Kapitalisme, vrouwenonderdrukking & de rol van het patriarchale gezin

Dossier door Katia Hancke (Socialist Party, ISA in Ierland)

In de afgelopen 10 jaar zijn gendergeweld en femicide termen geworden waarmee we maar al te vertrouwd zijn. Deze kwesties zijn uit de schaduw getreden doordat miljoenen vrouwen wereldwijd op straat zijn gekomen en eisen dat er iets aan dit geweld gedaan wordt. De media kunnen er niet meer aan voorbij en tonen hoe partnergeweld een schaduwpandemie is geworden. In Ierland is één op de vier vrouwen mishandeld door een huidige of voormalige partner.

In 2020 heeft Women’s Aid alleen al bijna 30.000 oproepen om hulp behandeld. In februari 2022 bleek uit nieuw onderzoek dat drie op de vijf jongeren onder de 25 jaar al te maken had met misbruik binnen intieme relaties, of iemand kennen die het meemaakte. Dit is een wereldwijd verschijnsel: één op de drie vrouwen krijgt tijdens haar leven te maken met fysiek of seksueel geweld. Elke dag worden 137 vrouwen wereldwijd gedood door een partner of een lid van de eigen familie.

Waarom gebeurt dit? Waarom worden zelfs de meest intieme relaties, in gezinnen, in huishoudens – de enige plaats waar we geleerd hebben veilig te zijn – getroffen door zulke verbazingwekkende niveaus van geweld? Onderzoeken waar het geweld vandaan komt, is niet geen academische of abstracte kwestie. Om iets effectief te kunnen bestrijden, moeten we weten wat de wortels ervan zijn.

Populistisch-rechts begrijpt dit maar al te goed. Het weet hoe belangrijk het gezin is als instelling om vrouwen terug in huis te duwen en beperkende gendernormen te versterken. Het besteedt veel energie aan het ‘bewijzen’ dat mannelijke superioriteit en patriarchaat de natuurlijke orde der dingen zijn en schrikt er niet voor terug om hele takken van pseudo-wetenschap uit te vinden om zijn versie van de gebeurtenissen te staven. Zo is er Jordan Peterson die maar doorgaat over een kreeftensoort waarvan de mannelijke kreeften seksueel agressief zijn en hoe dat ‘bewijst’ dat het natuurlijk is dat mannen dominant zijn. Kreeften verstoppen zich ook de hele dag onder rotsen en kunnen alleen maar achteruit zwemmen, maar op de één of andere manier valt dat dan weer niet onder zijn begrip van ‘natuurlijk gedrag’.

Dit is misschien een grof en enigszins lachwekkend voorbeeld, maar biologisch determinisme, sociobiologie en genetisch determinisme zijn allemaal populaire interpretaties van de wetenschap die worden gebruikt om een visie op menselijk gedrag te bevorderen die geweld en ongelijkheid rechtvaardigt. In wezen worden deze versies van de menselijke natuur gebruikt om het status quo te beschermen en de groeiende roep om fundamentele verandering te ondermijnen.

De belangrijke inzichten van Engels

In feite hoeven we de bodem van de oceaan niet af te speuren als de geschiedenis van menselijke samenlevingen ons ruim voldoende materiaal biedt om het punt te vinden waarop onze intieme relaties werden omgezet in een sociale instelling met regels en voorschriften. Gedurende 99% van de geschiedenis leefde de mensheid in een grote verscheidenheid van verwantschappen, in samenlevingen met weinig of geen onderscheid tussen privé- en publieke sferen. Deze vroegere samenlevingsvormen waren geen utopieën en vaak voerden de mensen een dagelijkse strijd om te overleven. Wat de meeste samenlevingen echter gemeen hadden, was dat zij zeer egalitair waren en gebaseerd op de herverdeling van goederen – van ieder naar vermogen, aan ieder naar behoefte, terwijl overexploitatie van medemensen of van het milieu ongehoord was.  Archeologisch, historisch en antropologisch onderzoek tonen duidelijk aan dat pas met de ontwikkeling van nederzettingen, met name in de vroege agrarische samenlevingen, instellingen als de staat en het patriarchale gezin zijn ontstaan.

Dit onderzoek bevestigt in grote lijnen wat Friedrich Engels al in 1884 poneerde in zijn boek ‘De oorsprong van het gezin, het privé-eigendom en de staat’. Op basis van het onderzoek waarover hij toen beschikte, traceerde Engels de ontwikkeling van de staat en het gezin tot in de vroege agrarische nederzettingen. Voor hem was het ontstaan van de klassenmaatschappij en het patriarchaat verbonden met de ontwikkeling van het privé-eigendom.

De fundamentele verandering in productiemethoden in vroege neolithische landbouwsamenlevingen leidde tot tijden van gebrek, maar ook tot de mogelijkheid om aanzienlijke overschotten te produceren. Overschotten maakten het voor sommige leden van de samenleving mogelijk om niet langer rechtstreeks bij de productie betrokken te zijn. Dit zorgde voor het ontstaan van klassentegenstellingen, tussen toezichthouders/beheerders en diegenen die moesten werken. Overschotten stelden ook voor het eerst de kwestie van eigendom aan de orde, en met privébezit kwam de gelaagdheid van de maatschappij rond de “haves” en “have nots”, en de behoefte van de eersten – de bezittende klasse – om te beschermen wat ‘van hen’ was door de instelling van de staat in het openbare leven en het gezin in het privéleven. Het patriarchale gezin werd gebruikt om de dominante positie van een opkomende heersende klasse te garanderen door intieme relaties om te zetten in strategische huwelijken, monogamie (voor de vrouwen) voor erfenissen.

De staat werd gebruikt om de belangen te verdedigen van hen die een steeds grotere hoeveelheid land, rijkdom en grondstoffen vergaarden. Engels’ beschrijving van de staat als in laatste instantie “een groep gewapende mannen”  benadrukt hoe de instandhouding van de staat gebaseerd is op het aanvaardbaar maken van geweld (door de politie, het leger en in oorlogvoering) in de publieke sfeer. De moderne culturele uitdrukking hiervan is machisme, een beeld van mannen als natuurlijke strijders en het dominante geslacht. Deze genderstereotypering en de starre verwachtingen van mannelijkheid en vrouwelijkheid worden nog versterkt door het patriarchale gezin, aangezien de gezinssfeer wordt voorgesteld als onder mannelijk gezag vallend en privé. De klassenmaatschappij en het patriarchaat kweken gendergeweld, zowel in openbare verhoudingen als in intieme relaties.

Het werk van Engels is niet alleen relevant als theoretisch kader voor antropologen en historici die gezinsverhoudingen onderzoeken. Het is ook een uiterst belangrijk referentiepunt voor elke activist die de strijd tegen gendergeweld wil opvoeren. In de eerste plaats bewijst het dat het niet altijd zo is geweest als vandaag. Als patriarchale verhoudingen niet altijd hebben bestaan, dan kunnen ze worden bestreden en afgeschaft.

Ten tweede wijst Engels erop dat de verhoudingen en het bezit van productiekrachten bepalend zijn voor het soort maatschappij waarin wij leven, en dus ook voor de manier waarop ons openbare en privé-leven wordt ingeperkt. Hij geeft een overzicht van de verschillende vormen en functies die de instelling van het gezin heeft aangenomen en hoe deze enorm heeft gevarieerd afhankelijk van de historische context, de geografische ligging en de sociale klassen. Als privébezit de sleutel is tot de ontwikkeling van deze beperkingen, dan is het kapitalisme, als een vorm van maatschappelijke organisatie die privébezit (in de vorm van winst) boven alles vereert, een rem op de ontwikkeling van gelijke verhoudingen tussen mannen en vrouwen. Het werk van Engels wijst dus op de noodzaak om de strijd tegen de onderdrukking van vrouwen te koppelen aan de strijd tegen een systeem dat gebaseerd is op extreme ongelijkheid. Het koppelen van gendergerelateerd geweld en vrouwenonderdrukking aan het kapitalisme als systeem, is een oproep tot actie om een eengemaakte beweging op te bouwen om dit rotte systeem omver te werpen.

De opkomst van het kapitalisme en de gevolgen ervan

Engels benadrukt in zijn boek ook hoe het kapitalisme tegenstrijdige druk uitoefent op vrouwen en het instituut van het gezin. Onder het kapitalisme is het gezinshuis niet langer een belangrijke productie-eenheid: de productie wordt op beslissende wijze verplaatst naar de publieke sfeer in enorme fabrieken waarin arbeiders samenwerken om goederen te produceren. Dit historische proces heeft geleid tot de geboorte van een nieuwe klasse: de arbeidersklasse. De steeds toenemende behoefte aan arbeidskrachten naarmate het kapitalisme de wereld veroverde, dwong steeds meer mensen ertoe hun arbeidskracht voor geld te verkopen, ook vrouwen moesten dit doen. Vandaag werkt de meerderheid van de vrouwen in de wereld buitenshuis.

Enerzijds is daardoor een situatie ontstaan waarin van vrouwen wordt verwacht dat zij twee jobs hebben: een betaalde op het werk en een onbetaalde thuis, waarmee zij de volgende generatie van arbeidskrachten voortbrengen die uit winstbejag wordt uitgebuit. Anderzijds maakt het buitenshuis werken dat vrouwen deel van een collectief zijn en als onderdeel van de arbeidersklasse zich veel effectiever kunnen organiseren tegen hun uitbuiting en onderdrukking.

In de 250 jaar van kapitalistische ontwikkeling hebben we meerdere golven van vrouwenopstanden gezien. Als reactie daarop heeft het kapitalisme het instituut van het gezin op verschillende manieren moeten ‘heruitvinden’ (of aanzienlijk aanpassen). Het zeer persoonlijke menselijke verlangen om een thuis te scheppen dat veiligheid, steun en menselijke warmte biedt, hebben we allen gemeen. Onder het kapitalisme wordt dit omgevormd tot een reeks verwachtingen en maatschappelijke normen die eerder beantwoorden aan de specifieke behoeften van het systeem dan dat ze onze aspiraties weerspiegelen. Wat ons wordt voorgehouden als het “ideale gezin”, het soort persoonlijke relatie dat we zouden moeten nastreven, is onder het kapitalisme dan ook een vaststaand gegeven geworden – een ideologisch wapen van de heersende klasse.

Engels’ boek werd geschreven op een bepaald moment in de geschiedenis dat samenviel met de opkomst van het Victoriaanse gezin, dat een verschuiving betekende van eerdere, meer openbare manieren van controle. Elementen van economische relaties gebaseerd op verwantschap overleefden zeer lang na de opkomst van privé-eigendom. Zelfs in de vroege ontwikkeling van het kapitalisme was het uitgebreide huishouden nog steeds een belangrijke eenheid van economische productie. Met de opkomst van de industriesteden probeerden de fabriekseigenaren aanvankelijk elk aspect van het leven van de arbeiders te beheersen: de collectieve huisvesting was eigendom van de kapitalist, gezinnen werden opgesplitst en kinderarbeid werd genormaliseerd. Armenhuizen werden gezien als een publieke verantwoordelijkheid.

Toen het kapitalisme zich in de 19e eeuw uitbreidde met de ontwikkeling van het monopoliekapitalisme en het imperialisme, was dat niveau van betrokkenheid bij en controle over het privéleven van een steeds groeiende arbeidersklasse niet langer opportuun of mogelijk. De groei van de macht van de natiestaat in de publieke sfeer werd weerspiegeld door een versterking van het instituut van het gezin in de privésfeer.

Veranderingen in het begin van de 20e eeuw

De groeiende arbeidersbeweging organiseerde zich voor betere omstandigheden, meer loon en een kortere werkdag. Binnen de arbeidersbeweging bewees de socialistische linkerzijde dat vrouwelijke arbeiders zich konden organiseren en een belangrijke kracht konden worden in zowel de arbeidersbeweging als de vrouwenbeweging. Tegenover deze radicalisering van de vrouwen stond een ideologisch offensief: het beeld van het Victoriaanse gezin met gescheiden levens en invloedssferen voor mannen en vrouwen en een scheiding tussen het professionele beroep van de man en een focus op huishoudelijkheid/ouderschap en liefdadigheidswerk voor de vrouw. Deze scheiding tussen ‘aanvaardbaar’ werk voor mannen en vrouwen werd gebruikt om de genderinvulling van jobs en de lagere lonen van vrouwen te rechtvaardigen.

Natuurlijk was dit beeld gebaseerd op hypocrisie en totaal onbereikbaar voor de arbeidersklasse. In feite is het aantal vrouwen dat als huispersoneel werkte in deze periode negen keer zo groot geworden. Het “belang van de kindertijd” strekte zich blijkbaar niet uit tot de miljoenen kinderen die door de industrialisatie gedwongen werden te werken in onvoorstelbaar barre omstandigheden. In de textielindustrie in het zuiden van de VS bestond 25% van de arbeiders uit kinderen. Op de plantages waren alleen jonge slaven vrijgesteld van arbeid. Frederick Douglas verklaarde dat hij zijn eigen moeder pas op zevenjarige leeftijd zag. Toch was dit ideologische beeld van het gezin zo wijdverbreid dat de arbeidersbeweging er zelf gebruik van maakte – in haar campagne tegen kinderarbeid haalden organisaties uit de arbeidersklasse de noodzaak aan van goed ouderschap en van spelen en onderwijs voor kinderen om belangrijke hervormingen te bewerkstelligen, zoals openbare scholen, wetgeving tegen kinderarbeid en speciale bescherming voor zwangere werkneemsters en jonge moeders.

Na de enorme ontwrichting van het gezinsleven tijdens de Eerste Wereldoorlog en, in Ierland, de Onafhankelijkheidsoorlog en de revolutionaire stakingsgolf die daarmee gepaard ging, in combinatie met de grote invloed van de eerste golf van het feminisme en de impact van de socialistische revolutie in Rusland, veranderde het beeld van het gezin aanzienlijk. Het huwelijk uit liefde werd afgeschilderd als de sleutelrelatie tussen man en vrouw, en de opvoeding van kinderen werd steeds meer gezien als een verantwoordelijkheid van de gemeenschap. De enorme hoeveelheid literatuur waarin de liefde wordt geromantiseerd en emotionele arbeid als een vrouwelijke eigenschap wordt beschouwd, is slechts één voorbeeld van deze verschuiving. De Grote Depressie onderbrak deze romantische utopie ruw.

In Ierland ontwikkelde een zwakke heersende klasse die steunde op een conservatieve katholieke kerk en een achtergebleven staat waarin onderwijs en gezondheidszorg werden overgelaten aan de controle van een misogyne clerus. De gevolgen daarvan ondervinden we tot op de dag van vandaag – kijk maar naar het voortdurende schandaal rond de eigendom van het nieuwe National Maternity Hospital of het gebrek aan toegang tot inclusieve seksuele voorlichting op onze scholen. Een zeer conservatief beeld van het gezin en het moederschap werd gebruikt om getrouwde vrouwen te ontmoedigen om te werken, met inbegrip van een verbod voor getrouwde vrouwen om in de openbare sector te werken.

Het kwam de heersende klasse goed uit dat dit ook betekende dat er niet werd geïnvesteerd in openbare kinderopvang en zorg voor de kwetsbaren en de ouderen, omdat al die verantwoordelijkheden op de schouders van de vrouwen binnen het gezin werden gelegd. De beschamende geschiedenis van de Mother and Baby instellingen (waar nonnen buitenechtelijk zwanger geraakte vrouwen wegstopten en waar duizenden kinderen omkwamen) en de industriële scholen tonen het enorme lijden dat dit veroorzaakte voor vrouwen en kinderen uit de werkende klasse. Tot op vandaag zijn de 25% van de gezinnen die door een alleenstaande ouder geleid worden die met grootste risico op armoede en marginalisatie. Het ideologische gebruik van gezinsrelaties door het Ierse establishment is een bijzonder scherp voorbeeld van hoe onrealistische gender- en relatienormen een langdurig effect hebben, in het bijzonder op vrouwen en gezinnen uit de arbeidersklasse.

Naoorlogse tegenreactie

Internationaal vond de belangrijkste ontwikkeling in de richting van (wat wij vandaag kennen als) het ‘kerngezin’ als norm plaats na de Tweede Wereldoorlog. Uit een onderzoek in de VS uit 1945 bleek dat 92% van de vrouwen die tijdens de oorlog in de industrie gingen werken, hun job niet wilden opgeven. Financiële stabiliteit in zekere en goede jobs was de belangrijkste reden die werd aangevoerd. Het was de kapitalistische klasse die vrouwen in lager betaalde ‘vrouwelijke’ jobs duwde. Om hiermee weg te komen, begon een groot ideologisch offensief, waarin het instituut van het gezin een sleutelrol speelde. Er werd een nieuw “normaal” gepropageerd – van het perfecte gezin in het huis in de buitenwijken met een omheining rond de tuin, een werkende vader, een liefhebbende moeder en de ongerepte tweeëneenhalf kinderen. Voorheen was het normaal om een uitgebreid gezinshuishouden te hebben, zodat de opvoeding van kinderen, de zorg en de huishoudelijke taken konden worden gespreid. Deze nieuwe opvatting van het gezin maakte een einde aan die ondersteuning, wat vooral op vrouwen een effect had.

Populaire TV-shows als The Waltons en Little House on the Prairie (en de nationale equivalenten van deze familieshows over de hele wereld) gaven de indruk dat dit nieuwe ‘normaal’ de natuurlijke gang van zaken was. In feite waren in de jaren zestig de geboortecijfers hoger en trouwden vrouwen jonger dan ooit in de afgelopen 100 jaar. De deelname van vrouwen aan het onderwijs nam aanzienlijk af. Voor het eerst werd de verantwoordelijkheid van de vrouw in het gezin afgeschilderd als het zorgen voor elk aspect van de persoonlijke behoeften van elk gezinslid – een alles vergende taak. De productie van duurzame consumptiegoederen en de woningbouw namen een hoge vlucht, maar de tijd die vrouwen aan huishoudelijk werk besteedden, nam toe.

Natuurlijk had dit alles een enorme politieke component – dit was op het hoogtepunt van de Koude Oorlog, waarbij de heersende klasse probeerde de aanzienlijke kracht van de arbeidersbeweging te ondermijnen. Anticommunistische propaganda was wijdverbreid. Nixon’s keukendebat met Chroesjtsjov is een perfect voorbeeld van hoezeer deze ideologie van het gezinsleven werd gebruikt door de kapitalistische klasse. Nixon zat voor dit debat in een voorstedelijke middenklasse keuken en benadrukte tijdens het debat dat de huiselijke levensstijl van een Amerikaanse middenklasse vrouw (compleet met zelfgebakken koekjes, wasmachine en koelkast) de superioriteit van het kapitalisme bewees.

Maar zelfs in de voorsteden van de middenklasse kon het kerngezin alleen worden verwezenlijkt dankzij enorme overheidssubsidies, sociale huisvesting, onderwijsuitkeringen en een gegarandeerd inkomen door vaste werkgelegenheid – allemaal verworvenheden die de arbeidersbeweging in de naoorlogse jaren in de wacht had gesleept. Bovendien stond dit beeld van het gezinsleven mijlenver af van de werkelijkheid voor veel arbeidersgezinnen, vooral in de VS. Een op de vier arbeiders leefde in armoede, en 40% van de zwarte vrouwen moest buitenshuis werken. Het tijdschrift Life benadrukte in 1957 dat “10.000 zwarte arbeiders bij Ford in Dearborn werken, maar er niet wonen.” Het blanke ‘suburbia’ (voorsteden) was een ideologisch wapen tegen arbeidersgezinnen, in plaats van een realiteit voor hen.

Het kerngezin werd gebruikt om vrouwen terug te duwen naar huis (of naar laagbetaalde banen) en om hen het zwijgen op te leggen. Vrouwenmishandeling werd weer aanvaardbaar geacht (iets wat het feminisme van de eerste golf had bestreden), en wantrouwen en infantilisering van vrouwen werden aangemoedigd – vrouwen verloren de controle over de financiën van het gezin, konden geen contracten tekenen of creditcards hebben zonder toestemming van hun echtgenoten. Inrichtingen en elektroshockbehandeling van vrouwen die ‘niet pasten’ waren aan de orde van de dag. Dit alles leidde onvermijdelijk tot een opstand. Het feminisme van de tweede golf in de jaren ’60 en ’70 legde al deze uitwassen bloot en stelde het concept van het kerngezin ter discussie, organiseerde zich voor gelijke beloning en bracht miljoenen vrouwen over de hele wereld op straat en in activisme voor gelijkheid en tegen onderdrukking. De krachtige slogan “het persoonlijke is politiek” bracht alle kwesties die ooit met het privé-gezinsleven werden geassocieerd in het publieke debat – met inbegrip van gendergeweld, seksuele intimidatie, en onderdrukking binnen het gezin.

Bij de opkomst van het neoliberalisme in de jaren ’70 en ’80 werd het gezin opnieuw gebruikt om besparingen en privatisering van essentiële diensten te rechtvaardigen. Thatcher’s beroemde toespraak, “Er is niet zoiets als de samenleving! Er zijn individuele mannen en vrouwen en er zijn gezinnen”, was een nauwelijks verhulde rechtvaardiging van de ontmanteling van belangrijke hervormingen die door de arbeidersbeweging waren gewonnen, zoals openbare kinderopvang, sociale huisvesting en de nationale gezondheidsdienst. Elke aanval op de openbare diensten ging gepaard met het in diskrediet brengen van het “feminisme” en het “socialisme”. Kosten noch moeite werden gespaard om de indruk te wekken dat ‘het politieke persoonlijk is’, d.w.z. dat individuele inspanning en verantwoordelijkheid alles zijn wat nodig is om ongelijkheid, uitbuiting en onderdrukking te overwinnen.

De impact van de nieuwe feministische golf

De laatste tien jaar is er een groeiende afwijzing van dat reactionaire verhaal. Op straat ontwikkelt zich opnieuw een beweging die niet alleen gendergeweld en -onderdrukking in al haar vormen aan de kaak stelt en bestrijdt, maar die ook een verband legt met de werking van het systeem in zijn geheel. In de publieke sfeer worden het rechtssysteem, de politie en de kapitalistische staat in de beklaagdenbank gezet als verantwoordelijke voor de versterking van gendergeweld – waarbij de slachtoffers de schuld krijgen en het geweld en het status quo worden bestendigd. We zien dat het ideologische wapen van de gezinsinstelling een parallelle rol speelt in ons privéleven: het vervormt de verwachtingen van relaties en het gezinsleven om het systeem te dienen in plaats van onze uiteenlopende behoeften en aspiraties te vervullen.

Tegenwoordig is het gezin economisch gezien niet meer zo centraal als vroeger, toen het een belangrijke productie-eenheid was. Maar het vervult nog steeds een belangrijke functie in het kapitalisme, met jaarlijks triljoenen dollars aan onbetaalde arbeid. Wereldwijd zijn arbeidersvrouwen en arme vrouwen nog steeds van vitaal belang voor het kapitalisme bij de reproductie van de beroepsbevolking. Het kapitalistisch systeem maakt op deze manier gebruik van gender-gebaseerde onderdrukking die geworteld is in de huiselijke en gezinssfeer. Voor hun winsten hebben ze dit onbetaalde werk van de werkende klasse nodig. Het overgrote deel van dit werk wordt verricht door vrouwen, hetzij via onbetaald werk in huis, hetzij als onderbetaalde zorgverleners. Het complexe verband tussen uitbuiting (als onderbetaalde arbeidskrachten) en onderdrukking (als vrouwen) is duidelijk te zien.

Het gezin zal onvermijdelijk opnieuw vorm krijgen door de huidige tendensen in het kapitalisme. Jongeren kunnen het zich steeds minder veroorloven een gezin te stichten of kinderen te krijgen, zelfs als ze dat willen, vanwege de huisvestingscrisis die in zoveel landen heerst, de toename van onzeker werk en de algemene economische onzekerheid die het kapitalisme nu met zich meebrengt. Er is ook een sterke toename van eenzaamheid en isolement

Het is geen toeval dat we in deze context in veel landen een reactionair offensief zien om te proberen de traditionele gendernormen en “gezinswaarden” opnieuw te doen gelden. In Noord-Amerika en Europa vallen populistisch-rechts en anderen de ‘genderideologie’, abortusrechten en feminisme aan. Rechtse kwakzalvers als Peterson kunnen bij sommige jonge mannen gehoor vinden door nostalgie te verkopen over de zogenaamd gelukkiger tijden toen ’traditionele’ gezinnen en genderrollen de boventoon voerden. In China maakt het regime zich steeds meer zorgen over het dalende geboortecijfer, wat gepaard gaat met een hernieuwde belastering van en repressie tegen feministen.

Conclusie

Het gezin waarin je geboren bent bepaalt nog steeds tot welke klasse je behoort – via het bezit van rijkdom en politieke macht. En dat blijkt op tal van manieren: gezinsachtergrond voorspelt tot 85% van de inkomens; het leren op school wordt meer beïnvloed door “gezinsmiddelen” dan door schoolmiddelen; echtscheiding is nog steeds de grootste afzonderlijke voorspeller van armoede voor vrouwen en kinderen.

Het is belangrijk om na te gaan hoe het gezin de afgelopen 200 jaar is getransformeerd en gebruikt als ideologisch wapen, om te begrijpen welke rol het gezin heeft gespeeld bij de verspreiding van onderdrukkende, beperkende gendernormen – duidelijk voor vrouwen, maar met gevolgen voor mensen van alle genders. Voor mensen uit de arbeidersklasse vergroot de economische druk de kans om gevangen te raken in een liefdeloos gezinsleven. Deze economische realiteit geeft een scherpe klassendimensie aan elke strijd tegen gendergeweld. Maar ook de gezinsideologie speelt nog steeds een rol bij het scheppen van onrealistische genderverwachtingen en een vertekend beeld van privérelaties.

Gendergeweld is een extreme uiting van de onderdrukking van vrouwen. De onderdrukking van vrouwen is onvermijdelijk in een systeem waarin de particuliere hebzucht koste wat kost wordt beschermd. Onder het kapitalisme is zelfs ons privéleven niet veilig voor uitbuiting en vervorming met het oog op winstbejag. Maar de middelen zijn er om ons van deze belemmering te bevrijden – als de enorme rijkdom, de grondstoffen en de belangrijkste hefbomen van de economie bevrijd worden uit de greep van de zeer kleine groep kapitalisten om democratisch gebruikt te worden door de overgrote meerderheid, kan aan de basisbehoeften van allen voldaan worden. Zulke economische zekerheid zou de basis leggen om ons privéleven werkelijk vrij te maken en ons gezinsleven te bevrijden van de beperkingen en verwachtingen die erop zijn gestapeld door een systeem dat nooit onze belangen voor ogen heeft gehad.

In de woorden van Engels: “Wat zal er echter bijkomen? Dat zal beslist worden als er een nieuw geslacht zal zijn opgegroeid: een geslacht van mannen, wie het nooit in hun leven is overkomen, voor geld of andere sociale machtsmiddelen de prijsgeving van een vrouw te kopen, en van vrouwen, wie het nooit is overkomen zich om enige andere reden dan uit werkelijke liefde aan een man te geven, noch de geliefde de overgave te weigeren uit angst voor de economische gevolgen. Als zulke mensen er eenmaal zijn, zullen zij er zich in het minst niet om bekommeren wat men vandaag meent dat zij moeten doen; zij zullen zich hun eigen praktijk en een daarop berustende openbare mening over de praktijk van ieder individu zelf vormen — en daarmee basta.”

Delen: Printen: