100 jaar geleden. De Ierse burgeroorlog van 1922-23, een oorlog tegen het bolsjewisme

Eerder deze zomer was het net 100 jaar geleden dat de Ierse burgeroorlog uitbrak. De Britse premier dreigde toen met een ‘vreselijke oorlog’ als het Anglo-Iers Verdrag niet werd ondertekend. Het verdrag werd ondertekend waardoor 26 zuidelijke Ierse graafschappen een beperkte vorm van onafhankelijkheid kregen. De ‘vreselijke oorlog’ kwam er toch, alleen werd hij uitgevochten door mannen in groene Ierse uniformen in plaats van in Brits kaki. Een dossier over deze periode van revolutionaire omwentelingen door Manus Lenihan.

Honderd jaar geleden was de stad Tipperary het toneel van een conflict. Het was een klassenstrijd, geen strijd over het Verdrag. Vierhonderd arbeiders van een zuivelfabriek legden het werk neer uit protest tegen een loonsverlaging. Ze bezetten hun werkplaats, hesen de rode vlag en riepen een ‘sovjet’ uit. Ze namen 42.000 pond van de bank in beslag en legden de hand op de voorraad steenkool van een plaatselijke aristocraat om de gasfabriek van de stad van brandstof te voorzien. (1)

In augustus 1922 nam het Nationale Leger (NA), dat voor het Anglo-Iers Verdrag was, de stad Tipperary in na zware gevechten met tegenstanders van het verdrag. Het NA, de nieuwe strijdkrachten van de Ierse Vrijstaat, maakten een einde aan de sovjetbeweging in de stad. Het deed hetzelfde in de rest van het land naarmate het terrein veroverde. (2) De tegenstanders van het verdrag, in het bijzonder de meerderheid van het Iers Republikeins Leger (IRA), brandden de zuivelfabriek af voordat ze zich terugtrokken. De militante arbeiders werden hierdoor werkloos.

Deze plaatselijke gebeurtenis stelt in zekere zin de burgeroorlog in het klein voor. Bij de voorstanders van het verdrag is er onderdrukking in het belang van de rijken. Bij de tegenstanders is er hardnekkig verzet, maar een totaal gebrek aan strategie, wat leidt tot destructieve acties. De georganiseerde arbeidersbeweging toonde ondertussen een enorme kracht en potentieel. De arbeidersbeweging werd echter jarenlang door haar leiding in de steek gelaten. Tijdens en na de burgeroorlog werd de arbeidersbeweging verslagen door het geweld van de voorstanders van het verdrag.

In het conflict verloren ongeveer 1500 mensen het leven, nadat in de strijd van de jaren 1916-1921 ook al enkele duizenden doden vielen. Voor velen was de burgeroorlog een bijzonder deprimerende en verwarrende periode. Waarom was dit nodig? Hoe konden voormalige kameraden zich tegen elkaar keren? We proberen in dit artikel deze vragen te beantwoorden vanuit een socialistisch perspectief.

Hoe het Britse Rijk de burgeroorlog uitlokte

De Britse regering was geen neutrale, eerlijke bemiddelaar in de burgeroorlog. Het Britse imperialisme was rechtstreeks verantwoordelijk voor de burgeroorlog.

Tegen 1921 was de onafhankelijkheidsstrijd op een dood punt aangeland. Er was een enorm potentieel voor een beweging van de arbeidersklasse en de armen waarin socialisme en nationale bevrijding met elkaar verbonden waren. Dit zou de arbeidersklasse en de arme protestanten in het noorden hebben kunnen aanspreken. In plaats daarvan bood Sinn Féin een onafhankelijk kapitalistisch Ierland dat de kerk en de rijkere klassen aansprak. De leiding van de arbeidersbeweging deed een stap terug en liet hen het voortouw nemen, in plaats van moedig een alternatief aan te bieden. Sinn Féin vocht voor dit programma met een guerrilla- strategie die, hoewel heldhaftig, op zichzelf geen kans op succes had.(3)

Dit schiep de voorwaarden voor een burgeroorlog tussen degenen die bereid waren het Anglo-Iers Verdrag te ondertekenen en degenen die meenden dat de strijd nog niet was voltooid. Er volgde een gespannen periode, met schietpartijen en honderden gewapende overvallen. Vanaf april bezetten de tegenstanders van het verdrag de Four Courts, het belangrijkste gerechtsgebouw van Dublin.

Tussen de ondertekening van het verdrag en het uitbreken van de oorlog lagen echter meer dan zes maanden. Oorlog was niet onvermijdelijk en de breuk was gedeeltelijk geheeld. Door onderhandelingen werd een veldslag in de stad Limerick afgewend. In mei sloten de twee fracties een pact. In juni namen ze met een gezamenlijke lijst deel aan de verkiezingen en ze kwamen op voorhand overeen een gezamenlijke regering te vormen. Enkele dagen later brak de burgeroorlog uit.

De Britse regering beschouwde het pact als een ‘schande’ en een ‘farce’. Telkens de politici van de Vrijstaat probeerden vrede te sluiten met de tegenstanders van het verdrag, werden ze als stoute schoolkinderen naar Londen ontboden waar ze dagenlang de les gespeld werden door Churchill, Lloyd George en co. De toon van de Britse politici was “ernstig en zelfs dreigend” toen het ging over grensschermutselingen tussen de Vrijstaat en Noord-Ierland. Ze hadden wel lef. Britse troepen waren in Noord-Ierland verantwoordelijk voor een golf van sektarisch geweld, wat bekend staat als de ‘Eerste Troubles’. Elders wordt daar dieper op ingegaan. (4)

Nu de bezetting van de Four Courts aansleepte, drong Churchill erop aan dat de Vrijstaat “zich moest laten gelden of moest verdwijnen om plaats te maken voor een andere vorm van controle.” (5) Dit was een impliciet dreigement om Ierland opnieuw binnen te vallen. Bij andere gelegenheden stond hij op in het parlement en dreigde met oorlog.

Churchill was niet alleen bezorgd over de Four Courts, maar ook de klassenstrijd en landstrijd in Ierland, die hem deden denken aan de Franse Revolutie.(6) Een hardere vleugel van de voorstanders van de Vrijstaat was het daarmee eens en waarschuwde dat “rode elementen voordeel uit de situatie probeerden te halen.”(7)

Maandenlang hadden de Britse troepen zich geleidelijk teruggetrokken uit Ierland. Maar als reactie op het pact tussen de voor- en tegenstanders van het Verdrag schortte het Britse leger de terugtrekking op en dreigde het met oorlog. Tot december 1922 verbleven er in Dublin nog 5.000 Britse soldaten in kazernes.

Op 22 juni – zeer kort na de verkiezingen, terwijl het pact nog van kracht was – schoten twee losgeslagen IRA-leden in de straten van Londen generaal Henry Wilson dood. De Britse regering beweerde over bewijzen te beschikken dat de schutters bevelen uitvoerden die van de Four Courts afkomstig waren. Dit was een nuttige leugen. De Britse regering gaf de 5000 Britse soldaten in Dublin de opdracht de Four Courts in te nemen met tanks, vliegtuigen en artillerie.

Generaal MacReady oordeelde dat de politici de kluts kwijt waren. Hij stelde de uitvoering van dit bevel uit. In die tijd gaven de voorstanders van het verdrag toe aan de druk van Londen en ze vielen de Four Courts zelf aan, waarbij ze hun eigen hoofdstad met Britse kanonnen beschoten. Toen een granaat een munitieopslagplaats trof, steeg er een grote stofwolk op boven de kades van Dublin.

Er was zeker kans op het uitbreken van een burgeroorlog. De Britse regering had er echter alles aan gedaan om het ontvlambaar materiaal hiervoor op te stapelen. Vervolgens stak ze een lucifer aan met de dreiging om die op het ontvlambaar materiaal te laten vallen. De burgeroorlog was net als de kanonnen die het vuur op de Four Courts openden een afscheidscadeau van het Britse Rijk.

Van straatgevechten tot guerrillastrijd

De oorlog verliep in drie fasen. Eerst was er een week van straatgevechten in Dublin. Anti-verdragstroepen namen verschillende gebouwen in de stad in. De troepen van de Vrijstaat verpletterden ze één voor één. Het lijkt erop dat de tegenstanders van het verdrag hoopten dat hun kameraden in andere delen van het land naar Dublin zouden komen om hen te redden, maar dit was geen ernstig plan omdat zij niet over de capaciteit beschikten om het uit te voeren.

De tweede fase bestond uit zes weken van conventionele oorlog in juli en augustus. In het begin verdreef de anti-verdragszijde het Nationale Leger uit gebieden als de ‘Munster Republiek’. Maar het NA beschikte over pantserwagens, artillerie, mitrailleurs en een kleine luchtmacht, allemaal geleverd door de Britse staat. Ze voerden zelfs landingen uit langs de kust. Zonder kaarten, met het dreigement de burgerpiloot neer te schieten, de voorwaarden van het Anglo-Iers verdrag overtredend, en onder andere gebruik makend van de Helga (die in 1916 Dublin had beschoten), organiseerden ze de landing van 456 troepen en een zwaar kanon in de buurt van Cork. (8) In tegenstelling tot deze stoutmoedigheid en dit initiatief, was de IRA verward, passief en defensief. Op 19 augustus was de IRA verdreven uit elke stad en elk dorp. Daarop gaf de IRA-leiding opdracht om over te schakelen op guerrillastrijd.

De derde fase was een guerrillaoorlog die duurde van augustus 1922 tot mei 1923. Deze fase eiste minder levens dan de vorige twee maar wierp een lange schaduw. De hardliners hadden nu de leiding in de Vrijstaat. President WT Cosgrave wees alle vredesvoorstellen af omdat zijn doel was de anti-verdragstroepen uit te roeien. In mei 1923 had hij zijn doel bereikt: er waren minder dan 20 actieve IRA-leden over in Dublin, samen met verspreide groepen van 10-15 IRA-leden die zich verborgen hielden in de rotsen langs de westkust. De oorlog eindigde niet met een verdrag of een vredesproces, maar met een bevel aan de overgebleven guerrillastrijders om ‘de wapens neer te leggen’.

Terreur

De Vrijstaat had de eerste zes maanden van 1922 besteed aan de opbouw van een nieuw leger. Voormalige IRA-elementen vormden slechts een klein onderdeel van het nieuwe NA. Voor het grootste deel bestond het nieuwe leger uit veteranen van de Eerste Wereldoorlog en uit werkloze arbeiders. Twaalf shilling per week plus kost en inwoning maakten een enorm verschil tijdens de werkloosheidscrisis van die tijd.

Tegen eind augustus had de Britse regering 27.000 geweren, honderden machinegeweren en duizenden granaten geleverd. Men kan zich afvragen wat het effect van de oorlogsinspanningen van de Vrijstaat zou geweest zijn zonder die Britse ondersteuning.

Het vroege nationale leger was ongedisciplineerd, slordig, muitend en geplaagd door drank en geslachtsziekten. Het werd meer opgehouden door slechte verbindingen en transport dan door vijandelijk verzet.

De civiele leiders van de Vrijstaat waren erop gebrand de anti-verdragstroepen uit te roeien. Maar de militairen waren minder oorlogszuchtig. De manschappen schoten vaak over de hoofden van de ‘vijand’ heen. NA-officieren voerden ongeoorloofde onderhandelingen. Er was zelfs een ‘Neutrale IRA’ die 20.000 leden claimde en opriep tot een vredesconferentie.

Veel NA-eenheden kregen echter een reputatie van wreedheid en misbruik, vooral naarmate de oorlog voortduurde. De Dublin Brigade onder leiding van Paddy O’Daly richtte de beruchtste slachtpartijen van de oorlog aan. Dit gebeurde bij Ballyseedy, Cahirciveen en Killarney in County Kerry. Ze bonden gevangenen vast en lieten mijnen onder hen ontploffen, achttien gevangenen kwamen zo om. Er waren andere, minder bekende wreedheden. Drie officieren, waaronder naar verluidt O’Daly zelf, ontvoerden en martelden bijvoorbeeld twee jonge vrouwen in Kerry. Blijkbaar was dit een represaille tegen hun vader, een plaatselijke arts, die zijn bezorgdheid had geuit over het gedrag van de NA-soldaten. (9)

In de herfst van 1922 begon de Vrijstaat met het uitvoeren van executies zonder vorm van proces. De Vrijstaat zou beweren dat de executies ‘onvermijdelijk waren als Ierland gered moest worden van de dreiging van het bolsjewisme’ en dat ze ‘vele levens hebben gered en het conflict hebben verkort’. De minister van Veiligheid, Kevin O’Higgins, drong erop aan dat er in elk graafschap executies moesten plaatsvinden. WT Cosgrave zei dat hij bereid was tienduizend mensen te doden.(10) Aan het eind van de oorlog hadden de troepen van de Vrijstaat 81 van hun voormalige kameraden geëxecuteerd.

Deze campagne van staatsterrorisme nam ook andere vormen aan. Een onbekend aantal mensen werd ontvoerd, gemarteld en vermoord door de CID (Criminal Investigations Department). In oktober 1922 bijvoorbeeld dumpten zij de gemartelde lichamen van drie tienerjongens in het westen van Dublin. Twaalfduizend mensen werden in de loop van de oorlog geïnterneerd, en het werd de pers verboden verslag te doen van de wreedheid en de ellende die zij in de kampen vaak moesten doorstaan.

Dit schrikbewind reikte tot op de werkplek: Christy Ferguson, een 18-jarige ketelmaker in de fabriek Inchicore, schreeuwde op zijn werk: ‘Leve de republiek’. Hij werd naar een barak gebracht. Daar werd hij door een officier geslagen, terwijl hij voor het vuil van de straat werd uitgemaakt. De officier schoot met een pistool net naast het hoofd van Ferguson en gooide hem in een afgezonderde cel waar hij dagenlang in eenzame opsluiting zat. (11)

Ondertussen probeerde de IRA een guerrillaoorlog te voeren zonder steun van de bevolking. De IRA financierde zichzelf met gewapende overvallen en verklaarde dat spoorwegarbeiders militaire doelen waren. Er zijn genoeg gedocumenteerde voorbeelden van IRA-leden die tegen het verdrag waren en wreedheden begingen. Zij hielpen de bazen bij het onderdrukken van vele stakingen, onder meer met geweerstoten, waarschuwingsschoten en de dreiging van bajonetten. (12)

Arbeidersbeweging

Aan het begin van dit artikel beschreven we de macht van de arbeiders in de stad Tipperary. De zuivelfabriek in Tipperary was slechts één van de 100 zuivelfabrieken die toen tijd bezet werden. (13) Dit geeft een idee van de enorme omvang van de arbeidersbeweging tussen 1918 en 1923.

Het jaar dat aan de burgeroorlog voorafging was er één van relatieve vrede, en een opmerkelijke periode waarin politie, rechtbanken en leger niet functioneerden. De liquidatie van de koloniale staat leidde niet tot een Mad Max-situatie, maar tot een opleving van collectieve actie door arbeiders en arme boeren. In 1922-1923 bereikte de eeuwenlange strijd om het land een nieuw hoogtepunt. Degenen die achterop waren geraakt door de gedeeltelijke hervorming die in de landoorlog was gewonnen, grepen nu hun kans om hun achterstand in te halen. Er vonden landconfiscaties en verbrandingen van landeigendommen plaats.

Deze jaren waren ook een hoogtepunt van de betrokkenheid van vrouwen bij politiek activisme. Dit kwam zelfs tot uiting tijdens de tragedie van de burgeroorlog. Driekwart van de IRA verwierp het Verdrag. Maar bij de Cumann na mBan (de vrouwelijke hulporganisatie van de IRA) was het resultaat nog duidelijker: 12.000 leden, of 86% van de leden, waren tegen het Verdrag. Zij zouden vervolgens deelnemen aan de burgeroorlog, te maken krijgen met internering en deelnemen aan hongerstakingen. Volgens prominente voorstanders van het Verdrag waren deze vrouwen ‘geen normale wezens, met een normale menselijke mentaliteit’. Zij werden tot zondebok gemaakt voor het uitbreken van de oorlog. (14) Met al dit misbruik is het geen verrassing dat vrouwen decennia lang na de burgeroorlog nauwelijks in de Ierse politiek te zien waren.

Tegen 1922 had de Labour-leiding vele kansen gemist om het voortouw te nemen en de onafhankelijkheidsstrijd te inspireren met een socialistisch programma. Toen Thomas Johnson gevraagd werd naar de bezettingen in de zuivelfabrieken, was zijn antwoord typerend: “Labour [heeft] er niets mee te maken en [heeft] geen algemene politiek van die aard.” (15) Niet lang daarvoor had Johnson nog gepleit voor een Ierse Sovjetrepubliek; nu kon hij het niet opbrengen om een Sovjet-zuivelfabriek te steunen.

Met zo’n ingewikkelde situatie en zo’n slechte leiding vertoonde de basis van Labour tekenen van verwarring en uitputting. Maar de arbeidersbeweging bezat nog steeds een enorme kracht.

Binnen de arbeidersbeweging heerste een sfeer van vastberaden verzet tegen de Vrijstaat, maar dit is moeilijk te kwantificeren. Eén indicatie, misschien een verwarde en tegenstrijdige, is de grote minderheid die op het congres van Labour en de vakbonden op 18 februari voor een boycot van de parlementsverkiezingen van 1922 stemde. (16) Bij de verkiezingen zelf toonde Labour een enorm potentieel toen het in 18 districten opkwam, 17 zetels won en de 18de met slechts 13 stemmen miste. (17)

Een voorbeeld van zowel de sterktes als de beperkingen is de algemene staking ‘tegen het militarisme’ in april 1922. Het was de vierde algemene staking in vijf jaar. In dit geval werd de kracht van de beweging gebruikt om in de praktijk een actiedag voor de Vrijstaat te organiseren. Het was in naam een staking “tegen het militarisme”, maar in de praktijk een staking ter ondersteuning van één van de militaristische kanten.

De Labour-leiders gaven uiting aan de afschuw van de arbeiders over de oorlog. Het was Labour dat een staakt-het-vuren eiste om burgers te evacueren toen de Four Courts werden beschoten. Arthur Griffith verwierp dit voorstel. Parlementsleden van Labour veroordeelden de executies en de internering. De katholieke kerkelijke hiërarchie daarentegen steunde de Vrijstaat met hand en tand en weigerde de executies te veroordelen.

De sovjet van Munster werd, zoals eerder opgemerkt, onderdrukt door de Vrijstaat. In 1922-23 volgden echter nog grote klassengevechten zoals de poststaking, een staking van landarbeiders in Waterford en van havenarbeiders in Dublin. (19) De grote stakingen van 1922-3 werden met bruut militair geweld neergeslagen. Het potentieel voor een arbeidersrepubliek, of zelfs voor een sterke vakbond en arbeidersbeweging in het nieuwe kapitalistische Ierland, werd ondermijnd. De ITGWU, de grootste en meest militante vakbond, stortte in van 120.000 leden in 1920 tot 11.000 in 1931. Ondertussen stortte het aantal stemmen van Labour in de algemene verkiezingen van 1923 in. (20)

Sommige socialisten probeerden IRA-leden aan te spreken. Peadar O’Donnell, lid van de Communistische Partij van Ierland, was ook lid van het IRA-bestuur dat tegen het verdrag was. Liam O’Flaherty, later een beroemd schrijver, en Roddy Connolly, zoon van James, waren twee van de meer dan honderd socialisten die aan de kant van de tegenstanders van het verdrag vochten tijdens de strijd om Dublin. Hun moed mag ons niet blind maken voor het feit dat hun strategie een ramp was. De Revolutionary Socialist Party voerde een betere politiek en leidde de sovjetbeweging van Munster. Maar beide partijen waren erg klein en stonden zwak. Het lijkt erop dat beide fatale klappen kregen door de burgeroorlog en de repressie die daarop volgde.

Generaal Eoin O’Duffy, derde-in-bevel van de troepen van de Vrijstaat, was bijzonder bang van het socialisme. Naar zijn mening zou een vredesakkoord alleen ‘de bolsjewieken’ ten goede komen. “Labour en de aanhangers van de rode vlag staan achter alle stappen naar ‘vrede’ […] Als de regering de ruggengraat van deze revolte kan breken, zullen toekomstige pogingen tot opstand van de arbeidersbeweging geen kans meer maken.” (21) O’Duffy maakte daarna een glansrijke carrière: politiecommissaris, leider van de semi-fascistische blauwhemden, oprichter van de partij Fine Gael, en een soldaat van Franco in de Spaanse Burgeroorlog.

De angst voor revolutie

Aan de vooravond van de oorlog klaagde de regering van de Vrijstaat dat de tegenstanders van het verdrag “niet bereid waren oorlog te voeren tegen het bolsjewisme dat zich schuilhield onder de naam van republikeinisme.” Historicus Peter Hart, die deze woorden citeert, verduidelijkt dat met ‘bolsjewisme’ eenvoudig ‘crimineel geweld’ werd bedoeld. Het is waar dat rechts ‘bolsjewisme’ gebruikte als een politiek scheldwoord, maar zoals uit het citaat van O’Duffy hierboven blijkt, betekende ‘bolsjewisme’ niet gewoon ‘crimineel geweld’.

De Ierse burgerij bestempelde alles wat zij haatte als ‘bolsjewisme’, zoals overvallen en ‘schutters’, maar ook veel ander zaken, zoals stakingen, het delen van grond en de deelname van vrouwen aan de politiek. Het had ook een meer specifieke betekenis: de arbeiderscultuur in Ierland stond in deze periode sympathiek tegenover de Russische Revolutie, zoals te zien was aan de wildgroei van ‘sovjets’ en de groeiende populariteit van socialistische ideeën. Populaire vakbondskranten uit die tijd, zoals de Voice of Labour en Watchword of Labour, gebruikten ‘bolsjewiek’ zeker niet als scheldwoord, maar met ontzag.

De winnende partij in de burgeroorlog bestond uit degenen die een einde wilden maken aan al dit ‘bolsjewisme’, in welke zin dan ook. De verliezende partij bestond uit een breed scala van krachten die zich, uit naam van uiteenlopende doelen, verzetten.

De aanhangers van de Vrijstaat zagen zichzelf als de ‘rationele’, ‘wetenschappelijke’, ‘voorzichtige’ kant in het conflict. Maar het regime dat zij vestigden, was er één van armoede, onderontwikkeling en religieus extremisme. Zo probeerden Labour-parlementairen in de nieuwe grondwet een clausule op te nemen waarin de gelijkheid van mannen en vrouwen werd erkend, maar dit werd door de Vrijstaters, met name Kevin O’Higgins, verworpen.

Meer dan 400.000 mensen emigreerden in de jaren twintig, waaronder velen die aan de revolutie hadden deelgenomen. De tegenstanders van het verdrag kwamen uit een politieke traditie die, van Cú Chulainn tot Pádraig Pearse, de heroïsche mislukking vierde. Zo konden vele politici, zelfs zij die de oorlog verloren, nog een eeuw lang nagenieten van de Burgeroorlog. Maar voor veel veteranen van de arbeidersstrijd, de nationale strijd of de vrouwenstrijd volgde een leven van stilte en schaamte.

Ferriter merkt op dat in 1931 4.830 huurkazernes in Dublin onderdak boden aan 25.320 gezinnen. In dergelijke omstandigheden, zo schreef de Irish Times, is het bijna een wonder dat het communisme niet tot bloei is gekomen. In feite “bloeide” het revolutionaire socialisme in 1917-1923. De burgeroorlog en de nasleep daarvan vormden het eindstadium van de nederlaag van deze beweging, en vanuit het oogpunt van de bewoners van de sloppenwijken was dat zeker een tragedie en geen wonder.

 

 

Voetnoten

  1. Emmet O’Connor, Reds and the Green, UCD Press, 2004, Chapter 3, ‘Civil War Communism’
  2. Emmet O’Connor, A Labour History of Ireland 1824-1960, Gill & Macmillan, 1992, p 113
  3. For more on this, see Kevin McLoughlin, ‘The War of Independence, the Working Class and the Struggle for Socialism,’ in Ireland’s Lost Revolution, 2016.
  4. See Ciaran Mulholland in Ireland’s Lost Revolution 1916-1923, Kevin Henry, ‘100 years since the Belfast pogroms: A warning from history,’ socialistparty.ie, July 17 2020
  5. Diarmuid Ferriter, Between Two Hells: The Irish Civil War, Profile Books, 2021, p 2
  6. Townsend, p 404
  7. Ibid p 39
  8. Cottrell, Peter, The Irish Civil War 1922-23, Osprey, 2008. P 62
  9. Ferriter, p. 105
  10. Ferriter p 94-95
  11. Ferriter, p 53
  12. For example, see Ferriter p 53, 94, 105
  13. Conor Kostick, Revolution in Ireland: Popular Militancy 1913-1923, Cork University Press, 1996 (2009), p 202
  14. Ferriter, p 79
  15. Kostick, p 204
  16. O’Connor, Reds and the Green, p 60
  17. Kostick, p 193
  18. For a detailed account, see Kostick p 204-213
  19. Ferriter, p 73
  20. Dominic Haugh, ‘More than a taste of power,’ in Let Us Rise: The Dublin Lockout – its impact and legacy, Socialist Party, 2013, 96
  21. Townsend, p 432
Delen: Printen: