Wervelwind van crisis overspoelt Zuid-Azië

Indisch boerenprotest in 2020

Sinds dit artikel is geschreven, is in Sri Lanka opnieuw een massale opstand uitgebroken als reactie op de ondraaglijke sociale omstandigheden die zijn ontstaan door de energie-, voedsel- en schuldencrisis en het enige antwoord van het failliete regime: repressie, een beroep op het IMF, en meer besparingen. Honderdduizenden mensen betoogden op 9 juli in de hoofdstad Colombo, met als hoogtepunt de massale bestorming van het paleis van de gehate president Gotabaya Rajapaksa, die daardoor gedwongen werd te vluchten.

Dossier door Serge Jordan uit het magazine ‘Socialist World’ 

Tot 2019 genoot Zuid-Azië het etiket van de “snelst groeiende regio ter wereld.” Neoliberale instellingen prezen de regio om zijn sterke groei, toegenomen kapitaalinstroom en stabiele regeringen. De opeenvolgende wereldwijde klappen van de Covid-pandemie en de oorlog in Oekraïne, de verhevigde machtsstrijd tussen de VS en China, en de steeds erger wordende klimaatcrisis leggen allemaal de holle fundamenten onder dit verhaal bloot, en slepen de regio mee in een perfecte storm van crises.

Volgens de VN zijn vier van de vijf mensen in Sri Lanka begonnen met het overslaan van maaltijden omdat ze zich geen eten kunnen veroorloven, nu het land de ergste economische crisis doormaakt die het na zijn onafhankelijkheid heeft doorgemaakt. De schuldenberg die het voorbije decennium was opgebouwd om de heersende elite van Sri Lanka te helpen politieke steun te kopen, een groeiend handelstekort te overbruggen en zich een weg te banen uit een dure uitputtingsoorlog tegen de Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE), is als een kaartenhuis in elkaar gestort. De wereldwijde schokgolven van de afgelopen twee jaar hebben de invoerkosten van het land aanzienlijk doen stijgen, de inkomsten uit toerisme en geldovermakingen doen opdrogen en de exportmogelijkheden beperkt. In mei werd Sri Lanka het eerste land ter wereld dat in gebreke bleef bij de aflossing van zijn staatsschuld sinds het begin van de oorlog in Oekraïne. Nepal en Pakistan, die beide kampen met een verlammende schuldencrisis, een ineenstortende munt en uitgeputte deviezenreserves, balanceren nu op de rand van vergelijkbare scenario’s.

In India botst de bewering van de regering over een “volledig economisch herstel” na de door Covid veroorzaakte inzinking met de realiteit die door honderden miljoenen mensen wordt ervaren. Terwijl de Indiase ultrarijken hebben geprofiteerd van de pandemie – de 100 grootste miljardairs van het land hebben sinds de eerste lockdown in 2020 178 miljard dollar extra rijkdom vergaard – is de armoede geëxplodeerd, staat de inflatie al 13 maanden op rij in de dubbele cijfers, hebben kleine bedrijven het zwaar te verduren en zijn de werkloosheidscijfers de ergste in een halve eeuw. Symptomatisch voor de nijpende situatie op de arbeidsmarkt was de aankondiging door premier Narendra Modi in juni van ‘Agnipath’, een nieuw aanwervingsprogramma voor het leger om soldaten aan te werven op basis van contracten van vier jaar (waarna 75% zou worden ontheven van hun dienstplicht), dat in het hele land tot rellen en gewelddadige protesten leidde – vooral in de noordelijke staten, de bolwerken van de BJP, die ook enkele van de hoogste werkloosheidscijfers van het land hebben. Veel jongeren, vooral uit de lagere kasten en plattelandsgebieden, zijn voor een zekere job afhankelijk van het leger.

In de afgelopen periode kregen de financiële markten van de regio te maken met een aanzienlijke uitstroom van buitenlands kapitaal, een verschijnsel dat nog werd verergerd door de verhoging van de Amerikaanse rentetarieven en het einde van bijzonder losse monetaire beleid van de belangrijkste centrale banken. Buitenlandse portefeuillebeleggers hebben tot dusver in 2022 voor bijna $ 12 miljard aan Indiase aandelen verkocht, terwijl de totale buitenlandse investeringen in Pakistan het afgelopen jaar met 59% zijn gedaald, omdat kapitalisten op zoek zijn naar veiliger oorden om winst te maken.

Zuid-Azië is ook een hotspot geworden voor klimaatrampen, die zich in een steeds hoger tempo voordoen. Het Britse Meteorologische Bureau schat dat de opwarming van de aarde “de waarschijnlijkheid van extreme temperatuurafwijkingen met een factor van ongeveer 100 heeft doen toenemen” in Zuid-Azië.

Deze maand april was de warmste maand in Pakistan in 61 jaar en de warmste maand in India in 122 jaar. Deze landen kregen te maken met zulke verschroeiende temperaturen dat vogels dood uit de lucht vielen. De opbrengst van de graanoogst daalde tot de helft in de zwaarst getroffen gebieden, zoals Punjab en Haryana, de noordelijke “broodmand” van India, waardoor de reeds grote voedselonzekerheid in de hele regio nog werd verergerd. Het totale gebrek aan planning betekende dat slechts enkele weken nadat Modi had opgeschept dat India in staat zou zijn “de wereld te voeden met zijn graan”, de Indiase regering de export van alle soorten tarwe verbood om de dalende voorraden veilig te stellen, waardoor de graanprijzen op de wereldmarkt opnieuw de hoogte in werden gejaagd. Het regenseizoen dat wat verkoeling moest brengen na de historische hitte, bracht eigen vernietigingen met zich mee. Grote overstromingen troffen delen van Bangladesh en noordoost India, waarbij honderdduizenden moesten vluchten en tientallen mensen het leven lieten.

Politieke instabiliteit over de hele linie

Reeds vóór de pandemie had de regio te kampen met een langdurige politieke crisis, die tot uiting kwam in de ernstige neergang van traditionele burgerlijke krachten die ooit aanzienlijke steun genoten en decennialang het regionale politieke landschap beheersten – zoals de United National Party (UNP) in Sri Lanka, de Congrespartij in India, en de twee belangrijkste politieke families van Pakistan, de Sharifs en de Bhuttos.

Maar de diepe crisis waarin het kapitalisme deze landen heeft gestort, als gevolg van de grote mondiale gebeurtenissen van de afgelopen twee jaar, leidt tot nieuwe politieke onrust. Dit stelt de rechts-populistische krachten en heersers die waren voortgekomen uit de teloorgang van deze traditionele krachten, op de proef. In de afgelopen maanden zijn zowel in Pakistan als in Sri Lanka premiers afgezet. Hun opvolgers, die vastbesloten zijn door te gaan met het op het IMF afgestemde beleid waarbij de last van de economische crisis op de schouders van de massa’s wordt gelegd, worden al gauw geconfronteerd met politieke onrust.

In Sri Lanka botst de heersende klasse op een massale opstand van historische proporties als reactie op de zich voltrekkende sociale catastrofe. Deze opstand heeft de politieke dynastie van de Rajapaksas, die het eiland het grootste deel van de afgelopen twee decennia hebben geregeerd, tot op het bot uitgehold. De Rajapaksas en hun partij, de Sri Lanka Podujana Peramuna (SLPP), wonnen de presidents- en parlementsverkiezingen met een overweldigende meerderheid in 2019 en 2020 in de delen van het land met een Singalese meerderheid. Ze worden nu in elke uithoek van het eiland gehaat. De ongelooflijke snelheid van deze politieke ommekeer is een waarschuwing voor de heersende klassen in de regio en overal ter wereld dat in deze tijden van diepe crisis niets als vanzelfsprekend kan worden beschouwd.

De sociale opstand in Sri Lanka bereikte een hoogtepunt toen twee krachtige landelijke algemene stakingen die arbeiders en armen uit alle gemeenschappen verenigden, het eiland op 28 april en 6 mei volledig lam legden. Een wraakzuchtige aanval van gewelddadige knokploegen op de centrale demonstratieplaats in de hoofdstad Colombo een paar dagen later leidde tot een woedende tegenreactie op de straten, die bijna een revolutionaire opstand werd. De arbeiders en de jongeren van Colombo kwamen spontaan in massale zelfverdediging bijeen in de straten en brachten een vernederende nederlaag toe aan de straatvechters van het regime. Deze gebeurtenissen leidden tot het ontslag en de overhaaste evacuatie uit de stad van toenmalig premier Mahinda Rajapaksa. Het laatste boegbeeld van de regerende familie, president Gotabaya (Mahinda’s jongere broer), zou later eveneens ten val komen.

Gotabaya’s benoeming van de oude politicus Ranil Wickremesinghe tot premier heeft het lijden van de massa’s zelfs niet enigszins kunnen verlichten. De ondraaglijk lange stroomonderbrekingen en rijen voor brandstof en gasflessen zijn nog langer geworden, en Wickremesinghe zelf maakte duidelijk dat de bevolking zich moest voorbereiden op nog slechtere dagen in het verschiet. Vervolgens kondigde hij een tussentijdse begroting aan die als centrale doelstelling heeft om “de uitgaven tot op het bot terug te dringen.”

In Pakistan bereikte de onenigheid tussen rivaliserende delen van de heersende klasse in april een nieuw niveau tegen de achtergrond van een verergerende economische en sociale crisis. De vroegere cricketster en nu ex-premier Imran Khan en zijn partij Pakistan Tehreek-e-Insaf (PTI) kwamen in 2018 aan de macht op basis van beloften om de Pakistaanse economie te heroriënteren naar de behoeften van het volk, een einde te maken aan de corruptie en de afhankelijkheid van het IMF te breken.

Khan zwichtte al snel voor het dictaat van het IMF en slaagde er in het algemeen niet in om de aspiraties voor verandering waar te maken. Hij verloor het vertrouwen van het machtige leger nadat hij had geprobeerd de stafchef van het leger, generaal Qamar Javed Bajwa, te ontslaan. Daarop werd Khan in april via een parlementaire staatsgreep afgezet en vervangen door een onstabiele, logge en door corruptie geteisterde coalitieregering van een dozijn politieke partijen, onder leiding van Shehbaz Sharif – de broer van voormalig premier Nawaz Sharif. Het agressieve, op besparingen gerichte beleid van Sharifs nieuwe regering, dat er met opzet op gericht is Pakistan weer tot een “paradijs voor investeerders” te maken en dat resulteerde in herhaalde verhogingen van de brandstof-, gas- en elektriciteitsprijzen, heeft haar reeds zeer onpopulair gemaakt.

In geval van aanhoudende politieke onrust zou de Pakistaanse militaire top wel eens kunnen besluiten om zelf de teugels van de macht in handen te nemen, zoals in de geschiedenis van het land al vele malen is gebeurd. Hoewel veel riskanter voor de heersende klasse, kan een soortgelijke stap in Sri Lanka ook niet worden uitgesloten. Het regime van Rajapaksa heeft het openbare leven al enorm gemilitariseerd – een militarisering die in een stroomversnelling is geraakt als reactie op de huidige economische ineenstorting en de strijd van de massa’s. Dergelijke ‘oplossingen’ zouden echter de onderliggende politieke crises niet oplossen, noch zouden zij iets doen aan de benarde toestand van de hongerige en woedende bevolking.

Van de militaire staatsgreep van vorig jaar in Myanmar tot de machtsovername door de Taliban in Afghanistan, van de herhaalde onderdrukking van politieke en mensenrechtenactivisten in India tot de draconische noodmaatregelen die de staat in Sri Lanka heeft opgelegd, overal in de regio is er een aanval op de democratische rechten en een groei van autoritaire methoden.

Toch kan en zal dit proces ook bijdragen tot het aanwakkeren van de woede van de massa, vooral in de context van ongunstige economische omstandigheden. In Sri Lanka heeft het nieuwe kabinet, terwijl de democratische rechten zwaar onder vuur liggen, ook een aantal grondwetshervormingen doorgevoerd die erop gericht zijn een aantal overkoepelende bevoegdheden van de president af te schaffen. Dit is een poging van de top om de beweging te sussen omdat deze zich tegen het erg gecentraliseerde systeem van een uitvoerend presidentschap kant. Met hervormingen van bovenaf wordt geprobeerd een revolutie van onderuit te stoppen. Alle voorstellen tot wijziging van de bijzonder ondemocratische – en chauvinistische – grondwet beantwoorden echter in de verste verte niet aan de door miljoenen mensen geuite behoefte aan een radicale breuk. Deze grondwet moet volledig worden afgeschaft, en verkiezingen voor een revolutionaire grondwetgevende vergadering, georganiseerd vanuit de massabeweging en volledig representatief voor alle verschillende delen van de bevolking, moeten een tegenwicht vormen voor dergelijke manoeuvres van het establishment.

De gevolgen van de nieuwe koude oorlog

De wereldwijde machtsstrijd tussen het Amerikaanse en het Chinese imperialisme heeft grote gevolgen voor het gehele Aziatische continent. De huidige crises in Sri Lanka en Pakistan, twee landen die beide in het afgelopen decennium hun economische betrekkingen met China hebben versterkt, alsmede de huidige interne problemen van het Chinese regime, worden door de VS en hun regionale bondgenoot India gezien als kansen om hun eigen geopolitieke belangen te bevorderen.

Het uiteenspatten van de schuldenzeepbel in Sri Lanka, waarbij China een cruciale rol speelde, en de objectieve verzwakking van het bewind van de Rajapaksas zijn elementen die het bewind van Modi in zijn eigen voordeel probeert uit te spelen. India en Sri Lanka hebben de afgelopen maanden veel nieuwe overeenkomsten gesloten en eerstgenoemd land is dit jaar de belangrijkste bron van buitenlandse hulp aan Sri Lanka geweest, in totaal al meer dan 4 miljard dollar in de vorm van valutaswaps, opschorting van leningen en kredietlijnen.

Dit is geen gratis humanitair gebaar, maar een berekende poging van Modi’s regering en de Indische burgerij om hun eigen invloed op het eiland uit te breiden. Half juni braken in Colombo protesten uit nadat bekend was geworden dat het beruchte Indische bedrijf Adani de voorkeur kreeg voor een energiecontract in het district Mannar, nadat Modi de Sri Lankaanse president in feite had gechanteerd.

De benoeming van Ranil Wickremesinghe tot premier werd met tevredenheid begroet in Delhi en de westerse hoofdsteden – maar met veel meer bedenkingen in Peking, omdat hij als meer pro-westers wordt beschouwd dan de Rajapaksas. Om soortgelijke redenen hoopt de regering-Biden dat de nieuwe Pakistaanse regering zal helpen de bladzijde van het Afghaanse fiasco om te slaan en een nieuwe periode van toenadering tot de VS in te luiden na het vertrek van Imran Khan. Het Pakistaanse leger ziet de Indische evenwichtsoefening tussen Washington en Moskou over de oorlog in Oekraïne als een kans om de betrekkingen met de Amerikaanse regering te herstellen.

Minister van Buitenlandse Zaken Bhutto zei dat de VS en Pakistan een “veel bredere, diepere en meer betekenisvolle relatie” moeten aangaan. Dezelfde persoon maakte echter ook een rondreis door China en noemde het zijn “tweede thuis”. Pakistan heeft een grote schuld bij China – dat grote investeringen in het land heeft gedaan via de 60 miljard dollar kostende China-Pakistan Economische Corridor, een belangrijk onderdeel van zijn “Belt and Road Initiative” en dat nu de grootste militaire leverancier van Pakistan is geworden. Khan van zijn kant gebruikt demagogische anti-VS-retoriek om zijn achterban op straat te mobiliseren om een weg terug naar de macht te vinden, waarbij hij zijn afzetting afschildert als een door de VS georkestreerde samenzwering. Onder deze omstandigheden zal de ongemakkelijke evenwichtsoefening tussen de belangrijkste mogendheden in Pakistan in de toekomst waarschijnlijk onder veel grotere druk komen te staan.

Meer in het algemeen zal de botsing van belangen tussen de VS en China een sterkere factor van politieke instabiliteit worden onder de heersende elites van de regio. Dit is ook het geval in Nepal. De recente druk op Nepal om het “State Partnership Program” tussen het Nepalese leger en de Amerikaanse nationale garde te ondertekenen, bracht verdeeldheid binnen het politieke establishment en lokte een tegenreactie uit. Geconfronteerd met aanzienlijke oppositie moest premier  Sher Bahadur Deuba het programma verwerpen, dat duidelijk tot doel had Nepal in te lijven in een militaire alliantie tegen China. Dit besluit is een tegenslag voor de pogingen van de VS om hun invloed uit te breiden in Zuid-Azië, in een strategisch gebied in de onmiddellijke periferie van hun mondiale rivaal.

Toenemende oorlogsdreiging

Met de tektonische verschuiving in de mondiale betrekkingen en de nieuwe Koude Oorlog ontstaat er een groeiende dreiging van “hete” conflicten tussen concurrerende en nucleair bewapende regionale machten. Ter illustratie van deze gevaarlijke trend verklaarde de Indische minister van Defensie Rajnath Singh in mei dat zijn land “klaar moet zijn voor een grootschalige oorlog in de toekomst.” De afgelopen jaren is voor het eerst in decennia dodelijk geweld tussen China en India opgelaaid langs hun betwiste grens in de Himalaya. Ondanks een precaire impasse is de militaire opbouw aan beide zijden van de demarcatielijn (Line of Control, LOC) voortgezet, en nieuwe botsingen zijn inherent aan deze situatie.

Hoewel de spanningen tussen India en Pakistan in de afgelopen periode enigszins zijn afgenomen, kunnen zij op elk moment weer oplaaien. Geen van beide regeringen heeft echte resultaten geboekt op economisch gebied, en de sektarische Hindoe-chauvinistische agenda van de regerende Bharatiya Janata Party, die een sterke anti-moslim component bevat, heeft aangetoond dat deze snel internationale dimensies kan aannemen. De recente opleving van geweld in het door India bezette deel van Kasjmir, met inbegrip van een golf van gerichte moorden op hindoe-minderheden die de Indische staat in de schoenen van Pakistan probeert te schuiven, is een direct gevolg van een dergelijk beleid en van Modi’s brute repressie in de regio waar de moslims de meerderheid vormen. Dit heeft overigens ook de frauduleuze bewering ontmaskerd dat de repressie werd uitgevoerd omwille van de “veiligheid” van de plaatselijke hindoes.

Naast de toenemende dreiging van militaire conflicten zijn de enorme militaire uitgaven een belangrijk kenmerk in de hele regio. Zo blijft het defensiebudget van Sri Lanka, ondanks de tekorten in de openbare diensten, de overheidsuitgaven domineren. De regering voorzag voor 2022 een stijging van het defensiebudget met 14% tegenover 2021. Dertien jaar na het brute einde van de burgeroorlog houden tienduizenden Sri Lankaanse soldaten ook nog steeds het Tamil-noorden en -oosten van het land bezet.

Ondanks een dodelijke pandemie geven regeringen in de hele regio belachelijk weinig uit aan de openbare gezondheidszorg, terwijl de militaire uitgaven de afgelopen jaren vrijwel overal zijn gestegen. In Pakistan maken defensie en de afbetaling van de schulden samen ongeveer 60% uit van de jaarlijkse begroting van het land. De heersende klassen geven meedogenloos voorrang aan de middelen om hun heerschappij en winsten te beschermen, afwijkende meningen te onderdrukken en oorlogen te voeren, terwijl de meerderheid van de bevolking gebukt gaat onder honger, ziekte, massale inflatie, tekorten, stroomuitval en klimaatgerelateerde kwalen.

Rechtse reactie vs. verzet door arbeidersklasse

De niet aflatende plundering van grondstoffen door bedrijven, door lokale en internationale schuldeisers, en door staatsmachines en regeringen die niet in staat zijn om in de meest elementaire behoeften van hun bevolking te voorzien, zijn onmiskenbare tekenen van een gedegenereerd sociaal systeem. De verdieping van de crisis van dit systeem leidt tot verdieping van de sociale woede en radicalisering, maar ook tot extremere vormen van reactie. Uitbuiters en heersende machten die geconfronteerd worden met toenemende sociale oppositie komen gemakkelijker in de verleiding om terug te vallen op oorlogszuchtige, nationalistische, militaristische en communautaire provocaties.

In India zijn de reactionaire communautaire ophitsing en het geweld door BJP-politici en hun Hindoe-supermacistische bondgenoten de laatste maanden toegenomen. Dit omvatte een verbod op het dragen van een hijab door vrouwelijke studenten in de deelstaat Karnataka, Hindutva-groepen die er bij hun aanhangers op aandrongen genocide te plegen tegen moslims, een toename van door de staat gesteunde groepsgeweld tegen Dalits en religieuze minderheden, en recent een golf van verwoestingen van huizen van activisten die zich hadden uitgesproken tegen de onverdraagzame anti-islam uitlatingen van BJP-functionarissen.

Tegelijkertijd zijn er de afgelopen twee jaar, dwars door deze verdeeldheid tussen de gemeenschappen heen, regelmatig uitbarstingen geweest van militante protesten en stakingen van arbeiders uit alle delen van India – met name in de auto-industrie, de mijnbouw, de gezondheidszorg en de banksector – om zich te verzetten tegen onzekere contracten, lage lonen, banenverlies en Modi’s privatiseringsagenda. Vorig jaar voerden miljoenen boeren een succesvolle en inspirerende jaarlange strijd tegen de aanvallen van de regering op de landbouwsector.

Met twee algemene stakingen in minder dan tien dagen tijd heeft de Sri Lankaanse arbeidersklasse ook haar kracht van verzet opnieuw doen gelden en de basis gelegd voor een wederopbouw van de arbeidersbeweging na vele jaren van terugtocht. Ondanks het huidige gebrek aan politieke organisatie van de arbeidersklasse en de nog zwakke staat waarin de meeste vakbonden verkeren, heeft zich in elke sector een ongekende golf van strijd voorgedaan die zijn stempel zal drukken op de komende gebeurtenissen, van de arme vissersgemeenschappen tot de arbeiders op de theeplantages, van de arbeiders in de overheidssector tot de industrie-arbeiders in de speciale economische zones.

In Nepal heeft het recente besluit om de brandstofprijzen te verhogen geleid tot protesten van studenten en arbeiders in Kathmandu en andere grote steden. In Bangladesh zijn duizenden arbeiders uit de textielindustrie overgegaan tot stakingen en protesten tegen de inflatie en de lage lonen.

Overal in Zuid-Azië worden explosieve gevechten, opstanden en zelfs revolutionaire opstanden voorbereid vanwege de ondraaglijke objectieve omstandigheden die het kapitalisme aan honderden miljoenen mensen oplegt. De formidabele uitdaging is om uit deze toenemende strijd een politieke kracht op te bouwen. Zo’n kracht moet geworteld zijn in de arbeidersklasse, programmatisch en organisatorisch onafhankelijk zijn van het pro-kapitalistische establishment, de oppositiepartijen en de populistische machthebbers. Zij moet een internationalistische agenda tegenover de doodlopende weg van nationalisme en imperialistische conflicten stellen.

De belangrijkste Indische oppositiepartijen zoals Congress en de regionale partijen die veel deelstaatregeringen leiden, hebben geen fundamentele bezwaren tegen het opkloppen van de spanningen met China door de regering van de BJP en tegen het opofferen van mensenlevens en het milieu op het altaar van de bedrijfswinsten. De linkse partijen in India hebben zichzelf gecompromitteerd in een lange reeks van verraad en politieke allianties met neoliberale partijen. In Nepal heeft de maoïstische ‘communistische’ partij zich geïntegreerd in de heersende elite. In Sri Lanka maken de belangrijkste oppositiepartijen geen fundamenteel bezwaar tegen het feit dat het IMF de lasten van de economische crisis op misdadige wijze bij de werkende bevolking legt, en weigeren zij de huidige strijd voor betere economische omstandigheden te verbinden met de langdurige strijd van de Tamil bevolking om de ketenen van de nationale onderdrukking te breken. Ondanks pogingen om de huidige woede over de snel stijgende inflatie uit te buiten, biedt de ‘oppositie’-campagne van Imran Khan in Pakistan geen serieus alternatief voor de economische ramp onder de nieuwe regeringscoalitie. Uit deze voorbeelden blijkt de dringende noodzaak om overal in de regio weer strijdende en werkelijk socialistische organisaties op te bouwen die een weg voorwaarts kunnen uitstippelen voor de komende gevechten. Als dit niet gebeurt, zullen de plagen van economische plundering, oorlog, honger, milieuvernietiging, geweld tussen de gemeenschappen, nationale onderdrukking en onderdrukking op grond van kaste en geslacht alleen maar toenemen.

Het pleidooi van een minister aan het Pakistaanse volk om “minder thee te drinken” om te helpen besparen op de import, of de extra vrije dag die aan personeel uit de publieke sector in Sri Lanka is gegeven om hen de tijd te geven hun eigen voedsel te verbouwen (!) getuigt niet alleen van de minachting en het gebrek aan betrokkenheid van de corrupte politieke elite ten opzichte van het lijden van de meerderheid in de regio, maar ook van hun pure hulpeloosheid bij het aanpakken van de crisis van hun eigen failliete systeem. De enige uitweg voor de honderden miljoenen arbeiders, armen en onderdrukte massa’s van Zuid-Azië ligt in hun eigen strijd, in het organiseren van een onverbiddelijk verzet tegen de vervallen heerschappij van het kapitalisme, als onderdeel van een wereldwijde strijd voor een socialistische reorganisatie van de samenleving.

Delen: Printen: