Recensie. Socialisme, What’s left?

Het is lovenswaardig om door middel van de publicatie van een boek een bijdrage te leveren aan het socialistische debat in Nederland. De SP is eigenlijk nog de enige partij in het parlement die in theorie nog op het socialistische standpunt staat. Bovendien neemt de partij dagelijks in parlement en op straat stelling tegen de afbraak van de verzorgingsstaat en voor een menswaardig bestaan van de loonafhankelijke bevolking.

Ron Blom, Offensief Utrecht

De SP baseert zich daarbij op de uitgangspunten zoals geformuleerd in het SP-beginselprogramma Heel de Mens, gelijkwaardigheid, solidariteit en menselijke waardigheid. Deze humanistische uitgangspunten zijn op zich progressief, maar niet per definitie socialistisch. We vinden ze terug in het in het najaar van 2004 verschenen boek Socialisme. What’s left? Klassieke teksten ingeleid door socialisten van nu. Bij alle inleidingen, die overigens stuk voor stuk langer zijn dan de ‘klassieke’ tekstfragmenten, klinkt vooral het morele argument voor een betere maatschappij en voor een betere mens door. Het meest duidelijk is dat bij de keuze voor een tekst voor de jonge Marx, namelijk de Economisch-filosofische manuscripten, maar ook bij het afgedrukte fragment uit het Communistisch Manifest. Naast de inhoud valt er ook het nodige op te merken over de vorm.

Rommelige opzet

Het boek was een initiatief van senator Ronald van Raak van de Socialistische Partij, die diverse andere ‘socialisten’ betrok bij deze publicatie. Zo leidt Arjo Klamer een fragment in van de Economisch-filosofische manuscripten van Karl Marx (1844), Milo Anstadt gaat in op een tekstdeel van H.P.G. Quack uit De socialisten (1875-1897), prominent PvdA-lid Jan Pronk introduceert een gedeelte uit een tekst van Joop den Uyl met als titel Technische vooruitgang in een anonieme maatschappij (1947). De verantwoordelijkheid van intellectuelen van de Amerikaanse criticus Noam Chomsky (1966) wordt ingeleid door Peyman Jafari van de Internationale Socialisten en SP-senator Anja Meulenbelt tenslotte leidt haar eigen tekstfragment De economie van de koesterende functie (1975) in. Van Raak zelf buigt zich onder de titel ‘het morele belang van Marx’ over een tekstgedeelte van het Communistisch Manifest (1848).

De opzet van het boek rammelt aan vele kanten. Wat is de functie van het stuk van Huub Oosterhuis getiteld De revolutie van de bijbel? Wordt de bijbel nu ook al beschouwd als een klassieke tekst van het socialisme? En zo ja, waarom daar dan geen tekstfragment van gekozen? Waarom is PvdA prominent Jan Pronk uitgenodigd voor het schrijven van een bijdrage over een tekst van Joop den Uyl? Is Den Uyl nu opeens ook een socialist? Anja Meulenbelt leidt haar eigen tekst in! Er zouden voor de tweede (!) feministische golf geen klassieke socialistische teksten voor handen zijn geweest. Quack is geen socialist! Wat is de reden om juist voor deze teksten te kiezen en niet voor andere? Wat is de samenhang tussen de gekozen teksten?

Samensteller en inleider Ronald van Raak heeft de auteurs gevraagd om commentaar te geven op een tekst die van invloed is geweest op hun politieke denken en die naar hun opvatting nog steeds belangrijk is voor een hedendaagse socialistische politiek’. Volgens Van Raak stond ‘Den Uyl niet alleen een socialistische, maar vooral een democratische revolutie voor’ (sic). Als je de tekst van deze sociaal-democratische voorman leest kom je tot een tegenovergestelde conclusie: Den Uyl was èn is geen revolutionair èn geen socialist in de klassieke zin van het woord.

De samensteller haalt een tekst van Marx aan, waarin in niet mis te verstane bewoordingen de volgende beoordeling van de burgerlijke kapitalistische staat gemaakt wordt: ‘De moderne staatsmacht is slechts een comité dat de gemeenschappelijke zaken van de gehele burgerklasse beheert’. Dat is wel wat andere koek dan pogen om samen met burgerlijke partijen op lokaal en mogelijk in de toekomst op nationaal niveau de staat proberen te hervormen.

Sociaal-democratische ‘margepolitiek’

Anstadt bekent zich in zijn inleiding tot Quack tot de sociaal-democratische beweging. En passant verwijt hij het marxisme het leven in een fantasiewereld, het geloof in een vooruitgangsoptimisme. Klassenstrijd en revolutiepogingen worden door Anstadt van de hand gewezen. Het mag dan ook niet tot verbazing leiden als we in zijn bijdrage lezen: ‘Een belangrijke opgave voor groeperingen die de beginselen van vrijheid, gelijkheid en broederschap aanhangen is, is het ondernemerschap te zuiveren van zijn parasitaire tendenties. Een andere, niet minder belangrijke taak voor hedendaagse socialisten is het bewerkstelligen van een rechtspositie voor de werknemers binnen de ondernemingen, waardoor zij meer zekerheden verwerven op termijn en waardoor ook hun zeggenschap in een redelijke verhouding komt te staan tot die van de geldelijke kapitaalverschaffers.’

En over de EU meldt Anstadt ons: ‘Het zou goed zijn als in linkse kring de hier en daar levende koudwatervrees voor de Europese Unie overwonnen zou worden. Er zijn geen overtuigende argumenten voor de veronderstelling dat Europa geen sociale en democratische koers zou kunnen varen. De schaalvergroting die het Europees bestuur met zich meebrengt biedt daarvoor juist nieuwe mogelijkheden en kansen; deze moeten met verstand, energie en zelfvertrouwen worden benut.’

Jan Pronk leidt de tekst in van Joop den Uyl over de democratie. Den Uyl zag weinig of niets in buitenparlementaire acties, omdat hij die gevaarlijk achtte voor de parlementaire burgerlijke democratie. Hij richtte zich hierbij vooral tegen maatschappijkritische theoretici als Herbert Marcuse en Ernest Mandel.

Voor Den Uyl stond uitbreiding van de collectieve sector voorop, vooral van de herverdelende functie van de staat. Verder wenste hij democratisering van het bedrijfsleven (meer zeggenschap van de factor arbeid over de investeringsbeslissingen), echter zonder een algehele socialisatie te bepleiten.

Volgens Pronk bepleitte Den Uyl ‘samenwerking, geen monopolie voor het kapitaal, geen arbeiderszelfbestuur, geen centrale planning, geen nationalisatie, maar samenwerken op voet van gelijkheid tussen overheid, kapitaalbezitters, ondernemers en vertegenwoordigers van werknemers bij de belangrijkste economische beslissingen omtrent de investeringen en de technologie.’ Terecht concludeert Pronk dat tweederde van de niet zo radicale opvattingen van Den Uyl niet meer gedeeld worden door de huidige PvdA.

Is er een alternatief?

Peyman Jafari, voorman van de Internationale Socialisten, neemt duidelijk stelling tegen de oorlog in Irak, tegen de opvatting van het einde van de geschiedenis en voor de antiglobaliseringsbeweging. So far, so good, maar hoe luidt het alternatief? Dat noemt hij niet.

Oorverdovend stil blijft het na het lezen van zijn inleiding op de tekst van Chomsky als het gaat om het alternatief. Het woord socialisme komt niet voor in zijn bijdrage. Jafari spreekt nergens over de noodzaak van het opbouwen van de arbeidersbeweging en van een socialistische revolutie. Dat is toch merkwaardig in tijden waarin de behoefte aan een echt radicaal alternatief voor het kapitalisme steeds groter lijkt te worden.

Het laatste deel van het boek bestaat uit een inleiding van Anja Meulenbelt op haar eigen tekst. Haar bijdrage behandelt de positie van de vrouw in de kapitalistische maatschappij en de relatie met de bredere arbeidersbeweging. Minpuntje van haar opgenomen tekst ‘De economie van de koesterende functie’, en dat geldt evenzeer voor veel van de andere teksten, is dat er geen verklarende tekst in de zin van noten is opgenomen. Wat voor tijdschrift was Te Elfder Ure? Waar kwam de eis van het huishoudloon vandaan?

Socialisme: wat is het wel en wat niet

De samensteller en de auteurs slagen er met deze rommelige publicatie niet in om een antwoord te geven op de in te titel van het boek gestelde vraag. Voor zover er iets duidelijk wordt is het dat onder socialisme vooral sociaal-democratie verstaan wordt. Niets in het boek over de historische differentiaties in de oude klassieke sociaal-democratische beweging, zoals die optraden tijdens en na de Eerste Wereldoorlog. Wat is nu eigenlijk nog het verschil tussen de diverse aanhangers van het reformistische sociaal-democratische gedachtegoed en de senaatsleden van de Socialistische Partij? Het lijkt er sterk op dat we dit boek moeten zien als de volgende toenaderingspoging van de SP richting PvdA. Vergeten zijn we de verantwoordelijkheid van de sociaal-democratie voor Paars. Bovendien gaat het boek niet in op de sociaal-liberalisering van de PvdA.

De drie uitgangspunten van het socialisme van de SP kunnen nog steeds zeer uiteenlopend geïnterpreteerd worden. Maar na het lezen van Socialisme. What’s left? Kunnen we niet anders concluderen dan dat deze door Ronald van Raak vooral als een variatie op de sociaal-democratie beschouwd wordt. Het selectief opnemen van tekstfragmenten van Marx uit het Communistisch Manifest doet daar niets aan af.

Als leestip voor Van Raak zou ik een ander fragment uit hetzelfde geschrift aanraden. In het deel over de andere linkse stromingen rekenen Marx en zijn compagnon Friedrich Engels genadeloos af met het feodale socialisme, het kleinburgerlijke socialisme, het ‘ware’ socialisme, het conservatieve of bourgeoissocialisme en het utopisch socialisme.

Meer dan 150 jaar later is dit klassieke tekstfragment nog steeds zeer bruikbaar om een onderscheid te maken tussen die socialisten en stromingen die louter aan symptoombestrijding doen en de andere die tot de kern van de zaak, namelijk het kapitalisme, doordringen. Het ontwikkelingstraject van de oude sociaal-democratie heeft genoegzaam aangetoond dat dit project failliet is.

Delen: Printen: