Hoe zou een planeconomie werken?

Als zelfs burgerlijke politici en economen erkennen dat de energiemarkt “irrationeel” is en niet werkt, wie spreekt er hen dan nog tegen? Het idee dat enkel privé-kapitaal in staat is om op een efficiënte manier goederen en diensten te produceren, was de dominante ideologische mantra van de laatste 40 jaar. Het was de reden voor de privatisering van de energiemarkt, de telecommunicatie, in sommige landen zelfs het spoor en water.

door Peter (Leuven)

Zelfs voor een nieuwe recessie de werkloosheid weer heeft aangewakkerd, zien we dat het blinde geloof in kapitalistische markten aanzienlijk is ondermijnd. In het politieke begrip van werkenden en jongeren is er een steeds grotere openheid voor de analyse dat het om een systeemcrisis gaat. Kritiek op het kapitalisme wordt veel breder aanvaard dan enkele jaren geleden. Het tijdperk van de kapitalistische wanorde doet oude zekerheden in een ijltempo verdampen en jaagt ideologische schokken doorheen de heersende klasse.

Nieuwe linkse figuren of formaties zoals rond Bernie Sanders in de VS, Mélenchon in Frankrijk of de PVDA in België kwamen op. Ze brengen zeer terechte sociale eisen naar voren. Maar even opvallend: geen enkele van die nieuwe formaties pleit openlijk voor een democratische, socialistische planning van de economie (zelfs indien Mélenchon een belangrijke stap in die richting zet met zijn concept van ‘ecologische planning’). Ze werden helaas allen beïnvloed door de burgerlijke propagandamolen na de val van de bureaucratisch geplande economieën – het zogenaamde ‘communisme’, maar in feite stalinisme – in Rusland en Oost-Europa. Het idee dat economische planning zogezegd ‘niet kan werken’ zindert nog altijd na in deze nieuwe politieke krachten en in het brede bewustzijn. Het is tijd om deze antisocialistische propaganda in het volle daglicht te ontleden en een radicaal programma van maatschappelijke omwenteling – steunend op socialistische economische planning en radendemocratie – in ere te herstellen.

Radendemocratie: de missende schakel

Karl Marx, grondlegger van het wetenschappelijke socialisme, gaf in Het Communistisch Manifest van 1848 slechts een algemene schets van socialisme. Het privébezit van de productiemiddelen diende afgeschaft om overproductiecrisissen te verijdelen en de werkenden dienden collectief over de productie te beslissen. Marx wenste niet in utopisch wensdenken te vervallen. De Parijse Commune van 1871 gaf uiteindelijk vanuit de concrete ervaring een beeld van arbeidersdemocratie: vrije verkiezingen, permanente afzetbaarheid, verkozenen aan een gemiddeld werknemersloon … Marx noemde het de “eindelijk ontdekte politieke vorm waaronder de economische emancipatie van de werkenden dient te worden uitgewerkt,” maar benadrukte dat de onderdrukkende kapitalistische staat volledig moet worden afgeschaft, niet alleen overgenomen.

De Russische revolutie van 1917 vervolledigde dit inspirerende beeld van een democratie van en voor de werkende klasse. De ‘sovjets’ (Russisch voor raden of comités) waren gebaseerd op democratisch georganiseerde, massale vergaderingen, in het bijzonder op de werkvloer, met vrije discussie tussen verschillende standpunten binnen de werkende en onderdrukte klassen. Per werkplaats of kazerne waren er een aantal verkozenen voor de centrale arbeiders- en soldatenraad in elke stad.

Dit machtige netwerk van raden verenigde zich in periodieke nationale congressen van de vertegenwoordigers van de onderdrukte klassen. Van strijdorganen worden dit soort verkozen raden in de bedrijven, wijken, scholen … op momenten van revolutionaire gisting meer en meer een fenomeen van dubbele macht, naast de zittende kapitalistische regering. Voor marxisten is dit soort getrapte radendemocratie na de revolutie cruciaal voor de leefbaarheid van een planeconomie. Door het isolement van de Russische revolutie in een economisch achtergebleven land waren de elementen van de arbeidersdemocratie echter moeilijk te handhaven en vanaf 1924 werden ze volledig uitgeschakeld onder het juk van de stalinistische bureaucratie.

De Parijse Commune ontstond slechts in één stad en kon dus maar een beperkt beeld geven van de economische organisatie van het socialisme. Lenin merkte overigens op dat de concentratie en centralisatie van kapitaal in Parijs toen nog niet zover gevorderd was. Vandaag heeft dat fenomeen enorme dimensies aangenomen: het door monopolies gedomineerde kapitalisme. Dat vergemakkelijkt de mogelijkheden van economische planning. Multinationale bedrijven vertegenwoordigen ongeveer 1/3e van de wereldproductie en 1/4e van de globale werkgelegenheid.

Het debat over ‘economische calculus’

Sinds de jaren 1930 putten burgerlijke economen zich uit in argumenten tegen ‘centrale planning’. Alsof alle economische planning sowieso centraal zou gebeuren en niet afhankelijk is van het type van product of dienst. Staalproductie of spoorvervoer zouden uit de aard van de productie gecentraliseerd kunnen gebeuren. Consumptiegoederen of goederen met veel componenten kunnen meer gebaat zijn met gedecentraliseerde planning, waarbij het genationaliseerde bedrijf en haar arbeidersraad het ritme van de productie en de aankopen inschat en controleert.

Planeconomieën zouden volgens de burgerlijke ideologie altijd gebukt gaan onder ‘een gebrek aan informatie’ en ‘gebrek aan innovatie’. Zelfs de bureaucratische planeconomie in Rusland – zonder arbeiderscontrole en zonder democratisch beheer door de werkende klasse, overdreven gecentraliseerd omwille van bureaucratisch-elitaire redenen … – kende echter een veel snellere groei dan een kapitalistisch land als India. Hoewel nog beperkt omwille van de dictatuur en het gebrek aan internationale samenwerking, toonde dit het potentieel van planning: de uitschakeling van de groei- en recessiecyclus van het kapitalisme, het vermijden van langdurige crisissen of depressies, het garanderen van basisvoorzieningen zoals onderwijs, gezondheidzorg, huisvesting, jobs …

We moeten ons inbeelden wat mogelijk zou zijn geweest als deze economieën wel onder een radendemocratie waren ontwikkeld. Met een wetenschap die direct haar nut voor de hele maatschappij zou tonen, in de plaats van de speelbal te zijn van de bureaucratie en haar deelbelangen, interne conflicten, buitensporige defensie-uitgaven, etc.

Als reactie op de mislukking van de overdreven gecentraliseerde en dictatoriale planning kwamen er ter linkerzijde verschillende antwoorden. Sommigen kwamen op voor een gedecentraliseerd ‘marktsocialisme’ waarbij er concurrentie bleef bestaan tussen genationaliseerde bedrijven, met weinig of geen planning van bovenaf of in de sector. Het probleem is dat deze benadering al snel degenereert naar een terugkeer van hiërarchie en leiding door managers. Dit is wat er gebeurde in het stalinistische Joegoslavië na de Tweede Wereldoorlog. Degenen die menen dat markten en geld altijd zullen bestaan, gaan eraan voorbij dat in een situatie van overvloed producten en diensten gratis kunnen worden verdeeld, zonder tussenkomst van geld.

Anderen probeerden schema’s te bedenken waarbij ineens naar een wereld zonder geld en markten wordt gesprongen. De radendemocratie produceert in deze denkwijze met moderne technologie meteen volgens de behoeften. Deze benadering onderschat echter hoe directe productie volgens de behoeften een langere periode van groei en coördinatie van de productiekrachten op wereldvlak vereist.

Zaken zoals geld en prijzen worden niet meteen afgeschaft, maar in de overgangseconomie naar een hoger stadium van het socialisme in de planning geïntegreerd. De waardewet waarbij prijzen achterliggende hoeveelheden arbeidstijd weerspiegelen, verdwijnt niet op slag. Ze wordt door de ontwikkelende productie ontgroeid, op het moment dat vrije distributie meer tot de mogelijkheden behoort.

Vormen en niveaus van planning: een antwoord op het ‘informatieprobleem’

Eén vorm van planning zou niet passen voor elk product of dienst. Ruwweg kan je nu al verschillende vormen van planning onderscheiden, die ook onder het socialisme zouden bestaan. Productie die pas begint op het moment dat een behoefte wordt vastgesteld of een ‘vraag’ wordt geregistreerd, zou niet zo praktisch zijn voor veel producten die kunnen bederven. Voor dit soort producten passen supermarkten nu reeds een planning ‘in real time”’toe. De gegevens van de verkoop worden direct doorgestuurd langs de toeleveringsketens en de productie wordt vertraagd of opgevoerd op het moment zelf.

Dit verschilt van op orders gebaseerde productie, waarbij de productie pas begint nadat een order werd geplaatst. Meer grootschalige en duurdere industriële of technologische producten zullen meer gebaat zijn bij productie na een reeds vastgestelde behoefte.

Tenslotte wordt in het kader van socialistische planning dikwijls verwezen naar ‘input-output’-analyse. Hoeveel en welke economische input hebben we nodig om groene wind- en zonne-energie op massale schaal op te wekken? Hoeveel leerkrachten, klassen, gebouwen … zijn er op basis van de evolutie van de leerlingenaantallen en de nood aan kleinere klassen nodig? ‘Input-output’-planning is vooral nuttig voor groeisectoren die prioriteit hebben onder het socialisme, zoals het socialiseren van de huishoudelijke taken.

Het door burgerlijke ideologen rondgestrooide, vermeende ‘informatieprobleem’ van planeconomieën zou het volgende zijn: ‘miljoenen producten’ zouden niet door een ‘centrale planning’ kunnen worden voortgebracht, zonder te leiden tot een overdaad aan informatie die niet kan worden verwerkt. Enkel prijssignalen op basis van vraag en aanbod en private productie voor de winst zou deze informatie efficiënt kunnen verwerken.

In een democratische planeconomie zal zowel centrale als gedecentraliseerde planning plaatsvinden. Voor productie met veel verschillende componenten kan de planning door het genationaliseerde bedrijf en haar arbeidersraad gebeuren. Met regelmatige sectorbijeenkomsten om de solidariteit van een succesvolle socialistische revolutie te behouden, ervaringen in planning uit te wisselen, succesvolle producten ook elders te produceren, de werktijd collectief te beheren … Allemaal in het belang van de werkenden en hun gezinnen, waaronder hun ecologische belangen, en niet van een kleine club winstbeluste bazen.

Marxisten stellen voor dat beslissingen worden genomen door bijvoorbeeld 1/3e vertegenwoordigers van het bedrijf, 1/3e van de vakbonden in de sector en 1/3e van de arbeidersregering, zodat alle belangen vertegenwoordigd zijn. Eens een planeconomie in sectoren wordt verdeeld, zou elke sector de planning van eerder enkele honderden dan van duizenden bedrijven dienen te beheren. Die planning zou gecentraliseerd of gedecentraliseerd kunnen gebeuren, maar altijd met democratisch collectief beheer op sectorieel of regionaal-sectorieel niveau.

Op deze manier wordt duidelijk dat een planeconomie niet bestaat uit één of een handvol, maar duizenden planningscentra en miljoenen handen, ogen en ideeën van de werkenden op verschillende niveaus. De gepaste vorm van planning in combinatie met het meest voor de hand liggende niveau zou de economische planning doen werken, gebaseerd op vrije discussie, het recht van kritiek, arbeiderscontrole over de productie en echte arbeidersdemocratie.

Delen: Printen: