Atjeh en de tsunami

Zowel het leger als de corruptie vormen hinderpalen voor de hulp in Atjeh in het noorden van Soematra, de regio waar zowat twee derden van het totaal aantal doden viel bij de tsunami. Tot nu toe is slechts 30% van de toegekende VN-hulp effectief aangekomen. Meer dan twee weken na de ramp zijn een aantal afgelegen dorpen nog niet bereikt door hulpverleners. We hadden een gesprek met de officiële woordvoerder van de GAM (Beweging Vrij Atjeh).

Arne Johansson

Terwijl de Indonesische regering de schijn probeert op te wekken van een open houding tegenover haar tegenstanders in de Beweging Vrij Atjeh (GAM), wordt de hulp gesaboteerd door de pogingen van het regime om opnieuw de militaire controle over het gebied te verwerven. Er waren verschillende dodelijke incidenten toen het leger hulpverleners probeerde tegen te houden toen deze aanstalten maakten om zich naar gebieden te begeven die gecontroleerd worden door de GAM. Hulpverleners moeten nu speciale toelating krijgen om uit steden als Banda Atjeh of Meulabou te gaan. Bij de incidenten werd ook een Amerikaans hulpkonvooi acht uur opgehouden door een schietpartij.

Noodtoestand

De catastrofale gevolgen van de tsunami worden versterkt door de vernietiging van de infrastructuur zoals bruggen en wegen. Er is ook een gebrek aan coördinatie van de hulpverlening, bureaucratie, corruptie, de aanhoudende Indonesische "noodtoestand", en de oorlog tegen de rebellen van de GAM ondanks het door de GAM eenzijdig afgekondigde bestand. Er zijn al een aantal gevallen van ziektes gekend en het gevaar van een epidemie is reëel.

"Vanuit helicopters wordt gemeld dat er mensen te voet op weg zijn naar Banda Atjeh (de provincie-hoofdstad) waarbij ze overleven op kokosnoten", stelde het hoofd van de hulpoperaties in Atjeh dat verantwoordelijk is voor de hulpverlening van het Amerikaans leger. Er wordt gevreesd dat veel mensen weinig toegang hebben tot voedsel of andere basisbenodigdheden.

Volgens de laatste cijfers zouden er meer dan 105.000 doden gevallen zijn in Atjeh, en dit op een totaal van zowat 165.000 doden. De Indonesische minister van sociale zaken zegt dat er nog eens 10.000 vermisten zijn, terwijl het niet echt mogelijk is om een beeld te krijgen van de situatie in de geïsoleerde kustgebieden of eilanden buiten Sumatra, ten zuiden van Meulabou (waar op zich zowat 30.000 doden vielen).

De hulp bereikt het platteland niet

Terwijl de hulpgoederen zich opstapelen op de luchthavens van Jakarta en Medan buiten Atjeh en in de provinciale hoofdstad Banda Atjeh, zijn er enorme problemen om de hulp te verspreiden op het platteland. Aangezien niemand een duidelijk beeld lijkt te hebben van hoe ver de helicopters van het Amerikaanse leger al zijn gegaan en aangezien er geen communicatie mogelijk is met het zuiden van het land, is het mogelijk dat heel wat mensen nog niet bereikt werden.

Ook in de kleinere steden heeft niet iedereen toegang tot de hulpverlening. De krant ‘Jakarta Post’ bracht zondag verslag uit dat wellicht een groot aantal overlevenden in Nanggroe Atjeh Darussalam geen hulp hebben gekregen of toch onvoldoende. Eén van de redenen die voor deze situatie wordt aangehaald is het feit dat vooral inspanningen gedaan worden voor zo’n 100.000 overlevenden in 200 kampen in de provincie die gecontroleerd worden door Indonesische soldaten, terwijl honderdduizenden andere slachtoffers in de kou blijven staan.

Er wordt gesteld dat er meer hulp op komst is, aangezien het VN Wereldvoedselprogramma haar steun wil opdrijven van hulp voor 130.000 daklozen tot 400.000 daklozen en nadien mogelijk zelfs tot 1 miljoen.

Sabotage door het leger

Intussen krijgt de hulpverlening te maken met sabotage omdat het leger verder gaat met haar jacht op de rebellen van de GAM en verdachte "infiltranten" in de vluchtelingenkampen. Dit versterkt de vrees onder de bevolking tegenover diegenen die controle hebben over de verdeling van de hulp. Dit probleem zal nog groter worden indien de regering effectief overgaat tot het bouwen van 5 grote kampen voor telkens tussen de 8.000 en 20.000 vluchtelingen.

Het nieuws over de gewelddadige confrontaties bereikt niet gemakkelijk de buitenwereld. Het Britse dagblad The Guardian schreef hoe zeven jonge mannen eind vorige week werden neergeschoten in het dorp Lampouek, zo’n 25 kilometer ten zuidwesten van Banda Atjeh. Terwijl het leger beweert dat de zeven slachtoffers activisten van de GAM waren en daarom schoten, stellen de inwoners van het dorp dat het gewone burgers betrof die op het strand op zoek waren naar resten van hun motorfietsen. "Dit soort incidenten komt vaak voor", stelde een dorpeling. "We lijden al lang onder de heerschappij van het leger. Ik wil onafhankelijkheid voor de bevolking van Atjeh. Iedereen wil dat", voegde hij er aan toe.

Australische journalisten zagen een ander incident in Lhoknga, nog verder in het zuiden. Daarbij kwam niemand om, maar ze zagen hoe Indonesische soldaten gedurende uren de lokale bevolking verhinderde om naar het zuiden te trekken en dat met het excuus dat ze ervan verdacht werden troepen van de GAM te bevoorraden.

Leger steelt hulp

De officiële woordvoerder van de GAM, Bakhtiar, vertelde aan Offensiv (het weekblad van onze Zweedse zusterpartij) dat er nog een incident was waarbij zo’n 200 vluchtelingen een kamp nabij Kloeng Raya waren ontvlucht nadat ze waren lastig gevallen door het leger. Alle hulpgoederen bleven achter in het kamp. Ook zouden een aantal vluchelingen in Pase zwaar gewond geraakt zijn. Het leger beschuldigt de GAM ervan dat het de hulpverlening hindert. "Waarom zou GAM zoiets doen als we een eenzijdig bestand hebben afgekondigd? Het zou ook waanzinnig zijn aangezien we weten dat er zich heel veel soldaten in het gebied bevinden."

Alsof de problemen met het Indonesische leger nog niet genoeg zijn, wordt de regering (in ballingschap in Zweden) van de "staat" Atjeh nu ook geconfronteerd met de provocaties van het zogenaamde ‘Islamitische Verdedigingsfront’ (FPI) dat destijds was opgezet door generaals uit het leger als reactie op de pro-democratische beweging in Indonesië in 1998 en dat mee geleid wordt door de Indonesische Mujahedin Raad (MMI) dat een religieuze dictatuur wil vestigen. De koepelorganisatie MMI wordt naar verluidt geleid door de voorman van de terroristische organisatie Jema’ah Islamiyah, Abu Bakar Ba’asyir.

Volgens Bakhtiar Abdullah zijn er intussen zo’n 250 ‘hulpverleners’ van die organisaties in Atjeh aangekomen met militaire vliegtuigen. "Dit strooit zout in de wonden van Atjeh. Ze zijn hebben hun aanwezigheid reeds laten voelen door de eis te stellen dat buitenlandse hulpverleners de Sharia wetten moeten naleven waarbij ze geen contact mogen zoeken met vrouwen uit Atjeh of alcohol mogen drinken buiten hun kampen."

Volgens de GAM hebben dergelijke islamitische organisaties geen basis in Atjeh en staan ze vijandig tegenover de tolerante opstelling van moslims in Atjeh. De komst van leden van het FPI en de MMI naar Atjeh, is een uidrukking van de vrees onder radicale legerleiders uit Indonesië over de impact van buitenlandse hulpverleners in de oorlogszone. Volgens de Australische media werd door een woordvoerder van het FPI gewaarschuwd dat duizenden aanhangers van haar organisatie de situatie van nabij volgen en er zullen op toezien dat de buitenlandse hulpverleners het land onmiddellijk verlaten eens hun humanitaire taak er op zit. De FPI-woordvoerder stelde: "We moeten voorzichtig zijn, we willen niet nog een Oost-Timor."

Corruptie ondermijnt de hulp

Bakhtiar Abdullah van de GAM is bijzonder opgezet over de wereldwijde solidariteit. Hij denkt dat de steun ook geleidelijk aan effectief de getroffen regio bereikt en dat ondanks de aanhoudende noodtoestand en de houding van het leger. "De hulpverlening verloopt echter bijzonder traag en het corrupte regime in Jakarta wil ervoor zorgen dat het een graantje kan meepikken," stelt Bakhtiar.

Er zijn openlijke voorbereidingen om de hulpverleningsoperatie te boycotten en hulp te stelen. Het dagblad ‘Jakarta Post’ van 10 januari waarschuwde dat de regering van plan is om gebruik te maken van de ramp in Atjeh om haar begroting te verbeteren. De minister van financiën verklaarde dat de regering in 2005 slechts 100 miljard Rp zou besteden aan Atjeh en het noorden van Sumatra, terwijl aanvankelijk het driedubbele budget was voorzien. "De vermindering komt er door de giften van de bevolking en van buitenlandse regimes." Deze verklaringen hebben er reeds toe geleid dat nu geëist wordt dat er een onafhankelijk orgaan komt om toe te zien op de financiële steun en de besteding ervan. Daarnaast hoopt de Indonesische regering dat het zal kunnen genieten van een beperktere schuldenlast, waardoor het minder moet uitgeven. Dat geld zal uiteraard niet gebruikt worden voor de heropbouw van Atjeh.

Net zoals een aantal Amerikaanse NGO’s eist de GAM nu dat de "noodtoestand" in Atjeh wordt beëindigd en dat iedere sabotage van de hulpverlening onmiddellijk wordt gestopt. Ook eist de GAM dat de beperkingen voor hulpverleners en journalisten in de regio worden opgeheven. Er wordt daarnaast ook gesteld dat de militaire operaties moeten stoppen zodat alle aandacht kan gaan naar de hulpverlening.

Er waren optimische inschattingen van journalisten over de mogelijkheid van nieuwe onderhandelingen tussen de regering en de GAM. De Financial Times beweerde dat er onderhandelingen zouden komen onder leiding van het Zwitserse Henri Dunant Centrum voor Humanitaire Dialoog, een instituut dat verantwoordelijk was voor het mislukte akkoord in 2002.

“We hebben altijd gezegd dat we bereid zijn om te onderhandelen en de strijd op een vreedzame wijze te voeren, maar we zijn niet bereid om onze eis voor onafhankelijkheid van Atjeh te laten vallen", verklaarde Bakhtiar Abdullah aan Offensiv.

Toen we hem vroegen of er geen oorlogsmoeheid optreedt, herinnerde hij er ons enkel aan dat de bevolking van Atjeh gedurende 70 jaar heeft gevochten tegen de Nederlandse kolonisten.

De eis van GAM voor onafhankelijkheid krijgt geen enkele steun van de VS of een regionale macht in Azië. Zoals een voormalige adviseur van Clinton, Sidney Blumenthal, verklaarde in The Guardian, zijn de neo-conservatieven in de VS eerder geneigd om de beperkingen inzake VS-steun aan het Indonesische leger op te heffen.

Het is niet uitgesloten dat er nieuwe onderhandelingen komen, maar deze zullen geen blijvende oplossing teweeg brengen. Colin Powell bracht recent een bezoek aan Indonesië en bracht de beëindiging van de noodtoestand zelfs niet voorzichtig ter sprake.

De bevolking van Atjeh voelt zich gesterkt door de massale solidariteit die er komt van gewone werkende mensen en jongeren in heel de wereld. Er is bovendien een grotere aandacht voor het lijden, de onderdrukking en de strijd van de bevolking van Atjeh. Er is bovendien ook een toename van de solidariteit van arbeiders uit Indonesië.

Wij denken dat er solidariteit nodig is met de bevolking van Atjeh en dit zowel tegen de nationale onderdrukking als tegen de klassenonderdrukking. Deze strijd moet de steun krijgen van de arbeidersklasse op internationaal vlak en van anti-imperialisten. Bovendien moet de strijd een socialistische programma krijgen. Enkel op basis van eenheid met de onderdrukte massa’s in Indonesië, kan komaf gemaakt worden met de heersende elite en haar leger. Het is ook op deze basis dat echte onafhankelijkheid kan bereikt worden waarbij er nieuwe mogelijkheden ontstaan van democratische en vrijwillige samenwerking met andere delen van Indonesië en heel de regio, en dit op gelijkwaardige basis. Enkel dan zal het mogelijk zijn om te breken met de controle van de multinationals en de imperialisten over de grondstoffen waardoor de middelen kunnen ingezet worden voor de behoeften van heel de bevolking.

Delen: Printen: