‘Coming out’ in voetbal nog steeds erg moeilijk, symptoom van systemische LGBTQIA+-fobie

Van het tragische lot van Fashanu tot de recente beslissing van Daniels om uit de kast te komen: de zeer moeilijke ‘coming out’ in het mannenvoetbal

Op 16 mei 2022 werd voetballer Jake Daniels de tweede Engelse profvoetballer die openlijk voor zijn homoseksualiteit uitkwam. De 17-jarige speler van Blackpool FC volgt Justin Fashanu op, die 32 jaar geleden uit de kast kwam. Dat er zo weinig openlijk homoseksuele profvoetballers bestaan, zegt veel over waar het voetbal zelf voor staat en hoe systematisch discriminatie in de samenleving is. Het geeft ook een indicatie van hoe discriminatie te bestrijden.

Door Stéphane Delcros

Justin Fashanu’s historische en dodelijke coming out

Op 2 mei 1998 pleegde Justin Fashanu zelfmoord, acht jaar nadat hij uit de kast was gekomen. Justin had de status van voetbalster bereikt toen hij in 1981 topscorer van de Premier League werd en als eerste zwarte Britse voetballer voor 1 miljoen pond van Norwich City naar Nottingham Forest verhuisde. Het duurde echter tot zijn 29ste, 9 jaar later, in oktober 1990, voordat hij de eerste mannelijke profvoetballer werd die zich publiekelijk outte.

Wat volgde was een campagne van brutale homofobe intimidatie door de mainstream media en heel wat voetballers en fans. Het duurde jaren en het bleef duren tijdens zijn latere carrière, die talrijke transfers naar lagere divisieclubs in Engeland en het buitenland omvatte. In 1998, toen hij in de Verenigde Staten woonde, werd hij beschuldigd van aanranding door een 17-jarige, die later de aanklacht introk. Justin schreef in zijn zelfmoordbriefje dat de relatie consensueel was geweest, en dat de reden voor zijn wanhoopsdaad vermoeidheid was en de wetenschap dat hij geen eerlijk proces zou krijgen, aangezien homoseksualiteit illegaal was in de staat Maryland.

Andere minder tragische coming out-verhalen, maar allemaal ver van het epicentrum van het wereldvoetbal

Sinds Justin Fashanu zijn verschillende profvoetballers uit de kast gekomen, maar altijd nadat hun carrière was beëindigd, of in een competitie in een staat waar voetbal helemaal niet de populairste sport is. Dat was het geval voor de Amerikaan Robbie Rogers in 2013, een beslissing die hem ertoe bracht zijn club Leeds United FC in Engeland te verlaten en zijn pensioen aan te kondigen, op 26-jarige leeftijd, alvorens bij Los Angeles Galaxy te tekenen. In juni 2018 was het Minnesota United FC’s Collin Martin die uit de kast kwam als homo, op 23-jarige leeftijd. In oktober 2021 kwam de Australiër Josh Cavallo op 21-jarige leeftijd uit de kast en zei: “Als homoseksuele voetballer moest ik leren mijn gevoelens te verbergen om in het plaatje van een profvoetballer te passen. Opgroeien als homo en voetbal spelen is niet makkelijk. Ik ben het beu om dit dubbelleven te leiden, het is vermoeiend.”

Deze enkele profvoetballers zijn uiteraard niet de enigen die homoseksueel zijn, maar de overgrote meerderheid van hen weigert een weg in te slaan die zou kunnen leiden tot afwijzing door sommige van hun teamgenoten of zelfs door hun club (en dus tot verlies van hun baan), en tot het doelwit worden van haatcampagnes en pesterijen van voetballers en fans. Jake Daniels’ coming out in het hart van een traditioneel ‘voetballand’ is daarom des te meer historisch, vooral op zijn jonge leeftijd, met het risico dat zijn privacy wordt geschaad. Daniels onthulde dat hij geïnspireerd was door Cavallo’s woorden.

En zoals Cavallo uitlegt: “Uit de statistieken blijkt dat slechts 33% van de jonge homo’s voetbalt, tegen 68% van de jonge hetero’s.” Veel jongeren worden dus uit de sport geduwd door de homofobie die in het voetbal heerst, zelfs op amateurniveau; of verlaten de sport, zelfs als ze prof zijn. Dit is wat er gebeurde met de Frans-Tunesische voetballer Ouissem Belgacem.

Op 20-jarige leeftijd verliet Ouissem Belgacem het profvoetbal: “Ik moest kiezen tussen mijn professionele carrière en het aanvaarden van mijn seksuele geaardheid,” legde hij uit. Ouissem Belgacem is de eerste Franse profvoetballer die het aandurfde om uit de kast te komen – maar dan wel nadat hij uit het vak was gestapt. Hij volgde een opleiding bij Toulouse FC en speelde op 19-jarige leeftijd voor de Tunesische nationale ploeg op de African Cup of Nations in 2008. Minder dan twee jaar later, verliet hij het voetbal.

In mei 2021, op 33-jarige leeftijd, publiceerde hij een boek waarin hij openlijk uiting gaf aan zijn homoseksualiteit: “Adieu ma honte. Pour en finir avec l’homophobie dans le football” (Afscheid van mijn schaamte. Tegen  homofobie in het voetbal’). Daarin legt hij uit hoe moeilijk het is voor een jongere, vooral iemand uit een volksbuurt en een moslimgezin, om voetbal te spelen terwijl hij homo is. Hij legt ook uit in hoeverre hij moest liegen tegen iedereen om hem heen, soms door een vriendin te verzinnen: “Elke dag kwam ik uit mijn kamer, ik zette een masker op en ik ging hetero spelen. Het is vermoeiend om dat elke dag te doen.” Hij legt ook uit dat hij zich verschillende keren in de situatie bevond waarin hij zelf homofobie propageerde ten overstaan van zijn teamgenoten, homoseksuelen belachelijk maakte, in een poging zichzelf te ‘genezen’, en vertelt zelfs dat hij deelnam aan een “anti-homo brigade” die homoseksuelen in elkaar sloeg.

Homofobie heerst nog steeds in mannenvoetbalclubs en -competities

LGBTQIA+-fobie komt vooral voor in teamsporten en vooral in mannenclubs en -competities. Zoals een studie uit 2013 in Frankrijk aantoont, is het fenomeen het meest aanwezig in het voetbal. Het is daar verreweg het sterkst. Een studie van Stonewall Scotland uit 2016 toonde aan dat 82% van diegenen die getuige waren van homofobie in de sport dit was in de context van een voetbalwedstrijd. Bovendien worden er regelmatig homofobe slogans gezongen door supportersgroepen. Deze gezangen beginnen de laatste jaren weliswaar te worden bekritiseerd, maar meestal heerst er vooral onverschilligheid.

Homofobie is ook wijdverbreid in het amateurvoetbal, zoals blijkt uit het verhaal van de Franse amateurspeler Yoann Lemaire, die in 2004 uit de kast kwam en het slachtoffer werd van beledigingen en pesterijen, hoewel zijn club – FC Chooz (Ardennen) – wordt beschouwd als een toonbeeld van inclusiviteit. Lemaire was het slachtoffer van homofobie van één van zijn ploegmaten; zijn club ontsloeg hem in 2009 “om beide partijen te beschermen”… Vandaag weegt deze zaak nog steeds zwaar in de bagage van systemische discriminatie in het Franse voetbal.

Een oud-coach van Belgacem bij Toulouse FC zei hem onlangs dat hij er goed aan heeft gedaan destijds niet naar buiten te treden: “Je hebt er goed aan gedaan het niet te zeggen. De club zou het voor elkaar gekregen hebben om je eruit te krijgen.” Dat is het gevoel dat vandaag nog steeds overheerst. In januari 2022 verwoordde de voormalige aanvoerder van het Franse nationale elftal Patrice Evra het als volgt: “Er zijn minstens twee spelers per club die homo zijn. Maar in de wereld van het voetbal heb je afgedaan als je het zegt.” Belgisch international Thomas Meunier zei in juni 2021: “We zagen spelers die na hun carrière uit de kast komen, maar ik zou een voetballer adviseren om niet tijdens hun carrière uit de kast te komen.”

Een jonge voetballer die homo is, zal niet geneigd zijn ervoor uit te komen, omdat hij in de kleedkamer “vuile flikker” en “wij zijn geen flikkers” hoort, maar ook uit angst om geen profcontract te krijgen. Er is soms een hevige concurrentie tussen jonge voetballers, vooral uit het Afrikaanse continent, om een goed contract te krijgen. En zelfs wanneer het wordt verkregen, is het een stress die helaas zeer regelmatig wordt vernieuwd, en die vaak onverzoenbaar is met de bijkomende stress van de vraag wat er zou volgen op een eventuele coming out.

Is het de schuld van het voetbal? Nee, het is een systematisch probleem

Sport is een maatschappelijke constructie die in de 19e eeuw is ontstaan. In die tijd was een van de overwinningen van de strijd van de arbeidersbeweging de verkorting van de arbeidstijd en de toename van de vrije tijd, met name door de invoering van een wekelijkse rustdag, de zondag, en later voor sommigen ook de zaterdag. Als vrijetijdsbesteding haastten vele arbeiders zich vervolgens om in Engeland (maar ook elders en bepaalde andere sporten) aan sport te gaan doen, in het bijzonder voetbal. Dat zette de heersende klasse ertoe aan deze sporten te codificeren, zodat de beoefening ervan door de arbeidersklasse overeenkwam met haar belangen. In dit streven naar controle moest de sportbeoefening de dominante ideologie uitdragen, vooral in die sporten en competities die het meest door de arbeidersklasse werden beoefend.

De dominante ideologie is gebaseerd op de strategie van “verdeel-en-heers” door middel van racisme, seksisme en LGBTQIA+-fobie. Als weerspiegeling van het seksisme in de hele samenleving was het vrouwen lange tijd verboden aan sport te doen, en sportbeoefening droeg de cultus van het lichaam in zich – uiteraard in binaire zin. Op het gebied van de geslachtsnormen werd een zeer strikt en uiterst reactionair kader toegepast, waarbij mannen moesten voldoen aan het model van mannelijkheid en virilisme, dat noodzakelijkerwijs heteronormatief was, vooral in een zo populaire sport als voetbal. De ‘bekwame’ mens wordt verondersteld mannelijk te zijn en, uiteraard, heteroseksueel.

LGBTQIA+-fobie in de samenleving en ook in het voetbal is een constructie van het systeem om de belangen van de heersende klasse te dienen, terwijl de overgrote meerderheid van de voetballers vooral hun passie wil kunnen beoefenen, zonder discriminatie. Zoals Josh Cavallo zegt: “Het enige wat ik wil, is voetballen en gelijk behandeld worden.”

De bestuursorganen van het voetbal zijn meer deel van het probleem dan van de oplossing

Sinds de publicatie van zijn boek heeft Ouissem Belgacem talrijke interviews en lezingen gegeven, waarin hij ook oplossingen probeert te vinden om homofobie uit het voetbal te bannen. In de eerste plaats richt hij zich tot de bestuursorganen, opdat zij het initiatief nemen om zowel racisme als homofobie te bestrijden.

Een oplossing kan niet worden gebouwd op basis van degenen die duidelijk deel uitmaken van het probleem, die het systeem in stand houden. In de strijd tegen zowel racisme als homofobie lopen de bestuursorganen van het wereld-, continentale en nationale voetbal ver achter de feiten aan. Als ze iets doen, is het zeer slecht en is het alleen omdat er druk van onderaf is die hen geen andere keuze laat – of die druk nu van de voetballers komt of van de maatschappij in het algemeen.

Het is pas zeer onlangs dat een “strijd” tegen homofobie op gang is gebracht door de belangrijkste organisaties. Een strijd die niet erg geëngageerd is, zoals blijkt uit het voorbeeld van de Franse Liga voor Beroepsvoetbal (LFP) die sinds 2019 een speeldag in mei wijdt aan de internationale dag tegen homofobie: Met de slogan “Homos ou Hétéros, on porte tous le même maillot” (‘Homo of hetero, we dragen allemaal hetzelfde truitje’) wordt een truitje gedragen waarop de rugnummer met regenboogkleuren is gevuld. (De campagne kon niet verhinderen dat de Senegalese voetballer van Paris Saint-Germain Idrissa Gueye in 2021 en 2022 bewust afwezig was op die dag om deze trui niet te dragen, wat in mei 2022 tot een grote polemiek leidde).

Ook het optreden van de UEFA (het bestuursorgaan van het Europese voetbal) in de strijd tegen homofobie is niet memorabel, behalve (helaas voor de UEFA) toen zij tussenbeide kwam bij de autoriteiten van München om hen te verbieden het stadion van de Allianz Arena in regenboogkleuren te verlichten tijdens een Euro-wedstrijd in 2021 tussen Duitsland en Hongarije, in verzet tegen de nieuwe LGBTQIA+fobe wet die door de Hongaarse autoriteiten was aangenomen.

De FIFA heeft meer dan eens blijk gegeven van niet alleen haar onvermogen maar ook haar onwil om discriminatie en onderdrukking te bestrijden. Dit wordt geïllustreerd door de cynische verklaring van haar voorzitter, Gianni Infantino, begin mei, toen hij zei dat het werk op de bouwplaatsen van de stadions en de infrastructuur voor het WK voetbal voor mannen in 2022 in Qatar “waardigheid” en “trots” had gegeven aan de migrantenarbeiders. Het gaat om werven die het leven kostten aan enkele duizenden arbeiders, voornamelijk uit Zuid-Azië, die werden uitgebuit met bijna geen enkele sociale wetgeving. LGBTQIA+ zijn is verboden en wordt in Qatar bestraft met zeven jaar gevangenisstraf. En wat LGBTQIA+-ers te wachten staat die een team willen steunen op de wereldbeker is verre van aangenaam. Volgens een onderzoek van Scandinavische media weigeren verschillende door de FIFA aanbevolen hotels homoseksuele paren te ontvangen, terwijl andere hotels hebben geadviseerd dat het beter is iemands homoseksualiteit te verbergen, waarbij werd gezegd dat de politie al naar deze hotels is gekomen om inwoners van Qatar die homoseksuele relaties hebben te arresteren. Qatar waarschuwde dat alle regenboogvlaggen die getoond worden, in beslag genomen zullen worden. Het regime zegt dit te zullen doen om de fans te “beschermen”…

De bestuursorganen werken antidiscriminatie tegen door onderdrukkende regimes en beleidsmaatregelen te steunen. De magere anti-discriminatiecampagnes die zij lanceren, dienen alleen om zichzelf een schijn van inclusiviteit te geven. Hun gezag wordt verder ondermijnd door de stimulering van neoliberaal beleid, massale corruptie en allerlei bedriegerijen, waardoor elke campagne die zij voeren in de ogen van de overgrote meerderheid vrijwel zinloos is…

Vechten tegen elke vorm van discriminatie!

Belgacem doet ook een beroep op de grote voetbalsterren die hun invloed kunnen aanwenden om homofobie te bestrijden. Hij hoopt dat er eindelijk een grote ster uit de kastkomt.

Het is duidelijk dat elke uiting van solidariteit welkom is, en elke coming out versterkt het vertrouwen voor andere voetballers. “Ik was bang hoe de mensen zouden reageren als ze erachter kwamen, dat ze me anders zouden gaan behandelen, slechte dingen over me zouden zeggen of me zouden uitlachen. Dat is niet het geval. Integendeel, ik kreeg meer respect van de mensen.” Het was na deze woorden van Josh Cavallo dat Jake Daniels zelf actie ondernam; zijn actie zal een effect hebben op andere jongeren, voetballers of niet.

Vandaag zijn er talloze voetballers die actie voeren tegen racisme en politiegeweld (bijv. uit solidariteit met de Black Lives Matter-beweging), maar ook tegen seksisme en LGBTQI+fobie, of uit solidariteit met sociale bewegingen. Deze blijken van steun en soms succesvolle strijd (denk aan de vrouwelijke voetballers in verschillende nationale teams die gelijke beloning en bonussen in de wacht sleepten) zijn zeer welkom. Dit is een enorme verandering ten opzichte van de jaren 1990 en 2000.

Het is duidelijk dat de sportwereld, en dus ook de beroepssport, niet losstaat van wat er in de samenleving gebeurt. Zij wordt beïnvloed door wat er in de ruimere samenleving gebeurt en ze beïnvloedt op haar beurt de samenleving. Het is in een gunstiger context, vooral onder de jongeren, dat deze coming out plaatsvindt. De coming out van Daniels zal hopelijk door anderen gevolgd worden. Daarbij is de boodschap duidelijk: we aanvaarden geen enkele discriminatie!

Systemisch probleem heeft systemische oplossing nodig: vechten voor systeemverandering!

Voetballers die uit de kast komen, worden gesteund door andere voetballers, vaak ook collega’s die een pak beroemder zijn. Dit gebeurt veel breder dan toen Justin Fashanu destijds uit de kast kwam. Tegelijk blijft discriminatie sterk aanwezig. Het is immers verbonden met het systeem, dat de winsten van enkelen wil maximaliseren en meerdere instrumenten heeft om dat te doen, waaronder het wapen van de verdeeldheid (zoals LGBTQIA+ fobie).

Voetbal en alle andere sporten moeten uit de handen worden gehaald van een handvol individuen, die de populariteit van de sport misbruiken om zich te verrijken en de sport op hun belangen te richten. Sport moet in handen zijn van de gemeenschap ten bate van de gehele samenleving en van alle sportbeoefenaars; sport moet voor iedereen toegankelijk zijn. Alle actoren in het voetbal en de sport hebben een rol te spelen in de strijd om de controle op de sport te verkrijgen en deze te bevrijden van winstbejag, tekorten aan infrastructuur en uitrusting, en discriminatie.

Elke vorm van discriminatie bestrijden (op straat, op het werk en in sportclubs) en solidariteit tonen is van cruciaal belang en zal ons vooruithelpen in de strijd tegen haat en verdeeldheid. Maar een volledige overwinning is niet mogelijk zonder een krachtige massabeweging die een verandering teweegbrengt in de maatschappelijke basis, die de basis legt voor een ander systeem: een socialistische maatschappij, die de wortels van deze discriminaties uitroeit.

Delen: Printen: