toename van de kloof tussen rijk en arm. Dit zou later aanleiding geven tot de befaamde antiglobaliseringsbeweging.

Begin van de jaren 1990 leidde dit vooral tot een antipolitieke reflex en demoralisatie. Alle sociaaldemocratische en communistische partijen bekeerden zich tot de vrije markt. De idee om nog op te komen voor de omvorming van een maatschappij in socialistische zin werd door hen vakkundig opgeborgen.

De traditionele electorale basis van deze partijen erodeerde, in het ene land al wat sneller en dieper dan in andere landen. Dat ging veelal gepaard met de groei van extreemrechts op basis van een populistisch en racistisch programma, wat vooral onder jongeren op enorm protest stootte. Het was een beweging waarop we anticipeerden en waarop we voorbereid waren door het opzetten van Blokbuster in België en YRE internationaal (Youth against Racism in Europe). Het idee was ons te oriënteren op het meest dynamische en open deel van de arbeidersklasse, haar jeugd, om een ingang te zoeken voor onze ideeën. Dit om ons beter voor te bereiden op een onvermijdelijke heropstanding van de arbeidersklasse in een later stadium, door klaar te staan met een nieuwe generatie marxisten.

4. BLOKBUSTER

In de jaren 1990 was het bij brede lagen van jongeren niet nodig Blokbuster voor te stellen. Opgestart als anti-Vlaams Blok-campagne in de zomer voor de beruchte verkiezingen van 1991 (Zwarte Zondag), groeide het initiatief uit tot de meest consequente en concrete campagne tegen racisme en fascisme. Op zijn hoogtepunt telde Blokbuster zo’n 50 lokale comités en zo’n 2500 jongeren kochten een Blokbusterlidkaart.

Blokbuster voerde geen moralistische antiracisme-campagne, maar organiseerde lokaal de concrete strijd tegen het Vlaams Blok en Co. Blokbuster organiseerde ontelbare betogingen, blokkades, … rond de eis “geen forum voor fascisten” – in woorden en in daden. Het was ook de enige antiracismebeweging die naast concrete eisen ter verbetering van de omstandigheden van migranten en vluchtelingen ook een sociaaleconomisch programma verdedigde om aan de voedingsbodem van racisme en fascisme te verhelpen en een band te smeden tussen de Belgische en migrantenarbeiders. Dit legde de basis voor de latere programmasticker: “Jobs, geen racisme. Alles wat ons verdeelt, verzwakt ons”. Wat we nodig hadden, was een programma dat de arbeidersklasse, ongeacht afkomst, kleur of geloof, kon eenmaken.

Blokbuster gaf ook de aanzet tot de creatie van Youth against Racism in Europe (YRE), een internationale organisatie tegen racisme en extreemrechts, gelanceerd in oktober ‘92, met een 40.000 man sterke internationale betoging tegen racisme. Overal in Europa organiseerden we jongeren tegen extreemrechts. YRE is nog steeds actief in verschillende Europese landen, waaronder Griekenland (waar YRE vooral actief is rond asielrecht), Engeland,… maar ook Rusland en andere ex-Oostblokstaten waar we strijd voeren tegen opkomende fascistische stromingen,… .

Naast de deelname aan en de organisatie van talrijke nationale en lokale betogingen en scholierenstakingen tegen racisme deed Blokbuster de oproep voor een nieuwe Jongerenmars voor Werk, tegen Racisme in ’93. Steun daarvoor vonden we bij de ABVV-Jongeren, Jong Socialisten en het AFF. We spraken in scholen en waren aanwezig met stands op bijna elk festival.

De Jongerenmars voor Werk in ’93 viel samen met een algemene stakingsbeweging in het najaar tegen het Globaal Plan van de regering Dehaene (christendemocraten en sociaaldemocraten). Het Globaal Plan legde de basis voor de eerste structurele aanval op de index (via de zogenaamde gezondheidsindex) en op de lonen (via de invoering van de loonnorm). We organiseerden scholierenstakingen die samenvielen met lokale stakingen tegen het Globaal Plan. Jongeren en arbeiders trokken samen door de straten om te protesteren tegen het Globaal Plan en tegen extreemrechts. Blokbuster en De Militant waren aanwezig aan de talrijke piketten die overal te lande industrieterreinen platlegden. Deze algemene stakingsbeweging – numeriek de grootste sinds ’36 – kwam ten einde bij gebrek aan een alternatief op de zogezegd meest “linkse” regering mogelijk.

5. ACTIEF LINKSE STUDENTEN

Aan de universiteiten en hogescholen waren leden van De Militant de stuwende kracht achter de Actief Linkse Studenten (ALS), die tot het begin van de jaren ‘90 officieel deel uitmaakten van de Socialistische Gemeenschappelijke Actie. ALS maakte zich los van de SP-zuil en was lang de belangrijkste linkse studentenorganisatie in Vlaanderen. ALS zorgde onder meer voor marxistische kritieken op de cursussen die aan de universiteiten en hogescholen werden onderwezen.

ALS was zowat de enige studentenorganisatie die zich verzette tegen de privatisering van de resto’s en de afbouw van de sociale voorzieningen. Het zocht daarbij steeds naar samenwerking met de vakbonden. Vooral in Gent had ALS een sterke werking. Het lag aan de basis van het buitenhouden van het extreemrechtse NSV uit het PFK (Politiek en Filosofisch Konvent), het weren – door brede mobilisatie – van Vlaams Blok-sprekers in de lokalen van de universiteit, enz.

Ook solidariteit met arbeidersstrijd was ALS niet vreemd. Toen bijvoorbeeld de arbeiders van de Boelwerf in het najaar van 1994 in staking gingen en strijd voerden tegen de sluiting van hun werf, organiseerde ALS een actieve solidariteitscampagne met gezamenlijke betogingen, benefietavonden en geldomhalingen in de auditoria. Toen later de strijd van de arbeiders van Clabecq uitbrak, zou ALS hetzelfde nog eens overdoen, maar dan aan een pak meer universiteiten.

6. ANDERE GROEPEN SLUITEN AAN

Ideologische beginselvastheid is een absolute vereiste voor een marxistische organisatie. Zoniet zal ze nooit kunnen weerstaan aan de ideologische, politieke, sociale en financiële druk binnen de kapitalistische maatschappij. De burgerij beschikt over talloze middelen om haar tegenstanders te isoleren en/of te recupereren. Het volstaat een blik te gooien op de door corruptie geteisterde SP.a- en PS-leidingen of op de voormalige “extreemlinksen” in de top van de SP.a, de PS en de vakbonden om te beseffen waartoe de burgerij in staat is.

Beginselvastheid mag echter niet leiden tot dogmatisme en koppige onbuigzaamheid. Als de situatie verandert, moeten marxisten voldoende openheid aan de dag leggen om oude zekerheden opnieuw in vraag te stellen en de nodige tactische aanpassingen door te voeren.

Door haar vermogen om de nieuwe situatie op een correcte manier in te schatten en open te staan voor verandering werd De Militant een aantrekkingspool voor andere krachten. Dat uitte zich onder meer op 9 oktober ‘94.

Een kleine groep Franstalige syndicalisten uit het Brusselse, die enkele maanden eerder gebroken hadden met de Socialistische Arbeiders Partij (SAP) wegens te opportunistisch, besloot na maanden discussie aan te sluiten bij De Militant. Voor De Militant, dat tot dan toe enkel in Vlaanderen actief was geweest, betekende dit een belangrijke doorbraak, ook op syndicaal vlak. Vanaf 1 mei ‘95 verschijnt De Militant ook in het Frans.

In juni ‘96 volgde een nieuwe doorbraak. Door de systematische verrechtsing van de sociaaldemocratie begon vanaf het begin van de jaren ‘80 Agalev en later ook Ecolo electoraal vooruitgang te boeken. Bij de arbeiders werden deze “op sandalen lopende mei ‘68-ers” raar bekeken, maar bij progressieve intellectuelen vormden hun ideeën over basisdemocratie en hun soms ”anders” lijkend optreden een welkom alternatief op de steeds conservatiever ogende SP-bureaucratie.

Vooral binnen Jong Agalev begonnen enkele jongeren te experimenteren met marxistische en anarchistische ideeën. Dit leidde uiteindelijk tot een confrontatie binnen Jong Agalev die ertoe leidde dat de partijtop haar greep op de jongeren zou verstrakken.

Vanaf juni ‘96 begonnen een aantal van die jongeren contact te zoeken met ALS. Een aantal sloten uiteindelijk aan bij Militant Links. In oktober 1999 organiseerde ALS naar aanleiding van de regeringsdeelname van de groenen een reeks druk bijgewoonde debatten tussen deze militanten en enkele Agalev-kopstukken.

Tenslotte besloot de meerderheid van “Socialisme International” op hun algemene vergadering van 22 juni 1997, eveneens om Militant Links te vervoegen. Socialisme International was sinds het midden van de jaren ‘80 actief in Wallonië en Brussel. Na een reeks gezamenlijke discussiebulletins en talloze debatten publiceerden beide organisaties een gemeenschappelijke verklaring waarin de opheffing van Socialisme International en de opname van diens leden bij Militant Links publiek gemaakt werd.

LSP gelooft niet dat een revolutionaire partij uitsluitend opgebouwd wordt door het winnen van individuen, één voor één, hoe belangrijk dat ook mag zijn. Politieke organisaties die deelnemen aan de klassenstrijd zijn niet ongevoelig voor de successen en de nederlagen ervan. Ze verfijnen hun beoordelingen aan de hand van de concrete ervaringen. Daarom zijn hergroeperingen onvermijdelijk in de opbouw van een partij.

7. MILITANT LINKS ALS STRIJDPARTIJ

Het proces van verburgerlijking van de sociaaldemocratie versnelde in de loop van de jaren ‘90. Veel te laat, pas in februari ’95, besloten we onze praktische verwijdering te bekronen met het opzetten van een ook officieel onafhankelijke organisatie. In Vlaanderen kozen we voor Militant Links, langs Franstalige kant werd, gezien de zwakte van de organisatie, gekozen voor dezelfde naam als ons blad: Militant.

Gezien het defensief waarin de arbeidersbeweging zich toen bevond en omdat bij jongeren de radicalisering zich hoofdzakelijk beperkte tot one issue-thema’s, was er geen nood aan een brede formatie gericht op de brede lagen, maar eerder aan een strijdformatie gericht op het aantrekken van de meest geradicaliseerde arbeiders en jongeren. De naam Militant Links/Militant drukte strijdbaarheid en actiegerichtheid uit. Het hield rekening met het voorlopige diskrediet van het socialisme en met het wantrouwen ten aanzien van politieke partijen bij hen die we in eerste instantie wilden bereiken.

Tegelijk lanceerden we de slogan voor een nieuwe arbeiderspartij vanuit de nood aan een onafhankelijk instrument van de arbeidersklasse. Het zou nog duren tot aan het Generatiepact vooraleer deze slogan enigszins een ingang vond. De eis bleef dus tot dan van propagandistische aard.

Ondertussen wachtte Militant Links/Militant niet af. Om ons fit te houden en niet weg te kwijnen, moesten we omwegen kiezen, tijdelijke oriëntaties op specifieke groepen. Naar de Gentse wijkbewoners of de scholierenvakbond in Kortrijk. We testten toen heel veel uit. Die tactische heroriëntaties waren een antwoord op de globale verwarring en fragmentering.

We zetten ook onze eerste stappen op het electorale terrein. Op basis van onze lokale interventies namen we in 1999 deel aan de verkiezingen: in Wallonië en Brussel via de lijst Debout (een lijst rond Roberto D’Orazio en de arbeiders van Clabecq); in Luik en Brussel met de PC en in Gent-Eeklo onder onze eigen naam, Militant Links. Debout stopte spijtig genoeg na een vrij goede eerste deelname, de PC verwachtte te veel van verkiezingen. In Gent kon Militant Links zich flink versterken dankzij deze verkiezingsdeelname. Het was echter duidelijk dat een nieuwe brede formatie nog lang op zich zou laten wachten.

Het bleef zoeken naar hoe om te gaan met de tegenstelling tussen het vacuüm ter linkerzijde en het ontbreken van een brede arbeidersformatie. Voor de gemeenteraadsverkiezingen in 2000 stelden we Linkse Allianties voor. Niet als voorloper van een brede formatie, maar als hulpmiddel om het vacuüm niet volledig verloren te laten gaan. Deze naam legde echter teveel de nadruk op een alliantie met andere formaties, die ons zeer lang aan het lijntje hielden, en te weinig op het aantrekken van nieuw lagen nog niet georganiseerde jongeren en arbeiders. Linkse oppositie was een betere naam geweest. In Luik kwamen we op met de PC, in Antwerpen riepen we op om voor de lijst PVDA+ te stemmen, in Oostende namen we deel onder onze eigen naam en in Gent samen met LEEF!

We hebben met Militant Links dus verschillende watertjes doorzwommen, steeds met de doelstelling de mogelijkheden die zich aanboden maximaal te benutten om socialistische ideeën ingang te doen vinden, het bewustzijn te verhogen en de revolutionaire stroming in de maatschappij te versterken.

8. DE DRIE KERNBEGRIPPEN VAN MILITANT LINKS: STRIJD, SOLIDARITEIT EN SOCIALISME

1. STRIJD

Omdat enkel strijd loont.

Strijd tegen een burgerij die ons wil beroven van alles wat we verworven hebben: degelijke lonen en vaste jobs, sociale zekerheid, leefbare werk- en Ieefomstandigheden, openbare diensten,…

Strijd tegen een burgerij die ons verdeelt om vrouwen, jongeren, migranten, nationale, etnische of religieuze minderheden nog harder te kunnen uitbuiten en de arbeiders in hun geheel onder de knoet te houden.

Strijd tegen een burgerij die met haar barbaarse productiewijze onze planeet op een steeds sneller tempo aan het vernietigen is. Strijd tegen een burgerij die voor de meerderheid van de wereldbevolking enkel armoede, onzekerheid, werkloosheid, oorlog, nationale onderdrukking, … kortom barbarij in petto heeft.

Met Militant Links kwamen we niet enkel tussen in de strijd van de arbeidersklasse en de jongeren zoals die zich ontwikkelde, maar startten we daarnaast ook eigen campagnes rond een aantal belangrijke thema’s. We probeerden hierrond arbeiders en jongeren te organiseren en te mobiliseren.

Enkele voorbeelden:

  • Op de werkplaatsen

Hoewel veralgemeende strijd uitbleef in de tweede helft van de jaren ‘90, vonden hier en daar geïsoleerde gevechten plaats. Daar waar we konden, ondersteunden we de strijd in woorden en daden..

Een voorbeeld daarvan was de zeven weken durende staking bij het Gentse metaalbedrijf Carnoy in september ’99, tegen het ontslag van ABVV-delegee Raf Verbeke en de voorgestelde herstructurering. De patroon gebruikte alle mogelijke middelen om de staking te breken: rechtbanken, politie, politieke druk, intimidatie, camera’s, helikopters om werkwilligen binnen te loodsen, enz.

We mobiliseerden systematisch voor de versterking van de piketten, organiseerden nationale en internationale solidariteit, hielpen om iedere volgende stap van de patroon te counteren. Ondanks een verbazende vindingrijkheid slaagde de patroon er maar niet in de staking te breken. Het zwakke punt echter was de houding van de nationale en gewestelijke vakbondssecretarissen. Zij beschikten over de mogelijkheid om de staking definitief te beslechten in het voordeel van de arbeiders, maar weigerden die mogelijkheid te benutten.

Militant Links lanceerde toen de oproep voor een gewestelijke 24-urenstaking voor de metaalsector. Hoewel heel wat arbeiders voor die eis te vinden waren, stootte het op de onwil van de vakbondsleiders die de “goede relaties” met Fabrimetal (patroonsorganisatie van o.a. de metaalsector) niet op het spel wilden zetten. Het resultaat was dat de arbeiders steeds meer geïsoleerd raakten en met gebogen hoofd opnieuw aan het werk moesten gaan. Het bedrijf werd later gesloten.

partij31997: De arbeiders van Forges De Clabecq betogen. Militant Links / Militant is met een delegatie aanwezig.

  • Het werken met bedrijfsbladen

In ‘94 begonnen we al met een bedrijfsblad voor De Post, Model 9, dat vandaag nog altijd ons instrument is om tussen te komen in de strijd van de postmannen en – vrouwen tegen de niet aflatende stroom van aanvallen op hun arbeidscondities en arbeidsstatuut. Enkele Ieden voelden op hun werkplaats een dringende noodzaak hiertoe omdat de arbeiders van de toen nog grootste werkgever totaal verdeeld zijn over verschillende kantoren en de vakbonden verzuimen om de nodige informatie door te spelen. Begonnen als een middel om postmannen en – vrouwen te informeren over de strijd in andere kantoren, ontwikkelde het op sommige momenten (in die kantoren waar mensen met Model 9 werkten) tot een mobilisatiemiddel voor strijd.

Ook in de ziekenhuissector begonnen we met een bedrijfsblad: de Ziekenhuiswerker. We streefden naar een uitbreiding ervan naar andere zorgsectoren. Ook deze sector kent immers een gebrek aan informatie en aan een middel om de strategie te bespreken (voor of tegen “sociale” Maribel, hoe de strijd eenmaken, …) en te mobiliseren voor acties. Dit werk wordt vandaag voortgezet met de “Polsslag” (website en actieblad non-profit http://polsslagnonprofit.blogspot.com/) waarmee we in de non-profit een krachtsverhouding proberen opbouwen.

Naast deze specifieke bedrijfsbladen brachten we regelmatig een syndicale nieuwsbrief uit. Het eerste exemplaar maakte meteen duidelijk waar het bij ons om gaat: het was een mobiliserend pamflet voor de strijd van de arbeiders van Forges de Clabecq.

Nooit hebben we het belang van het syndicale werk en de oriëntatie van onze jongeren op de arbeidersbeweging onderschat. Zelfs niet toen het op bepaalde momenten wat syndicale activiteit betreft windstil was. Onze eerste syndicale afgevaardigden dateren van deze periode. Onze politieke oriëntatie op de arbeidersbeweging zorgde ervoor dat we ook in ons jongerenwerk, toen de hoofdmoot van ons politieke werk, onze leden voorbereidden om later een actieve rol te spelen op hun werkplaats.

  • Onder jongeren

Naast Blokbuster begon vooral ALS een meer belangrijke rol te spelen en lagen we in Gent aan de basis van een campagne voor een vakbond voor studenten. Deze studentenvakbond kende haar hoogtepunt op het moment van de Witte Mars.

Jongeren gingen spontaan in actie en betoogden door de straten van alle steden en gemeenten. De VW-delegatie had het startschot gegeven voor concrete actie door onmiddellijk het werk neer te leggen toen het “spaghetti-arrest” – het van de zaak halen van onderzoeksrechter Connerotte, omdat die had deelgenomen aan een spaghetti-avond ten voordele van de slachtoffers van Dutroux – bekend werd. Er braken spontane stakingen en acties uit bij Ford Genk, Philips Hasselt, … en in ontelbare kleinere bedrijfjes. Dit was niet anders in de openbare diensten, bij de NMBS, De Lijn en haar Waalse en Brusselse tegenhangers. Het waren echter vooral de jongeren die van zich lieten horen in de week voor de Witte Mars. In Gent, waar de studentenvakbond georganiseerd was, was de beweging het meest ontwikkeld. De slogan van de betoging werd: “het systeem is rot, tot op het bot”. Een oproep voor een eenheidsactie op de vrijdag voor de Witte Mars resulteerde in de grootste betoging in de geschiedenis van Gent. Er waren vooral scholieren en studenten aanwezig, maar ook heel wat werkenden. Bij De Lijn en de huisvuilophaling staakte het personeel en vervoegde ze het protest aan het gerechtsgebouw. Eén teken van de vakbondsleiding had toen volstaan om de spontane acties te bundelen in een algemene staking. Het uitblijven van dit teken liet aan de koning en de traditionele partijen de mogelijkheid om de beweging in veiliger banen te leiden en te recupereren.

In Kortrijk lag Militant Links in 1997 aan de basis van het opzetten van een scholierenvakbond, naar aanleiding van 1 jaar Witte Mars. Op 28 april 1999 organiseerde deze vakbond nog een scholierenstaking tegen de schaalvergroting en samenwerkingsverbanden waarmee het ministerie van onderwijs besparingen wilde doordrukken.

Onder de titel “kiezen voor persoonlijkheid – dat doen we liever zelf’ protesteerde SVB-Kortrijk op 1 oktober 1999 tegen het verbod om piercings te dragen op school. Volgens SVB was dit verbod een rechtstreeks gevolg van de besparingspolitiek. Schooldirecties zijn door de besparingen immers verplicht met elkaar in concurrentie te gaan voor meer leerlingen. Een goed imago voor de school moet meer leerlingen, en dus ook meer subsidies aantrekken. De druk op de scholieren om zich “aan te passen” nam toe. SVB-Kortrijk vond dat de scholieren niet het slachtoffer mochten worden van deze concurrentiestrijd. Deze actie kreeg ruime mediabelangstelling en veroorzaakte een weken durend publiek debat over het recht om piercings te dragen. Zowel ZAK als Marek speelden met hun cartoons op dit debat in.

  • In de wijken

partij4-300x225

In november 1997 zette Militant Links haar eerste stappen op vlak van gemeentepolitiek. Als enige organisatie probeerden we Gentse bevolking te mobiliseren tegen de schandalige prijsverhoging van de vuilniszakken, een maatregel die rechtstreeks voortvloeide uit de privatisering van de intercommunale Ivago.

Een Gentse betoging met een paar honderd wijkbewoners was de start van een actieve campagne in enkele Gentse wijken. We mobiliseerden onder de armste wijkbewoners, Belgen en migranten, en ondermijnden in de praktijk de verdeel- en heersstrategie van het Vlaams Blok. Deze partij sprak zich in woorden uit tegen het huisvuilbeleid, maar stemde in de praktijk in de gemeenteraad mee met de andere partijen. We riepen op tot “burgerlijke ongehoorzaamheid” en om de dure vuilniszak niet te betalen. Iedere week organiseerden de comités lokale wijkbetogingen en het collectief verzamelen van het vuilnis. We waren niet in staat deze tactiek te herhalen in alle wijken, maar toonden in de praktijk aan wat een brede arbeiderspartij had kunnen doen. De strijd was te geïsoleerd in een paar wijken en kon bijgevolg het stadsbestuur niet op zijn plannen doen terugkomen. Het resulteerde wel in een aantal toegevingen voor de armste gezinnen, zoals een jaarlijkse tegemoetkoming – die nog altijd bestaat trouwens – om de prijs van de vuilniszakken te compenseren.

In Gent werd dit beleid het eerst getest en later toegepast over heel België, zogenaamd om de afvalberg te verminderen, onder het mom van “de vervuiler betaalt”. Wij verzetten ons niet tegen een milieuvriendelijke politiek maar ontkennen ten stelligste dat dit er ook maar iets mee te maken heeft. Wat eigenlijk voorgesteld wordt, is dat we betalen voor het overbodige verpakkingsafval van de industrie en daama nog eens voor de winsten van de afvalophalings- en recyclagebedrijven.

Op 24 januari 2000 deed de Gentse politie een inval in Turkse VZW’s en pittabars in de Rabotwijk. Op enkele GSM’s en autoradio’s na, waarvan men niet eens zeker was of ze wel gestolen waren, werd niets gevonden. De razzia en vooral de enorme media-aandacht zorgden ervoor dat de wijk nog maar eens gezien werd als een wijk vol criminelen en nietsnutten. Militant Links begon onmiddellijk een campagne voor jobs, degelijke woningen en meer ontspanningsmogelijkheden. Zo slaagden we er tijdelijk in de spanningen die de razzia in de wijk veroorzaakte, terug te dringen.

In dezelfde wijken zullen we in 2002-‘03 met LSP voor beroering zorgen met een campagne tegen het prestigeproject “Zuurstof in de Brugse Poort”, waarbij 89 oude huisjes tegen de vlakte werden gegooid, om plaats te maken voor de beter begoede tweeverdieners.

  • Internationaal

Onze Ierse sectie, de Socialist Party, had een voorbeeldfunctie wat betreft dergelijk type politieke actie. In juni 1997 werd ze ervoor beloond door voor het eerst in 50 jaar een marxist verkozen te krijgen in het parlement. Joe Higgins zette daar een trotse traditie voort: een parlementair aan een arbeidersloon die zijn positie gebruikte om te informeren, te sensibiliseren en te mobiliseren. Joe werd verkozen door de campagne die onze kameraden voerden tegen de plannen om een watertaks te introduceren. Een belasting op een levensnoodzakelijk product, dat op deze manier zo duur werd dat arme gezinnen moesten besparen op hygiëne om de waterrekening te kunnen betalen. Door de campagne, die brede lagen van de bevolking in de Ierse hoofdstad Dublin mobiliseerde, werd de taks uiteindelijk ingetrokken. Andere zeer geslaagde campagnes zouden volgen: één tegen de taks op huisvuilophaling waarvoor Joe en andere leden en activisten een paar maanden de gevangenis in werden gedraaid; één in solidariteit met de Turkse Gamma-arbeiders die zwaar werden onderbetaald en lange overuren moesten maken, …

2. SOLIDARITEIT

Omdat we individueel niets kunnen bereiken. De slogan “verbeter de wereld, begin bij jezelf’ wordt gebruikt om ons ervan te weerhouden om te vechten tegen de oorzaak van de problemen: het kapitalistische systeem. Wij stellen daartegenover solidariteit met alle arbeiders, ongeacht geslacht, ouderdom, nationaliteit, religieuze overtuiging, … in de hele wereld. Solidariteit is echter concreet: het betekent meevechten, hier helpen om elders een strijd vooruit te helpen,… Het betekent je organiseren op lokaal, nationaal en internationaal vlak.

Lenin was hierin al heel duidelijk: de eerste taak van een internationale socialist is de strijd voor socialisme in zijn/haar eigen land. Internationale solidariteit is noodzakelijk, maar kan niet zonder solidariteit met strijdende arbeiders in het eigen land.

Met de arbeiders van Clabecq

Militant Links was van in het begin van de strijd principieel in haar steun aan de arbeiders van Clabecq. Deze arbeiders hadden hun patroons, de politieke wereld en de media tegen. Onder de werkende bevolking was de steun echter zeer groot. Verschillende betogingen mobiliseerden tienduizenden arbeiders. Toen deze arbeiders samen met syndicalisten uit andere bedrijven en sectoren startten met de Beweging voor Vakbondsvernieuwing (BVV) kregen ze af te rekenen met een heel ander type druk. De druk van binnen de syndicale organisatie door een vakbondsleiding die deze beweging afschilderde als “gewelddadig, stalinistisch, …” was enorm. Deze leiding had vooral schrik voor het effect dat de arbeiders van Clabecq met hun zeer terechte kritiek op dezelfde leiding op de basis konden hebben.

Wij denken dat linkse militanten binnen de vakbond zich moeten organiseren om de volledige organisatie terug op het pad van het strijdsyndicalisme te brengen, niet uit een soort betekenisloos radicalisme, maar omdat de overlegstrategie zonder bereidheid om te vechten enkel voordeel oplevert voor de kapitalisten. Wij willen dat de vakbond terug beheerd wordt door de arbeiders en opnieuw actieve solidariteit in haar vaandel draagt.

Solidariteit stopt wat ons betreft niet wanneer de strijd in het bedrijf is afgelopen. Integendeel. Wij weten uit ervaring dat de burgerij, zodra de arbeiders gedemobiliseerd zijn, alles zal doen om de leiders te straffen, al was het maar om een voorbeeld te stellen. In het geval van Clabecq probeerden ze de stakingsleiders door de rechtbank te laten veroordelen. Hiertegen reageren kostte uiteraard handenvol geld. Naast het mobiliseren van permanente opdrachten voor de steunrekening van de arbeiders van Clabecq, haalden Militant Links-leden geld op waar ze konden. O.a. ACOD-VUB heeft toen onder impuls van haar hoofddelegee, een lid van Militant Links, gebruik gemaakt van de uitbetaling van de syndicale premies om een solidariteitsoproep met de 13 beschuldigden te lanceren. Maar liefst 29.000 Bfr. werd als bijdrage aan de proceskosten geschonken. Dit type van solidariteit en de sterkte van de 13 van Clabecq resulteerde in vrijspraak.

Met de arbeiders van Aldi

Ook internationale solidariteit stond hoog op onze agenda. In 2000 ontstond een conflict bij Aldi-Dublin in Ierland. De directe aanleiding was het systematische overwerk, dat bovendien niet betaald werd.

Toen een personeelsvertegenwoordiger hierover bij de directie ging klagen, werden hij en vier andere van de in totaal twaalf werknemers op staande voet ontslagen. Dit soort praktijken komt wel meer voor. In het algemeen aanvaardt men dat er toch niets aan te doen is. Onze Ierse zusterpartij reageerde door steungroepen op te zetten in de vier steden waar Aldi gevestigd was. Deze steungroepen organiseerden dagelijks activiteiten en riepen op tot een boycot van Aldi, terwijl de werknemers van de vestiging in Dublin voor twee maand in staking gingen. Bovendien werd op 19 augustus 2000 een internationale actiedag georganiseerd met acties aan Aldi-winkels in verschillende landen, o.a. ook in België.

Resultaat: de ontslagen werden ingetrokken, het recht om zich te syndiceren werd erkend en men begon aan onderhandelingen over de overuren.

Met politieke en syndicale activisten in Nigeria

Een ander voorbeeld waren de acties die we voerden tegen de repressie in Nigeria tegen politieke en syndicale activisten. Eén van de campagnes richtte zich tegen Shell, dat samen met de Nigeriaanse elite de lokale bevolking onder de knoet hield om zelf zoveel mogelijk winst te kunnen maken. We zetten anti-Shell-comités op overal waar het CWI afdelingen had en voerden actie aan de Shell-benzinestations. We kwamen op voor vakbondsrechten en voor de vrijlating van de politieke gevangenen. We voerden actie samen met andere organisaties en organiseerden sprekerstournees met Nigeriaanse activisten in België. De campagnes en acties waren erop gericht om druk uit te oefenen op het regime door hier de repressie aan te kaarten en de financiële middelen te verzamelen om politieke actie in Nigeria zelf mogelijk te maken. We kregen daarvoor meermaals de steun van vakbondsmilitanten en -afdelingen en vredesorganisaties.

Via een dergelijke solidariteit met arbeiders in strijd in Nigeria, Sri Lanka, Pakistan, Kazakstan, … konden we belangrijke toegevingen verkrijgen en werden vele strijdbewegingen in de praktijk geholpen.

Het is een vast gegeven in onze Internationale dat we, daar waar we kunnen, op een internationale manier reageren op iedere vorm van repressie en intimidatie van de arbeidersbeweging.

Een ander element van ons internationalisme is het belang van het trekken van lessen uit de verschillende strijdervaringen. Essentieel daarvoor is de uitbouw van een internationale revolutionaire arbeiderspartij zoals het CWI.

3. SOCIALISME

Omdat het kapitalisme ons van onze rechten berooft. Wij maken de wereld met onze arbeid. Alle rijkdom wordt door ons geproduceerd. Hiervoor krijgen wij van de bazen slechts lage lonen, werkloosheid, armoede en onderdrukking in ruil.

Omdat socialisme betekent dat de meerderheid van de bevolking bepaalt wat in de wereld gebeurt. Omdat socialisme betekent dat echte democratie pas gewaarborgd is als alle rechten voor minderheden in de maatschappij worden gerespecteerd – de arbeidersklasse heeft immers geen baat bij racistische, nationalistische, religieuze, seksistische onderdrukking.

Socialisme, omdat een maatschappij die produceert voor de behoeften van iedereen en niet langer voor de perverse winsten van enkelen, ook op een andere manier met die productie zal omgaan en de huidige kennis van milieuvriendelijk produceren ten volle zal gebruiken – en verder ontwikkelen – om de wereld te redden van die tikkende tijdbom.

Een voorbeeld van een echt socialistisch beleid

De val van de stalinistische regimes in Oost-Europa samen met de verrechtsing en verburgerlijking van de sociaaldemocratie hebben bij brede lagen van de bevolking verwarring en wantrouwen tegenover het begrip socialisme gecreëerd. “Veel mooie woorden, maar als ze aan de macht komen, zullen ze toch hetzelfde zijn als de rest”.

Verwonderlijk is dat niet. Na de verschillende projecten van “politieke vernieuwing” die we de afgelopen jaren over ons hoofd kregen maar geen enkele verandering boden, zou iedereen voorzichtig worden. De laatste variant hiervan was de slogan “goed bestuur”, geïntroduceerd door Leterme en co als antwoord op de paarse aankondigingspolitiek van de coalitie van liberalen en sociaaldemocraten. Wij hebben geen illusies in “politieke vernieuwing” of “goed bestuur” door partijen waarvan we weten dat ze de belangen van het kapitalisme boven dat van de meerderheid van de bevolking stellen. We denken integendeel dat we nood hebben aan de creatie van een nieuwe arbeiderspartij die de belangen van arbeiders en jongeren verdedigt en een strijdbare strategie uitwerkt om aan de aanvallen van de burgerij te kunnen weerstaan.

Toch willen wij ook duidelijk maken dat dit niet betekent dat we daarop moeten wachten en dat “aan politiek doen” vandaag niet alleen “zakkenvullerij” of “veel geblaat en weinig wol” hoeft te betekenen.

Liverpool, a city that dared to fight

Een bijzonder voorbeeld daarvan hebben we gegeven in de gemeenteraad van Liverpool in de jaren 1980, die gecontroleerd werd door Britse CWI-leden die toen nog binnen de Labour Party werkten. Deze gemeenteraad heeft aangetoond wat een socialistische politiek in de praktijk, binnen de beperkingen van gemeentepolitiek, kan betekenen.

Tussen 1983 en ’87 ging deze gemeenteraad over tot de bouw van 10.000 sociale woningen, zeven nieuwe scholen en zes ziekenhuizen, het herstel van de bedeling van gratis melk in alle peuterscholen, de 32-urenweek voor gemeentearbeiders, het concreet ondersteunen van strijd van arbeiders in de privésector, … Het is slechts een summiere opsomming van wat de gemeenteraad kon bereiken, en dat midden in het Thatcher-tijdperk.

De gemeenteraad stelde principieel dat de belangen van arbeiders, migranten, jongeren, vrouwen, … voorgingen op de woekerwinsten van de banken die teerden op de woekerrente op de stadsschuld: i.p.v. die te betalen, werd het geld geïnvesteerd in bovenstaande projecten onder het motto dat de stad door de woekerrente die schuld al lang terugbetaald had.

Thatcher heeft na de mijnstaking al haar krachten op Liverpool moeten concentreren om deze haard van verzet, een inspiratiebron voor arbeiders in heel Groot-Brittannië en zelfs buiten de grenzen, te breken. Ze heeft er de steun voor nodig gehad van het apparaat van de Labour Party, dat i.p.v. deze politiek ook in andere gemeenten te ondersteunen en door te voeren, de gemeenteraadsleden van Liverpool uit hun functies terugriep.

Liverpool blijft nog steeds een voorbeeld van hoe socialisten functies in een gemeenteraad zouden moeten gebruiken om een politiek te voeren in het belang van arbeiders en jongeren.

9. VAN STRIJDORGAAN NAAR KLEINE PARTIJ!

De financiële crisis van 1997 was een keerpunt op zowel economisch als politiek vlak en deed door de toenemende zichtbaarheid van de kloof tussen arm en rijk een nieuwe beweging ontstaan, die tegen de globalisering. In tegenstelling tot de one issue-bewegingen van de jaren ’90 ontwikkelde de antiglobaliseringsbeweging een meer algemene kritiek op de kapitalistische maatschappij. Het was nog niet de massale strijd van de arbeidersbeweging, maar haar voorbode.

Wij begonnen onze slogans aan te passen aan deze verandering in het bewustzijn. De slogan “armoede, werkloosheid, racisme,… wij vechten voor iets beter” werd toen één van de belangrijkste. Meer algemeen maakte de behoefte aan een strijdorganisatie die zich profileerde rond specifieke thema’s gradueel plaats voor de behoefte aan een meer diepgaand instrument met een meer belangrijke ambitie, argumenteerden we in ons congresdocument van maart 2001.

Militant Links was als naam te eng, drukte een groep geselecteerde activisten uit, nodigde niet uit tot aansluiten en had iets geheimzinnigs, bijna fundamentalistisch. De naam drukte onvoldoende uit wat de taken zouden zijn van marxisten in een periode van bredere beweging in de maatschappij en zou appelleren aan een te beperkte doelgroep.

Wij wilden “partij” in de naam om duidelijk te maken dat we geen “vrijblijvende” beweging zijn, maar een partij in wording en wilden dat aan al onze leden meegeven. De naam moest eveneens ons alternatief op het kapitalisme uitdrukken en een herkenbare naam zijn. Geen naam die volledig losstond van de tradities van de arbeidersbeweging: Linkse Socialistische Partij (LSP) dus. Maar niet zonder enige discussie in eigen rangen. Twee congressen, voorafgegaan door telkens lange periodes van discussie in de afdelingen, waren nodig om deze stap te kunnen zetten.

Langs Franstalige kant was de concrete verwijzing in de naam naar partij toen nog een stap te vroeg. Enerzijds was ons stadium van opbouw nog niet van die aard dat we ons partij konden noemen. Ook was de PS nog wel een ander beestje dan de SP.a en was ze duidelijk nog niet op dezelfde manier gediscrediteerd in de ogen van brede lagen, als de SP.a dat was.

Mouvement pour une Alternative Socialiste (MAS) sloot beter aan bij wat de taken van onze kameraden waren in Wallonië en Brussel: het bijeenbrengen van de eerste gevormde leden om te kunnen uitbreiden naar andere steden in Wallonië. Hoewel we toen al een goede regionale spreiding kenden in Vlaanderen, was dit nog zeer beperkt in Franstalig België. We hadden toen een afdeling in Brussel en in Luik.

10. DE ANTIGLOBALISERINGS-BEWEGING. Internationaal Verzet – Résistance Internationale

partij6

Om aansluiting te vinden bij de jongeren, aangetrokken tot de antiglobaliseringsbeweging, (AGB), creëerden we begin 2001 Internationaal Verzet/Résistance International (IV/RI). Net op tijd! Na de protesten in Praag en Nice, maar voor Göteborg en Genua. Het waren deze laatste gebeurtenissen die de AGB in België vorm hebben gegeven. IV/RI was op beide plaatsen aanwezig en kwam terug om overal waar we konden ooggetuigenverslagen te geven. Op deze basis werden de eerste IV/RI-comités opgezet.

De omvang van de Genuabetogingen had een grote impact op het bewustzijn. Het ging niet meer alleen om betogingen en protesten van de meest geradicaliseerde jeugd. In Italië begon de beweging (zomer 2001) over te slaan naar de brede arbeidersbeweging, wat resulteerde in een massabetoging van meer dan 300.000 mensen.

Ook de omvang van de repressie en het gebruik van politieprovocateurs om rellen uit te lokken om de beweging achteraf te kunnen criminaliseren – toegepast in Göteborg, maar pas echt duidelijk na Genua – stootte op heel wat afgrijzen en radicaliseerde en verbreedde de beweging. In Italië werd de jonge Carlo Giuliani vermoord door politiekogels, honderden werden verwond. Het onafhankelijke internetpersagentschap Indymedia, waar jonge betogers hun beelden van de betoging en de repressie centraliseerden, werd na de betoging aangevallen door de politie. Alle bewijsmateriaal werd in beslag genomen.

Op amper drie jaar mobiliseerde de AGB meer dan 3.000.000 betogers in meer dan 20 landen. De beweging begon een impact te krijgen op de arbeidersbeweging en zou later uitmonden in een wereldwijde golf van anti-neoliberaal protest. Het idee dat de bedrijfswereld enkel interesse heeft in zoveel mogelijk winst, onafhankelijk van wat dit betekent voor het leven van miljoenen arbeiders en hun gezinnen, werd een meer algemeen inzicht.

Met IV/RI verdedigden wij een socialistisch programma binnen de AGB en van bij het begin was IV/RI dicht verbonden aan LSP. Antikapitalisme was één ding, een alternatief aanbieden een ander. We namen het streven naar socialisme op in ons programma, maar niet in de naam. Dit omdat we het niet als een gegeven wilden opleggen, maar omdat we het open ter discussie wilden stellen. Diegenen die met ons akkoord gingen, sloten bijna automatisch aan bij LSP. De anderen kregen de vrijheid om daarover te twijfelen en toch met ons mee te bouwen.

De belangrijkste discussie toen was met welk programma en benadering we de beweging konden versterken. De nood aan een overgangsbenadering werd uitgebreid besproken om in staat te zijn de link te leggen tussen de reeds geradicaliseerde lagen en de brede beweging, maar ook tussen de eisen van vandaag en de nood om de maatschappij te veranderen. Op de antiglobaliseringsbetogingen droegen we bijvoorbeeld systematisch slogans mee tegen de liberalisering van De Post, naast meer algemene antikapitalistische slogans.

In de tweede helft van dat jaar werd België voorzitter van de EU en IV/RI bereidde zich volop voor op de organisatie van protest tegen de bijeenkomsten van de neoliberale EU. Samenwerkingsverbanden tussen organisaties en partijen kwamen bijeen en overal waar de EU een meeting plande, plande de AGB een tegenbetoging. IV/RI was betrokken bij de organisatie van deze betogingen en nam op verschillende plaatsen het initiatief voor scholierenstakingen. Vooral die in Gent was een groot succes met 2500 jongeren present.

11. 11 SEPTEMBER, DE OORLOG IN IRAK EN DE ANTI-OORLOGSBEWEGING

De aanslagen van 11 september zorgden echter voor een kentering in de beweging. Niet meer het groeiende protest tegen het neoliberalisme, maar de dreiging van terreur kwam op de voorgrond. De neoconservatieven met Bush als president grepen deze aanslagen aan om een oorlog te starten in Afghanistan, die ze vrij vlug (tijdelijk zal later blijken) wonnen, en om de oorlog in Irak voor te bereiden. Onder het mom van democratie werd in maart 2003 overgegaan tot deze oorlog voor de controle over olie in Irak.

De aanslagen van 11 september hadden een demobiliserend en demoraliserend effect op de AGB. Het Bush-regime, eerst zwaar in het defensief, kreeg de gelegenheid om de situatie in haar voordeel te keren. Toch was ook toen de steun aan Bush niet unaniem. Integendeel! De publieke opinie was vanaf het begin van de oorlog zeer verdeeld en bewust over de werkelijke beweegredenen voor de oorlog en kantte zich er in grote meerderheid tegen.

In de VS was dit natuurlijk anders, omwille van het effect van 11 september en de schrik voor meer aanslagen. Dit toonde direct ook het contrarevolutionaire effect van dergelijk type actie en het reactionaire karakter van organisaties als Al Qaida. LSP en het CWI veroordeelden deze aanslagen onmiddellijk, net als de hypocriete politiek en houding van het Amerikaanse imperialisme.

Het protest tegen de oorlog was wereldwijd en ook al in de VS aanwezig. Het antikapitalistische bewustzijn had zijn sporen nagelaten. Het begrip dat dit een oorlog was voor olie werd algemeen aanvaard. Hoe groot het anti-oorlogprotest was, bleek op 15 februari 2003, een maand voor de VS- en coalitietroepen Irak binnenvielen. Meer dan 10 miljoen mensen gingen de straat op, en dat nog voor de oorlog begonnen was!

In België was IV/RI de initiatiefnemer van de protesten op dag X, de dag dat de oorlog begon. In vele steden en gemeenten werden betogingen en meetings georganiseerd. De Belgische regering, net zoals vele kapitalistische regeringen in Europa, pakte uit met haar weigering om deel te nemen aan de oorlog. Deze oorlog was zeer omstreden, ook bij een deel van de burgerij. Maar deze regeringen konden geen echte dam tegen de oorlog opwerpen. Dat kon alleen de arbeidersklasse door zich te organiseren en komaf te maken met het wereldwijde kapitalistische systeem, dat zich van oorlog bedient als het haar uitkomt.

Sinds de oorlog uitbrak, werden jaarlijkse anti-oorlogsbetogingen georganiseerd op de verjaardag van de oorlog, waarop IV/RI steeds met een stevige delegatie aanwezig was. Maar die betogingen hadden niet langer hetzelfde massale karakter.

Wat we stelden, was dat de publieke opinie in de VS bepalend zou zijn om deze beweging opnieuw een massaal karakter te doen aannemen.

Naarmate deze oorlog steeds uitzichtlozer werd en een steeds groter deel van het overheidsbudget begon op te slokken, kantten steeds meer Amerikanen zich tegen de oorlog. Slogans als “geld voor onderwijs, jobs, gezondheidszorg,… niet voor oorlog” werden zeer populair. Onze Amerikaanse kameraden (www.socialistalternative.org) voerden soms zeer succesvolle campagnes tegen de militaire rekrutering in scholen en universiteiten.

In tegenstelling tot een aantal linkse organisaties trapten we niet in de val van slogans als “yankee, go home” en “stop USA”. Met dergelijke slogans viseerden die organisaties de hele Amerikaanse bevolking en begrepen ze niet dat ook in de VS de klassentegenstellingen zich aan het ophopen waren en dat er onder de oppervlakte een enorme tegenbeweging aan het ontwikkelen was.

De belofte van Barak Obama om de illegale gevangenis van Guantanamo te sluiten en de troepen terug naar huis te brengen, speelde een belangrijke rol in de toenemende populariteit van Obama onder jongeren.

Een economische vertraging of recessie, schreven we, gepaard met drastische aanvallen op de levensstandaard van de arbeidersklasse en hun gezinnen, zou deze anti-oorlogsbeweging in een later stadium versterken.

Noch in Irak, noch in Afghanistan, noch in Libanon hebben de coalitietroepen democratie bevorderd. “Democratie” was telkens slechts een dekmantel voor de werkelijke motieven. Een strijd tegen oorlog kan slechts een strijd zijn tegen het kapitalisme dat steeds opnieuw gedwongen wordt tot oorlog om de belangen van de heersende elite te verdedigen.

Ons perspectief was dat een opgang van de stemming en beweging tegen de oorlog in de VS zou samenvallen met massale bewegingen en stemmingen tegen het neoliberale beleid. Dit zou het begin kunnen zijn van een heropstanding van de anti-oorlogsbeweging op een hoger niveau.

Het is uiteindelijk de economische crisis geweest die aan het Bush-regime in november 2008 de doodsteek heeft gegeven. De sterkte van de Obama-campagne lag hierin dat hij inspeelde op wat onder de oppervlakte aan het broeien was. De slogan “Change” was een weerspiegeling van de eis voor verandering, de slogan “yes, we can” van een groeiend zelfvertrouwen. Maar de verwachtingen zijn immens, verwachtingen die door Obama niet zullen ingelost worden, namelijk een einde aan oorlog, crisis en onderdrukking.

De belofte om voor 2012 alle troepen terug te trekken uit Irak, contrasteert met de strategische belangen van het VS imperialisme om de olierijke regio te controleren. De situatie in Irak kan op kapitalistische basis niet gestabiliseerd worden. Een gedeeltelijke terugtrekking zal gepaard gaan met verhoogde spanningen tussen de verschillende bevolkingsgroepen in de strijd voor macht en controle. Het scepticisme neemt toe en niet alleen over de timing van de terugtrekking! De troepenmacht in Afghanistan wordt uitgebreid met 17.000 extra soldaten en ook Pakistan, dat door deze oorlog zwaar gedestabiliseerd wordt, komt steeds meer in het vizier.

De poging van Obama om de weg van het unilateralisme van Bush te verlaten, wordt verwelkomd in de mondiale pers maar fundamenteel verdedigt ook Obama een politiek die enkel in het belang van het Amerikaans imperialisme staat. Het verschil ligt hem er enkel in dat de huidige administratie daarin andere mogendheden wil betrekken onder het mom van “internationale samenwerking”.

De hoop dat het aan de macht komen van Obama het begin van het einde zou betekenen van de oorlogsaspiraties van het VS-imperialisme zal m.a.w. geen lang leven beschoren zijn. Belangrijke lessen zullen getrokken moeten worden door de anti-oorlogsbeweging in de VS en internationaal, over de nood om de strijd tegen oorlog te linken aan de strijd tegen het kapitalisme.

12. LSP VOORBEREIDEN OP KLASSENSTRIJD

“Arbeidersstrijd centraal stellen” was de titel van onze congresteksten in november 2004. Doelstelling ervan: de partij en de leden voorbereiden op een periode van strijd.

Een klimaat van strijd en verzet ontwikkelde overal in Europa. In Frankrijk en Nederland werd in 2005 de neoliberale Europese grondwet verworpen; in Duitsland ontstond een massabeweging tegen Hartz 4; in Italië vonden zes algemene stakingen op twee jaar tijd plaats tegen o.a. de pensioenhervormingen; in Griekenland zagen we massale bewegingen tegen besparingen in de openbare diensten, … Kortom: overal werd massaal gereageerd op de aanvallen op onze sociale welvaart.

Ook in België was een groeiend verzet merkbaar. In 2004 legden werknemers in de non-profitsector de regering het vuur aan de schenen door meerdere betogingen en stakingen te organiseren en een deel van hun eisen binnen te halen. Bij De Post botste de invoering van de Georoutes op groot en aanhoudend protest, maar het verzet voltrok zich in gespreide orde. Daarnaast werd actie gevoerd bij De Lijn, de MIVB, het spoor, het onderwijs, …

Om druk te zetten op de onderhandelingen voor een nieuw interprofessioneel akkoord (IPA) en gesterkt door de verregaande besparingsoperaties die doorgevoerd werden o.a. in Nederland en Duitsland, maakten ook de Belgische werkgeversorganisaties hun eisen duidelijk. Door patronaat, media en regering werd de publieke opinie voorbereid op een menu van sociale afbraak: arbeidsduurverlenging zonder extra loon, loonstop, verdrievoudiging van het aantal toegestane overuren, nog minder beperkingen op interim-arbeid, vermindering van de sociale lasten en de vervanging ervan door BTW, afschaffing van het anciënniteitbeginsel, beperking van de eindeloopbaanmogelijkheden, gelijkschakeling van het statuut van openbare diensten met dat van de privé, enz. Dit terwijl de bedrijfswinsten in 2003 verdubbelden.

Dit radicaliseerde de achterban van de vakbonden in die mate dat de IPA-onderhandelingen voorafgegaan werden door een sterke nationale betoging van de vakbonden met 50.000 mensen in december 2004. LSP was in vol ornaat aanwezig en verkocht 170 bladen. De socialistische vakbondsleiding kreeg het IPA niet verkocht aan haar basis, een meerderheid stemde tegen en ook binnen het ACV was het hommeles, vooral bij LBC. De ACV-leiding riep de regering dan maar op het IPA eenzijdig op te leggen! Dit soort openlijk verraad zou de ACV-leiding later in het jaar 2005, met haar houding tegenover de strijd tegen het Generatiepact, nog zuur opbreken. Ook bij de sectorale CAO-akkoorden was het spannen en in verschillende sectoren werd overgegaan tot actie.

13. Jongerenmars voor werk 2005

partij7-300x225

Om onze overwegend jonge leden een instrument en meer praktische oriëntatie op de arbeidersbeweging mee te geven, riepen we de ABVV- en ACV-Jongeren op om samen met Blokbuster een nieuwe Jongerenmars voor Werk te organiseren. Ondanks de tegenstand die we ondervonden bij het vakbondsapparaat om van deze mars een strijdbare mars te maken, gedragen door de jonge delegees en vakbondsmilitanten in de bedrijven, kregen we voor de campagne heel wat gehoor. We kwamen tussen met specifieke pamfletten in verschillende bewegingen en syndicale acties met de oproep om de strijd te veralgemenen. Het zorgde er vooral voor dat de oriëntatie van LSP op de syndicale actie kwam te liggen.

Deze Jongerenmars op 19 maart viel samen met een Europese vakbondsbetoging tegen de Bolkestein-richtlijn en de betoging van het Europees Sociaal Forum. Zo’n 80.000 mensen betoogden die dag mee met één van de drie betogingen. De Jongerenmars verzamelde 2000 betogers. LSP verkocht toen samen met onze Nederlandse, Franse en Engelse kameraden zo’n 650 bladen, wat een record was voor onze verkoop op een hoofdzakelijk syndicale betoging.

14. DE STRIJD TEGEN HET GENERATIEPACT

Toen SP.a-minister Freya Vanden Bossche voor de regering een voorbereidende onderhandelingsnota uitwerkte om de brugpensioenen drastisch te hervormen, was het hek van de dam. Het ACV dreigde nog in de zomer met een algemene staking als deze nota niet drastisch werd aangepast. De nota werd aangepast maar moest een lans breken, een eerste dijkbreuk veroorzaken en vooral een klimaat van aanvaarding realiseren. Maar het werd niet gepikt. De mensen waren het beu. Het was genoeg geweest. De mensen waren “niet meer voor rede vatbaar”, moest Luc Cortebeeck van het ACV toen concluderen. Hij vergeleek de stemming rond het Generatiepact met de stemming die er in Frankrijk en Nederland bestond rond de EU-grondwet. Deze aanval stootte op een muur van verzet en leidde tot een algemene staking op 7 oktober 2005 georganiseerd door het ABVV en nog een algemene staking gekoppeld aan een nationale betoging op 28 oktober, gesteund door alle vakbonden.

Interessant en van belang waren vooral de politieke conclusies die getrokken werden. Voor het eerst sinds LSP de slogan voor een nieuwe arbeiderspartij formuleerde, vonden we met deze eis ingang. Bijna 200 van onze leden waren aanwezig op de stakingspiketten om de piketten te versterken en onze steun aan de staking duidelijk te maken. De openheid voor de eis voor een nieuwe arbeiderspartij was opvallend. Gebruik makend van het moment lanceerden we een petitie voor een nieuwe arbeiderspartij. Op de betoging op 28 oktober haalden we met de petitie honderden adressen op en verkochten we 500 bladen.

Wij waren niet de enigen die dit vacuüm opmerkten. De ABVV-delegatie van Agfa-Gevaert riep op de banden tussen ABVV en SP.a te verbreken; Jef Sleeckx zei in een interview met Knack dat de tijd voor een nieuwe linkse partij was aangebroken. Op een SP.a-congres betoogde Jef met een grote groep ABVV-syndicalisten tegen het Generatiepact. Het potentieel toen was enorm. De tijd was rijp voor een concreet initiatief.

15. DE ONTWIKKELING VAN CAP

Begin januari 2006 nodigden we Jef uit voor een discussie met ons uitvoerend bureau. We waren het met Jef eens over de ruimte ter linkerzijde voor een nieuwe linkse partij; over de oriëntatie ervan op de arbeidersklasse; over de noodzaak om nationaal georganiseerd te zijn en over het feit dat het initiatief de nodige ruimte moest laten voor de eigenheid van iedere stroming. Jef, in naam van zijn comité dat hij vormde met Georges Debunne en Lode Van Outrive – dat reeds eerder een petitiecampagne voerde tegen de neoliberale Europese grondwet en voor een referendum in België over deze grondwet – begon aan een tournee in heel België om de ruimte voor een nieuw links politiek initiatief af te tasten. Het idee van CAP was geboren.

Ook langs Franstalige zijde werd een initiatief genomen, Une Autre Gauche. Jef Sleeckx zocht er contact mee, LSP sloot zich erbij aan. Onze bedoeling was om hen te overtuigen zo snel mogelijk te komen tot één nationaal initiatief, met één structuur en één programma. De tijd om naar buiten te komen en een beweging te bouwen, was naar onze mening meer dan rijp. Het ijzer moet gesmeed worden als het heet is. Dit was echter buiten de waard gerekend. Al vlug moesten we vaststellen dat eenheid hierover met UAG onmogelijk was. Bijkomende meningsverschillen over oriëntatie, methode van opbouw en het intern functioneren, maakte dat onze wegen opnieuw uiteen gingen. LSP besloot zich terug te trekken uit UAG en begon zich te concentreren op de uitbouw van CAP in Brussel en Wallonië.

Deze discussie was het begin van het missen van heel wat kansen. Toen CAP begin augustus 2006 online ging en aankondigde een nieuwe politieke beweging te starten, was de belangstelling indrukwekkend. Dag na dag kwam Jef in de media en honderden arbeiders bezochten de site en schreven zich in voor het initiatief. Deze belangstelling was te verklaren omdat intussen ook in Nederland en Duitsland linkse formaties hoog scoorden in de opiniepeilingen en in verkiezingen. Gewezen politiek communicatiedeskundige Noël Slangen stelde dat zo’n partij goed kon zijn voor 10 procent. Voorwaarde was wel dat de nieuwe partij zich absoluut niet zou laten verleiden tot een regeringsdeelname.

De systematische aarzeling echter bij de initiatiefnemers om zich duidelijk uit te spreken, uit schrik om de banden met UAG definitief op te blazen en in een aanhoudende poging om hen alsnog te overtuigen van de drie uitgangspunten van CAP (nationale structuur, oriëntatie op de arbeiders en ruimte voor iedere stroming), maakte dat CAP het momentum toen miste. Timing is cruciaal in politiek. Nooit opnieuw zou de media nog een dergelijke belangstelling tonen. Ook al omdat CAP ook later, toen nieuwe momenten zich aandienden, niet zou uitblinken in politieke klaarheid en vastberadenheid.

Ondanks dit alles was de oprichtingsconferentie op 28 oktober 2006 met 600 aanwezigen een groot succes en toonde het een groot potentieel. De deelname van LSP aan de gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingsaffiche werden gewijd aan het bekendmaken van en oproepen voor deze conferentie. De conferentie nam een motie aan voor de verdere uitbouw van de beweging op basis van een strijdbaar antineoliberaal programma, voor deelname aan de verkiezingen daar waar mogelijk, en voor het streven naar één gezamenlijke (nationale) beweging.

Na de conferentie was UAG helemaal niet gewonnen voor deelname aan de verkiezingen, noch voor nauwe samenwerking met de bedoeling om te komen tot één structuur. Op de CAP-conferentie van februari 2007 stuurde UAG haar kat en besliste een meerderheid van CAP om een Nederlandstalige en een Franstalige CAP-lijst neer te leggen.

De interventie in en steun van CAP aan de strijd van de VW-arbeiders was beslissend voor de oriëntatie en voor het bouwen van CAP in Brussel en Wallonië. We kwamen in contact met een aantal syndicale militanten afkomstig uit Henegouwen en Brussel die een belangrijke rol zouden beginnen spelen in de uitbouw van CAP.

CAP maakte een grote indruk op de VW-solidariteitsbetoging op 2 december met 25.000 betogers. In de betoging en rond de CAP-solidariteitsbus werden door een paar honderd CAP- en LSP-militanten 10.000 CAP-solidariteitspamfletten verdeeld, alsook 10.000 pamfletten van het VW-solidariteitscomité voor een sinterklaasfeest in de VW-fabriek. Tientallen arbeiders werden lid van CAP of wilden meer informatie.

Daarnaast verdeelden LSP-militanten nog eens 4000 LSP-pamfletten met een oproep om de staking van de VW-arbeiders uit te breiden naar de hele sector en om een nieuwe algemene staking voor te bereiden. We verkochten iets meer dan 500 bladen en haalden 900€ strijdfonds op met de VW-solidariteitsbadge.

Deze beweging liet zijn politieke sporen na. SP.a en PS zouden later nog vlug uitpakken met het plaatsen van “arbeiderskandidaten” op hun kieslijsten om zo hun linkerflank af te dekken. Het mocht niet baten. De SP.a en PS werden bij daaropvolgende de federale verkiezingen in juni 2007 zwaar afgestraft. Hun rol als architecten van het Generatiepact was de spreekwoordelijke druppel. De corruptieschandalen van de PS in Wallonië maakten het plaatje af. De SP.a kreeg amper 16% van de stemmen en de PS verloor haar positie van grootste partij aan de MR.

Maar zoals eerder gesteld, verliep de uitbouw van CAP, ondanks het duidelijke potentieel, niet van een leien dakje. De talrijke discussies met UAG, maar ook binnen CAP (over al dan niet deelname, al dan niet opkomen als onafhankelijke kracht – sommigen pleitten voor een “rode band” op de Groen!-lijst,…) maakten dat CAP nooit eensgezind naar buiten kwam en door de buitenwereld niet gezien werd als een geloofwaardig alternatief. Daarbij kwam dat de verkiezingsslogan “een andere politiek is nodig” niet duidelijk maakte waar CAP dan wel voor stond en in de kaart speelde van de antipaarse partijen.

Hoe dichter de verkiezingen eraan kwamen, hoe sterker er op het communautaire element gespeeld werd en hoe minder het sociaaleconomische aan bod kwam. CAP werd uiteindelijk door een zeer efficiënte mediaboycot buiten de verkiezingen gehouden. De uitslag van de verkiezingen was navenant: 20.000 stemmen, niet meer dan LSP haalde in 2004 onder haar eigen naam en programma.

We legden uit dat verkiezingen slechts een momentopname zijn. Dat de uitslag zeker het ritme van CAP en de opbouw van een nieuwe arbeiderspartij kon vertragen, maar dat het vacuüm ter linkerzijde een grote handicap blijft voor arbeiders om hun belangen te verdedigen. Dat klassenstrijd de nood aan een politiek instrument op de agenda zal blijven zetten en dat CAP nog altijd een rol zou kunnen spelen, onder één voorwaarde: dat ze erin zou slagen tussen te komen in de reële beweging met een perspectief en programma om de beweging vooruit te helpen.

16. BEWEGING VOOR KOOPKRACHT

Deze test kwam er al zeer vlug in de vorm van de beweging voor koopkracht begin 2008. De inflatie nam pijlsnel toe, wat de koopkracht van de gezinnen ondermijnde. De combinatie van recordwinsten, een zeer krappe arbeidsmarkt (vooral in Vlaanderen), een zeer hoog arbeidsritme in de bedrijven en een arrogant patronaat legde de basis voor een groeiende strijdbaarheid en vertrouwen onder de arbeiders in de bedrijven om terug te vechten. Het was een spontane staking voor 1€ loonopslag per uur bij een onderaannemer van Ford dat het vuur aan de lont stak. Al gauw ontstond een domino van spontane stakingen in heel Vlaanderen. In zo’n 200 bedrijven werd door staking en dreiging van staking loonsopslag, vooral in de vorm van eenmalige bonussen, verkregen.

CAP slaagde er niet in ook maar enige rol van betekenis te spelen. We beseften dat als we in deze beweging wilden tussenkomen om het idee van een nieuwe arbeiderspartij te kunnen populariseren, dat we het zonder CAP zouden moeten doen.

De beweging veralgemeende. De druk op de vakbonden nam toe voor een nationaal actieplan. De competitie onder de vakbonden n.a.v. de sociale verkiezingen zorgde ervoor dat er een week van syndicale actie georganiseerd werd in juni. De opkomst was massaal, vooral in Wallonië, wat het argument ondermijnde dat we vooral te maken hadden met een Vlaamse beweging.

De eisen waren zowel gericht naar het patronaat als naar de regering. Het was een waarschuwing naar de bazen dat de arbeiders hun deel van de winsten kwamen opeisen en een boodschap aan de regering dat het eindelijk eens gedaan moest met het communautaire gestook. Dat er belangrijker dingen waren in het leven, namelijk de verdediging van de koopkracht van de gezinnen.

De slogans van LSP in de beweging: samen sterk; meer koopkracht door meer loon en welvaartsvaste uitkeringen – 1€ meer per uur; ABVV en ACV: breek de banden met SP.a en CD&V; met en rond de vakbondsbasis: een syndicale partij is nodig.

17. DE DUBBELE TAAK VAN MARXISTEN

Marxisten hebben een dubbele taak. Ze moeten enerzijds een rol spelen in de uitbouw en het versterken van de brede strijdorganen van de arbeiders en hun gezinnen, politiek als syndicaal, als de basis leggen voor de uitbouw van een revolutionaire partij.

De twee gaan hand in hand. De discussie over een socialistisch en revolutionair programma staat niet los van de dagelijkse strijd, maar is aan deze strijd verbonden. De revolutionaire partij moet daar aanwezig zijn waar het debat wordt gevoerd en de strijd wordt aangegaan en in de praktijk het vertrouwen winnen. Met CAP hebben we aangetoond dat we ons programma niet willen opleggen, maar dat we de discussie willen voeren.

Dit type van activiteit houdt ons niet tegen om tegelijk de revolutionaire socialisten te organiseren in een eigen onafhankelijke en daartoe bestemde partij. Naast haar tussenkomsten in de brede beweging groeide LSP de laatste jaren uit van de kleinste factor ter linkerzijde begin jaren 1990 tot een aantrekkingspool voor op zijn minst een deel van de nieuwe generatie van geradicaliseerde jongeren en jonge arbeiders. Hoe? Door, zoals de geschiedenis van LSP aantoont, niet aan de kant te blijven staan, maar op een energieke manier tussen te komen in klassenstrijd op basis van duidelijke en met alle leden uitbediscussieerde analyses en perspectieven. Onze leden zijn bereid hun vleugels nat te maken en voor hun ideeën te vechten. Ook wanneer het iets moeilijker wordt en de klassenstrijd tijdelijk een dipje kent. Ons motto is: kansen zien en ze grijpen.

18. ENKELE VAN ONZE MEEST RECENTE CAMPAGNES

In de wijken

LSP beschouwt propaganda, jongerenwerk en interventie in de klassenstrijd als haar belangrijkste taken. Maar het neoliberalisme heeft ook enorme effecten op de leefomstandigheden buiten de werkplaats. Hoge prijzen voor huisvesting, het feit dat lokale diensten worden afgebouwd om ruimte te maken voor prestigeprojecten die de lokale bevolking niet ten goede komen, de verwaarlozing van buurten waar enkel mensen met een laag inkomen wonen, … maken dat voor veel arme wijkbewoners de problemen zich opstapelen. Een brede arbeiderspartij zou deze thema’s moeten opnemen en mensen organiseren in hun wijken voor de strijd voor verbetering van hun leefomstandigheden. Zonder de illusie te willen wekken dat wij dat op hetzelfde nivo als een brede arbeiderspartij zouden kunnen aanpakken, wil LSP de aandacht vestigen op deze problemen en mensen de kans bieden zich te verzetten daar waar wij daartoe de mogelijkheid hebben.

Zo voeren we wijkcampagnes tegen de privatisering van lokale diensten, tegen prestigeprojecten en het gebrek aan investeringen in de sociale woonwijken.

In Luik, in de volkswijken van Droixhe, kwamen we in contact met een aantal sociale huurders die in conflict lagen met hun huisvestingsmaatschappij over een renovatieproject van de gebouwen gebaseerd op economische en urbanistieke prioriteiten ten nadele van de bewoners. Deze renovatie werd trouwens op een autoritaire en inefficiënte manier doorgevoerd. Afgaand op onze website en een interventie van MAS/LSP in de wijk, hebben ze ons begin 2007 gecontacteerd. We hebben hen geholpen een comité op te zetten. Vervolgens zijn verschillende betogingen en acties doorgegaan met onze actieve steun, alsook een bezetting van de lokale huisvestingsmaatschappij, “Atlas”. Na een strijd van verschillende maanden werd o.a. een premie als schadevergoeding afgedwongen, samen met nog een aantal andere voordelen.

In Gent organiseerden we het protest tegen de afbraak van 89 oude huisjes die plaats moesten ruimen voor een park om een beter begoede laag naar de bewuste wijk aan te trekken. In Leuven startten we een campagne tegen de prijsverhoging van de vuilniszakken.

Aan de universiteiten

Het studentenwerk van ALS en EGA bleef een belangrijke rol spelen in de uitbouw van LSP. Op basis van verschillende campagnes organiseerden we duizenden studenten tegen besparingen in het onderwijs, de afbouw van sociale voorzieningen, aanvallen op het onderwijspersoneel, tegen het fascistische NSV, het toenemende seksisme, alsook tegen het repressief asielbeleid.

Campagne voor een democratisch onderwijs, voor 7% van het BBP voor onderwijs

Met de Bologna-akkoorden is de aanval op de democratisering van het onderwijs ingezet. Een commercialisering van het hoger onderwijs heeft gevolgen voor de toegankelijkheid van het onderwijs, op de kwaliteit van het onderwijs, het aanbod en de condities van studenten en personeel.

Het initiatief van de ABVV-delegatie aan de VUB om te vechten voor 7% van het BNP voor onderwijs wordt volop gesteund door LSP en ALS. Verschillende keren nam deze delegatie het voortouw in concrete actie met verschillende honderden en duizenden studenten en personeel.

Respact: front tegen de verhoging van de studiekosten

Overal willen kapitalistische regeringen de inschrijvingsgelden verhogen, zoals al het geval is in een aantal Europese landen. ALS/EGA heeft zich daarom aangesloten bij de campagne Respact, opgezet door het FEF (Franstalige studentenfederatie), dat als doel heeft een zo groot mogelijke eenheid in actie te bouwen tegen de voortdurende verhoging van de studiekosten in het hoger onderwijs. Uiteraard zonder tegelijk onze strijd voor de volledige stopzetting van de Bologna akkoorden te staken.

Campagnes tegen racisme en fascisme

De afwezigheid van een geloofwaardige linkerzijde en antwoord op de vele maatschappelijke problemen en sinds kort de economische crisis is zonder twijfel koren op de molen van extreemrechts en rechtse populisten.

Sommigen denken dat de strijd gestreden is omdat het aantal stemmen voor het Vlaams Belang (VB) bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen (2006) in een aantal achtergestelde Antwerpse wijken (ooit VB-bastions) daalde en het VB er sindsdien twee geduchte concurrenten ter rechterzijde bijkreeg, Lijst Dedecker (LDD) en de NVA, wat het aantal stemmen voor het VB verder onder druk kan zetten.

Wat er niet bij verteld wordt, is dat de ingezette stadsvernieuwing in Antwerpen door het SP.a geleide stadsbestuur leidde tot de verdringing van de meer achtergestelde gezinnen en de komst in de stadskernen van de beter begoede tweeverdieners. Is daarmee de voedingsbodem voor extreemrechts afgenomen? We denken van niet, de problematiek is eerder verschoven.

Het Vlaams Belang zelf verwijst naar de moordpartij van de racistisch geïnspireerde tiener Hans Van Themsche in Antwerpen als één van redenen voor de achteruitgang van het VB.

De grote betogingen en acties als reactie tegen dit racistisch geweld brachten inderdaad tienduizenden mensen op de been en toonden de immense afkeer dat in de maatschappij aanwezig is ten opzichte van dergelijk geweld. Aangezien algemeen aanvaard wordt dat het VB mede verantwoordelijk is voor het creëren van een racistisch klimaat, kan dit zeker een rol gespeeld hebben.

Maar hoe belangrijk dergelijke bewegingen ook zijn, zonder programma, noch instrument om de onderliggende redenen voor de groei van racisme te bestrijden, kan een dergelijk effect slechts tijdelijk zijn.

In een situatie van economische crisis, is het gevaar reëel dat dergelijke groepen en partijen op de wanhoop en desillusie van de werkende bevolking zullen teren, zeker als een strijdbare arbeiderspartij afwezig blijft. Daarbij komt dat een electorale achteruitgang van het VB de meer gewelddadige strategie meer ruimte zal geven, wat kan leiden tot meer openlijk racistisch en fascistisch geweld.

Met de jaarlijkse anti-NSV-betogingen organiseren we studenten op een strijdbaar programma, met als doel het NSV (Nationalistische Studenten Vereniging), de officieuze studentenorganisatie van het VB, te bestrijden op de universiteiten en door systematisch massaal tegen te betogen hun vertrouwen te breken. Jaar na jaar mobiliseren deze tegenbetogingen 800 tot 1500 studenten en scholieren, waarmee het aantal fascistische studenten ruimschoots overtroffen wordt.

Het bestaan van een jarenlange massale structurele werkloosheid in Brussel en Wallonië, de verloedering van talrijke voormalige arbeiderswijken, de desintegratie van het sociaal weefsel, samen met het aan de macht zijn van een door corruptieschandalen geteisterde sociaaldemocratische partij, de Parti Socialiste (PS), vormt ook hier een zeer gunstige cocktail voor de groei van een extreem rechtse formatie. Het Front National (FN) haalt telkens weer niet te onderschatten electorale scores van 7 à 8%, ondanks het feit dat deze partij nauwelijks actief is.

Het FN bezit nauwelijks enige solide structuur of partijkader en gaat ten onder aan interne strubbelingen en frauduleuze praktijken. Na de uitsluiting van hun voorzitter voor het leven, Daniel Féret (omwille van het feit dat hij partijgeld gebruikte om zijn eigen villa mee te bouwen in het Zuiden van Frankrijk), heeft het FN geprobeerd zichzelf een nieuw imago aan te meten, om al snel terug te vervallen in oude gewoontes. Een situatie dat het neonazistische en gewelddadige Nation meer ruimte geeft om te ontwikkelen.

Deze laatste wilde van 1 mei (2008), dag van de arbeid, gebruik maken om in Charleroi haar troepen te verzamelen, daarbij pochend op hun website dat ze op straat geen enkele oppositie tegenkomen. Dit project mislukte compleet, niet alleen omdat hun actie verboden werd, maar vooral omwille van de gezamenlijke tegenmobilisatie van 300 jongeren en arbeiders, georganiseerd door Résistance Internationale, de Franstalige ABVV-Jongeren (FGTB-Jeunes) en andere antifascistische organisaties.

Vooraleer opnieuw geconfronteerd te worden met nieuwe splitsingen en schandalen, probeerde het “nieuwe” FN nogmaals op te staan door hun verkiezingscampagne met een meeting in Molenbeek als racistische provocatie te lanceren. Ze hebben deze meeting uiteindelijk moeten annuleren, waarvoor ze de volgende uitleg hadden: “De communisten van MAS en Résistance Internationale hebben opgeroepen om te betogen tegen het recht voor het FN om zich publiek uit te drukken in de symbolische gemeente Molenbeek”. De echte reden waarom ze hun meeting niet konden houden, is omdat er geen enkele actieve steun bestaat in deze wijken voor een racistische en extreem rechtse formatie. De campagne van Résistance Internationale in Molenbeek had de doelstelling en de verdienste dit duidelijk te maken.

Dit zijn maar enkele voorbeelden om de methode van Blokbuster en Résistance Internationale (Contre le Racisme) aan te tonen, namelijk door via directe actie jongeren te organiseren rond een concreet programma.

Daarnaast zijn we van oordeel dat het bouwen van een politiek alternatief voor en door arbeiders, van gelijk welke afkomst, voor een wereld zonder armoede en onderdrukking, het belangrijkste wapen is om racisme en geweld in de maatschappij tegen te gaan.

Voor het recht op asiel

Vanaf het begin, toen sans-papiers één van de gebouwen van de ULB (Brusselse Franstalige universiteit) begonnen te bezetten (2008), heeft EGA (ALS) een actieve rol gespeeld in het opzetten van een actiecomité en het zoeken van steun.

Sans-papiers verlaten alles en iedereen wat hen dierbaar is omwille van de huidige politiek van plundering van de rijkdommen en de super uitbuiting van arbeidskrachten, wat een echte ravage aanricht in het Zuiden. De imperialistische politiek tegenover de arme landen maakt dat het daar quasi onmogelijk is door werk te ontsnappen aan de meest bittere armoede – veel gezinnen in de arme landen zouden niet kunnen overleven zonder de bijdragen van uitgeweken familieleden die in het westen werken.

De zogenaamde derde wereldlanden zijn gedwongen hun markten te openen voor de Westerse bedrijven. De multinationals, die slechts het najagen van winst tot doel hebben, spelen een belangrijke rol in het in stand houden van reactionaire regimes in de neokoloniale wereld. De imperialistische mogendheden aarzelen niet op geweld te gebruiken om hun economische en politieke dominantie te verzekeren. Eenmaal hier, duwt de uitwijzingspolitiek van de Belgische regering duizenden gezinnen in de clandestiniteit. De deregulering van de arbeidsmarkt en de politiek van uitwijzingen versterken elkaar. Hele delen van de kapitalistische economie komen in een schemerzone terecht, op de rand van de legaliteit, wat druk zet op de lonen en de arbeidscondities in de legale delen van de economie.

De steun van EGA/ALS aan de studentenbeweging op de ULB heeft enkele successen opgeleverd, vooral op het hoogtepunt in april en gedurende de protesten tegen de razzia’s georchestreerd door de burgemeester van Brussel rond 1 mei.

EGA heeft systematisch de aanwezigheid van sans-papiers en studenten aan syndicale acties (o.a. de koopkrachtacties) gestimuleerd en opgekomen voor eenheid tussen arbeiders met of zonder papieren in de strijd voor het recht op een degelijke job voor iedereen. De sans-papiers kunnen slechts een overwinning boeken als ze erin slagen de steun te winnen van een bredere laag onder de bevolking, in het bijzonder onder de georganiseerde arbeidersbeweging.

“Destroy capitalism, before it destroys the planet”

logo_ecologie_buttonMet International Verzet lanceerden we een campagne om de milieuproblematiek in de kijker te zetten en jongeren te mobiliseren rond concrete lokale acties, o.a. aan elektriciteitscentrales en multinationals. Het is steeds duidelijker dat de kapitalisten en hun politici niet in staat zijn om de milieucrisis op te lossen. De drive naar winst doet hen steeds zoeken naar de goedkoopst mogelijke manier van produceren. Wij verdedigen binnen de milieubeweging een socialistisch antwoord op de milieuproblematiek, d.w.z. een oplossing die niet de arbeiders en armen doet opdraaien voor beperkte en niets opleverende “ecologische fiscaliteit” e.d. – bijvoorbeeld het duurder maken van niet-milieuvriendelijke producten of het opleggen van de meest asociale vorm van belastingen, met name BTW – waarbij de grote bedrijven steeds buiten schot blijven. Samen met de vele jongeren en arbeiders actief in deze beweging zullen we zoeken naar een overgangsbenadering, die de link maakt tussen de verzuchtingen en noden van vandaag en de nood om de maatschappij fundamenteel te veranderen. We moeten ons met deze campagne niet enkel richten op de meest geradicaliseerde jongeren en arbeiders, maar tevens een brug slaan tussen het vechten voor een beter milieu en de arbeidersstrijd voor betere woon-, werk en leefomstandigheden.

Voor vrouwenrechten

Het neoliberalisme, met zijn afbouw van diensten en degelijke lonen en arbeidscondities, treft de hele arbeiderswereld, maar vrouwen in het bijzonder. De economische afhankelijkheid van vrouwen, het geweld en de druk op vrouwen, nemen toe. Seksisme is, net als racisme, een product van het kapitalisme. Het wordt gebruikt als middel om de arbeiders te verdelen en te verzwakken, met nefaste gevolgen.

Het eenheidsdenken van de jaren 1990, dat ervan uitging dat het kapitalisme het beste en het enig mogelijke systeem was, ging op het terrein van het vrouwenthema gepaard met het “postfeministische” denken: de wettelijke ongelijkheid is nagenoeg weggewerkt en vanaf nu hangt het van de individuele vrouw af of ze “het maakt” of niet. Het deeltijds werk, de lage lonen in de “vrouwensectoren”, de schandalig lage, want onvolledige pensioenen van vrouwen worden tot vandaag door beleidsmakers verklaard door het feit dat vrouwen “foute keuzes” maken, dat vrouwen “minder ambitie” zouden hebben, want dat het gezin voor hen voorgaat, enz. Nochtans volstaat een dichtere kijk op de realiteit van de samenleving om die beweringen te weerleggen.

De vrouwencommissie voerde de discussie over dat postfeminisme om onze leden te vormen en te wapenen tegen die officiële visie op vrouwen. We wezen op de creatie van lage loonsectoren, we wezen op het gebrek aan betaalbare kinderopvang, we wezen op de gejaagdheid van de flexibele arbeidsmarkt en de onmogelijkheid om voltijdse jobs te combineren met de gezinstaken die nog steeds voor drie vierden door vrouwen worden uitgevoerd. De afbouw van de openbare diensten – minder schooluren, zieken die verondersteld worden het ziekenhuisbed minder lang te bezetten, rust- en verzorgingsinstellingen voor bejaarden die steeds duurder werden, … – verhogen de druk op vrouwen enorm.

Bovendien ging dat postfeminisme gepaard met een nieuw seksisme. De strijd die vrouwen hebben gevoerd voor meer seksuele vrijheid – een strijd waar LSP zich achter schaart – werd door de kapitalisten aangegrepen om een enorme uitbreiding van de seksindustrie mogelijk te maken. Vooral Vlaamse politici begonnen prostitutie als een beroep als een ander voor te stellen en wie problemen had met pornografie en het misbruik van vrouwelijke seksualiteit voor commerciële doeleinden, was een moralistische “seut” die in de knoop lag met haar eigen seksualiteit. Wie zich verzette tegen de voorstelling van vrouwen als een seksobject, werd onmiddellijk verwezen naar het kamp van de paus en andere conservatieve krachten. Nochtans heeft de seksindustrie niets met seksuele vrijheid van vrouwen te maken, integendeel. De lage lonen en slechte arbeidsvoorwaarden in de “vrouwenjobs”, gekoppeld aan de steeds toenemende levensduurte, drijft steeds meer vrouwen in die industrie. Het tekort aan vrouwen die bereid zijn in die bewust gecreëerde markt met superwinsten te “werken”, werd in de westerse wereld aangevuld met een wereldwijde handel in vrouwen en kinderen, in feite de opgang van een nieuwe slavenhandel.

Het internet bood die slavenhandelaars een enorm forum om hun “waren” aan te prijzen en een markt te creëren. Hoewel verschillende studies vandaag aantonen dat de enorme uitbreiding van pornografie – voor 97% een industrie die op mannen is gericht en waarin vrouwelijke onderdanigheid en constante seksuele beschikbaarheid centraal staan – een steeds grotere druk zet op vooral jonge meisjes om seksueel te “presteren”, en bij jongens tot een totaal verwrongen beeld op “vrije” seksualiteit leidt, is het nog steeds “not done” om je hiertegen te verzetten. Als studentes zich prostitueren of model staan voor de porno-industrie om hun studies te betalen, dan is dat officieel “een vrije keuze”. LSP blijft deze discussie voeren, gekoppeld aan regelmatige acties tegen de objectivering van vrouwen, vooral aan de universiteiten.

LSP werkt sinds 1995 met een vrouwencommissie die systematisch aandacht besteedt aan het uitwerken van campagnes en een strijdbaar programma naar vrouwen en meisjes toe. In ons programma staat één idee centraal: de noodzaak om te komen tot een eenmakend programma, in tegenstelling tot het burgerlijke feminisme dat het seksisme enkel versterkt. De strijd voor vrouwenrechten is onlosmakelijk verbonden met de arbeidersstrijd voor degelijke jobs en lonen, voor goed functionerende en toegankelijke openbare diensten die de zorgtaken opnemen voor al die groepen in de samenleving die daar nood aan hebben, voor een sociale zekerheid die alle mensen, ook zij die niet kunnen werken, een reële plaats in de samenleving kan bieden. De werkloosheid onder vrouwen is dan wel afgenomen, maar de ondertewerkstelling heeft enorme proporties aangenomen: steeds meer vrouwen werken deeltijds of in allerlei onderbetaalde stelsels (zoals de dienstencheques) die hun werknemers geen volledig loon – en dus geen financiële onafhankelijkheid – kunnen bieden. Het organiseren van de werknemers van die laagbetaalde sectoren wordt steeds dringender.

Via de vrouwencommissie besteden we speciale aandacht aan de vorming van onze vrouwelijke leden en zorgen we ervoor dat het een discussie- en strijdpunt blijft in de hele partij. Via zeer praktische maatregelen als het verzorgen van babysits voor de afdelingsvergaderingen en de nationale activiteiten zorgen we ervoor dat ook vrouwen met kinderen actief kunnen zijn in de partij. De voortdurende discussie die in onze rangen wordt gevoerd rond deze kwestie bestrijdt het seksisme en de beperkte kijk op de rol van vrouwen in de samenleving die ons dagelijks wordt opgelepeld.

partij8

19. Voor arbeiderseenheid tegen het nationalistische opbod

In 2005 hield LSP haar tweejaarlijkse conferentie rond de nationale kwestie in België. Een organisatie die daarover geen diepgaande discussie voert, is gedoemd om te vervallen in één van beide kampen: de Vlaams-nationalisten of de belgicisten. Beide kampen worden echter gekenmerkt door één grote gelijkenis: beide zijn fundamenteel voor een neoliberaal beleid. Het Vlaams-nationalistische discours van CD&V/NVA moest dienen om Wallonië en Brussel onder druk te zetten om hun sociale uitgaven in te krimpen en hun werklozen steeds meer te dwingen, zoals in Vlaanderen, om gelijk welke job te aanvaarden. Maar dat is ook wat belgicisten als Rudi Aernoudt – schrijver van het anti-Warande-manifest, ondertussen ex-lid van de VLD en oud kabinetsmedewerker van Kubla (MR) en Moermans (VLD) – willen, in navolging van de officiële stellingname van het VBO. De arbeidersbeweging moet hierin een onafhankelijk standpunt innemen, indien ze niet hoedanook de verliezer wil zijn. De verdediging van een nationale sociale zekerheid, arbeidsmarktpolitiek en nationaal sociaal overleg staat hierin centraal, maar ook het respect voor culturele eigenheid en voor de rechten van minderheden. De Vlaams-nationalisten tonen hun ondemocratische ideeëngoed zeer duidelijk in hun weigering om het Europees verdrag rond de rechten van minderheden goed te keuren.

LSP en haar internationale organisatie (CWI) verdedigen overal waar we aanwezig zijn het recht van onderdrukte naties op zelfbeschikking. We gaan echter niet akkoord met de standpunten van organisaties als Meervoud, dat zich inschrijft in een “links” nationalisme, dat in Vlaanderen volledig verzuipt in het dominante politieke discours waar de asociale, ondemocratische en egoïstische inhoud van afdruipt. In tegenstelling tot Meervoud zijn wij enkel bereid te vechten tegen nationale onderdrukking, één van de meest alomvattende vormen van onderdrukking die mensen kunnen ondergaan. Wanneer de strijd zich omvormt tot het vormen en propageren van een “nieuwe” natiestaat die op zijn beurt bijvoorbeeld zijn taal met dwangmaatregelen oplegt – zoals bijvoorbeeld de taalvoorwaarden voor sociale huisvesting die werden opgelegd door de Vlaamse regering – dan is die strijd reeds veranderd van een vooruitstrevend democratisch streven in een nationalisme dat zelf streeft naar onderdrukking.

Voor ons is niet nationalisme het uitgangspunt, maar de positie van de arbeidersklasse. We steunen nationale verzuchtingen slechts in zoverre dat het de klassenstrijd vooruit brengt en de condities waarin die strijd plaatsvindt gunstiger maakt voor de arbeidersklasse. We denken dat de nationale onderdrukking van bijvoorbeeld de Palestijnse, Koerdische of Kosovaarse bevolking een enorme rem zet op de organisatie en de politieke klaarheid van de arbeidersbeweging van zowel de onderdrukte volkeren als van de arbeidersbeweging in de onderdrukkende naties. Onze Israëlische organisatie roept binnen de Israëlische arbeidersbeweging concreet op om het recht op een leefbare Palestijnse staat te aanvaarden. Naar de Palestijnse bevolking toe verzetten we ons tegen een nationalisme dat de Israëlische arbeiders over dezelfde kam scheert als de Israëlische elite, zoals met de zelfmoordaanslagen die steevast slachtoffers maken onder de Israëlische arbeiders en hun gezinnen, zonder de elite te raken. Deze houding drijft de Israëlische werkende bevolking steeds opnieuw in de armen van de Israëlische heersende klasse, die ook hen uitbuit. Ons programma en onze activiteiten zijn gericht op arbeiderseenheid tegen iedere vorm van onderdrukking.

Maar in Vlaanderen gaat het volgens ons niet langer om een bevrijdend nationalisme. Waar we mee geconfronteerd worden, is een egoïstisch en revanchistisch nationalisme dat erop gericht is de Franstaligen in België “een koekje van eigen deeg” te bereiden, alsof het de meerderheid van de Franstalige bevolking zou zijn die verantwoordelijk is voor de vroegere, afgrijselijke onderdrukking van de Vlamingen. De Belgische arbeidersbeweging heeft een lange geschiedenis van gezamenlijke strijd en solidariteit tegen het Belgisch kapitaal. Het is die eengemaakte strijd die het stemrecht, de sociale zekerheid, het statuut van de openbare diensten, de hogere lonen, enz. heeft afgedwongen. De afzonderlijke strijd tegen de afbouw van het onderwijs, opgelegd door nationale beslissingen over de budgetten van de deelstaten, is sinds de regionalisering en de feitelijke splitsing van de onderwijsvakbonden steevast uitgelopen op nederlagen van scholieren, studenten en onderwijzend personeel.

De Vlaamse arbeiders hebben volgens ons niets te winnen bij dat dominante Vlaams-nationalisme, dat er enkel op gericht is hen nog verder en harder uit te persen. Dat betekent niet dat wij geen begrip hebben voor kwesties als de sociale verdringing in de Brusselse rand, het betekent wel dat wij de oplossing niet zien in een nationalistische richting. Het voornemen van de Vlaamse regering is immers niet om in de rand grootschalige sociale woonprojecten op te zetten om de oorspronkelijke bevolking en hun kinderen de mogelijkheid te bieden daar te blijven wonen. Overal in België is het woonbeleid erop gericht de grootste betaler voorrang te bieden.

Het komen tot een eengemaakt programma voor Vlaamse, Brusselse, Waalse en Duitstalige arbeiders en hun gezinnen kan enkel door het aanvaarden van de meest consequente democratie en door het inzetten van de nationaal geproduceerde rijkdom om armoede, werkloosheid, bestaansonzekerheid, het tekort aan betaalbare huisvesting van goede kwaliteit, het tekort aan diensten, … op te lossen. Het samenleven van die verschillende bevolkingsgroepen is volgens ons helemaal niet onmogelijk, we denken niet dat een staat hoedanook slechts één natie kan omvatten. Maar het kapitalisme organiseert steeds meer tekorten doordat steeds meer rijkdom wordt afgeroomd door een zeer kleine elite van grote aandeelhouders en bazen. Die tekorten zullen steeds weer tot verschillende vormen van strijd leiden, waaronder ook strijd tussen verschillende nationale groepen om een groter deel van de kleiner wordende koek voor zich te hebben. De enige strijd echter die een einde maakt aan de tekorten en de arbeidskracht en productiviteit van de werkende bevolking kan inzetten voor de bevrediging van de behoeften van de absolute meerderheid van de bevolking, is de strijd van de arbeidersklasse tegen het kapitaal.

20. CRISIS VAN HET KAPITALISME ZET SOCIALISME TERUG OP DE AGENDA

De groei van de wereldeconomie en de recordwinsten van de afgelopen periode hebben de arbeidersklasse weinig soelaas gebracht. Elementen van crisis zijn steeds aanwezig geweest tijdens deze periode Het neoliberaal beleid heeft lelijk huisgehouden. Veel verworvenheden die bekomen zijn door strijd werden tot het minimum beperkt en de koopkracht van de arbeidersklasse werd steeds meer onder druk gezet om de winsten te maximaliseren.

De ondermijning van de koopkracht werd jarenlang opgevangen door het ter beschikking stellen van goedkoop krediet, waardoor een illusie van rijkdom werd gecreëerd. Nooit eerder werden op wereldvlak zo veel schulden opgebouwd door overheden, bedrijven en gezinnen samen. Ooit zou deze zeepbel barsten en uitmonden in een crisis die zijn gelijke niet kent. Dat was de positie die marxisten gedurende deze periode verdedigden en waarvoor ze dikwijls werd verweten doemdenkers te zijn.

Kapitalistische economen en commentatoren waren totaal verrast door deze crisis. Het zet al hun zekerheden op de helling. Om te proberen een diepe en langdurige recessie te vermijden en uit schrik voor verregaande politieke en sociale onrust, werd het roer radicaal omgegooid en teruggegrepen naar een politiek van massale staatsinterventie en nationalisaties, iets wat jarenlang ondenkbaar en eigenlijk gewoon taboe was.

Gedurende een jaar en een half kwamen vakbonden geregeld op straat, onder druk van hun basis, en eisten meer geld voor koopkracht. Het eisenpakket van de betogingen en stakingen van 6 oktober 2008 bedroeg alles samen 500 miljoen €. Het antwoord van de regering was steevast “er is geen geld”! Nauwelijks een maand na de actie werd bijna 20 miljard € uitgetrokken om het failliet van de drie grootste Belgische banken te voorkomen en later werd daar nog een stevige schep bovenop gedaan. Het besef dat het de arbeidersklasse is die zal moeten opdraaien voor een crisis waar ze zelf geen aandeel in heeft gehad, neemt toe. Oppositie tegen een dergelijke een “bail out” met gemeenschapsgeld groeit.

Sprekend is dat Marx opnieuw vanonder het stof wordt gehaald in een poging om deze crisis te begrijpen. Afbeeldingen van Marx verschenen regelmatig op de voorpagina’s van de meest vooraanstaande burgerlijke magazines, samen met de vraag “Had Marx dan toch gelijk?”. Deze crisis betekent voor de burgerij een ideologische opdoffer van formaat. De euforie van de periode na de val van het stalinisme is totaal verdwenen en maakt plaats voor regelrechte paniek en wanhoop. Alles zal in het werk gesteld worden om een depressie zoals degene die volgende op de crash van ’29 te vermijden. Of dit zal lukken, is nog maar de vraag.

De crisis ondermijnt het vertrouwen in het kapitalisme en zal opnieuw aanleiding geven tot massale strijdbewegingen en een hernieuwde interesse in socialistische ideeën. Maar ook dit zal niet op een rechtlijnige manier gebeuren. De klassenstrijd zal ontwikkelen met vallen en opstaan. De taak van marxisten is om in dit proces de lessen van de klassenstrijd bewust te maken en een instrument daartoe op te bouwen, namelijk een revolutionaire partij.

21. Nationaal Congres december 2008

congres10

De leden voorbereiden op een dergelijke periode, was de doelstelling van dit congres.

Een van de beslissingen was om de naam MAS in te ruilen voor een naam – Parti Socialiste de Lutte (PSL) – die ons duidelijker positioneert. De groei van het aantal Franstalige leden (ondertussen één derde van het aantal leden) in combinatie met de verandering in de objectieve situatie gebood ons deze stap te zetten. Daarbij werd dezelfde logica gevolgd als toen Militant Links omgedoopt werd tot Linkse Socialistische Partij. We willen ons duidelijk plaatsen als partij, links van de PS, daarbij rekening houdend met de tradities van het strijdsyndicalisme die zijn ingebed in het collectief bewustzijn van de Waalse arbeidersklasse.

Een andere beslissing was om een meer uitgesproken publiek profiel te beginnen bouwen. We moeten naar buiten met ons socialistisch programma! Hoewel een deel van de arbeidersklasse de ogen sluit en tegen alle hoop in hoopt dat deze crisis wel zal overwaaien, gaat een ander deel op zoek naar antwoorden. We moeten daaraan tegemoet komen door meer publieke meetings, meer propaganda, het stimuleren van het ideologisch debat, het organiseren van marxistische studiegroepen aan de universiteiten,… Bovenal moeten we klaar staan om zij aan zij te staan met al wie in actie komt voor de verdediging van zijn job, inkomen, pensioen, … om een rol spelen in de ontwikkeling van deze strijdbewegingen en deze systematisch te verbinden aan de nood voor socialisme.

We moeten blijven argumenten aanreiken en initiatieven nemen om te komen tot een nieuwe grote strijdbare arbeiderspartij. Een strijdinstrument om van de arbeidersklasse een wapen te maken in het gevecht tegen crisis, oorlog en uitbuiting.

De druk om de meer makkelijke weg te bewandelen en binnen het kapitalistische systeem een oplossing te zoeken, zal echter kenmerkend zijn voor de meeste van dergelijke partijen. De neiging zal bestaan om de gemakkelijke weg te volgen en dezelfde fouten die reformisten in het verleden hebben gemaakt nog eens over te doen.

De burgerij zelf zal in de loop van de klassenstrijd al het mogelijke doen om dergelijke stromingen meer gewicht te geven, met als doel de ontwikkeling van meer radicale conclusies en stromingen in maatschappij tegen te gaan, en dat om hun eigen systeem te beschermen.

Binnen een dergelijke formatie en binnen de arbeidersbeweging in zijn geheel zal het er voor LSP op aankomen uiteraard mee te vechten voor elke mogelijke hervorming in het belang van de arbeidersklasse. Maar dit evenwel zonder haar historische taak naast zich neer te leggen en de politieke strijd aan te gaan voor een revolutionair socialistisch programma en de uitbouw van een revolutionaire socialistische partij.

Om het met de woorden van Marx te stellen: het komt er niet alleen op aan de wereld te analyseren, maar om hem te veranderen!