Nieuw Volksfront in Frankrijk – dossier over het Volksfront in de jaren 1930

Morgen is er de eerste ronde in de Franse parlementsverkiezingen. De linkse partijen trekken samen naar de kiezer als het ‘Nouveau Front Populaire’, een verwijzing naar het Volksfront in de jaren 1930. Onder druk van antifascistisch protest kwamen de partijen vandaag tot een gezamenlijk initiatief. Het is nuttig om terug te blikken op het vorige volksfront en de antifascistische strijd in Frankrijk in de jaren 1930. Het boek ‘Waar gaat Frankrijk heen?’ van Leon Trotski beschrijft de periode 1934-38, van de fascistische provocatie tot het revolutionair potentieel. Dit boek verscheen in 2022 en kan via onze webshop gekocht worden. Het voorwoord door Nicolas Croes en Geert Cool beschrijft de periode en trekt lessen die ook vandaag nuttig zijn.

Product afbeelding
In onze webshop:
Leon Trotski: ‘Waar gaat Frankrijk heen? 1934-38: van fascistische provocatie tot revolutionair potentieel’
€15
Kopen


In mei-juni 1936 raasde een golf van stakingen en fabrieksbezettingen door Frankrijk. De parlementsverkiezingen van 26 april en 3 mei leverden een overwinning van het Volksfront op, een alliantie van communisten (PCF), socialisten (SFIO) en de burgerlijke Radicale Partij. Nog voor de nieuwe regering aantrad, braken er stakingen uit in de luchtvaartsector. Het begon met de arbeiders van de Breguet-fabrieken in Le Havre op 11 mei. Zij eisten dat twee kameraden die afgedankt werden wegens een staking op 1 mei, de internationale dag van de arbeid, terug in hun functie zouden hersteld worden. De fabriek werd bezet. De politie werd uitgestuurd om de arbeiders uiteen te jagen, maar slaagde daar niet in. Integendeel: de dokwerkers toonden hun solidariteit met de stakers door de actie te vervoegen. Op 13 mei gingen de arbeiders van Latécoère in Toulouse in staking. Hetzelfde gebeurde de volgende dag bij Bloch in Courbevoie. Daar, elders en begin juni uiteindelijk zowat overal hetzelfde beeld: stakingen en fabrieksbezettingen.

Op 24 mei vond de traditionele betoging plaats ter herdenking van de Parijse Commune (1871), de eerste poging om een arbeidersdemocratie tot stand te brengen. Er was niet de gebruikelijke kleine menigte, maar een ware rode vloed: 600.000 mensen marcheerden met opgeheven vuisten, onder een veelheid van rode vlaggen. De revolutionaire hymnen werden met ongebreideld enthousiasme gezongen. “Alles is mogelijk,” weerklonk het. En alles was mogelijk. Op het hoogtepunt van de stakingsgolf op 11 en 12 juni waren er 1,8 miljoen stakers en werden 9000 bedrijven bezet. Dat was nadat de regering forse toegevingen had aangekondigd en ook de bazen met de akkoorden van Matignon van 7 en 10 juni instemden met de eisen van de stakers. De bazen hadden geen andere keuze. Ze deden beroep op de nieuwe premier, de socialist Léon Blum, die na zijn eedaflegging op 6 juni meteen ingeschakeld werd om de sociale vrede te herstellen. Blum deed achteraf het relaas van de onderhandelingen. Toen de vakbondsvertegenwoordigers, die amper grip hadden op de beweging van onderuit, meer dan de door de patroons voorgestelde loonsverhoging van 7 tot 10% eisten, zei een patronale vertegenwoordiger: “Hoe kan je daar niet mee instemmen, de Franse arbeiders kregen nog nooit een algemene loonsverhoging van die orde.” Waarop, aldus Blum nog steeds, een vakbondsleider antwoordde: “En wanneer heeft Frankrijk een beweging van de werkende klasse van die omvang en dat belang gezien?” Dat de vakbondsleiders amper greep hadden op de beweging, moest Jouhaux bevestigen op een nationale bijeenkomst van de CGT op 16 juni 1936: “De beweging is onstaan zonder dat we weten hoe en waar dit gebeurde.”

Het monumentale revolutionaire potentieel, dat een krachtige kettingreactie op gang had kunnen brengen en zo de wereldgeschiedenis kon veranderen, werd echter verkwanseld. De regeringspartijen en hun bevriende vakbondsleiders deden er alles aan om de beweging te stoppen. De wetsvoorstellen voor de 40-urenweek en het betaald verlof konden niet snel genoeg door het parlement gejaagd worden: tegen 11 juni waren die gestemd. Premier Blum schreef aan de parlementairen: “We zitten in een situatie waarin elk uur telt.” De vakbondsleiders en de Communistische Partij probeerden de acties te stoppen. “Je moet weten wanneer je hoe je een staking stopt,” werd op 11 juni 1936, op het hoogtepunt van de stakingsbeweging, hét centrale ordewoord van de communisten die de verderzetting van de acties onder meer toeschreven aan de fascisten en de trotskisten. Dat de Volksfrontregering bang was van de beweging en zeker van duidelijke ordewoorden voor die beweging, bleek uit de inbeslagname van La Lutte Ouvrière, de krant van de trotskisten, op 12 juni 1936. 

In “Front populaire, une révolution manquée”, een opmerkelijk maar ongelijkmatig verslag van de gebeurtenissen, schreef Daniel Guérin: “Het was Trotski die als eerste de Franse stakingen met fabrieksbezettingen als het begin van een revolutie bejubelde.” Ondanks diepe meningsverschillen stak de militante schrijver, die een theoreticus van het anarchisme zou worden, zijn bewondering voor de Russische revolutionair niet onder stoelen of banken. Hij verborg evenmin zijn spijt: “Uit deze ervaring moest ik uiteindelijk een les trekken. Maar met een zekere vertraging. Eigenlijk te laat. Want tegen die tijd was de vloedgolf al lang teruggetrokken. In het heetst van de strijd had ik nauwelijks tijd om na te denken over Trotski’s heldere artikel dat op 12 juni verscheen in het in beslag genomen nummer van La Lutte Ouvrière, of om het zelfs te lezen. Het historische precedent van de sovjets van arbeidersafgevaardigden werd daar aangehaald. Van werkplaats tot werkplaats, van fabriek tot fabriek, van wijk tot wijk, van stad tot stad, riep hij de arbeiderscomités op om onderling een hechte band aan te gaan, om uiteindelijk te komen tot een congres van alle comités van Frankrijk. Dat was de nieuwe orde die de oude zou vervangen.”

Het artikel waarnaar Guérin verwijst, “De Franse revolutie is begonnen”, werd nadien gepubliceerd als deel van een verzameling van Trotski’s teksten over de toestand in Frankrijk tussen 1934 en 1938, getiteld “Waar gaat Frankrijk heen?” (naar de titel van het eerste artikel van de selectie). Trotski becommentarieerde de gebeurtenissen niet als een gewone waarnemer, maar analyseerde ze en stelde een passend politiek antwoord voor om ervoor te zorgen dat de woede van de arbeiders een revolutionaire afloop vond. Dat was noodzakelijk om de dreiging van een dictatoriaal regime af te wenden. Achteraf gezien kunnen wij zijn scherpzinnigheid alleen maar toejuichen, gezien de ontwikkeling van de Derde Republiek na de ervaring van het Volksfront. De regeringen van Daladier en Paul Reynaud waren vastbesloten om de arbeidersbeweging terug te slaan en baanden de weg voor Pétain en de oprichting van de ‘Franse staat’ na de nederlaag van 1940.

Marxisme.be is van mening dat de lessen uit deze bundel van cruciaal belang zijn om nieuwe generaties activisten te helpen helderheid te vinden in de tumultueuze sociaaleconomische en politieke gebeurtenissen van dit “tijdperk van wanorde”, zoals Deutsche Bank de door de Covid-19-pandemie geopende periode omschreef. Wij zijn bijzonder trots dat we deze eerste zo volledige editie van teksten in het Nederlands kunnen aanbieden en maken van de gelegenheid gebruik om ook een nieuwe Franstalige uitgave te doen.

Brandend actuele lessen

Het historische belang van de gebeurtenissen in Frankrijk in de jaren dertig zou op zichzelf al voldoende zijn om deze uitgave te rechtvaardigen. Daar bovenop zijn er de algemene lessen van deze teksten over de complexe dynamiek van de klassenstrijd in tijden van meervoudige crises die elkaar wederzijds voeden, en over het politieke programma dat nodig is om een uitweg te vinden voor de werkende klasse en om de maatschappij te veranderen. Die lessen zijn, zoals Daniel Guérin het verwoordde, bijzonder “verhelderend.”

De coronacrisis maakte dat de vertraging van de wereldeconomie vanaf maart 2020 veranderde in een spectaculaire ineenstorting. De onderliggende situatie ging reeds in de richting van een recessie, corona en de bijhorende lockdowns in 2020 duwden de economie kopje onder. Deze neergang kwam er 12 jaar na de vorige recessie van 2008/09, die het vertrouwen in het kapitalisme en alle instanties van dat systeem reeds grondig ondermijnde. Het door de overheden gestimuleerde herstel in 2021 nam de onderliggende tegenstellingen van het kapitalisme niet weg, integendeel. Groeiende inter-imperialistische spanningen die leiden tot oorlog, grote tegenstellingen tussen de ontwikkelde kapitalistische landen en de ex- en neokoloniale landen, een sterk toenemende inflatie, sociale uitzichtloosheid, politieke instabiliteit en daarbovenop een escalerende klimaatramp: dat is de context van de actuele situatie. Dit zorgt voor polarisatie in de samenleving, waarop reactionaire politici en bewegingen handig inspelen.

De bestorming van het Capitool in de VS door Trump-aanhangers op 6 januari 2021 deed denken aan de anti-parlementaire opstand van de fascistische liga’s in Parijs op 6 februari 1934. Met tienduizenden wilden ze in 1934 naar het parlement trekken om ‘het wicht’, zoals extreemrechts de Franse Republiek toen noemde, omver te werpen. De arbeidersbeweging werd verrast, maar de provocatie van 1934 leidde tot een massabeweging met als hoogtepunt de stakingen en bedrijfsbezettingen in mei en juni 1936. Helaas werd de bestorming van het Capitool in 2021 niet gevolgd door massaal protest. Desondanks was er in de maanden nadien een verderzetting van de opkomst van arbeidersprotest en stakingen in de VS. Een jaar later verklaarde een doorwinterde vakbondsman naar aanleiding van de zwaarbevochten oprichting van de eerste vakbonden bij koffieketen Starbucks in de VS: “Deze generatie-Z is de meest vakbondsvriendelijke die ik ooit zag.”

De jaren 1930 waren een periode van revolutie en contrarevolutie. In 1933 kwamen de nazi’s van Hitler in Duitsland aan de macht. In 1934 was er een revolutionaire opstand die leidde tot de socialistische republiek Asturië, het begin van een krachtig revolutionair proces in Spanje. In ‘Waar gaat Frankrijk heen?’ voel je een dringendheid bij Trotski. Een succesvolle beweging in Frankrijk in 1934-36 had niet alleen het potentieel om het kapitalisme in Frankrijk omver te werpen, maar ook om de revolutionaire ontwikkelingen in Spanje te versterken en het fascisme in Duitsland en Italië een beslissende slag toe te brengen. Het zou een politieke revolutie in de Sovjet-Unie, tegen de bureaucratische dictatuur en voor de voor de hervestiging van arbeidersdemocratie, onvermijdelijk gemaakt hebben en bovendien zou de revolutie nu niet geïsoleerd zijn tot één land. Mogelijk was de horror van de Tweede Wereldoorlog er nooit gekomen.

Trotski was bijzonder goed geplaatst om de Franse gebeurtenissen te analyseren, niet alleen vanwege zijn achtergrond als revolutionair leider in Rusland, maar ook vanwege zijn scherpe kennis van de Franse situatie. Tijdens de Eerste Wereldoorlog had hij twee jaar in Parijs doorgebracht, voordat hij het land werd uitgezet. Hij ontmoette er revolutionaire syndicalisten als Alfred Rosmer en Pierre Monatte. Toen de Derde Internationale, de Communistische Internationale, in 1919 werd opgezet, volgde Trotski aandachtig de ontwikkelingen van de Franse afdeling, de Parti Communiste Français (PCF). Hij bleef dit doen toen er kleine groepen van de Linkse Oppositie opgezet werden tegen de bureaucratisering van de Sovjet-Unie en de Internationale. Na zijn verbanning uit de Sovjet-Unie in 1929 bevond Trotski zich op een ‘planeet zonder visum’, waarbij hij van het ene ballingsoord naar het andere trok en vrijwel nergens heen kon. Zo kwam hij van juli 1933 tot juni 1935 opnieuw in Frankrijk terecht. Hij stond onder politietoezicht en mocht niet deelnemen aan publieke activiteiten. Tegelijk kon Trotski de actualiteit op de voet volgen en regelmatig gesprekken voeren met belangrijke actoren in de strijd voor socialisme.

Begin jaren 1930

Het meest bekende onderdeel van de Franse geschiedenis in de jaren 1930 is ongetwijfeld de stakingsbeweging met bedrijfsbezettingen van 1936, al was het maar omdat deze beweging de basis legde voor belangrijke verworvenheden zoals de 40-urenweek en het uitbreiden van betaalde vakantie naar alle werkenden. Deze spontane algemene staking ontwikkelde zich van onderuit na een verkiezingsoverwinning van het Volksfront. Het zorgde voor een feestelijke stemming in de bedrijven: de werkenden wisten dat hun ogenblik gekomen was. De gevestigde krant ‘Le Temps’, door Trotski omschreven als ‘de burgerij in krantvorm’, schreef vol horror over hoe de arbeiders zich in de fabrieken gedroegen alsof ze er reeds de baas van waren.

De beweging had gevolgen die veel verder reikten dan de grenzen van Frankrijk. Zo was er de dynamiek van de algemene staking van juni 1936 in België met onder meer de slogan ‘Je voornaam is Vlaming of Waal, je achternaam is arbeider’. Ook deze beweging dwong belangrijke sociale verworvenheden af (een loonsverhoging met 7%, de 40-urige werkweek, betaalde vakantie van minstens 6 dagen per jaar, ziekteverzekering en een verhoging van de kinderbijslag). Dit vormde de grondslag voor de sociale zekerheid die na de oorlog verder uitgebreid werd. In feite werd het voorjaar van 1936 bijna overal in Europa gekenmerkt door de opstand van de werkende massa’s tegen hun regeringen. In Polen brak op 22 maart in Krakau een algemene staking uit. Op de 30ste van dezelfde maand schoot de politie in Joegoslavië op een arbeidersbetoging, wat uitliep op rellen. Op 26 april werd Polen overspoeld door een staking in de bouwsector. Op 8 en 9 mei mondde een staking van tabaksarbeiders uit in een algemene staking in Noord-Griekenland.

‘Waar gaat Frankrijk heen?’ en ‘Nogmaals: waar gaat Frankrijk heen?’ zijn vóór die gebeurtenissen geschreven, als anticipatie op wat zou komen. De situatie begin jaren 1930 werd getekend door de gevolgen van de economische recessie van 1929, die in Frankrijk vanaf de herfst van 1931 hard toesloeg. Op enkele maanden tijd, tussen eind 1931 en begin 1932, was er een neergang van de industriële productie met -22%. Hierna zou de industriële productie stagneren tot aan de Tweede Wereldoorlog. Het ging gepaard met een explosie van werkloosheid. Het werklozenleger groeide aan van 273.000 in 1932 tot 340.000 in 1934 en 820.000 in 1936. Kortom: er was een situatie van ellende voor de werkende klasse, de bevolking op het platteland en zelfs voor de middenklasse.

De middenklasse zette zich steeds meer af van de Radicale Partij (of ‘Radicale Socialisten’), dé gevestigde partij van het kapitalisme, van de stabiliteit en het status quo. De politieke instabiliteit werd niet alleen veroorzaakt door de economische situatie, maar ook door de sfeer van schandalen van corruptie en financiële malversaties. Het bekendste was de affaire-Stavisky: een fraude met valse waardepapieren opgezet door de oprichter van de Crédit Communal, Serge Alexandre Stavisky. Die had een soort piramidestelsel had opgezet waarbij meer dan 200 miljoen Franse frank werd verduisterd. Bij de fraude waren hooggeplaatsten uit de kringen van politie, pers, politiek en gerecht betrokken. Begin 1934 werd Stavisky neergeschoten in een chalet in Chamonix. “Stavisky pleegt zelfmoord met een pistoolschot dat vanop enige afstand is afgevuurd,” merkte Le Canard Enchainé op. De bijzonder duistere omstandigheden van zijn dood, het achterliggende financiële schandaal en de banden van Stavisky met Radicale parlementairen en delen van het establishment maakten de affaire des te spraakmakender.

Er was een groeiende woede tegen de burgerlijke democratie en tegen het parlementarisme. Diverse extreemrechtse groepen en liga’s kenden een opgang. De politieke instabiliteit was groot: tussen mei 1932 en februari 1934 waren er maar liefst zes verschillende regeringen, waar de Radicale Partij telkens deel van uitmaakte.

1934: fascistische provocatie en antifascistisch antwoord

Op 6 februari 1934 betoogde extreemrechts in de straten van Parijs tegen het parlementarisme onder slogans als ‘weg met de dieven’ en ‘dood aan het parlement’. Er waren 30.000 tot 50.000 betogers gemobiliseerd door groepen als Action Française van Charles Maurras, een oudere extreemrechtse beweging met 60.000 leden, de Jeunesses Patriottes, een jongere groep met maar liefst 90.000 leden, en verschillende andere groepen en liga’s zoals de Camelots du Roi en de Croix-de-feu van kolonel de la Rocque. Extreemrechts voelde zich gesterkt door het aan de macht komen van Hitler in Duitsland en door de brede afkeer tegen het politieke en financiële establishment. De betoging eindigde met geweld en confrontaties met het leger en de politie. Er vielen 15 tot 30 doden en 2000 gewonden. Het gevaar van extreemrechts in Frankrijk was nu bijzonder duidelijk. Het vormde wat Marx ooit omschreef als de spreekwoordelijke zweep van de contrarevolutie die de revolutie vooruit stuwde.

Drie dagen later volgden grote antifascistische betogingen waarop socialistische en communistische manifestanten samenkwamen en waar de roep naar eenheid luid weerklonk.

Op 9 februari riepen de Communistische Partij en de CGTU (Confédération générale du travail unitaire, verbonden met de PCF) op tot betogingen, maar zonder eenheid in actie met de militanten van de socialistische partij (SFIO, section française de l’Internationale ouvrière). De communistische partijen voerden op bevel van Moskou al enige jaren een politiek van ‘klasse tegen klasse’, waarbij zowel de socialisten als de rechterzijde aangevallen werden. In Duitsland had de leiding van de stalinistische Communistische Internationale en de Duitse CP de sociaaldemocratie voorgesteld als ‘sociaal-fascistisch’ en een ‘tweelingzuster van het fascisme’. Die sektaire opstelling kwam Hitler goed van pas. De nazi’s kwamen aan de macht op een ogenblik dat ze minder stemmen haalden dan de socialisten en communisten samen.  Op 6 februari 1934, de dag van de extreemrechtse betoging in Parijs, was de conclusie van het editoriaal van partijkrant L’Humanité: “We kunnen niet tegen het fascisme vechten zonder ook de sociaaldemocratie te bestrijden.” Na 6 februari riep de PCF haar leden op om gemobiliseerd te zijn, zonder daar evenwel een ordewoord aan te koppelen. Toen de PCF uiteindelijk opriep om op 9 februari te betogen, was dit met volgende ordewoorden: “Onmiddellijke arrestatie van [de pas afgezette politiebaas] Chiappe en de leiders van de fascistische liga’s, weg met de schutters Daladier-Frot, ontbinding van de fascistische liga’s, verdediging van de lonen en inkomens, weg met de reactionaire en fascistische nationale eenheid die voorbereid wordt door de Radicale Partij en de Socialistische Partij, voor een regering van arbeiders en boeren.” Toch kwamen de betogingen van verschillende arbeidersorganisaties op 9 februari in enkele steden samen. 

Nog eens drie dagen later was er een algemene staking waarvoor opgeroepen was door de CGT (Confédération générale du travail, gelieerd aan de SFIO). Aan die staking namen vier miljoen arbeiders deel, het grootste aantal ooit in Frankrijk. In Parijs waren er twee grote optochten: één georganiseerd door de PCF en CGTU, een andere door de SFIO en CGT. Beide betogingen kwamen samen en de militanten riepen om eenheid. Op 11 en 12 februari waren er 274 betogingen in Frankrijk. Het was meteen de eerste stakingsbeweging die werkelijk op nationaal niveau plaatsvond. De fascistische dreiging werd afgeblokt.

De arbeidersorganisaties

De twee grote arbeiderspartijen, de socialistische SFIO en de communistische PCF, gingen uit elkaar op het congres van de SFIO in Tours in 1920. Dat leidde tot de oprichting van de PCF die van meet af aan een massapartij was. De helft van de 180.000 SFIO-leden waren na de oorlog aangesloten. Het waren vooral jongeren die vol afschuw keken naar de imperialistische slachtpartij die de oorlog was. Deze jongeren waren bijzonder enthousiast over de Russische Revolutie. Zowat drie kwart van de SFIO-leden ging mee met de PCF. Waar een meerderheid van de gewone leden voor de PCF koos, lag dit onder de leiding van de SFIO helemaal anders. Zowat alle burgemeesters en 55 van de 68 parlementsleden bleven bij de SFIO.

Na de splitsing met de communisten werd de SFIO geen stabiele eengemaakte partij. Er waren nog steeds heel wat discussies tussen verschillende al dan niet georganiseerde strekkingen binnen de partij. Een weerkerend meningsverschil had betrekking op samenwerking met de Radicale Partij in coalitieregeringen. Zo was er eind 1933 een afsplitsing van de zogenaamde ‘neo-socialisten’ die hevig voorstander waren van regeringsdeelname op basis van een discours van orde en stabiliteit. Zowat de volledige leiding van deze neo-socialisten zou nadien in de collaboratie met de nazi-bezetters stappen en na de oorlog gefusilleerd worden. Onder hen Marcel Déat, in 1941 oprichter van de Rassemblement National Populaire (één van de drie grootste collaboratiepartijen), die in 1944 minister van Arbeid en Nationale Solidariteit werd in de Vichy-regering. Het feit dat een groep van 20.000 leden vertrok, toonde het massale karakter van de SFIO in 1933, maar ook de invloed en aantrekkingskracht van het fascisme op een deel van de bevolking, inclusief op leden van een arbeiderspartij als de SFIO.

De PCF kende in 1920 een veelbelovend begin, maar onderging al gauw de nefaste impact van de stalinisering van de volledige Internationale. Alle bochten van de Comintern werden trouw gevolgd. Deze bochten waren afhankelijk van wat de stalinistische bureaucratie in Rusland nodig had om haar interne machtspositie veilig te stellen.

Eind jaren 1920 en begin jaren 1930 was er een ultralinkse koers. Dit werd de ‘Derde Periode’ genoemd: na de revolutionaire golf na de Eerste Wereldoorlog (de eerste periode) en de periode van stagnatie van de revolutionaire golf vanaf ongeveer 1923 (de tweede periode), was met de crisis vanaf 1929 de finale ineenstorting van het kapitalisme ingezet, aldus de analyse van de Comintern. Het zorgde voor een ultralinkse opstelling waarbij elke samenwerking met de socialisten werd afgewezen. Al wie niet op het revolutionaire standpunt van de communisten stond, werd als een fascist bestempeld. Dit was zowel een minimalisering van het reële gevaar van het fascisme (de overwinning van het nazisme werd zelfs voorgesteld als een onvermijdelijke stap naar een socialistische revolutie) als een obstakel voor samenwerking in eenheidsfronten aan de basis van socialistische en communistische arbeiders. De stalinisten omschreven de socialisten als ‘sociaal-fascisten’, een tweeling van het fascisme, en maakten daarbij amper onderscheid tussen leiding en basis. Het duwde de communistische partijen in het isolement. Waar de PCF in 1925 nog 83.000 leden telde, bleven er daar in 1929 nog 36.000 van over en tegen begin 1932 nog slechts ongeveer 10.000. Er waren heel wat kansen gepasseerd waarin de PCF zich kon opbouwen, maar door de orders van Stalin stond de partij ver af van de massa’s en hun realiteit.

Na de mobilisaties van 9 en 12 februari was het officiële PCF-standpunt inzake het sociaalfascisme onhoudbaar. Het was onmogelijk voor de PCF om zich te blijven verzetten tegen de druk tot eenheid. De partij maakte een bocht van 180 graden, van sektarisme (het zich isoleren van bredere lagen) naar opportunisme. Beiden waren de keerzijde van dezelfde medaille. Het was voor de PCF-leiding geen kwestie van revolutionaire eenheid van socialistische en communistische arbeiders, maar wel van samenwerking over verschillende klassen heen, ook met de Radicale Partij.

Deze bocht werd internationaal gemaakt. De Comintern was al langer een buitenpost voor het beleid en de diplomatie van de stalinistische bureaucratie in de Sovjet-Unie. Vanaf 1924 verdedigde Stalin het idee van ‘socialisme in één land’ en vanaf 1928 werd dat de officiële doctrine. Nadat Hitler aan de macht kwam en dit geen kortstondig gegeven bleek te zijn, maakte de Comintern een bocht. Voorheen gingen de stalinisten ervan uit dat Hitler snel van de macht zou geveegd worden door een revolutionaire beweging geleid door de communisten. Dit gebeurde niet: de communisten verdwenen integendeel in de gevangenissen en nadien in de concentratiekampen. Stilaan werd het voor de stalinisten duidelijk dat nazi-Duitsland een bedreiging voor de Sovjet-Unie vormde. De prioriteit werd om akkoorden te sluiten met Groot-Brittannië en Frankrijk. Het ging niet om akkoorden met de arbeiders, maar om diplomatieke pacten met de heersende klasse van die landen. Nog later werd zelfs een pact met Hitler gesloten vanuit het idee dat nazi-Duitsland militair gezien slechts één front aankon: indien het in het Westen oorlog voert, zou het Oosten gevrijwaard blijven, dachten de stalinisten.

Naar een Volksfront

De ordewoorden van de PCF waren afhankelijk van de adviezen van de Comintern die gebaseerd waren op de diplomatieke verhoudingen. Zo sloot de Sovjet-Unie in mei 1935 een wederzijds beschermingsakkoord met Frankrijk. De Franse parlementsvoorzitter Paul Laval trok naar Moskou om het akkoord te ondertekenen. Laval stond nadien aan het hoofd van de collaboratieregering van Pétain, het Vichy-regime. Hij bekleedde die positie van april 1942 tot augustus 1944 en wierp zich op als één van de meest fervente collaborateurs.

Het akkoord betekende meteen ook het einde van alle antimilitaristische propaganda van de PCF in Frankrijk. Amper een maand later verklaarde de PCF dat het bereid was om een regering met de Radicalen te steunen. De PCF onder Thorez schoof op naar de positie van Léon Blum en diens SFIO: het programma werd beperkt tot wat aanvaardbaar was voor de burgerij, vertegenwoordigd door de Radicale Partij. In de plaats van systeemverandering werd nadruk gelegd op beperkte hervormingen. De algemeen-secretaris van de PCF, Thorez, verklaarde dat het veiligstellen van de belangen van de grote Franse bedrijven cruciaal was. Op 14 juli 1935, slechts twee maanden na het diplomatiek pact tussen Frankrijk en de Sovjet-Unie, liep Thorez vooraan op het défilé voor de nationale feestdag. Hij liep naast Blum en Daladier van de Radicale Partij, toen nog een partner in een regering met onder meer Laval. De rode vlag werd gekoppeld aan de tricolore Franse vlag, de Internationale werd overstemd door de Marseillaise. Deze eenheid was de basis voor het Volksfront. Trotski plaatste tegenover het concept van een volksfront de noodzaak van een eenheidsfront van de werkende klasse: eenheid in strijd voor maatschappijverandering.

De verkiezingen van mei 1936 zorgden voor een grote overwinning van het Volksfront. Dit was niet te danken aan de Radicale Partij, die verder stemmen verloor. De PCF en de SFIO gingen echter sterk vooruit en zaten in een alliantie met de Radicale Partij. Voor de stalinisten en socialisten was het doel van het Volksfront om het kapitalisme beter te beheren en om een verdere leegloop van de Radicale Partij richting extreemrechts te stoppen. Dat dit niet zou gebeuren door de politiek van de Radicale Partij achterna te lopen, begrepen ze niet. Voor de werkenden en onderdrukten was een stem voor de linkse partijen een oproep tot verandering. Er was tegelijk een forse toename van het aantal leden van de SFIO en de PCF. De PCF werd gezien als het meest militante onderdeel van het Volksfront en syndicale militanten van de PCF stonden vooraan in de stakingen. Ondanks de pogingen om de beweging te stoppen onder het ordewoord dat je moet weten wanneer je een staking beëindigt, was er een toestroom van nieuwe leden bij de PCF. Volgens hun eigen cijfers: 163.000 leden op 25 mei 1936, 173.900 op 4 juni, 200.600 op 18 juni en 380.000 op 29 oktober.

Revolutionaire explosie

De overwinning van het Volksfront creëerde een zodanig enthousiasme dat het meteen tot een stakingsgolf kwam, wat uitdrukkelijk niet de bedoeling was bij het opzetten van het front. Nog voor de regering gevormd werd, waren er bedrijfsbezettingen die zich snel verspreidden over heel het land. “De Franse revolutie is begonnen,” schreef Trotski.

Om een idee te geven van de snelheid waarmee de beweging ontwikkelde: op 6 juni waren er een half miljoen stakers in het land, een dag later waren ze met 1 miljoen. De radicale vakbond CGT groeide van 785.000 leden in maart 1936 tot 4 miljoen in februari 1937. Dit illustreert de kracht van de beweging, die elementen van dubbelmacht in zich droeg.

Op 6 juni kreeg de regering-Blum het vertrouwen van het parlement. Op straat werd het vertrouwen gegeven aan massale bezettingen en stakingen. Op 8 juni verzamelden vertegenwoordigers van 33 stakerscomités uit de Parijse regio om een centraal stakerscomité op te zetten om de strijd te coördineren. Drie dagen later verzamelden ze op hun algemene vergadering vertegenwoordigers van 243 bedrijven uit de Parijse regio. Tegen dan waren er al 1,2 miljoen stakers, terwijl de overgrote meerderheid van de bevolking op dat ogenblik nog actief was in de landbouw. Het aantal stakers zou uiteindelijk verder oplopen tot 1,8 miljoen en 9.000 bedrijven werden bezet.

Blum had tussen de verkiezingsoverwinning van 3 mei en de machtsovername op 4 juni alleen maar tijd verspild. In plaats van het ontslag van de zittende regering te benutten en maatregelen te nemen om de massabeweging te steunen en de kapitaalvlucht te voorkomen, probeerde Blum om elke “delicate situatie” te vermijden. “De uitstroom van goud maakt geen indruk op mij,” zei hij, “goud zal terugkomen.” Om het terug te brengen zouden Blum en zijn regering vervolgens kosten noch moeite sparen om het vertrouwen van het grootkapitaal te winnen. Tevergeefs.

Wat was het antwoord van de Volksfront-regering op dit massaprotest? Het patronaat en de regering probeerden eerst om de beweging te stoppen door verregaande toegevingen te doen: de arbeidsduur werd verminderd van 48 tot 40 uur per week, er kwamen twee weken betaald verlof, de lonen in de private sector stegen met 7 tot 12% … Dat was indrukwekkend, maar het lag ver onder het potentieel dat in de situatie vervat zat. Toen dat niet volstond om de beweging te stoppen, dreigde premier Blum met repressie.  PCF-topman Thorez waarschuwde de arbeiders dat ze de kleinburgerij niet mochten afschrikken en de regering niet ten val mochten brengen. “Je moet weten hoe je een staking beëindigt,” verklaarde Thorez. De arbeiderspartijen en hun bondgenoten in de vakbondsleidingen deden er alles aan om te vermijden dat de revolutionaire beweging tot de omverwerping van het kapitalisme zou leiden. Zoals Trotski opmerkte, konden de arbeiders de vijand niet herkennen omdat die zich “voordeed als een vriend.” Bij gebrek aan leiding en ordewoorden, zou de stakingsbeweging uiteindelijk doodbloeden en uitgeput raken. Het patronaat deed er vervolgens alles aan om de toegevingen aan de werkende klasse terug te draaien.

Gesteund door de PCF voerde de Volksfrontregering een beleid dat strikt binnen het kader van het kapitalisme bleef. Het oude staatsapparaat bleef onaangetast. Er waren amper nationalisaties. Als die al plaatsvonden werden de aandeelhouders royaal vergoed en werden de vroegere managers voortaan door de overheid aangesteld als bedrijfsleider. Het gebrek aan greep op de sleutelsectoren van de economie, liet de regering machteloos tegenover de snel stijgende prijzen die de in juni 1936 bekomen loonsverhogingen teniet deden. Regelmatig riep de PCF op tot radicalere maatregelen, zoals een belasting op grote vermogens – een miljonairstaks – of steun aan de Spaanse republikeinen, maar dit bleef beperkt tot oproepen waarna in het parlement voor het behoud van het Volksfront en dus voor het gevoerde beleid gestemd werd. 

Blum en Thorez zouden niet alleen de Franse arbeiders verraden. Ze deden hetzelfde met onder meer de Spaanse werkenden en onderdrukten die in een hevige antifascistische strijd met de reactionaire beweging van Franco betrokken waren. De Franse Volksfrontregering weigerde actieve steun aan de antifascistische krachten te verlenen. Langs de andere kant aarzelden Hitler en Mussolini niet om de Spaanse fascisten te versterken. Daar niets tegenover plaatsen met de Franse Volksfrontregering was geen ‘neutraal’ standpunt: het betekende het ondermijnen van de antifascistische strijd die Europa een andere kant had kunnen opsturen.

Nederlaag

Uiteindelijk zou de Volksfront-regering het ongeveer een jaar volhouden. Alle sociale verworvenheden in die periode kwamen er onder druk van de massastrijd. De burgerij besefte heel goed wat er gebeurd was en dat ze vlakbij het verlies van de controle over de macht had gestaan. Daarop zette de burgerij in op reactionaire krachten, die vanaf 1937 sterker de kop opstaken. Er volgde nog een Volksfront-regering, maar in 1938 kwam ook daar een einde aan. De verworvenheden van de arbeiders werden stelselmatig ondermijnd en het staatsapparaat trad steeds repressiever op.

In maart 1937 was er een fascistische provocatie in de gemeente Clichy, waartegen 10.000 antifascisten betoogden. De leiders van het Volksfront leidden de betoging weg van de fascistische meeting in Clichy, waarop honderden militanten alsnog de confrontatie aangingen. De ordedienst van de fascisten schoot op de betogers en er vielen vijf doden. In het parlement zei Blum dat de antifascistische betoging een fout was. Het arbeidersprotest werd beperkt tot een eendaagse staking.

Eind november 1938 maakte de regering, ondertussen een eenduidig rechtse regering, een einde aan heel wat sociale verworvenheden van 1936. Opnieuw werd er tot staking overgegaan, maar nu stonden de bazen sterk genoeg om hardhandig op te treden. De vakbondsleiders riepen uitdrukkelijk op om de bedrijven niet te bezetten. Waar er wel bedrijfsbezettingen plaatsvonden, werden ze door de politie opgebroken. Duizenden militante arbeiders werden afgedankt: 5000 in de textielsector, 4000 in de automobiel, 3000 in de chemie … De rechtbanken veroordeelden 806 arbeiders tot gevangenisstraffen.

Zoals Marcel Gibelin en Jacques Danos in hun uitstekende boek ‘Juin 1936’ concluderen: “De arbeidersklasse is gedesorienteerd. Het lidmaatschap van de CGT stuikt in elkaar. De burgerij denkt op haar beurt: ‘nu is alles mogelijk’. Augustus 1939, juni 1940 zijn in aantocht.” Daarmee wordt verwezen naar de Tweede Wereldoorlog en de machtsovername door generaal Pétain in 1940.    

Lessen van Frankrijk

Het was in deze context dat Trotski de artikels in voorliggend boek schreef. Deze teksten waren niet alleen een analyse, maar ook een gids tot actie met heel wat concrete voorstellen om de obstakels en zwaktes in de beweging te overkomen. Ze deden voorstellen om de radicaliserende jongeren richting te geven en om met de revolutionaire krachten stappen vooruit te zetten.

De artikels ‘Waarheen gaat Frankrijk’ en ‘Nogmaals, waarheen gaat Frankrijk’ gaan vooral in op de dreiging van extreemrechts en het antwoord van de arbeidersbeweging daarop. Trotski legt uit dat de burgerij in een periode van kapitalistische crisis de eigen samenleving naar het bankroet leidt. Bij gebrek aan sociaal perspectief is er steeds meer nood aan repressie.

De crisis raakt alle lagen van de bevolking, maar wordt bijzonder hard gevoeld door de middenklasse. Dat zijn doorgaans mensen die het iets beter hadden, maar hun positie door de crisis snel zien verslechteren. Vandaag probeert de gevestigde propaganda de bestaande klassentegenstellingen te verdoezelen door zowat elke werkende uit te roepen tot middenklasse. Dit neemt soms absurde vormen aan. Zo beweerde de Afrikaanse Ontwikkelingsbank voor de Tunesische revolutie van 2011 dat maar liefst 89% van de bevolking in dat land tot de middenklasse behoorde… Het criterium dat daarvoor werd gebruikt, was een inkomen van meer dan 2 dollar per persoon per dag. Dat is natuurlijk nonsens. De middenklasse omvat kleine zelfstandigen, uitoefenaars van vrije beroepen, zelfstandige landbouwers … Deze laag is vandaag kleiner dan in de jaren 1930 in Frankrijk of andere Europese landen, onder meer omdat veel kleine zelfstandigen weg geconcurreerd zijn door grote bedrijven of er volledig afhankelijk van geworden zijn en enkel in naam nog zelfstandig zijn. Kijk maar naar het verdwijnen van veel buurtwinkels die plaats maakten voor filialen van grote ketens. 

De geruïneerde middenklasse zocht in de jaren 1930 een uitdrukking voor de enorme woede tegen het systeem. Extreemrechts was daar vaak goed voor geplaatst: onder de middenklasse was er geen traditie van collectieve organisatie. Fascistische krachten maakten van de individuele wanhoop een belangrijke factor in de situatie. Niet dat de linkerzijde en de arbeidersbeweging geen kans maakten om dit ongenoegen te organiseren, maar dat vereiste een revolutionaire benadering. Onder lagen van de werkende klasse die minder verbonden zijn met onder meer vakbonden, is dat een aspect dat ook vandaag aanwezig is. Waar links vaak gezien wordt als systeemvriendelijk, omdat het zoekt naar beperkte hervormingen binnen het systeem terwijl er geen marge is voor hervormingen, komt extreemrechts op populistische wijze gedurfder en schijnbaar radicaler naar voren. Dezelfde tegenstrijdigheden als in de jaren 1930 blijven bestaan: extreemrechts doet zich anti-systeem voor, maar is tegelijk een instrument van het establishment om de arbeidersbeweging te breken.

Het antwoord van de burgerij op de fascistische provocaties in Frankrijk in 1934 bestond aanvankelijk uit een poging om een regering te vormen die zich als scheidsrechter en redder boven het gewoel plaatste. Het doel daarvan was vooral om de onvermijdelijke beweging van de werkende klasse tegen extreemrechts af te blokken. Voor arbeidersorganisaties was het essentieel om een juiste inschatting te maken en duidelijk te zijn over wie bondgenoten waren en wie niet. In de strijd tegen extreemrechts kunnen we niet rekenen op het establishment, op de politieke vertegenwoordigers van het kapitalisme, een systeem dat net de voorwaarden creëert waarbinnen extreemrechts kan groeien. De lagen die zich door extreemrechts aangetrokken voelen overtuigen, gebeurt niet door aan te schurken bij het establishment waar ze zich net van afkeren. Trotski wijst op de noodzaak van massamobilisatie en een offensief en gedurfd programma van maatschappijverandering. Benadering, programma en methoden gaan samen en moeten uitdrukking geven aan een vastberaden wil om te breken met het systeem.

Dit is ook vandaag van belang. Kijk maar naar de VS waar aanhangers van voormalig president Trump op 6 januari 2021 het Capitool bestormden. Een antwoord daarop van de linkerzijde en de arbeidersbeweging was van essentieel belang. De ‘nieuwe linkerzijde’ van Alexandria Ocasio-Cortez en ‘The Squad’ leek zich helaas te beperken tot parlementaire initiatieven, waarmee ze zich inschakelde in de politiek van het ‘fatsoen’ zoals ook verdedigd door president Biden die hoopte een deel van de Republikeinse partij mee aan boord te krijgen. Parlementaire initiatieven kunnen nuttig zijn, maar dan als aanvulling op en ter versterking van mobilisatie en vastberaden strijd rond de noden van de werkende klasse. Deze strijd botst onvermijdelijk op de politiek van het Democratische establishment, dat loyaal de belangen van big business vertegenwoordigt.

Trotski wijst sterk op het belang van de arbeidersmilitie tegen extreemrechts. Tegenover een sterk bewapende fascistische kracht met tienduizenden militanten was dat geen overbodige luxe. Trotski stelt dat elke actie een element van fysieke strijd omvat, van een stakingspiket over een betoging tot een arbeidersmilitie. Daarbij moet uiteraard ook een inschatting gemaakt worden van de omstandigheden. “Het geheim van succes zit niet in de fysieke strijd zelf, maar in de juiste politiek,” merkt Trotski op. De juiste politiek is deze die voldoet aan de voorwaarden van tijd en plaats. Vandaag hebben we niet te maken met tienduizenden gewapende fascisten, wat gevolgen heeft voor ons antwoord erop. Dit neemt niet weg dat elke actie effectief een element van fysieke strijd omvat. Betogingen tegen extreemrechts en sterke mobilisaties van de arbeidersbeweging maken het moeilijker voor diverse extreemrechtse strekkingen – van georganiseerde neofascisten tot steekvlam-Trumpisten die rond specifieke punten ageren – om het publieke debat en zelfs de straat te domineren. Als hen daarentegen niets in de weg gelegd wordt, aarzelen ze niet om te marcheren op de boulevard die voor hen openligt.

Tegen de achtergrond van een kapitalisme in crisis en een groeiende woede tegen de gevestigde orde, moet de politiek van de consequente linkerzijde gericht zijn op de omverwerping van het kapitalisme en de verovering van de macht door de werkende klasse. Zoals Trotski opmerkt: “Socialisten kunnen met het meest wetenschappelijke programma uitpakken, maar de waarde ervan zal nihil zijn indien de voorhoede van de arbeidersklasse geen stoutmoedige strijd voert om de staat over te nemen. De sociale crisis in haar politieke uitdrukking is de machtscrisis. De oude heerser van de samenleving is bankroet. Er is nood aan een nieuwe heerser.” Ideeën die overgenomen worden door bredere lagen van de bevolking worden een materiële kracht. Dat is het geval bij alle campagnes en acties, maar uiteraard ook op een grotere schaal. Dit speelt een essentiële rol om van een prérevolutionaire situatie over te gaan tot een revolutionaire omwenteling.

Dit boek brengt een scherpe kritiek op de reformistische benadering van zowel de socialistische als de communistische partij. Die benadering volstaat niet inzake methoden en programma, waarbij er eenheid is tussen beide elementen. Nationalisatie bijvoorbeeld betekent niet dat enkele bureaucraten in de raad van bestuur worden geplaatst nadat de aandeelhouders vergoed zijn, maar een revolutionaire strijd om de productie in handen van de werkenden en de gemeenschap te brengen. Het is geen toeval dat de PCF en de SFIO de eis van nationalisatie aan de kant schoven, of dat vandaag een groot deel van de linkerzijde (inclusief de radicale linkerzijde) hetzelfde doet met dit essentieel onderdeel van een socialistisch programma. Nationalisatie raakt immers de private eigendom van de productiemiddelen, terwijl het Volksfront net opgezet was om binnen de grenzen van het kapitalisme te blijven. Trotski gaat dieper in op de eis van nationalisatie, waarbij hij opmerkt dat alle sleutelsectoren moeten genationaliseerd worden, zonder schadeloosstelling aan de aandeelhouders. Naarmate er in de daaropvolgende decennia een iets bredere toegang tot de aandelenmarkt ontstond, voegde onze politieke stroming daaraan toe dat schadeloosstelling enkel op basis van bewezen behoeften kon. Het doel van een socialistisch programma is om de kapitalisten te onteigenen, niet om pakweg ouderen die wat spaargeld in aandelen geïnvesteerd hebben te raken. Trotski merkt ook op dat nationalisatie en arbeiderscontrole niet aan elkaar tegengesteld zijn, maar net onlosmakelijk met elkaar verbonden. Om tot democratische arbeiderscontrole en -beheer op de sleutelsectoren van de productie te komen, moeten deze uit de handen van de kapitalisten gehaald worden. Bij een nationalisatie is arbeiderscontrole en -beheer noodzakelijk om een democratische planning van de economie te realiseren.

Het belang van een revolutionaire socialistische benadering werd bevestigd in de gebeurtenissen van 1936. De massale stakingsgolf had het potentieel om het systeem omver te werpen. Deze kans werd niet benut omwille van de houding van de leiding, die eigenlijk niet geloofde in maatschappijverandering. Toch zorgde elke stap van de leiding in de richting van actie voor een groot enthousiasme onder de werkende klasse. Meer nog: het enthousiasme duwde de beweging tot ver voorbij de bedoelingen van de leiding. Dat zagen we met de stakingsbeweging in 1936 in zowel Frankrijk als België. Telkens weer werd aangetoond dat het niet aan strijdvaardigheid van de basis ontbrak. Tegelijk is het voor de basis niet evident om de leiding van de eigen organisaties te negeren of er zelfs tegen in te gaan. Dat kan enkel op basis van een revolutionair programma waarvoor voldoende steun binnen de arbeidersbeweging is opgebouwd. Dit begrip van de dynamiek van klassenstrijd is essentieel, ook vandaag.

Doorheen het hele boek weerklinkt bij Trotski een urgentie. Ogenblikken waarop revolutionaire verandering mogelijk is, blijven niet duren. Gemiste kansen hebben gevolgen voor de arbeidersbeweging. Dat is helaas gebleken in de nasleep van de beweging van 1936. De Volksfrontregering bood geen antwoord op de economische crisis omdat ze strikt binnen de grenzen van het kapitalisme bleef. De Volksfrontregering raakte ondermijnd. De rechterzijde kon in april 1938, onder aanvoeren van de Radicale Partij onder Daladier, de touwtjes terug in handen nemen op een ogenblik dat de hoop op verandering onder brede lagen van de werkende klasse voldoende in desillusie was omgeslagen. Heel wat verworvenheden van de beweging in 1936 werden teruggedraaid, de levensstandaard van de werkende klasse kelderde, de repressie en anti-migrantenpolitiek werden opgevoerd. In september 1939 werd de PCF verboden. Extreemrechts voelde zich daar uiteraard door gesterkt. Als de arbeidersbeweging een momentum zoals dat van 1936, dat in de situatie ingebakken zat vanaf 1934, niet gebruikt, dan kan de rechterzijde tijd winnen om des te harder terug te slaan. “Een revolutie die ophoudt vooruit te gaan is gedoemd achteruit te gaan”, merkte Daniel Guérin op in zijn boek ‘Front populaire, révolution manquée’. De arbeidersklasse betaalde een hoge prijs voor de terugslag: één van de laatste obstakels voor de Wereldoorlog sneuvelde. Enkel de arbeidersbeweging kon die oorlog vermijden door revolutionaire verandering te realiseren, wat onvermijdelijk een grote impact zou hebben op de werkende klasse in andere landen om de contrarevolutionaire barbarij een halt toe te roepen.

Gezien de mogelijke totale vernietiging en de sociale verhoudingen staat een wereldoorlog vandaag nog niet terug op de agenda, maar de horror en de barbarij van oorlog wel. Dat zit in het DNA van het kapitalisme. De inter-imperialistische spanningen lopen op met de oorlog in Oekraïne en de nieuwe Koude Oorlog tussen de VS en China. De Covid-pandemie toonde hoe het kapitalisme faalt bij elke ernstige crisis en hoe de tegenstellingen versterkt worden, onder meer door vaccin-nationalisme en winstbejag alsook door jarenlange besparingen op onder meer de zorg. Dit alles zorgt voor een groeiende polarisatie. Extreemrechts en allerhande populisten spelen daarop in, ook de arbeidersbeweging moet dit doen. Niet door de polarisatie uit de weg te gaan, maar door offensief voor de belangen van de werkende klasse te strijden. Als de arbeidersbeweging dit doet, krijgt ze het verwijt dat ze polariseert. Dat is ten onrechte: de polarisatie zit in de crisis van het systeem vervat, het is het kapitalisme dat polariseert. Gevestigde politici gaan in die context over tot een hardvochtiger en repressiever beleid, extreemrechts doet dit des te harder. Dit is geen uitdrukking van een samenleving die ‘fasciseert’ en ‘geleidelijk’ opschuift richting fascisme, maar van een systeem in crisis. Dat wijst op de noodzaak van maatschappijverandering, wat we niet bekomen door ons programma af te zwakken of door in de val van het ‘minste kwaad’ te trappen en bijvoorbeeld Biden te steunen tegen Trump of gelijk welke andere kandidaat die opkomt tegen Poetin (Rusland), Orban (Hongarije), Bolsonaro (Brazilië) of Modi (India). Het zal evenmin gebeuren door de krachten van de arbeidersbeweging op een alliantie met ‘progressieve’ elementen van de burgerij te richten, voor zover er dergelijke elementen bestaan die bereid zijn om een alliantie met de arbeidersbeweging te vormen. De druk daartoe kan groot zijn, maar een onafhankelijk klassenstandpunt gericht op maatschappijverandering blijft de sleutel tot verandering. Ook dat wordt sterk benadrukt doorheen dit boek.

Emancipatie van koloniale volkeren en vrouwen

Een aantal elementen komen niet of amper aan bod in dit boek. De radicalisering van de werkenden en jongeren beperkte zich niet tot Europa: de koloniale revolutie was eveneens in aantocht en ontwikkeling. Zowel tijdens de antifascistische protesten van februari 1934 als tijdens de stakingsbeweging in juni 1936, werd er in onder meer Algerije geprotesteerd. Op 12 februari 1934, de grote antifascistische actiedag, waren er 20.000 betogers in Algers. In juni 1936 staakten Algerijnse arbeiders, vooral actief in de landbouw, eveneens mee.

In zijn tekst bij de 90e verjaardag van het Communistisch Manifest merkte Trotski in 1938 op: “Het Manifest verklaart dat ‘communisten overal elke revolutionaire beweging tegen de bestaande sociale en politieke orde steunen’. De beweging van de verschillende gekleurde rassen tegen hun imperialistische onderdrukkers is één van de belangrijkste en machtigste bewegingen tegen de bestaande orde en vraagt daarom de volledige, onvoorwaardelijke en onbegrensde steun van de blanke arbeidersklasse.”

Het verbinden van bewegingen bood enorme kansen, maar daar was er amper aandacht voor. Meer nog: wat de afzijdige houding van de Volksfront-regering tegenover de Spaanse revolutie in de praktijk betekende, was helemaal duidelijk in de Franse kolonies. Het was een beleid van actieve medeplichtigheid aan koloniale onderdrukking. Zo vroeg de Comintern aan de Communistische Partij van Indochina (PCI) om alle verwijzingen naar ‘klassenstrijd’ of ‘Frans imperialisme’ achterwege te laten en zelfs om de vakbonden op te roepen om zich te ontbinden. Strijd door werkenden en arme boeren zorgde voor beperkte toegevingen, maar ook onder de Volksfront-regering in Parijs waren vakbonden verboden en werden strijdbare militanten opgepakt door de staatsveiligheid als ze stakingen en acties organiseerden. De PCI kwam tussen in het protest, maar met Franse vlaggen en steun aan de onderdrukkende regering in Parijs. Terwijl Blum de regering in Parijs leidde, werden in Indochina activisten opgepakt omdat ze oude brochures van Blum over de koloniale kwestie durfden te verspreiden. Hetzelfde beeld was aanwezig in andere Franse kolonies. Daniel Guérin beschrijft hoe Charles-André Julien, een voormalig PCF-lid die bij de SFIO aansloot en als professor door Blum aangesteld werd als secretaris van het ‘Haut Comité méditerranéen et de l’Afrique du Nord’, op een partijbijeenkomst opmerkte dat “we niet te snel vrijheid moeten geven aan de inheemse bevolking.”

De houding van het Volksfront tegenover de gekoloniseerde volkeren was er één van onvoorwaardelijke verdediging van het Franse koloniale rijk. Het koloniale beleid veranderde niet: geen enkele van de democratische eisen van de koloniale volkeren werd ingewilligd. Er waren een paar vage beloften voor de bevolking in de kolonies, voornamelijk om de gekoloniseerde massa geduld aan te praten. Maar zelfs deze beloften hielden niet lang stand. Zeer snel werd elke beweging die eisen stelde onderdrukt. De regering van Léon Blum ontbond de Etoile Nord-Africaine, een Algerijnse organisatie die nochtans deel uitmaakte van het Volksfront, en het Pacte d’Action Marocaine. Beide nationalistische organisaties hadden banden met de Franse arbeidersbeweging. Ze werden ontbonden op basis van de wet waarmee de fascistische liga’s werden verboden! In maart 1937 beschoten Franse troepen in Tunesië de stakende mijnwerkers van Metlaoui met machinegeweren. Hetzelfde gebeurde in El Kouif, in Algerije. In juli was er in Tunesië een nieuwe schietpartij tegen de stakers van Djerissa. Gedurende al die tijd had de PCF slechts één zorg: het verdedigen van het Franse koloniale rijk tegen de begeerten van Hitler of Mussolini. Daarom steunde zij de repressie.

De positie van vrouwen in de economie en hun rol in de strijd van de werkende klasse komt evenmin uitgebreid naar voren in het boek. In andere teksten legde Trotski daar meer nadruk op. Zo schreef hij in Het Overgangsprogramma (1938): “Alle opportunistische organisaties concentreren overeenkomstig hun eigen karakter hun voornaamste opmerkzaamheid op de bovenste lagen van de arbeidersklasse en negeren daarom zowel de jeugd als de werkende vrouwen. Intussen deelt de neergangsperiode van het kapitalisme zijn zwaarste slagen uit aan de vrouw, zowel als arbeidster als huisvrouw. (…) Weg met het bureaucratendom en de baantjesjagerij! Vrij baan door de jeugd! Vrij baan voor de werkende vrouw!”

Als antwoord op de economische crisis begin jaren 1930 lagen vrouwen harder onder vuur. Bij de PTT waren er tussen 1932 en 1934 afdankingen: 90% van hen waren vrouwen. Vrouwen die gehuwd waren met iemand in overheidsdienst kregen een lagere opzeggingsvergoeding. In Frankrijk waren er veel vrouwen die werkten, maar hun loon werd nog steeds gezien als een aanvulling op het hoofdloon. Het beschikbare werk werd in de crisis herverdeeld, maar niet onder alle werkenden: vrouwen werden zoveel mogelijk terug naar de haard verwezen.

De deelname van vrouwen aan de strijdbewegingen van de werkende klasse en de specifieke strijd voor stemrecht zetten de Volksfront-regering onder druk. In de stakingen van 1936 stemden vrouwen mee voor de afgevaardigden van de werkplaatsen en over de volgende stappen in de strijd. Ze deden bovendien ervaring op in deelname aan en organisatie van strijd, onder meer in de textielsector. Daniel Guérin beschreef de bezetting van een kleine rubberfabriek in juni 1936: “Er werken alleen vrouwen, in een sfeer die de dag tevoren nog paternalistisch moet zijn geweest. Maar vanmorgen hebben de baas en zijn vrouw zich verschrikt teruggetrokken in hun piepkleine kantoortje: de arbeidsters in witte jassen, kalm, met opgeheven hoofd, lopen door de gangen. Zij verdeelden de taken: verkiezing van een delegatie, stakerspost, rode vlag hijsen bij de ingang. Zonder overgang, zonder aarzeling, gingen zij over van hun vroegere functie als slaven naar hun nieuwe rol als beheerders van het bedrijf. Iets in hun leven, in hun bewustzijn, veranderde voor altijd.”

Het werd dan ook steeds meer vanzelfsprekend dat ze ook hun politieke stemrecht zouden krijgen. Blum beloofde de kwestie op tafel te leggen, maar het wetsvoorstel werd door de Senaat geboycot. De Radicale Partij stond terughoudend tegenover vrouwenstemrecht vanuit de vrees dat vrouwen eerder conservatief zouden stemmen onder invloed van de kerk. De Volksfront-regering beperkte zich grotendeels tot symbolische stappen, zoals de aanstelling van drie vrouwelijke ministers en staatssecretarissen (waarvoor hun mannen overigens schriftelijke toestemming moesten geven!). Dat was op zich belangrijk, maar onvoldoende om het gebrek aan algemene vooruitgang voor vrouwen uit de werkende klasse te verbergen.

Het Trotskisme in Frankrijk

Met zijn analyses over Frankrijk in de jaren 1930 bracht Trotski niet alleen politieke duidelijkheid en scherpe inzichten. Het doel was tevens om bij te dragen aan de ontwikkeling van een revolutionaire marxistische organisatie in het land. Dit onderdeel komt niet aan bod in het boek. We maken van dit voorwoord gebruik om de lezers beknopt kennis te laten maken met het Franse trotskisme.

Vanaf eind jaren 1920 probeerde Trotski Franse sympathisanten van de linkse oppositie bijeen te brengen. In augustus 1929 werd de Communistische Liga opgezet met de krant ‘La Vérité’ (De Waarheid). Alfred Rosmer, die begin jaren 1920 een leidinggevende rol in de Comintern speelde, was er de bekendste voortrekker van. Rosmer nam in november 1930 echter ontslag uit de Communistische Liga en de Internationale Linkse Oppositie. De Communistische Liga was een kleine organisatie van 100 tot 200 leden geleid door erg jonge militanten, zonder veel wortels in de Franse arbeidersbeweging.

Het was niet evident om een nieuwe revolutionaire organisatie te ontwikkelen op een ogenblik dat de werkende klasse in het defensief zat en er weinig beweging in de samenleving was. Op de jonge organisatoren van de Communistische Liga had dit als effect dat er al gauw heel wat intern gerommel was, voornamelijk tussen de centrale leiders Raymond Molinier en Pierre Frank enerzijds en Pierre Naville en Gérard Rosenthal anderzijds.

De gebeurtenissen van februari 1934 en de beweging die erop volgde, veranderden de situatie in Frankrijk. Er was een radicalisering onder de werkenden, in het bijzonder onder de jongeren. Dat uitte zich in een groei van zowel de communistische als de socialistische partij. Trotski stelde de militanten van de Communistische Liga voor om de politieke discussie met de radicaliserende basis van de socialistische partij aan te gaan door kortstondig binnen de SFIO te werken en daar op basis van een duidelijk revolutionair programma de beste lagen over te winnen. Een oriëntatie op de communistische partij was niet aan de orde wegens het gesloten stalinistisch karakter van die partij en de agressieve vervolging van trotskisten (onder meer door provocateurs en operaties van de Russische geheime diensten), terwijl er binnen de socialistische partij wel ruimte tot debat was en er bovendien een grote groep leden was die naar links aan het opschuiven was.

De Communistische Liga vormde zich na een uitgebreid debat om tot de Bolsjewistisch-Leninistische Groep (GBL), waarvan het honderdtal militanten lid werd van de SFIO en de socialistische jongerenorganisatie. De GBL verdrievoudigde haar aantal militanten op een jaar tijd, maar bleef met 300 leden in 1935 een erg beperkte kracht. De organisatie had een impact op socialistische jongerenafdelingen, in het bijzonder in de regio rond Parijs, en op leden van linkse stromingen binnen de SFIO, zoals Bataille Socialiste (Socialistische Strijd) rond Marceau Pivert.

Het akkoord tussen de Franse regering en de Sovjet-Unie in 1935 droeg ertoe bij dat de PCF voorstander werd van een ‘breed front’, een volksfront, met zowel de socialisten als de Radicale Partij. De PCF-leiding zette bij het vormen van dit front druk op de socialistische leiding om tegen de trotskisten in hun rangen op te treden. De beweging van 1934 plooide zich wat terug en internationaal groeide de dreiging van een nieuwe wereldoorlog. De tactiek van ‘entrisme’ binnen de socialistische partij was sowieso bedoeld voor de korte termijn. Trotski pleitte er vanaf het voorjaar van 1935 voor om de SFIO terug te verlaten en nadruk te leggen op een open afdeling van de Vierde Internationale. De GBL-leiding was verdeeld en twijfelde. Uiteindelijk zou de SFIO-bureaucratie de knoop doorhakken vanaf het partijcongres van juni 1935. Léon Blum zou een kleine revolutionaire groep niet in de weg laten staan van een brede eenheid met de PCF en de Radicale Partij. Hierna zouden de trotskisten, maar ook andere linkse militanten, geleidelijk uitgesloten worden. Binnen de GBL leidde dit tot een splitsing en een hevige fractiestrijd. Die strijd, het resultaat van een gebrek aan duidelijke perspectieven, maakte dat de aanhangers van de Linkse Oppositie amper voorbereid waren op de strijdbeweging van 1936. Een poging tot snelle fusie van de verschillende strekkingen was gedoemd om niet lang te duren. Het ontbrak immers aan duidelijke politieke basis hiervoor.

In de jaren 1930 was Trotski herhaaldelijk gefrustreerd over de revolutionaire groepen die zich op de Linkse Oppositie baseerden. Jean Van Heijenoort schreef in zijn boek ‘Sept ans auprès de Léon Trotsky’, over zijn periode als medewerker van Trotski tussen 1932 en 1939, dat Trotski vaak gefrustreerd was over de groepen van de Linkse Oppositie. Hij maakte daarbij twee uitzonderingen: de groep in Minneapolis die een belangrijke rol speelde in de stakingen van de Teamster-chauffeurs in 1934 en de groep in Charleroi rond Léon Lesoil die een belangrijke rol speelde in de mijnwerkersstaking van 1932. Het ging in beide gevallen om revolutionaire militanten die hun ideeën wisten te vertalen in het richting geven aan arbeidersstrijd.

Dat belang van de revolutionaire praktijk koppelde Trotski uiteraard steeds aan duidelijkheid inzake perspectieven, programma en benadering. Zoals hij opmerkte in een polemiek met Marceau Pivert van de in 1938 opgezette PSOP (Parti socialiste ouvrier et paysan): “Een ernstig revolutionair die de zware beslissingen voorziet die de partij in kritieke tijden moet nemen, voelt in de voorbereidende periode scherp zijn verantwoordelijkheid, analyseert nauwgezet elk feit, elk concept, elke tendens. In dit opzicht lijkt een revolutionair op een chirurg die geen genoegen kan nemen met gemeenplaatsen betreffende de anatomie, maar die precies moet weten hoe de beenderen, de spieren, de zenuwen en de pezen op elkaar inspelen en met elkaar verbonden zijn, om geen enkele verkeerde beweging met zijn scalpel te maken. De architect, de arts en de scheikundige zouden verontwaardigd reageren op elk voorstel om de wetenschappelijke begrippen en formules – de ‘hegemonie’ van de wetten van de mechanica, fysiologie of scheikunde – in te ruilen voor een verzoenende houding tegenover andere opvattingen, hoe fout die ook mogen zijn. Toch is dit precies het standpunt van Pivert. Zonder de kern van de programmatische verschillen te doorgronden, herhaalt hij gemeenplaatsen over de “onmogelijkheid” dat een bepaalde stroming “alle waarheid in zich draagt.” Ergo? Leven en laten leven. Dergelijke aforismen kunnen een gevorderde arbeider niets leren dat de moeite waard is; in plaats van moed en verantwoordelijkheidsgevoel kunnen zij slechts onverschilligheid en zwakheid inboezemen. De Vierde Internationale voert een strijd tegen de kwakzalverij en komt op voor een wetenschappelijke houding ten opzichte van de problemen van de proletarische politiek. Revolutionaire ijver in de strijd voor het socialisme is onlosmakelijk verbonden met intellectuele ijver in de strijd voor de waarheid.”

Het revolutionaire potentieel van de jaren 1930 leidde niet tot revolutionaire breuken met het kapitalisme in West-Europa. Hiermee verdween het laatste obstakel voor de Tweede Wereldoorlog. De reactionaire rechterzijde ging in het offensief. Dat had uiteraard gevolgen voor de revolutionaire marxisten die meer geïsoleerd stonden, zelfs indien revolutionaire marxisten ook onder de nazi-bezetting actief bleven. In België was er onder de nazi-bezetting zelfs een door trotskistische militanten geleide mijnwerkersstaking in Charleroi. Desalniettemin kwamen de bezetting en repressie tegen de arbeidersbeweging samen met de moorden door stalinistische agenten met een zware prijs voor de trotskistische beweging. Het maakte een correcte inschatting van de nieuwe periode na de oorlog moeilijker.

De analyses en voorstellen van Trotski voor de Franse arbeidersbeweging in de jaren 1930 hebben niet geleid tot de ontwikkeling van een massabeweging rond deze voorstellen. We weten dat de geschiedenis anders gelopen is. Dit doet niets af van de scherpte van Trotski’s analyses en de lessen die er vandaag uit kunnen gehaald worden. Bovendien was het noodzakelijk om een poging te doen om de geschiedenis de richting van socialistische maatschappijverandering uit te sturen op basis van een ideologische klaarheid en bereidheid tot handelen. Zoals Trotski opmerkte aan zijn medewerkers toen ze het nieuws van de machtsovername door Hitler in Duitsland in 1933 vernamen: “Je moet alle mogelijkheden ten volle benutten. Het is als het beklimmen van een steile berg waarvan je denkt dat het gewoon een gladde muur is. Als je ervoor staat, lijkt het onmogelijk om te klimmen. Maar als je elke spleet, elke natuurlijke stap, elke opening gebruikt om je met je handen aan vast te houden of om je voet op te zetten, dan kun je de hoogste rots beklimmen, in de moeilijkste omstandigheden. Je hebt moed nodig, maar ook voorzichtigheid en inzicht.”

Dat is vandaag niet anders in de strijd tegen het kapitalisme. We hopen met deze uitgave de lezers enkele inzichten aan te reiken waarmee ze sterker staan om een rol te spelen in de noodzakelijke socialistische maatschappijverandering.

Delen:
Printen:
Voorpagina van De Linkse Socialist