Aan de Antwerpse universiteit was er een discussie over het statuut van het Zelfstandig Academisch Personeel (ZAP). Het ZAP-statuut is van toepassing op de professoren. ACOD-Onderwijs verzet zich tegen het voorstel dat op tafel lag. De vakbond is ongerust over de wijze waarop het wetenschappelijk onderzoek en het hoger onderwijs worden gefinancierd en georganiseerd. We publiceren een standpunt dat ACOD-onderwijs hierover schreef.


ACOD-Onderwijs keurt nieuw ZAP-statuut aan de Universiteit Antwerpen niet goed

Standpunt van ACOD-Onderwijs aan de Antwerpse universiteit

In mei/juni 2011 werd het nieuwe ZAP-statuut, dat vanaf oktober 2011 het huidige statuut voor de ZAP-geleding zal vervangen, onderhandeld in het Personeelsonderhandelingscomité (POC). Het POC is een paritair samengesteld orgaan binnen de Universiteit Antwerpen, waar vertegenwoordigers van het universiteitsbestuur en van de vakbonden onderhandelen over collectieve personeelsaangelegenheden.

ACOD-Onderwijs, de onderwijscentrale van het ABVV, heeft na raadpleging van haar leden het protocol van akkoord rond het nieuwe ZAP-statuut niet ondertekend. We willen hiermee onze ongerustheid over de huidige trends in de financiering en de organisatie van het wetenschappelijk onderzoek en het hoger onderwijs signaleren.

Personeel slachtoffer van krimpende budgetten

De publieke middelen voor hoger onderwijs en onderzoek zijn de voorbije 20 jaar systematisch afgenomen. Het totaal budget daalde gedurende deze periode in reële termen met 10%! Daar staat tegenover dat de studentenaantallen met ongeveer 50% gestegen zijn (van 141.538 studenten in 1993 naar 207.954 in 2010) en er heel wat meer verwacht wordt op gebied van onderzoek. Sinds de economische crisis werd het besparingsritme nog verder opgedreven. De rectoren van de Vlaamse universiteiten berekenden dat de voorbije 3 jaar 96,9 miljoen euro bespaard werd op hun structurele inkomsten. De recente verhoging van publieke middelen voor onderzoek (FWO, IWT…) doen slechts voor een stuk de besparingen van de voorbije jaren teniet. Met de om en bij de 20 miljard euro die de toekomstige regeringen in ons land zullen besparen, lijkt het bovendien onwaarschijnlijk dat we de komende jaren substantiële budgetverhogingen mogen verwachten.

Doorgaans probeert men het academisch personeel ietwat te ontzien – zij verzorgen immers de ‘core-business’ – wat tot gevolg heeft dat de toenemende werkdruk vaak het hardst voelbaar is onder het administratief en technisch personeel (ATP). Maar ook het academisch personeel wordt getroffen: er zijn steeds minder professoren om steeds meer studenten op te vangen, jonge onderzoekers moeten in onzekere statuten werken en hebben heel beperkte carrièreperspectieven, de kansen op financiering van fundamenteel onderzoek via het FWO zijn fors gedaald…

Vermarkting van onderwijs en onderzoek ten koste van kwaliteit

Hoe kan je de kennisproductie verhogen met minder middelen? Door concurrentie, was het antwoord van voormalig minister van onderwijs, Frank Vandenbroucke. In 2008 voerde hij een nieuw financieringsmodel in dat ervoor zorgt dat de universiteiten voor hun inkomsten met elkaar in concurrentie moeten gaan op vlak van wetenschappelijke output en studentenaantallen. De centrale ‘pot’, die in principe enkel verhoogd wordt met de (afgeroomde) index en door het ‘kliksysteem’ (enveloppen nemen met 2% toe indien het studentenaantal met 2% toeneemt t.o.v. een referentiedatum), wordt verdeeld onder de universiteiten in verhouding tot hun score op deze twee parameters. Dit leidt tot een gevecht om de te klein bemeten gelden, met een verhoging van de werkdruk tot gevolg. Een bijkomend nefast gevolg is dat je als universiteit wat betreft ‘output’ wel vooruit kan gaan, maar als anderen nog beter presteren, dan blijf je tóch achter met minder geld. De kleintjes worden kleiner, de groten worden groter…

Doordat er steeds minder publieke middelen naar hoger onderwijs vloeien, zijn de universiteiten in toenemende mate afhankelijk van fondsen uit de privé-sector. Niet alleen staan die middelen onder druk door de economische crisis, maar dergelijke fondsen roepen ook vragen op over de onafhankelijkheid van het onderzoek dat ze financieren. Universiteiten dreigen zo te verworden tot goedkope ‘research and development’-centra van de privé sector. Onderzoek dat niet onmiddellijk ‘vermarktbaar’ is, dreigt zo in het verdomhoekje terecht te komen.

Ook de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek komt in gevaar. Men evalueert onderzoekers vandaag op basis van het aantal gepubliceerde artikels, afgeleverde doctoraten en de mate waarin ze in staat zijn om fondsen aan te trekken. Andere kerntaken zoals het kritisch bespreken van het werk van collega’s, het opleiden van nieuwe onderzoekers, dienstverlening aan de samenleving… worden nagenoeg niet als volwaardige ‘output’ gerekend en brengen dus geen geld in het laatje. Kwaliteit wordt aldus vernauwd tot internationale publicaties en wordt op louter kwantitatieve wijze gemeten. De stijgende publicatiedruk heeft weliswaar geleid tot een sterke stijging van het aantal publicaties (een gemiddeld onderzoeker in Vlaanderen produceert vandaag 2 keer meer wetenschappelijke publicaties per jaar dan 10 jaar geleden), maar of dit ook geleid heeft tot een kwalitatieve verbetering is nog maar de vraag. Samenwerking over de grenzen van een onderzoeksgroep, faculteit of universiteit heen, komt onder druk te staan: je collega is immers tegelijk ook je concurrent. Je kan je maar best niet te veel bezig houden met fundamenteel onderzoek dat weinig output op korte termijn oplevert. En wie durft het nog aan om tegen de stroom in te gaan in zijn of haar onderzoeksdomein als je daardoor niets gepubliceerd krijgt? We glijden af naar een situatie waarin professoren geacht worden om enkel nog onderzoeks’managers’ te zijn: gespecialiseerd in het maximaliseren van de “output”, met dus een uitgebreide reeks publicaties in een bepaalde niche van een bepaald onderzoeksdomein tot gevolg, maar zonder de stimulans om het onderzoek kritisch uit te diepen of om het te kaderen in globale problematieken. Daarenboven, waarom zou een universiteit haar onderzoekers nog aanmoedigen om het werk van collega’s kritisch te bespreken (‘peer review’), wanneer dit niet meetelt als ‘output-parameter’? Nochtans staat of valt de wetenschap met de confrontatie van ideeën, inzichten en bevindingen!

Nieuw ZAP-statuut versterkt onderlinge concurrentie aan Universiteit Antwerpen

De druk die het tekort aan middelen en het nieuwe financieringsmodel uitoefent op de universiteiten, komt nu ook tot uiting in een officieel document dat de arbeidsvoorwaarden voor professoren regelt: het nieuwe ZAP-statuut.

De Universiteit Antwerpen stapt mee in de concurrentielogica en zal voortaan voor de aanwerving van nieuwe professoren gebruik maken van het Tenure Track stelsel (TT-stelsel). Dit stelsel voorziet in een evaluatieprocedure voor nieuwe ZAP-leden waarbij minimumvereisten voor wetenschappelijke output worden vastgelegd in termen van aantal publicaties, citaties, afgeleverde doctoraten, verworven fondsen, enzovoort. Kortom, net die parameters die van belang zijn in het financieringsmodel. Vijf jaar na de aanwerving zal het nieuwe ZAP-lid beoordeeld worden op basis van deze criteria, wat aanleiding moet geven tot het wel of niet benoemen als hoofddocent. Voorheen bedroeg de termijn waarbinnen beslist werd over een benoeming slechts 3 jaar.

Ook aan de Universiteit Antwerpen zijn er de voorbije jaren honderden nieuwe jonge doctoraatsstudenten bijgekomen, maar hun kansen op een academische carrière zijn klein doordat het aantal ZAP-posities ongeveer stabiel is gebleven. Voor de beperkte posities wil men met het nieuwe ZAP-statuut meer concurrentie organiseren tussen potentiële kandidaten: wie na 5 jaar het meest heeft gepubliceerd, het grootste aantal doctoraten heeft afgeleverd, de meeste fondsen heeft aangetrokken,… zal de benoeming in de wacht slepen.

Met ACOD-Onderwijs zijn we niet tegen duidelijke doelstellingen, maar we zijn ervan overtuigd dat de huidige nadruk op kwantitatieve wetenschappelijke output ondermijnend werkt voor de kwaliteit van het onderzoek, en de werkdruk nodeloos opdrijft.

Terwijl een benoeming aan ZAP’ers de nodige vrijheid zou moeten geven om te onderzoeken wat ze zelf het meest wenselijk achten, verkrijgen ze die slechts op voorwaarde dat hun werk de financiering van de universiteit maximaal bevordert. Regelmatige evaluaties zorgen ervoor dat dit achteraf zo blijft. We stellen ons ook vragen bij de gevolgen van dit alles voor de kwaliteit van het onderwijs aan onze instelling. Hoewel onderwijs, naast onderzoek en dienstverlening, een kerntaak is van een ZAP-lid, is de aandacht voor onderwijs in de evaluatieprocedure beperkt. De hyperproductieve prof die veel publiceert, heeft een duidelijke voorsprong op de professor wiens kwaliteiten eerder tot uitdrukking komen in zijn/haar onderwijstaak.

Een signaal om de discussie levendig te houden

ACOD-Onderwijs verzet zich tegen de concurrentie- en besparingslogica die onze universiteiten in haar greep houdt. De kwaliteit van onderwijs en onderzoek, en de arbeidsomstandigheden en werkzekerheid van het personeel zijn onze eerste bekommernissen. De huidige trends in het personeelsbeleid dreigen aan al deze zaken ernstig afbreuk te doen. We gaan daarom niet akkoord met het nieuwe ZAP-statuut en willen, met de niet-ondertekening, een duidelijk signaal geven. We zullen al onze mogelijkheden aanwenden om de discussie aan te zwengelen en een tegenbeweging op te bouwen.