Dossier. Imperialisme en oorlog, resultaat van wereldwijde kapitalistische concurrentie

De oorlog in Oekraïne en de groeiende geopolitieke rivaliteit tussen China en de Verenigde Staten, die neerkomt op een nieuwe koude oorlog tussen de twee mogendheden, zijn illustratief voor het effect van het imperialisme op de wereld van vandaag. Hieronder een dossier door Finn McKenna (Socialist Party, ISA in Ierland) over imperialisme.

De verdedigers van het kapitalisme beweren dat imperia een fenomeen zijn uit een voorbije periode; dat het imperialisme in de tweede helft van de 20e eeuw tot een einde is gekomen. Dit gebeurde, zo houden zij vol (vooral historici van de ontzuiling van het voormalige Britse imperium), met de natuurlijke en vreedzame voortgang van het systeem, toen aan de voormalige koloniën nationale onafhankelijkheid werd verleend. Zij negeren dus zowel de brute onderdrukking van de strijd voor nationale bevrijding in de naoorlogse periode, als het geweld dat inherent is aan het kolonialisme.

In landen als Algerije, Vietnam, India, Angola en Mozambique heeft de heldhaftige revolutionaire strijd van de koloniale volkeren een einde gemaakt aan, in sommige gevallen eeuwenlange, directe overheersing door Europese imperialisten over grote delen van Afrika en Azië. Dit verzet werd beantwoord met wreedheden, martelingen en bloedbaden – allemaal zaken die van meet af aan kenmerkend waren voor de Europese overheersing.

Vandaag wordt dit tijdperk van koloniale overheersing en de weerzinwekkende racistische ideologie die daaruit is voortgekomen, steeds meer verafschuwd door grote delen van de arbeidersklasse en door jongeren. Tijdens de opstand van Black Lives Matter in de zomer van 2020 werden de standbeelden van veel van de architecten van de koloniale overheersing, samen met de profiteurs van de slavenhandel, terecht omvergeworpen. Onder hen waren die van koning Leopold II van België, die persoonlijk “eigenaar” was van wat nu de Democratische Republiek Congo (DRC) is en de verpersoonlijking van de verschrikkingen van het Europese kolonialisme in Afrika. In de loop van 20 jaar, van 1890 tot 1919, was het Belgische imperialisme verantwoordelijk voor de moord op miljoenen Congolezen en de verminking van vele anderen, en voor het plunderen van enorme rijkdommen uit de natuurlijke grondstoffen en de op slavernij gebaseerde rubberindustrie.

Dit antikoloniale bewustzijn sluit aan bij een bredere visie op onderdrukking en de banden daarvan met het huidige kapitalisme. Het zal geen verbazing wekken dat dit standpunt niet wordt gedeeld door de vertegenwoordigers van de heersende klassen. In 2005 zei de toen toekomstige Britse premier Gordon Brown: “De tijd dat Groot-Brittannië zich moet verontschuldigen voor zijn koloniale geschiedenis is voorbij.” (1) Meer recent stelde de Britse minister van Onderwijs, Nadhim Zahawi, dat schoolkinderen in Groot-Brittannië onderwezen moeten worden over de “positieve gevolgen van het Britse Rijk.” (2) Een vluchtige blik op deze geschiedenis, niet in de laatste plaats in Ierland, zal een ander verhaal vertellen – ervan uitgaande dat hongersnood, plunderingen, bloedbaden en het aanwakkeren van sektarische verdeeldheid niet als “positieve gevolgen” worden beschouwd, gevolgen die deze samenlevingen vandaag de dag nog steeds teisteren.

Mondiaal kapitalisme en imperialisme

Bij de verdediging van de imperiale geschiedenis gaat het er niet alleen om misdaden uit het verleden goed te praten of wit te wassen. Imperialisme is geen episode in de geschiedenis van het kapitalisme die zich beperkt tot de vorige twee eeuwen, zoals de gebrutaliseerde bevolking van Irak en Afghanistan kan getuigen in het geval van het VS-imperialisme, of het volk van Oekraïne in het geval van het Russische imperialisme.

We leven in een wereld die gedomineerd wordt door imperialistische machten. De grootste daarvan, de Verenigde Staten, heeft 750 militaire bases in meer dan 80 landen – een informele imperiale aanwezigheid die wordt gebruikt om zijn economische overheersing van de wereld te handhaven, die nu wordt uitgedaagd door de opkomst van het Chinese imperialisme.(3)

Af en toe wordt deze relatie tussen economische dominantie en militaire / geopolitieke macht, die aan de basis ligt van het imperialisme, erkend door de spreekbuizen van het systeem. Zo schreef de prominente liberale journalist Thomas Friedman in maart 1999, op het hoogtepunt van de macht van het VS-imperium: “De verborgen hand van de markt zal nooit werken zonder een verborgen vuist. De verborgen vuist die de wereld veilig houdt voor de tech-technologieën van Silicon Valley heet het leger, de luchtmacht, de marine en het marinekorps van de Verenigde Staten.” (4)

Voor marxisten is imperialisme een systemisch uitvloeisel van het mondiale kapitalisme en gaat het verder dan militaire bezettingen en directe kolonisatie, of het intimideren van zwakkere staten door sterkere. Het is een systeem dat voortkomt uit de drang van een handvol kapitalistische machten, in de vorm van grote ondernemingen, financiële instellingen en de staten die hun heerschappij verdedigen, om suprematie te verwerven in de wereld van marktconcurrentie, door middel van uitbuiting en overheersing van economieën – de natuurlijke, industriële en menselijke grondstoffen – van onderontwikkelde landen.

De uitbuitingsrelatie tussen ontwikkelde en onderontwikkelde delen van de wereld weerspiegelt de aard van de kapitalistische ontwikkeling, die op een ongelijke maar gecombineerde wijze plaatsvindt. Het systeem creëert niet alleen ongelijkheid tussen klassen, maar ook tussen naties en regio’s.

Gedwongen ongelijkheid

Het idee dat landen in het Zuiden zich ooit zullen ontwikkelen tot het economische niveau van de meer ontwikkelde kapitalistische landen, zoals die in Europa en de Verenigde Staten, is een misvatting. De economische macht van de laatstgenoemde landen is juist gebouwd op de onderontwikkeling van die in Afrika, Latijns-Amerika en een groot deel van Azië – dit is de enige manier waarop historisch gezien machtige kapitalistische staten konden ontstaan. Dit punt wordt geïllustreerd door de ervaring van de koloniale overheersing in India. Aan het begin van de 18e eeuw bedroeg het aandeel van India in het mondiale BBP 22,6%, terwijl dat van Europa 23,3% bedroeg. In 1890, op het hoogtepunt van de imperialistische expansie, bedroegen deze cijfers respectievelijk 11% en 40,3%. (5)

In zijn werk “Late Victorian Holocausts” brengt de marxistische historicus en schrijver Mike Davis de geschiedenis in kaart van de hongersnoden en droogtes die India en China overspoelden in de periode 1870-1914, toen de koloniale overheersing zich uitbreidde in Afrika en Azië, wat resulteerde in de dood van naar schatting 30-50 miljoen mensen. De koloniale plundering van deze gebieden was een cruciale factor voor deze catastrofes door de diefstal van voedselreserves en de vernietiging van de landbouwsystemen.

Davis ontkracht de mythe dat het kolonialisme vooruitgang bracht naar plaatsen als India. Het tegendeel is waar, zoals bleek tijdens de hongersnood in 1876: “De nieuw aangelegde spoorwegen, geprezen als institutionele voorzorgsmaatregelen tegen hongersnood, werden in plaats daarvan door handelaren gebruikt om graanvoorraden van afgelegen, door droogte geteisterde districten naar centrale depots te verschepen om te hamsteren…Evenzo zorgde de telegraaf ervoor dat prijsstijgingen in duizend steden tegelijk werden gecoördineerd, ongeacht de plaatselijke aanbodtrends.” (6)

Het imperialisme was een ramp voor de volkeren van de koloniale wereld, en is dat nog steeds voor de volkeren van de neokoloniale wereld. De uitbuiting en onderdrukking die een integraal deel uitmaakten van de imperialistische overheersing, hebben een erfenis achtergelaten van economische onderontwikkeling, etnische verdeeldheid en de verarming van miljarden mensen.

Meedogenloze concurrentie

Imperialisme is een product van de meedogenloosheid van het kapitalisme, zijn barbaarsheid en zijn diep concurrerende aard, zoals Rosa Luxemburg opmerkte: “De essentie van het imperialisme bestaat juist in de uitbreiding van het kapitaal van de oude kapitalistische landen naar nieuwe gebieden en de concurrerende economische en politieke strijd tussen [imperialistische landen] om die nieuwe gebieden.” (7)

In wezen resulteert het winstbejag van het grootkapitaal, en de noodzaak om buiten de landsgrenzen uit te breiden, in het streven naar geopolitieke en militaire overheersing door de staten waarin zij zijn gevestigd. Dit was het geval met Duitsland en Groot-Brittannië aan het begin van de 20e eeuw, die toen de belangrijkste imperialistische mogendheden vormden, en het geldt vandaag ook voor de Verenigde Staten en China. Het imperialisme is in de loop van 100 jaar wel van vorm, maar niet van inhoud veranderd.

Rosa Luxemburg was één van de eerste marxisten die de ontwikkeling van het imperialisme theoretiseerde in “De accumulatie van het kapitaal” in 1913. Deze theorie werd door de Russische revolutionairen Vladimir Lenin en Nikolaj Boecharin tijdens de Eerste Wereldoorlog verder uitgewerkt in hun respectieve werken “Imperialisme: de hoogste fase van het kapitalisme” (1916) en “Imperialisme en de wereldeconomie” (1917). Voor hen markeerde dit een nieuwe periode van kapitalistische ontwikkeling die van cruciaal belang was om de aard van het kolonialisme in het laatste deel van de 19e eeuw en de materiële basis voor het uitbreken van de wereldoorlog te begrijpen.

Keerpunt in de 19e eeuw

In 1876 was 10% van de landmassa van het Afrikaanse continent in handen van Europese staten; tegen 1900 was dat 90%. In de loop van een kwart eeuw hebben Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië, Duitsland, Portugal en België het continent opgedeeld om de natuurlijke rijkdommen ervan te exploiteren en nieuwe markten te creëren voor hun kapitaal en goederen. De rechten van de volkeren zijn daarbij nooit in het geding geweest.

De rechte lijnen op kaarten die de grenzen tussen de verschillende Afrikaanse staten vormen, zijn een echt litteken van dit beleid, dat werd geformaliseerd op het Congres van Berlijn in 1884-1885, tijdens een bijeenkomst van de machtigste kapitalistische staten van Europa onder auspiciën van de Duitse premier, Otto Von Bismarck. Een soortgelijke verdeling van het Midden-Oosten tussen het Britse en Franse imperialisme vond plaats in 1916, ditmaal in het geheim, met het Sykes-Picot Verdrag. De arbitraire aard van de grenzen van deze regio getuigt opnieuw van de verdeling van de koloniale buit door hun vroegere imperialistische heersers.

Een nieuwe fase van het kapitalisme

Gedurende een groot deel van de 19e eeuw was het Britse imperialisme de grotendeels onbetwiste en hegemoniale economische en militaire macht. Met zijn geavanceerde industrie was het de spreekwoordelijke “werkplaats van de wereld”, en het had een imperium gevestigd waarvan de tentakels zich over de hele wereld uitstrekten. Deze suprematie garandeerde de vestiging van een kapitalistische wereldorde gebaseerd op vrije concurrentie en vrije handel. Nieuwe factoren zouden echter samenzweren om een einde te maken aan deze periode van kapitalistische ontwikkeling.

Vanaf de jaren 1860 werd de overheersing van het Britse imperialisme bedreigd door de opkomst van twee rivaliserende mogendheden, Duitsland en de Verenigde Staten. Duitsland was in 1871 met succes tot één natiestaat verenigd en de kapitalistische klasse van de Verenigde Staten was in 1865 met succes versterkt uit de Amerikaanse burgeroorlog gekomen. De ontwikkeling van geen van beide landen zou de stadia van de baanbrekende ontwikkeling van het Britse kapitalisme evenaren. Met een achterstand op Groot-Brittannië maakten het Duitse en Amerikaanse kapitalisme gebruik van de modernste technologie en handelspraktijken om hun economieën te doen groeien, waardoor ze hun achterstand konden inlopen en uiteindelijk het Britse kapitalisme voorbijstreven.

Leon Trotski, die in 1930 schreef, legde uit hoe: “Het voorrecht van de historische achterstand – en zulk een voorrecht bestaat – veroorlooft, of beter gezegd, dwingt, het reeds bereikte vóór de eigenlijk daartoe bestemde tijd over te nemen en een reeks tussenfasen over te springen. (…) De omstandigheid, dat Duitsland of de Verenigde Staten Engeland economisch ingehaald hebben, was juist door het achtergebleven karakter van hun kapitalistische ontwikkeling bepaald.” (8)

Vanaf 1870 brak voor het kapitalisme een nieuwe periode aan van wat nu de “Tweede Industriële Revolutie” wordt genoemd, een periode van globalisering en economische expansie, niettegenstaande de cyclische crises van hoogconjunctuur en laagconjunctuur die zich ook voordeden. Er was een opmerkelijke ontwikkeling van de communicatiemiddelen via de spoorwegen, de telegraaf en de telefoon, waardoor een grotere integratie van de wereldeconomie werd vergemakkelijkt, samen met andere nieuwe wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen zoals die in de chemie, de elektrificatie en de automobielsector. Een ander kenmerk van de kapitalistische economieën in deze periode was de groeiende rol van de staat, zeker in Duitsland, bij het sturen van de economie, met een grotere mate van staatseigendom.

Monopolisering

In samenhang hiermee was er een grotere tendens tot monopolisering van de industrie en het bankwezen. Economische expansie en technologische innovatie gingen samen met een grotere centralisatie en concentratie van kapitaal, waarbij een kleiner aantal bedrijven controle had over grote delen van de economie. Het ontstaan van wat Lenin het “monopoliekapitalisme” noemde, nam in de verschillende landen verschillende vormen aan. Het Amerikaanse kapitalisme zag de opkomst van trustmaatschappijen, die eigenaar werden van en zeggenschap hadden over hele sectoren, zoals bijvoorbeeld de United Oil Company van de beruchte zakenmagnaat John D Rockeller, die zeggenschap had over de Noord-Amerikaanse olie-industrie. Rockefeller ontpopte zich tot een sleutelfiguur van de kapitalistische industrie in het laatste deel van de 19e eeuw, naast anderen zoals JP Morgan en Andrew Carnegie.

In Duitsland speelde de ontwikkeling van kartels in verschillende sectoren van de economie ook een cruciale rol in dit proces van monopolisering van het kapitaal. Lenin beschreef dit als volgt: “De kartels gaan overeenkomsten aan omtrent verkoopsvoorwaarden, betalingstermijnen, enz. Zij verdelen de afzetgebieden onder elkaar. Zij bepalen de hoeveelheid van de voort te brengen producten. Zij stellen de prijzen vast. Zij verdelen de winst tussen de afzonderlijke ondernemingen enz.” (9)

De omvang van de concentratie had tot gevolg dat in 1907 in Duitsland 1% van de grote ondernemingen 40% van de totale industriële beroepsbevolking vertegenwoordigde. In de VS was in 1909 1% van de ondernemingen goed voor 30% van de beroepsbevolking en produceerden ze 48% van de totale industriële productie. Boecharin beschreef hoe dit concentratieniveau wereldwijd plaatsvond: “Van de 500 miljard frank geïnvesteerd in de industriële ondernemingen van alle landen van de wereld, is 255 miljard, d.w.z. bijna de helft, geïnvesteerd in de productie georganiseerd in kartels en trusts. (Dit kapitaal is in de verschillende landen als volgt verdeeld: Verenigde Staten, 200 miljard francs; Duitsland, 50 miljard francs; Frankrijk, 30 miljard francs; Oostenrijk-Hongarije, 25 miljard francs, etc. – al deze cijfers zijn lager geschat dan de werkelijkheid.” (10)

De monopolisering van de industrie kwam voort uit crisissen en de inherente noodzaak om rivaliserende kapitalistische bedrijven te verpletteren, om het grootste deel van de markt te veroveren en te behouden. De winnaars konden nog meer kapitaal centraliseren en concentreren. Een dergelijke monopolisering is vandaag duidelijk te zien in de technologische industrie, met bedrijven als Google, Facebook, Amazon, Apple en Netflix. Hoewel delen van de kapitalistische klasse en haar vertegenwoordigers deze ontwikkeling kunnen betreuren en beweren dat het in strijd is met het idee van een vrije markt, is het, helaas voor hen, de zeer reële logica van hun eigen systeem.

De groei van monopolies neemt echter niet de concurrentie weg, het leidt evenmin tot een rationeler en planmatiger systeem, zoals in theorie mogelijk lijkt. Het leidt er slechts toe dat de concurrentie heviger wordt tussen de grootste kapitalistische ondernemingen en de staten die hun belangen verdedigen. Dit is te zien in de strijd tussen de VS en China en hun respectieve technologiebedrijven, bijvoorbeeld in de wedloop om 5G-technologie.

Financiekapitaal

De monopolisering van het kapitaal binnen de banksector zou in dezelfde periode haar rol fundamenteel veranderen. Dit werd geanalyseerd door de socialist Rudolph Hilferding: “De bank is gedwongen een steeds groter deel van haar kapitaal in de industrie te steken. Op deze manier wordt de bank in toenemende mate een industrieel kapitalist. Bankkapitaal, d.w.z. kapitaal in geldvorm, dat aldus in werkelijkheid in industrieel kapitaal is omgezet, noem ik financieel kapitaal.” (11)

Lenin had de traditionele rol van banken omschreven als die van een “bescheiden tussenpersoon”, wat betekende dat zij slechts als tussenpersoon optraden bij de financiële transacties van verschillende individuen en industriële groeperingen. (12) Nu begon het financieel kapitaal meer en meer controle uit te oefenen over de economie. Boecharin vatte deze nieuwe rol als volgt samen:

“Door middel van verschillende vormen van krediet, door het bezitten van aandelen en obligaties, en door het rechtstreeks bevorderen van ondernemingen, verschijnt het bankkapitaal in de rol van organisator van de industrie. Deze organisatie van de gecombineerde productie van een heel land is des te sterker, des te groter; enerzijds de concentratie van de industrie, anderzijds de concentratie van het bankwezen.” (13)

Zij waren in zijn woorden “het monopolie van de monopolievorming” geworden. Er was een aanzienlijke kruisbestuiving tussen degenen die de banken en de grote industrieën beheerden, wat aangeeft hoe de twee waren samengesmolten. In Duitsland hadden in 1903 zes banken 751 zetels in de raad van toezicht van de industriële vennootschappen en, omgekeerd, 51 vertegenwoordigers van de industrie in de raad van toezicht van de banken.

Ook vandaag zien we deze overheersende rol van de banken en hun vermogen om de investeringen in diverse sectoren te controleren. Zo is er sinds 2015 meer dan 4,6 biljoen dollar door de 60 grootste banken ter wereld geïnvesteerd in de fossiele brandstoffenindustrie.

Het financiekapitaal zou een belangrijke rol spelen in het proces van kolonisatie via de methode van “schuldenval-diplomatie”, een rentenierskapitalisme dat uitdrukking is van het steeds meer parasitair karakter van het systeem. Egypte was één van de slachtoffers. In de periode van 1863 tot 1876 steeg de schuld van Egypte van 3 miljoen pond tot 68,5 miljoen pond, en de aflossing van deze schuld verlamde de financiën van het land, waardoor het gedwongen werd de controle over het Suezkanaal op te geven, die in die tijd reeds van cruciaal belang was voor de Britse handel met India.(14) Het Britse imperialisme greep uiteindelijk in 1882 de controle over Egypte terug na een nationale opstand tegen de toenemende overheersing.

Rosa Luxemburg beschreef de impact van deze nieuwe koloniale overheersing op het leven van de bevolking: “Hoe groter de schuld aan het Europese kapitaal werd, hoe meer er van de boeren moest worden afgeperst. Overal in Opper-Egypte verlieten de mensen de dorpen, braken hun woningen af en bewerkten hun land niet meer – alleen om de betaling van belastingen te ontlopen.Ten noorden van Siut zouden in 1879 10.000 fellaheen zijn verhongerd omdat ze de irrigatiebelasting voor hun akkers niet meer konden opbrengen en hun vee hadden gedood om de belasting erop te ontlopen.” (15)

Onteigening van natuurlijke grondstoffen

De kolonies van Afrika en Azië werden de nieuwe uitbuitingssferen voor de kapitalistische monopolies en financiële huizen van de geïndustrialiseerde imperialistische landen. De economieën van de kolonies zouden erop gericht zijn de geavanceerde kapitalistische landen te voorzien van de grondstoffen voor de productie van hun industrieproducten.

Boecharin legde uit hoe de ongelijkheden binnen de kapitalistische economieën, vooral in de ongelijkheid tussen industrie en landbouw, betekenden dat het grootkapitaal nood had aan “steeds grotere hoeveelheden grondstoffen, namelijk hout (papierindustrie, bouwnijverheid, meubelmakerij, spoorwegbouw, enz.), dierlijke producten (huiden, wol, varkenshaar, bont, beenderen, ingewanden, allerlei soorten dierlijke vetten, vlees als grondstof voor de vervaardiging van voedingsmiddelen, enz.), grondstoffen voor de textielindustrie (katoen, vlas, hennep, enz.), tenslotte goederen als rubber, dat een kolossale rol speelt in alle fasen van het industriële leven, enz.” (16)

Rubber, olie, koper, katoen en verschillende voedingsmiddelen werden door de imperialistische mogendheden meedogenloos onttrokken aan de naties van Afrika, Azië en Latijns-Amerika.

Dit ging gepaard met de onteigening van enorme hoeveelheden land in Afrika door Europese kolonisten. In landen als Zuid-Afrika, Kenia en Zimbabwe (destijds Zuid-Rhodesië genoemd) werd de zwarte Afrikaanse bevolking van hun land gegooid en afgezonderd in “reservaten” waar de grond niet geschikt was voor landbouw. Zij werden gebruikt als bron van goedkope arbeidskrachten voor grote kolonistenboeren en kapitalistische bedrijven. In Kenia kregen blanke Britse kolonisten pachtcontracten voor 999 jaar op sommige van de meest vruchtbare landbouwgronden. (17)

Aan het eind van de 19e eeuw begon de misdadige uitbuiting van het land, de grondstoffen en de bevolking van Afrika door de imperialistische mogendheden, die tot op de dag van vandaag voortduurt en waarbij het Chinese en Russische imperialisme in de laatste twee decennia hun intrede deden.

Oorlog en militarisering

De grotere integratie van de wereldeconomie in de periode 1870-1914, het eerste tijdperk van globalisering, viel samen met de intensivering van de imperialistische rivaliteit. De strijd om de rijkdommen van de niet-kapitalistische wereld leidde onverbiddelijk tot een grotere militarisering. Er volgden grote stijgingen in de uitgaven voor bewapening en de opbouw van enorme permanente legers, die hoe dan ook nodig waren voor koloniale verovering. Hetzelfde gebeurde met geopolitiek wapengekletter en de ontwikkeling van proxy-oorlogen, zoals de Balkanoorlogen van 1912-1913, en uiteindelijk tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zelf. Economische crisis en stagnatie betekenden dat de wereld, die verdeeld was tussen imperialistische mogendheden, nu opnieuw moest worden verdeeld ten gunste van het sterkere imperialistische blok, en oorlog was het enige middel om dit te bereiken.

In hoeverre bestaat de inter-imperialistische rivaliteit, en de geopolitieke en militaire spanningen die daarmee gepaard gaan, vandaag de dag nog? Gedurende een groot deel van de periode na de Tweede Wereldoorlog bleef de superioriteit van het VS-imperialisme grotendeels onaangetast door andere kapitalistische mogendheden (hoewel de Sovjet-Unie, waarvan de economie gebaseerd was op genationaliseerde planning, een geducht tegenwicht vormde), nadat het als overwinnaar uit de oorlog was gekomen. Haar economische rivalen in Europa en Japan bleven militair en geopolitiek aan haar ondergeschikt. Dit is in wezen nog steeds het geval, zoals blijkt uit de overheersing van de NAVO door de VS en het feit dat de VS in veel Europese landen militaire bases en zelfs kernwapens heeft.

Dit bracht sommigen ter linkerzijde tot de conclusie dat met de hegemonie van het VS-imperialisme het tijdperk van geopolitieke en militaire rivaliteit voorbij was. Dit was de mening van Leo Panitch en Sam Gindin die in 2006 stelden dat marxistisch links moet begrijpen “hoe de Amerikaanse staat het vermogen ontwikkelde om uiteindelijk zijn kapitalistische rivalen in te lijven, en toezicht te houden op de ‘globalisering’ – d.w.z. de verspreiding van kapitalistische sociale verhoudingen naar alle uithoeken van de wereld.” (18)

In de afgelopen decennia is het VS-imperialisme echter geconfronteerd met een aanzienlijke uitdaging door de opkomst van het Chinese imperialisme, zowel wat betreft zijn economie, die nu meer goederen van hoge waarde produceert, als door zijn militaire opbouw (die nog steeds ver achter ligt bij die van de VS). Het is geen toeval dat de rivaliteit tussen deze kapitalistische mogendheden in het afgelopen decennium is toegenomen, tegen de achtergrond van de economische, politieke en sociale crises waarmee zowel het Amerikaanse als het wereldkapitalisme te kampen hebben. Dit vormt de materiële basis voor het ontstaan van een nieuwe koude oorlog en een ommekeer in het proces van globalisering. Lenin schreef dat “politiek geconcentreerde economie is.” Dit geldt ook voor de geopolitiek. De spanningen tussen China en de VS over het lot van Taiwan, bijvoorbeeld, zijn een geconcentreerde uitdrukking van de bredere economische rivaliteit tussen deze twee kapitalistische mogendheden.

Deze verscherpte rivaliteit, waardoor de wereld steeds meer in twee blokken wordt verdeeld, komt op een moment dat er dringend behoefte is aan samenwerking tussen staten, gezien de bedreigingen waarmee de mensheid wordt geconfronteerd, in de vorm van klimaatcatastrofes, maar ook de mogelijke opkomst van nieuwe pandemieën. Ironisch genoeg zullen deze uitdagingen de rivaliteit alleen maar doen toenemen, zoals blijkt uit het “vaccin-nationalisme” dat tijdens de Covid-crisis aan de dag werd gelegd.

Kapitalistische imperialistische overheersing zal leiden tot meer oorlogen (al dan niet met marionetten), vernietiging van het milieu en meer ellende voor de massa van de mensheid. Het stelt in de meest grimmige bewoordingen de dringende noodzaak van revolutionaire socialistische verandering – de omverwerping van onze kapitalistische heersers die ons naar de ondergang leiden. In plaats van hun systeem van concurrentie en uitbuiting moet de arbeidersklasse en de onderdrukte meerderheid – door middel van nieuwe democratische instellingen die door gezamenlijke strijd tot stand zijn gekomen – een systeem opbouwen dat gebaseerd is op samenwerking, solidariteit en planning van de grondstoffen van de wereld om aan de behoeften van alle mensen en de planeet te voldoen.

 

Voetnoten

  1. 16 March 2005, “An imperial history lesson for Mr Brown”, Independent, www.independent.co.uk
  2. 28 March 2022, “Teach pupils the benefits of the British Empire, says Nadhim Zahawi”, The Times, https://www.thetimes.co.uk/
  3. Mohammed Hussein and Mohammed Haddad,10 September 2021, “Infographic: US military presence around the world”, Al Jazeera, www.aljazeera.com
  4. Quoted in Leo Panitch and Sam Gindin, 2006, “Global Capitalism And American Empire”, Socialist Register, www.socialistregister
  5. Tariq Ali, 2022, Winston Churchill: His Times. His Crimes, p. 266
  6. Mike Davis,2001, Late Victorian Holocausts, p.31
  7. Quoted in The Complete Works of Rosa Luxemburg, Volume II: Economic Writings 2, Edited by Peter Hudis and Paul Le Blanc (2015), p.362-363
  8. Leon Trotsky, 1932, History of the Russian Revolution, p.27
  9. VI Lenin, 1916, Imperialism: The Highest Stage of Capitalism, p.38
  10. Nikolai Bukharin, 1917, Imperialism and the World Economy, p.71
  11. Ibid, p.71
  12. Neil Harding, 1983, Lenin’s Political Thought, Volume 2, p,50
  13. Bukharin, p.71
  14. Eric Toussaint, 2005, “Debt as an instrument of the colonial conquest of Egypt”, www.cadtm.org
  15. Quoted in Hadas Thier, 2020, A Peoples Guide to Capitalism,p. 221
  16. Bukharin, p.90
  17. Editorial Team, 28 June 2020, Black History Month, “The Colonisation of Kenya”, www.blackhistorymonth.org.uk
  18. Leo Panitch and Sam Gindin, 2006, “Global Capitalism And American Empire”, Socialist Register, www.socialistregister
Delen: Printen: