In mei trokken meer dan 12.000 personeelsleden van het Franstalig onderwijs de straat op in Luik. Dit betekent dat meer dan één op de tien aan de betoging deelnam. Voor het eerst sinds 1996 was er ook een algemene staking in het Franstalig onderwijs. Aan redenen ontbrak het niet bij dit protest.

Slechte arbeidsomstandigheden

De druppel die de emmer deed overlopen, was de aanval op de TBS (terbeschikkingstelling). Net zoals dit eerder al in Vlaanderen gebeurde, wil de Franstalige regering de TBS-leeftijd (een vorm van brugpensioen) van 55 tot 58 jaar optrekken. De regering wil daarmee 60 miljoen euro per jaar besparen.

Veel personeelsleden nemen het niet dat de traditionele politici blijkbaar niet in staat zijn om hun werk naar waarde te schatten en bijgevolg betere arbeidsvoorwaarden mogelijk te maken. Oudere leerkrachten zijn vaak niet meer gemotiveerd, maar als het van de regering afhangt, moeten ze minstens tot hun 58 blijven. Een lerares zegt ons: “Ze mogen mijn loon nog verdubbelen, dat verandert er niets aan. Ik zal het niet volhouden tot mijn 58 jaar.”

De werkdruk is bijzonder groot met overbevolkte klassen, gebrekkig materiaal, infrastructuur die tekort schiet en daarbovenop alle voorbereidingen, verbeteringen, schoolreizen, oudercontacten, buitenschoolse activiteiten. Dit alles moeten de leraars zien te bolwerken voor een beperkt loon. Het tekort aan middelen zorgt ervoor dat het onderwijs soms meer op kinderopvang lijkt dan op een plaats waar jongeren worden opgeleid.

Het ongenoegen is algemeen omdat het voor het personeel niet mogelijk is om hun job naar behoren te vervullen. Dit maakt het moeilijk om motivatie te vinden en te behouden. In het Franstalig onderwijs verlaten twee op de vijf jonge leraars binnen de vijf jaar het onderwijs omdat ze het niet volhouden. Bij ziekte worden veel leraars niet vervangen omdat er een gebrek is. Hierdoor missen sommige leerlingen wekenlang of zelfs maandenlang bepaalde vakken.

Een schandalig gebrek aan middelen

De besparingsmaatregelen vanaf de jaren 1980 hebben in alle gemeenschappen geleid tot een vermindering van de middelen voor onderwijs. Terwijl er in 1980 meer dan 7% van het Bruto Binnenlands Product (bbp) aan onderwijs werd besteed, is dat vandaag minder dan 5,5%. Dit komt neer op een besparing van zowat 6 miljard euro!

Alle maatregelen van de afgelopen jaren waren er op gericht om verder te besparen of om de tekorten te verdelen. Het Robin Hood-decreet is daar een voorbeeld van: de 60% ‘rijkste’ scholen zouden het met 8 miljoen euro minder moeten doen opdat de 25% ‘armste’ scholen meer zouden krijgen. Na jaren van besparingen op de openbare diensten (waaronder het onderwijs) is er echter nergens overschot.

De Franstalige Olijfboomcoalitie buigt zich momenteel over de toekomst van dit decreet, eind juni zou een beslissing worden genomen. Alleszins is het duidelijk dat de traditionele partijen niet bereid zijn om het geld te zoeken waar het zit. Na de geslaagde staking van 5 mei en de betoging van de directeurs van de scholen uit het vrije onderwijs in april is er wel enige ongerustheid bij de Franstalige partijen.

Het geld zoeken waar het zit

Voor het onderwijs is er geen geld maar toen de banken in de problemen kwamen, kon meteen 22 miljard euro op tafel worden gelegd. De grote aandeelhouders van de banken konden daarnaast nog eens op 79 miljard euro garanties rekenen. Op de betoging van 5 mei was er een terechte spandoek met volgende slogan: “20 miljard voor de banken op een weekend, 20 jaar besparingen voor het onderwijs.”

In 2010 kregen de patroons zowat 9 miljard euro aan lastenverlagingen en de grote bedrijven moeten amper nog belastingen betalen in ons land. De notionele intrestaftrek heeft de gemeenschap 5,7 miljard euro gekost in 2009. De fiscale fraude werd in 2009 op 16 tot 20 miljard euro geschat. Het is niet voor iedereen crisis.

Er zijn dus middelen aanwezig, maar ze worden niet aangewend om degelijk onderwijs te voorzien. Het onderwijsbudget optrekken tot 7% van het bbp zou een goede eerste stap zijn. Mooie woorden en beloften zullen niets veranderen. We zullen strijd moeten voeren en nu al beginnen met de voorbereiding van acties na de zomer. De mobilisatie op 5 mei gaf aan dat er een actiebereidheid is.

We moeten tenslotte ook de discussie aangaan over een politieke vertaling van onze strijd. We kunnen daarbij niets verwachten van de traditionele partijen. In het onderwijs hebben zowel PS als CDh al meermaals aangetoond dat ze niet aan onze kant staan. Tegenover de partijen van het establishment moeten we de discussie aanvatten over de creatie van onze eigen arbeiderspartij met en rond de syndicale basis.