Groeiende instabiliteit in Centraal- en Oost-Europa

Analyse door Paul Smith (Alternatywa Socjalistyczna – ISA in Polen)

De economische crisis, de welig tierende inflatie en de gevolgen van de oorlog en de toestroom van vluchtelingen vergroten de economische en politieke spanningen in Centraal- en Oost-Europa. Deze waren al groot door de Covid-19 pandemie. Vandaag neemt de instabiliteit enorm toe.

In de hele regio is de inflatie ongeveer twee keer zo hoog als in West-Europa en in veel landen bedroeg deze aan het begin van het jaar 20% of meer. De voedsel- en energieprijzen zijn nog sneller gestegen. In januari stegen de voedselprijzen in de hele Europese Unie met gemiddeld 18,4% ten opzichte van een jaar geleden. Hongarije was de recordhouder inzake de prijsstijgingen van voedsel (48,2%), gevolgd door Litouwen (32%) en Slowakije (28,6%).

Terwijl de sociale spanningen toenemen als gevolg van de crisis rond de kosten van levensonderhoud, komen ook de overheidsbegrotingen onder druk te staan, met minder middelen voor extra sociale bescherming voor de meest kwetsbaren of voor loonsverhogingen in de publieke sector.

Hoge rentetarieven – bedoeld om de inflatie te bestrijden – verhogen de kosten voor leners, waardoor de levensstandaard verder onder druk komt te staan.

Op dezelfde manier vergroten de hogere kosten om te lenen voor de overheden een risico op een schuldspiraal. De regio heeft al een enorme toename van de staatsschuld gezien door het fiscale stimuleringsbeleid tijdens de pandemie. Het toegenomen militarisme in de regio als reactie op de Russische agressie tegen Oekraïne is een extra last voor de overheidsfinanciën, met een verhoging van de defensiebudgetten, iets waar de werkende mensen uiteindelijk voor moeten betalen.

Begin van strijd

Ondanks de zwakte van de georganiseerde arbeidersklasse – het gebrek aan een strijdbare leiding in de vakbonden en de afwezigheid van arbeiderspartijen die bereid zijn om politiek het voortouw te nemen – beginnen arbeiders in veel landen in de regio al terug te vechten. In januari braken in Tsjechië de eerste stakingen sinds jaren uit – in een bandenfabriek en onder bezorgers. Ook in Polen hebben koeriers en bezorgers – extreem uitgebuite, onzekere werknemers die tijdens de pandemie in de frontlinie stonden – de afgelopen periode geprobeerd zich te organiseren en vakbondsacties te voeren.

Ook in Tsjechië gingen ongeveer 2.000 werknemers op 29 maart de straat op in Praag en marcheerden kabinet uit protest tegen een voorgestelde verhoging van de pensioenleeftijd. De Tsjechische regering wil de leeftijd verhogen van 65 naar 68 jaar en zegt dat ze de uitgaven moet beperken vanwege een enorm gat in de begroting.

De manier waarop de pensioenen worden berekend is al gewijzigd, wat de positie van Tsjechische gepensioneerden ernstig heeft aangetast. Voorheen waren de pensioenen geïndexeerd, wat garandeerde dat ze ten minste gelijke tred zouden houden met de hoge inflatie, die in februari 16,6% bedroeg. Maar de regering heeft de stijging nu beperkt tot slechts 2,3%. Tot nu toe zijn de vakbonden er echter niet in geslaagd om een massale mobilisatie van alle werknemers te organiseren ter verdediging van de pensioenen. Om de aanvallen te stoppen of terug te draaien, moeten de vakbonden zich voorbereiden en mobiliseren voor een reeks algemene 24-urenstakingen.

Onderwijsstakingen

De tragische toestand van het onderwijs in de regio leidde tot heel wat voorbeelden van strijd. In Litouwen, Letland en Polen hebben de afgelopen jaren lerarenstakingen plaatsgevonden, terwijl Hongarije begin dit jaar een belangrijke lerarenstaking kende, die op veel sociale steun en solidariteit van leerlingen en ouders kon rekenen.

In Letland vond in april van dit jaar een 3-daagse nationale lerarenstaking plaats waarbij 26.000 leraren betrokken waren. Ze protesteerden vanwege de niet nagekomen beloften van de regering op het gebied van lonen en werkdruk. De staking eindigde nadat de regering de eisen van de vakbond opnieuw aanvaardde, maar zonder berekeningen over de toewijzing van middelen. Er blijft wantrouwen bestaan over de vraag of de regering haar beloften opnieuw zal breken, waardoor de mogelijkheid van een nieuwe staking in het nieuwe schooljaar blijft bestaan.

Roemenië kende een enorme stakingsbeweging, die eind 2022 begon en stakingen omvatte van werknemers in de afvalverwerking tegen lage lonen, van bosbouwers die protesteerden tegen de privatisering van de bossen, van spoorwegarbeiders die opkwamen voor de speciale regeling van gezondheidszorg voor spoorwegpersoneel en van gezondheidspersoneel en leraren die loonsverhoging eisten.

In maart protesteerden meer dan 10.000 werknemers uit het onderwijs in Boekarest tegen de lage lonen, en ook in andere steden werden acties georganiseerd. Op 22 mei begonnen 150.000 leraren en 70.000 andere personeelsleden uit het onderwijs een staking die in juni leidde tot een loonsverhoging van 25%. Ondanks het afzwakken van de eisen door de vakbondsleiding, is dit een belangrijk voorbeeld dat laat zien dat militante actie van de arbeidersklasse resultaten kan opleveren.

Kazachse protesten

Begin 2022, kort voordat Rusland Oekraïne binnenviel, braken er protesten uit in Kazachstan over prijsstijgingen en tegen de regering en de voormalige president Nazarbajev. Hoewel de opstand werd gestopt door het leger en de aanwezigheid van Russische ‘vredestroepen’, met honderden slachtoffers, moest president Tokajev toegevingen doen en Nazarbajev en zijn familie uit hun machtsposities te zetten.

Ondanks de repressie is er nu een heropleving van de strijd van de Kazachse arbeidersklasse. Op 11 april van dit jaar joeg de politie tientallen demonstranten uiteen die vanuit de olierijke westelijke regio naar de Kazachse hoofdstad waren gekomen om loonsverhogingen te eisen. De verontwaardiging over deze aanval op de betogers verspreidde zich snel in Mangystau, de provincie waar de betogers vandaan kwamen. Werknemers van verschillende oliemaatschappijen kondigden een staking aan. In de steden van de regio werden bijeenkomsten gehouden voor de vrijlating van de betogers die in Astana werden vastgehouden.

Extreemrechtse en pro-Russische sympathieën

Ondanks tekenen van een heropleving van klassenstrijd in de regio, blijven de vakbonden en de arbeidersbeweging in het algemeen erg zwak in vergelijking met West-Europa. Het bewustzijn wordt gekenmerkt door verwarring en tegenstrijdigheden. Dat is een erfenis van decennia van stalinistisch bewind. Dit geeft extra ruimte aan asociale krachten die het vacuüm opvullen, waarvoor arbeidersorganisaties te zwak staan of niet kunnen invullen omdat ze niet bereid zijn om tegen het neoliberalisme in te gaan.

In verschillende landen zien we de groei van nationalisme, extreemrechts en pro-Russische sympathieën en politieke krachten die munt willen slaan uit de ontevredenheid over de ontberingen waarvoor de schuld op de oorlog wordt gestoken.

In Moldavië kromp het BBP in 2022 met 5,9% op jaarbasis en de inflatie bedroeg aan het begin van het jaar 29%. De gasprijzen stegen vorig jaar met 400%, wat in het najaar leidde tot protesten tegen de regering met tienduizenden mensen onder leiding van de pro-Russische rechtse oppositiepartij SOR.

Tegelijkertijd lopen de nationale spanningen op in de Moldavische regio Gagauzia en in de afgescheiden republiek Transnistrië, waar 1600 Russische troepen gelegerd zijn.

Eerder dit jaar trad de pro-EU regering van Moldavië af na geruchten over een Russisch complot om de regering omver te werpen. Dit maakte plaats voor een nieuwe hardline, meer autoritaire maar nog steeds pro-Westerse regering, terwijl een groot deel van de Moldavische samenleving sympathiseert met Rusland, vooral in Gagauzia.

Nationalistische spanningen laaien ook op in Kosovo, waar de Servische minderheid de gemeenteraadsverkiezingen van april boycotte en slaags raakte met de Servische oproerpolitie en vredesmachten onder leiding van de NAVO toen etnisch-Albanese burgemeesters gemeentelijke gebouwen overnamen in gebieden waar etnisch-Serviërs in de meerderheid zijn. Als reactie zette Servië troepen stand-by bij de grens met Kosovo.

Ondertussen probeert Servië een delicaat evenwicht te vinden met betrekking tot de oorlog in Oekraïne. President Vucic veroordeelde de Russische invasie in Oekraïne, maar weigerde Westerse sancties te steunen. Gezien de herinnering aan de NAVO-luchtaanvallen op Servië, staan veel inwoners van het land sympathiek tegenover Rusland en zien in het conflict in Oekraïne vooral als een opstand van Rusland tegen de NAVO.

Zelfs in de EU-landen in de regio zijn extreemrechtse en pro-Russische krachten in staat om winst te boeken. Dit was afgelopen oktober het geval, toen 70.000 betogers in Praag de straat opgingen tegen de manier waarop de regering omging met de stijgende energieprijzen, tegen het NAVO-lidmaatschap van het land en tegen de Europese Unie. De organisatoren riepen onder andere op tot een overeenkomst met Poetin om de oorlog te beëindigen. De betoging werd georganiseerd door extreemrechts en de ‘Communistische’ Partij. De eisen waren nationalistisch: de belangrijkste slogan was bijvoorbeeld “Tsjechië eerst!”.

Ook in Slowakije is er onder de bevolking veel steun voor Rusland. In 2020, vóór de oorlog in Oekraïne, bleek uit een opiniepeiling dat 78% van de bevolking geloofde dat ze van oudsher Slavische broeders waren met de Russen en dat ze Rusland zagen als een belangrijke politieke en militaire macht op het continent. In Slowakije zijn ‘vredesmarsen’ of protesten gehouden waarin werd opgeroepen tot een onmiddellijk einde van de oorlog en wapenleveringen. Betogers scandeerden “Poetin is onze president, Poetin is onze held.”

Later dit jaar worden er verkiezingen gehouden en we kunnen verwachten dat extreemrechts pro-Russische sentimenten en anti-LGTBQIA+retoriek naar voren zullen komen. In deze situatie is het essentieel dat er een links alternatief wordt gepresenteerd.

Ook in Polen bestaat het gevaar dat extreemrechts zich versterkt indien er een parlement zonder duidelijke meerderheid komt, waarbij een groeiende steun voor Konfederacja een toekomstige PiS-regering nog verder naar rechts duwt en mogelijk extreemrechtse of fascistische elementen in de regering komen.

Politieke patstelling in Bulgarije

Bulgarije zit al sinds het uitbreken van de oorlog in Oekraïne vast in een politieke impasse en is niet in staat om een stabiele regering te vormen. In de afgelopen twee jaar zijn er 5 parlementsverkiezingen gehouden.

GERB – de rechts-populistische partij van Boyko Borissov – was aan de macht van 2009-2021. In 2020 kende het land massale protestacties tegen corruptie en een jaar later verloor GERB zijn meerderheid bij de parlementsverkiezingen. Het resultaat was een verdeeld parlement en een periode van politieke impasse en zwakke, kortstondige coalitieregeringen.

In juli vorig jaar verenigde GERB zich met verschillende kleine oppositiepartijen, waaronder de pro-Russische Opstandingspartij, en bracht de zwakke coalitieregering ten val, waardoor de spiraal van parlementsverkiezingen opnieuw begon. Begin april van dit jaar eindigden de vijfde parlementsverkiezingen ook zonder duidelijk resultaat. Zoals in alle landen van de regio is de ontbrekende factor een arbeiderspartij met een socialistisch programma die een echte oplossing zou bieden voor de problemen in de Bulgaarse samenleving.

Onverwachte woede-uitbarstingen

Protesten kunnen ook uitbreken over zaken die onmogelijk te voorspellen zijn, bijvoorbeeld een onverwachte aanval van de regering of wetgeving waar de samenleving tegen is. Onlangs werd Georgië opgeschrikt door protesten tegen de wet op buitenlandse agenten, die gebruikt kan worden om niet alleen NGO’s, maar ook journalisten en politieke activisten aan te vallen. Na acties met duizenden betogers zag de regering zich genoodzaakt zich voorlopig terug te trekken.

In april braken in Polen, Hongarije, Roemenië en Bulgarije boerenprotesten uit tegen het goedkope Oekraïense graan dat de markt overspoelde. De Oekraïense graanexport werd omgeleid naar Centraal-Europa na de Russische zeeblokkade vorig jaar. Maar in plaats van verder te worden geëxporteerd, bleef het graan in de regio en werd het uiteindelijk goedkoop verkocht als gevolg van lakse controles. Dit veroorzaakte een overvloed, waardoor de prijzen daalden en lokale boeren werden benadeeld.

Dit was een groot probleem voor de regerende Wet en Rechtvaardigheid-partij (PiS) in Polen. Die partij is afhankelijk van de kiezers op het platteland in de aanloop naar de parlementsverkiezingen van oktober. Een anonieme PiS-topfiguur werd in de media als volgt geciteerd: “Als we het verbod [op de verkoop van Oekraïens graan] nu niet hadden ingevoerd, zou het in mei allemaal voorbij zijn geweest voor ons.”

Deze lokale verboden op Oekraïens graan zetten de relaties met Oekraïne onder druk, maar ondanks de aanvankelijke kritiek werd de EU uiteindelijk gedwongen om de embargo’s te handhaven.

In juni van dit jaar vond ook de grootste anti-regeringsbetoging in Polen sinds 1989 plaats, uitgelokt door een nieuwe wet die een speciale schijnrechtbank instelde om politici en activisten te veroordelen die verdacht werden van ‘Russische invloeden’. Door de zwakte van de Poolse linkerzijde werden de half miljoen betogers echter gemobiliseerd door de liberale oppositiepartij Burgerplatform.

Socialistisch feminisme

Geconfronteerd met een groeiende crisis voeren rechts-populistische regimes in de regio hun aanvallen op vrouwen op – in het bijzonder op abortus en reproductieve rechten – evenals op de LGBTQ+-gemeenschap. Hun doel is om verdeeldheid te zaaien onder de arbeidersklasse en de sociale onrust die het kapitalisme onvermijdelijk veroorzaakt af te leiden door het beproefde middel van verdeeldheid te gebruiken. Dit heeft al geleid tot een toename van racistische, homofobe en transfobische aanvallen in de hele regio.

Tegelijkertijd heeft dit echter een radicaliserend effect op een aanzienlijk aantal jongeren, vooral jonge vrouwen, die de heersende ideologie van religieus fundamentalisme en middeleeuwse vooroordelen en bijgeloof verwerpen.

In Polen leidden de aanvallen op de reeds uiterst restrictieve abortuswet in 2016 en 2020 tot een massabeweging ter verdediging van de abortusrechten. Hoewel de liberale leiding de beweging probeerde te beperken tot een verdediging van het status quo, gingen de eisen van vrouwen en jongeren op de betogingen veel verder en omvatten ze ook het recht op abortus op verzoek en een zuivering van de katholieke kerk uit alle invloedssferen van de staat.

De belangstelling voor de Rosa-conferentie in Wenen van kleine groepen en individuen in de regio die contact met ons hebben opgenomen, toont het potentieel voor een socialistisch feministisch programma en strijdmethoden in dit deel van Europa. De sleutel zal zijn om de radicaliserende jeugd van de regio te winnen voor de ideeën van het marxisme en hen te oriënteren op de ontwakende arbeidersklasse.

Delen:
Printen:
Voorpagina van De Linkse Socialist