50 jaar oud: ‘De aderlating van een continent’ door Eduardo Galeano

‘De aderlating van een continent’ van Eduardo Galeano werd 50 jaar geschreven en is een klassieker. Het is een gedetailleerd en compact verslag van de koloniale geschiedenis van Latijns-Amerika. Na de militaire staatsgreep in Uruguay werd het boek verboden en Galeano moest in ballingschap gaan. Het boek is tot op vandaag erg relevant.

Door Natalia Media (Rättvisepartiet Socialisterna – ISA in Zweden)

In Galeano’s boek volgen we vijf eeuwen van uitzonderlijke uitbuiting. Eerst was er goud, zilver en diamanten, later suiker, cacao, katoen, rubber, fruit en uiteindelijk ook olie. Om de rijkdommen te ontginnen werden de inheemse volkeren uitgebuit bij het harde werk in de mijnen en toen hun rangen te dun werden, kwamen er slaven van het Afrikaanse continent.

Er is een groot verschil tussen de geschiedenis van Noord- en Latijns-Amerika. De kolonisatoren in Noord-Amerika kwamen om een nieuw leven op te bouwen, zij het op gestolen land, en maakten zich vervolgens los van de Britse kroon. De kolonisatoren van Latijns-Amerika hebben het continent juist van zijn rijkdommen ontdaan. Galeano beschrijft het als volgt: “Want het noorden van Amerika was geen goud of zilver en er waren ook geen inheemse beschavingen met een grote bevolkingsdichtheid die al een arbeidssysteem kenden.” (p.166)

De exploitatie van de rijkdommen van Latijns-Amerika betekende werkgelegenheid, ontwikkeling en welvaart in Europa en Noord-Amerika, maar niet voor de bevolking van Latijns-Amerika. De uitbuiting van de Europese veroveraars resulteerde niet alleen in een genocide, maar in vele parallelle genociden waarbij hele beschavingen werden weggevaagd.

Het leidde niet alleen tot de gruwelijke en systematische uitroeiing van mensen, maar ook tot culturele en wetenschappelijke vernietiging en een ecologische ramp. Tegelijkertijd was het succes van elke grondstof van korte duur. Al snel produceerde een ander continent dezelfde goederen goedkoper, sneller en efficiënter, en de ineenstorting was al snel een feit. Noord-Amerika nam de katoenproductie over en Ghana de cacaoproductie. Tegelijkertijd werden alle pogingen tot binnenlandse industrie gedwarsboomd door geïmporteerde goederen.

“Handelsagenten uit Manchester, Glasgow en Liverpool reisden heel Argentinië af en kopieerden de modellen van de poncho’s in Santiagan en Córdoban, die van de leerartikelen in Corrientes en ook nog de houten stijgbeugels, die ‘volgens de gewoonte van het land’ ondersteboven hingen. De Argentijnse poncho’s kostten zeven pesos, die uit Yorkshire drie. De meest ontwikkelde textielindustrie van de wereld galoppeerde triomfantelijk over de autochtone weverijen heen en hetzelfde gebeurde met de productie van laarzen, sporen, traliewerk, leidsels en zelfs spijkers.”

Paraguay valt op. In het midden van Zuid-Amerika, zonder kusten, was hier een land met zijn eigen industrieën zonder buitenlandse profiteurs. Een sterke staat in plaats van een marionetten burgerij legde er de basis voor de economie. Er was ontwikkeling en een vorm van welvaart in plaats van ongunstige vrijhandel met Europa of de Verenigde Staten. Dit voorbeeld mocht niet worden voortgezet. In een zes jaar durende oorlog die op drie fronten werd uitgevochten, werd Paraguay aan het eind van de jaren 1800 met de hulp van kapitaal uit Engeland verpletterd. Meer dan 60% van de bevolking stierf, en het land werd in puin achtergelaten. Ook vandaag nog is Paraguay arm waar ongelijkheid, instabiliteit en corruptie het land kenmerken.

Een land dat zijn hele economie baseert op de export van grondstoffen zonder industrieën of raffinage is gevoelig voor de grillen van de markt. Dat zagen we in 2016 toen de grondstofprijzen daalden en landen als Argentinië, Brazilië en Venezuela mee kelderen. In ‘De aderlating van een continent’ beschrijft Galeano uitgebreid hoe het continent nog steeds een grondstoffenproducent is en nooit het grootste deel van de taart krijgt.

“Met de olie gebeurt hetzelfde als met de koffie en met het vlees: de rijke landen verdienen veel meer aan de moeite die ze nemen om het te consumeren dan de arme landen aan de productie.”

Hogere koffieprijzen leiden tot hogere winsten, maar niet tot hogere lonen. Lagere koffieprijzen verlagen in één klap het inkomen van de arbeiders. Export gaat hand in hand met honger. De kinderen eten aarde om bloedarmoede tegen te gaan, terwijl de winsten vrijelijk het continent uit stromen.

In El Salvador stierf een kwart van de bevolking door vitaminegebrek, terwijl een handvol kapitalisten fortuin maakte met de export van koffie. Galeano’s boek staat vol met hartverscheurende voorbeelden, maar hij wordt nooit sentimenteel. Het is een belachelijke paradox dat de vruchtbaarste en rijkste regio’s in bittere armoede en hongersnood zijn gestort. Het land dat zovelen zou kunnen voeden, bloedt leeg wanneer het volgende gewilde product in enorme monoculturen wordt aangeplant.

Er is geen ruimte voor voedselproductie; in plaats daarvan wordt voedsel geïmporteerd uit andere, minder vruchtbare gebieden om de winst op korte termijn te maximaliseren. In november van dit jaar waarschuwde de VN dat het aantal hongerige mensen in Latijns-Amerika sinds 2019 met 30 procent is gestegen. Ongeveer 9 procent van de bevolking in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied lijdt honger, meldt Al Jazeera.

“Latijns-Amerika is een doos vol verrassingen; dit gekwelde werelddeel heeft een vermogen om verbazing te wekken dat nooit uitgeput raakt.”

Naast het directe geweld, de dwangarbeid en de hongersnood, hebben virusinfecties, die door de kolonisatoren over zee werden meegevoerd, grote delen van de inheemse bevolking gedood. De pandemie heeft aangetoond dat de inheemse volken in Latijns-Amerika ook de laatste jaren nog gemarginaliseerd zijn. Velen werken als huishoudster, kindermeisje, conciërge, enz. bij welgestelde families in de grote steden.

Toen de pandemie in volle hevigheid toesloeg, zaten velen van hen zonder werk en moesten zij terugkeren naar hun geboortedorpen. Met hen kwamen ook besmettingen mee. In anders geïsoleerde plaatsen met een verouderende bevolking en grote afstanden naar ziekenhuizen en dokters, verspreidde het virus zich snel. Het isolement dat een hulp had kunnen zijn om aan de pandemie te ontsnappen, werd in plaats daarvan een doodvonnis. Het sterftecijfer onder degenen die covid-19 kregen onder de inheemse bevolkingsgroepen in Brazilië is 9,1%; het cijfer voor de rest van de bevolking is 5,2%.

Terzelfder tijd heeft de pandemie voor verdere economische instabiliteit in de regio gezorgd. Latijns-Amerika is één van de meest ongelijke delen van de wereld. En het zijn de inheemse volkeren en de nakomelingen van de slaven die zich nog steeds in verreweg de slechtste situatie bevinden.

Zoals uitbuiting en kolonisatie zijn ingebakken in de laatste 500 jaar van de Latijns-Amerikaanse geschiedenis, zo is ook het verzet, en Galeano laat dat in zijn boek zien. De eerste grote slavenopstand vond al in 1522 plaats toen de slaven in opstand kwamen tegen de zoon van Christoffel Columbus, Diego Columbus. Het was de eerste opstand, maar bij lange na niet de laatste.

In de jaren 1600 bouwden ontsnapte slaven hun eigen samenleving op, Palmares, aan de oostkust van Brazilië. In Palmares bestond geen honger. Er werden verschillende gewassen verbouwd die de ongeveer 10.000 inwoners tellende gemeenschap zelfvoorzienend hielden, in tegenstelling tot de gebieden met suikerriet.

Bij verschillende opstanden was landherverdeling één van de belangrijkste hervormingen die op de agenda stond. Artiga’s visie van een verenigd Latijns-Amerika waar de inheemse volkeren hun recht op land herwonnen is misschien wel de oudste. Hier liggen de kiemen van een droom van een totaal andere samenleving. Een leven vrij van onderdrukking en geweld waar de rijkdom gelijk verdeeld is.

De tien jaar durende strijd in Mexico in 1910-20, gevoerd door inheemse boeren onder leiding van Emiliano Zapata, is een les in organisatie: nationalisatie, landonteigening, volksraden en gekozen rechters en politie.

Het is een brutaal verhaal dat Galeano beschrijft. Waar er verzet is, wordt het in bloed neergeslagen – met executies, vervolging en marteling. De contrarevolutie is meestal bloediger dan de revolutie, en de kapitalisten, die er zelfs in gewone gevallen geen probleem mee hebben hun rijkdom op lijken te verzamelen, aarzelen niet om wapens in te zetten wanneer hun macht in Latijns-Amerika wordt bedreigd.

In 1968, vlak voor de Olympische Spelen, demonstreerden studenten van de groeiende studentenbeweging in Tlatelolco, Mexico, tegen armoede en honger. Het leger en paramilitairen openden het vuur op de betoging, die eindigde in een bloedbad. Wat Galeano niet wist toen hij ‘De aderlating van een continent’ schreef, was dat zelfs bij het bloedbad van Tlatelolco de Verenigde Staten, via de CIA, betrokken waren.

Overal in Latijns-Amerika is nog steeds sprake van geweld. In Mexico zijn de familieleden van de 43 studenten die 7 jaar geleden verdwenen, nog steeds op zoek naar hun lichamen. In Rio de Janeiro, Brazilië, werden in 2021 bijna 60 schietpartijen met drie of meer doden gemeld. Het merendeel van de schietpartijen vond plaats tijdens politie-interventies die meer weg hebben van pure executies.

Het kapitalisme heeft geen inherente eigen intelligentie – integendeel, het volgt een absurd onlogische weg. In Cuba werden hardhoutwouden platgebrand om plaats te maken voor suikerriet. Tegelijkertijd werd Cuba de grootste importeur van houtproducten uit de Verenigde Staten.

Het verhaal is nog niet voorbij. De aderen liggen nog open. Vandaag leidt de nieuwe rage van avocado’s tot de uitputting van het Chileense drinkwater, putten quinoaplantages de bodem uit in Bolivia en doodt het intensieve gebruik van bestrijdingsmiddelen voor bananen plantagearbeiders in Nicaragua voortijdig.

Tegelijkertijd worden de longen van de wereld in het Amazonegebied verwoest om plaats te maken voor soja, en zo gaat de verwoesting door.

Maar het verzet leeft. In Brazilië, Paraguay en Bolivia strijden inheemse volkeren tegen ontbossing en milieuvergiftiging. Het kapitalisme en imperialisme moeten zich verantwoorden voor nog eens 50 jaar van uitbuiting, imperialisme en bewegingen. Toen het boek werd geschreven, was de arbeidersbeweging in opkomst. Er was optimisme en een geloof in de toekomst. Dit was vóór Augusto Pinochet en de door de VS gesteunde militaire dictaturen in Zuid-Amerika. Linkse winden zijn gekomen en gegaan. Hervormingsgezinde stapsgewijze pogingen om de macht van het kapitaal en de landeigenaren af te schaffen zijn ondernomen en verijdeld.

Eduardo Galeano maakte de val van de dictatuur in Uruguay mee en ook de overwinning van links. Maar niet hoe rechts terugkwam, en hoe de verzorgingsstaat die korte tijd heeft bestaan en die de arbeidersklasse de broodnodige adempauze gaf, in elkaar stort.

Het getouwtrek tussen de kapitalistische bovenklasse en de arbeiders neemt voortdurend nieuwe vormen aan. De Verenigde Staten blijven Latijns-Amerika zien als hun speeltuin en nu doet ook China mee. Alles is veranderd, niets is veranderd. Het boek is nog steeds een belangrijk historisch overzicht van de koloniale geschiedenis van Latijns-Amerika en vandaag zou het één, of misschien wel twee vervolgboeken nodig hebben.

Toen het boek werd geschreven, bestonden de Sovjet-Unie en een stalinistisch blok nog als rivaliserend tegenwicht voor het Amerikaanse imperialisme. De militaire dictaturen in Uruguay, Chili en Argentinië hadden de arbeidersbeweging, die in het begin van de jaren zeventig in opmars was, nog niet verpletterd. De verrotte bloem van het neoliberalisme was nog niet tot bloei gekomen in Chili, evenmin als de enorme protesten die in 2019 plaatsvonden als gevolg van met name het neoliberale beleid.

Als het boek vandaag was geschreven, zouden de enorme volksverhuizingen die momenteel vanuit Latijns-Amerika en het Caribisch gebied naar de Verenigde Staten plaatsvinden, een eigen hoofdstuk hebben gehad. Hetzelfde geldt voor de golf van vrouwenbewegingen voor het recht op abortus en tegen geweld tegen vrouwen die over Latijns-Amerika is getrokken, en die ook naar andere continenten is overgewaaid.

Sinds 1971 is er veel gebeurd, maar de uitbuiting van zowel de Latijns-Amerikaanse natuur als de Latijns-Amerikaanse volkeren duurt voort en dat geldt ook voor het verzet. Alleen wanneer de arbeidersklasse de arena van het parlementarisme en het reformisme verlaat en zich over de landsgrenzen heen verenigt om de slavendrijvers omver te werpen, kunnen de aderen het bloed naar het hart leiden en heel Latijns-Amerika voeden.

Delen: Printen: