Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd (deel 3): bittere overwinning

In de eerste twee delen van deze reeks hadden we het over de koloniale verovering van Algerije door Frankrijk, het ontwaken van het verlangen naar onafhankelijk van de Algerijnse nationale beweging en de in 1954 door het Nationaal Bevrijdingsfront (FLN) begonnen gewapende strijd. 

Artikel door Guy Van Sinoy uit maandblad De Linkse Socialist.

Lees ook:Algerije: het begin van de onafhankelijkheidsstrijd

Lees ook:Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd (deel 2): het FLN start de opstand

Het kwam tot een wrede koloniale oorlog. Er werden massaal Franse troepen naar Algerije gestuurd om jacht te maken op de strijders van het ALN, de gewapende vleugel van het FLN. Met wapens betrapte strijders van het maquis werden vaak meteen geëxecuteerd. Algerijnse gevangenen werden gemarteld. De bevolking van dorpen werd op brutale wijze gehergroepeerd in kampen, sommige dorpen werden gebombardeerd met napalm. In Frankrijk was er een forse toename van racistisch politie-optreden, waarbij Algerijnse arbeiders in de automobielsector willekeurig werden opgepakt.

Charles de Gaulle neemt de macht over

Na een regeringscrisis in Parijs in 1958 namen extreemrechtse activisten de straten van Algiers in onder het roepen van slogans als “Bij gebrek aan regering, het leger aan de macht.” Enkele regeringsgebouwen werden bezet. Verschillende hoge officieren kozen de kant van het protest. Op 13 mei deed generaal Massu een oproep aan Charles de Gaulle om de macht over te nemen. In Corsica schaarde het leger zich achter de staatsgreep. President René Coty verzocht daarop de Gaulle om een nieuwe regering te leiden. Eenmaal aan de macht, liet de Gaulle bij referendum een nieuwe grondwet goedkeuren die hem ruime bevoegdheden gaf. Hij werd hoofd van het leger, regeringsleider en kon op elk ogenblik het parlement ontbinden. 

De Gaulle kwam aan de macht door de acties van de aanhangers van een Franse heerschappij over Algerije. Hij begreep echter al gauw dat de koloniale status quo in Algerije op lange termijn niet houdbaar was. Vanaf 1959 aanvaardde hij dat Algerije Algerijns zou worden en probeerde hij de Franse belangen zo goed mogelijk te beschermen, vooral in de Sahara. 

Steun voor de koloniale revolutie

De Algerijnse strijd kreeg weinig steun in Frankrijk. Enkel de trotskisten, anarchisten en linkse intellectuelen hielpen de door de politie opgejaagde FLN-leden. Ze fungeerden ook als ‘kofferdragers’, om in Europa opgehaalde bijdragen onder FLN-sympathisanten naar Algerije te brengen om het maquis te financieren. De secretaris van de Vierde Internationale, Michel Pablo, droomde ervan dat de strijd in Algerije de weg van de Cubaanse revolutie zou volgen en slaagde erin een clandestiene wapenfabriek voor het FLN op te zetten in Marokko. (1)

Akkoorden van Evian, OAS en politiegeweld

Van 1960 tot 1962 vonden in Evian onderhandelingen plaats tussen het FLN en de Franse autoriteiten. Als reactie op deze onderhandelingen richtte extreemrechts de OAS (Organisation Armée Secrète) op, een terroristische organisatie die FLN-kaderleden en aanhangers van de Gaulle vermoordde. In 1962 vuurde een commando van de OAS met een machinegeweer op de auto van de Gaulle. 

Op 17 oktober 1961 vermoordde de Parijse politie meer dan 200 Algerijnse betogers die protesteerden tegen de avondklok die de politieprefect Maurice Papon had ingesteld. De media stopten dit bloedbad destijds in de doofpot, pas in 1991 werd deze misdaad van de Franse overheid erkend. In februari 1962 doodde de Parijse politie in het metrostation Charonne negen CGT-militanten die betoogden tegen het geweld van de OAS.

In maart 1962 werden de akkoorden van Evian ondertekend. Die bepaalden de voorwaarden voor de Algerijnse onafhankelijkheid. In de oorlog vielen 350.000 tot 400.000 Algerijnse doden. Daarnaast kwamen 25.000 Franse soldaten en enkele duizenden Europese burgers om het leven. Bijna een miljoen ‘pieds-noirs’ (Fransen die in Algerije woonden) verlieten in allerijl het land aan de vooravond van de onafhankelijkheid. Op 5 juli 1962 werd Algerije onafhankelijk.

De FLN-leiders raakten onderling verdeeld. Kolonel Boumedienne stelde Ben Bella aan als president. Op 19 juni 1964 wierp Boumedienne Ben Bella omver in een staatsgreep. Het FLN werd nu gebruikt als een dekmantel voor het leger, dat de werkelijke machthebber was. 

  1. Noot van de redactie: de voorlopers van onze stroming koesterden in tegenstelling tot Pablo geen illusies over het soort regime dat uit de Algerijnse revolutie zou voortkomen onder leiding van het FLN. Dit weerhield hen er niet van om actief mee te strijden voor de overwinning van die revolutie en voor de verzwakking van het imperialisme.
Delen: Printen: