Terugblik op de gestolen Iraanse revolutie van 1979. Hoe de werkende klasse de Sjah ten val bracht

Door Donal Devlin (Socialist Party, ISA in Ierland)

“Niemand kan mij omverwerpen. Ik heb de steun van 700.000 troepen, het grootste deel van het volk en alle arbeiders.”  – Mohammad Reza Pahlavi, Sjah van Iran, juni 1978.

De geschiedenis is zelden vriendelijk voor de bombastische overmoed van moorddadige dictators.  Binnen enkele maanden na bovenstaande bewering van de Sjah werd hij op 16 januari 1979 onherroepelijk in ballingschap gedwongen. Beginnend met straatprotesten in de herfst van 1978 en snel uitmondend in massale stakingen, maakte een revolutionaire beweging van de arbeidersklasse en de armen een einde aan zijn gehate dictatuur.

Een moorddadig regime

De Sjah werd in 1941 aan de macht gebracht door het Britse imperialisme, later werd hij de absolute heerser van Iran nadat een staatsgreep in 1953 de regering van premier en radicale nationalist Mohammad Mosaddegh omver had geworpen. Deze staatsgreep werd georkestreerd door zowel de CIA als de MI5, de Amerikaanse en Britse inlichtingendiensten, nadat Mosaddegh de oliereserves van het land had genationaliseerd. Democratische finesses werden afgeschaft in het belang van private winsten.

Het Iran van de Sjah werd, naast Israël en Saoedi-Arabië, een cruciale bondgenoot van het VS-imperialisme in het Midden-Oosten. Het was de locatie voor het hoofdkwartier van de CIA in de regio, en tegen de tijd van de revolutie hadden de VS 24.000 ‘militaire adviseurs’ in het land. Het hielp SAVAK op te richten, de beruchte geheime politie van het regime, die fungeerde als een alomtegenwoordig moordcommando dat tienduizenden politieke gevangenen martelde en vermoordde.

De Sjah bouwde een kolossaal militair apparaat uit dat tegen de jaren 1970 de grootste importeur van militaire wapens ter wereld werd. Alleen al tussen 1971 en 1976 kocht hij voor 8 miljard dollar aan wapens van de VS.

Extreme ongelijkheid

De meedogenloze repressie werd gecombineerd met pogingen om het land snel te industrialiseren, wat de Sjah zijn ‘witte revolutie’ noemde, in de overtuiging dat hij Iran kon moderniseren tot een geavanceerde kapitalistische staat.

De Sjah en zijn trawanten hadden een overvloedige levensstijl gebaseerd op de economische successen van Iran. In 1967 gaf hij zichzelf de titel ‘Koning der Koningen’ en vier jaar later organiseerde hij een driedaagse wereldwijde ceremonie die 22 miljoen dollar kostte om zijn heerschappij te vieren. Een speciale locatie voor de festiviteiten werd gebouwd op de plaats van Persepolis, de oude hoofdstad van Perzië, met de aanwezigheid van diverse kapitalistische en stalinistische wereldleiders. In een tijd waarin 44% van de Iraniërs onder de armoedegrens leefde, werd 18 ton van het beste voedsel, waaronder 30 kg kaviaar, overgevlogen uit Parijs. Zo’n obscene vertoning van weelde voedde alleen maar de wrok van de Iraanse massa’s tegen de Sjah.

Revolutionaire opstand

Extreme ongelijkheid, snelle industrialisatie, staatsonderdrukking, onderdrukking van nationale en etnische minderheden en, na 1975, een economische crisis, werden allemaal het brandbare materiaal voor een revolutionaire explosie. Dat is precies wat er gebeurde op 7 september 1978. Na een jaar van groeiende protesten, gingen twee miljoen mensen de straten van Teheran op. De Sjah reageerde met de afkondiging van de staat van beleg en 2.000 betogers werden op straat afgeslacht.

Deze repressie wakkerde het revolutionaire proces alleen maar aan. Er ontstond een grote stakingsbeweging waarbij de belangrijkste onderdelen van de Iraanse arbeidersklasse in actie kwamen. Olie-, steenkool- en transportarbeiders staakten, waarbij de laatsten weigerden politie en leger toe te laten op de treinen.

Arbeidsplaatsen werden bezet en democratisch gekozen stakingscomités namen de leiding over. Naarmate de beweging zich uitbreidde, begonnen de soldaten van het leger te muiten en schaarden ze zich aan de kant van de massa. Boeren begonnen land in beslag te nemen en hun landheren te verdrijven.

Een kracht die gezag had in de revolutie waren de sjiitische geestelijken en hun leider Ayatollah Khomeini, die begin jaren zestig in verzet waren gekomen tegen het bewind van de sjah. Door hun populistische boodschap tegen ongelijkheid konden zij een basis opbouwen onder de armen van Iran.

Dit was echter verre van een onbetwiste invloed op de revolutionaire gebeurtenissen van 1979. De Tudeh (de Iraanse Communistische Partij) en andere linkse krachten hadden ook een aanzienlijk draagvlak op belangrijke werkplekken en in de shora’s (democratisch gekozen arbeidersraden die in de periode na de val van de Sjah ontstonden). Zij vormden een reële basis voor de vestiging van een democratische socialistische staat in Iran. Het beleid van Khomeini, met name het verplicht dragen van de hijab, stuitte op massaal verzet. Op Internationale Vrouwendag 1979 gingen honderdduizenden vrouwen zes dagen achtereen de straat op om tegen deze maatregel te protesteren.

De bovengenoemde linkse krachten hielden Khomeini echter grotendeels overeind, ondanks zijn pro-kapitalistische, reactionaire beleid en zijn verzet tegen de shoras. Daarmee verspeelden zij een kans op socialistische veranderingen en lieten ze de contrarevolutie zegevieren. In 1981 werden de Tudeh en de georganiseerde linkerzijde en arbeidersbeweging onderdrukt en veel van haar activisten gevangen gezet.

Een cruciale les van deze periode is de noodzaak van een revolutionair socialistisch alternatief dat zich verzet tegen de imperialistische en monarchistische heerschappij, alsmede tegen de theocratische heerschappij van het bestaande regime in Iran – een andere variant van het kapitalisme die eveneens staat voor een systeem van uitbuiting en nationale en genderonderdrukking.

Delen: Printen: