Waar gaat het herstel heen? Inflatiespook dreigt voor nieuwe crisis te zorgen

Dossier door Eric Byl (ISA International Executive)

Er valt veel te zeggen over de zogenaamde ‘post-pandemische’ economische opleving. De cijfers zien er indrukwekkend uit, maar de waarschuwingen zijn talrijk. Nieuwe hoogten in de ongelijkheid tussen rijk en arm gieten olie op bestaande sociale spanningen, en veroorzaken nieuwe. Stijgende voedselprijzen leiden tot verdere sociale explosies. De rampzalig trage, ongelijke en inefficiënte uitrol van vaccins door het kapitalisme leidt tot meer besmettelijke en vaccinresistente vormen van het virus. De inflatiedruk zou de centrale banken ertoe kunnen dwingen het monetaire beleid aan te scherpen en zou de economie opnieuw in een recessie storten. Bovendien zijn er de vele uitdagingen die al vóór de pandemie bestonden en die nu groter, dreigender en dringender zijn geworden: ecologische omslagpunten, de nieuwe Koude Oorlog, de opeenhoping van schulden, gebrek aan investeringen in productiecapaciteit, enz.

Het is dan ook geen wonder dat het Internationaal Monetair Fonds (IMF) waarschuwt dat de risico’s de “mondiale basisprognose” – 6% mondiale groei in 2021 en 4,9% in 2022 – kunnen drukken. Het gebrek aan vertrouwen van het IMF blijkt ook uit zijn oproep aan de centrale banken om het monetaire beleid niet te verstrakken, tenzij de aanhoudende inflatie hen daartoe dwingt.

De groeicijfers lijken indrukwekkend, maar ze moeten in de juiste context worden geplaatst. Ze komen na een krimp van de wereldeconomie met 3,2% in 2020, de ergste sinds WO II. Deze groei wordt ook aangedreven door historische verschuivingen in het kapitalistische economische beleid, met massale monetaire (geldschepping) en fiscale (begrotingsuitgaven) interventies van gemiddeld 16% van het BBP in de geavanceerde kapitalistische landen (27% als leningen, aandelen en garanties worden meegerekend). De overeenkomstige cijfers voor ‘opkomende’ landen en landen met lage inkomens bedroegen respectief 4 en 6,5%, en 1,5 en 2% van het BBP. Volgens het IMF hadden de regeringen begin juli 2021 wereldwijd niet minder dan $16.500 miljard uitgegeven om de pandemie te bestrijden. Met dit in het achterhoofd zijn de groeicijfers van het IMF eigenlijk teleurstellend.

De kapitalisten en hun politieke vertegenwoordigers begrepen de noodzaak van een drastische beleidswijziging om hun systeem van een implosie te redden en te proberen sociale onrust af te wenden. Tijdens de Grote Depressie van 1929 duurde het 4 jaar voordat zij van ‘laissez faire’ (vrije markt) overschakelden op een meer staatsinterventionistisch beleid, met de New Deal. In die vier jaar kromp het BBP van de VS met 25%, de werkloosheid schoot omhoog tot 25%, honderdduizenden raakten dakloos en overal verschenen sloppenwijken, de zogeheten “Hoovervilles” (genoemd naar toenmalig president Hoover).

Onder Hoover steeg de staatsschuld van de VS van 16% van het BBP in 1929 tot 40% in 1933. Deze cijfers lijken misschien redelijk volgens de normen van vandaag, maar in die tijd bedroegen de jaarlijkse inkomsten van de federale overheid van de VS slechts 4% van het BBP, tegen ongeveer 30% vandaag. De verhouding tussen de federale schuld en het jaarlijkse federale inkomen nam exponentieel toe. Het jaar na het begin van Roosevelts New Deal veerde de Amerikaanse economie weer op met 10,8% en bleef gedurende 3 jaar op rij in een vergelijkbaar tempo groeien voordat de depressie terugkeerde. De New Deal kocht tijd, maar alle onderliggende problemen bleven onopgelost, totdat de massale vernietiging en uitgaven in de Tweede Wereldoorlog en de afloop daarvan alles veranderden.

Het ziet ernaar uit dat de economieën van de geavanceerde kapitalistische landen sneller dan verwacht het BBP-niveau van vóór de crisis zullen bereiken. China deed dat vorig jaar en de VS in het eerste kwartaal van dit jaar. Het bbp van de eurozone ligt nog 3% onder het niveau van voor de crisis, maar de groei van de eurozone is nu voor het eerst groter dan die van China en de VS. Tegen het einde van dit jaar zou de achterstand kunnen zijn ingelopen, met een verwachte groei van 6% in Frankrijk, 5% in Italië, 7,4% in Roemenië en 3,6% in Duitsland, dat meer dan andere Europese landen te lijden heeft onder tekorten aan halffabricaten. Volgens het IMF zal de groei in de geavanceerde kapitalistische landen tegen eind 2022 alle door de pandemie veroorzaakte verliezen hebben goedgemaakt. Dat wil zeggen, als nieuwe Covid-19 varianten onder controle worden gehouden. We zagen al hoe toen Morgan Chase zijn groeiprognose voor China voor het derde kwartaal verlaagde van 5,8% naar 2,3% vanwege de ‘Delta’-variant, er schokgolven door de Amerikaanse aandelenmarkt gingen.

Breuklijnen die de ongelijkheid wereldwijd verdiepen

In de ‘opkomende’ economieën zal het veel langer duren om de achterstand in te lopen, en in de lage-inkomenslanden zelfs nog langer. Het IMF waarschuwt zelfs dat de “access fault line” van de vaccins het wereldwijde herstel in tweeën zal splijten en erkent dat in 2020-21 naar verwachting bijna 80 miljoen meer mensen in extreme armoede zullen terechtkomen dan vóór de pandemie werd verwacht. Volgens het IMF zullen de lage-inkomenslanden minstens 200 miljard dollar extra moeten uitgeven om de pandemie te bestrijden en nog eens 250 miljard dollar om de economische groei van voor de pandemie te hervatten.

Terwijl in de ontwikkelde economieën 40% van de bevolking volledig is gevaccineerd, is dat aantal minder dan de helft in de ‘opkomende’ economieën en slechts 2% in de lage-inkomenslanden. De aanzienlijke fiscale ingrepen in de geavanceerde economieën in vergelijking met de opkomende landen en de landen met lage inkomens hebben de welvaartskloof ook nog groter gemaakt. Bezorgdheid over deze realiteit heeft het IMF ertoe gebracht nieuw geld te creëren, via zogenaamde “speciale trekkingsrechten” (zie: https://nl.wikipedia.org/wiki/Speciale_trekkingsrechten), voor een bedrag van 650 miljard dollar. Meer dan 50% hiervan zal echter naar de geavanceerde economieën gaan, 42% naar de opkomende economieën en slechts 3,2% naar de lage-inkomenslanden. De reserves van Argentinië, Pakistan, Ecuador en Turkije zullen echter met minstens 10% toenemen. Hoewel verpakt in mooie woorden, is het slecht verhulde hoofddoel van dit beleid een poging om de financiële stabiliteit te versterken door particuliere en publieke beleggers/speculanten te behoeden voor verliezen als gevolg van meer wanbetalingen op overheidsschuld.

De dreiging van inflatie

Intussen heeft het wereldwijde herstel de olieprijzen met bijna 70% opgedreven tot boven hun lage basis in 2020, terwijl de prijzen van niet-oliegrondstoffen met bijna 30% zijn gestegen, vooral de metaal- en voedselprijzen wegens tekorten. Dit is op zich al een bron van sociale onrust, vooral bovenop de woedende pandemie, zoals we zagen in Tunesië, Zuid-Afrika en Cuba. De depreciatie van de munt heeft ook de invoerprijzen opgedreven, waardoor de inflatie nog is toegenomen. Sommige ‘opkomende’ landen, waaronder Brazilië, Hongarije, Mexico, Rusland en Turkije, zijn reeds gedwongen hun monetair beleid aan te scherpen om de opwaartse druk op de prijzen tegen te gaan.

In de geavanceerde kapitalistische landen is het herstel ten koste gegaan van een stijging van de overheidsschuld met gemiddeld 20% en meer dan een verdrievoudiging van de begrotingstekorten, alsmede van gigantische verhogingen van de tegoeden van de centrale banken. Samen met de twee grote uitgavenpakketten van Biden heeft dit de vraag doen rijzen of de economieën niet zouden kunnen ‘oververhitten’ en de inflatie uit de hand kan lopen. In de VS is de consumentenprijsindex in juni met 5,4% gestegen, na een stijging met 5% in mei. De index van de producentenprijzen is in juni met 7,3% gestegen, een record in 13 jaar. De vraag neemt toe naarmate de economieën opener worden, terwijl veel bedrijven niet over de voorraden beschikken om aan de vraag te voldoen. Het einde van de huur- en hypotheekmoratoria in de VS en het einde van de BTW-verlaging in Duitsland wakkeren deze inflatoire druk verder aan. De prijsstijgingen zetten de levensstandaard van de arbeidersklasse en arme huishoudens onder druk.

In dit stadium beschouwen het IMF, de centrale banken en de meeste mainstream-economen deze inflatiegolf als een tijdelijk verschijnsel dat in 2022 zal zijn teruggevallen tot het niveau van vóór de pandemie. Dit is gebaseerd op hun inschatting dat er nog steeds sprake is van een aanzienlijke slapte op de arbeidsmarkt, ook al hebben sommige sectoren te kampen met tekorten en aanwervingsproblemen. Zij denken dat de inflatoire tendensen gebaseerd zijn op tijdelijke factoren en dat andere structurele factoren, zoals automatisering, de prijsgevoeligheid hebben verminderd.

Neoliberale en keynesiaanse theorieën over inflatie

Mainstream economen hebben dus de eenzijdige en fundamentele stelling van het monetarisme (een concept dat centraal staat in de ideeën van het ‘neoliberalisme’), met name dat de geldhoeveelheid de prijzen van goederen en diensten bepaalt en dat inflatie ontstaat wanneer de geldhoeveelheid sneller stijgt dan de productie, terzijde geschoven. In feite is de geldhoeveelheid in 2020 met meer dan 25% gestegen, maar het grootste deel daarvan is opgepot of gebruikt voor speculatie. Bijgevolg werd de enorme stijging van de geldhoeveelheid grotendeels tenietgedaan door de daling van de geldcirculatie (velocity) en weerspiegelden de prijzen van goederen en diensten dus niet de enorme geldcreatie in die fase.

De alternatieve mainstream-theorie van de inflatie is de Keynesiaanse ”cost-push”-these. Deze theorie houdt in dat de inflatie wordt aangedreven door de lonen, het resultaat van de lage werkloosheid en de grote vraag naar arbeid in verhouding tot het aanbod, waardoor de lonen stijgen, wat op zijn beurt de prijzen opdrijft, de zogenaamde loon-prijsspiraal. Keynesianen verwijzen vaak naar de Phillips-curve, die stelt dat hoge werkloosheid leidt tot prijsdeflatie, terwijl lage werkloosheid leidt tot inflatie. In de jaren zeventig stegen echter, in tegenstelling tot de Phillips-curve, zowel de inflatie als de werkloosheid tegelijk, wat toen ‘stagflatie’ werd genoemd. Na de recessie van 2008/9 daalde de werkloosheid in de grote economieën tot een historisch dieptepunt, terwijl de loonstijgingen laag bleven, net als de prijsinflatie.

Marxisme, waarde en inflatie

Marx heeft nooit een uitgebreide theorie over inflatie geformuleerd. Hij stelde dat geld de “ruilwaarde” vertegenwoordigt, of de hoeveelheid arbeid die nodig is om goederen en diensten te produceren. Het is niet de geldhoeveelheid die de prijzen bepaalt, maar uiteindelijk het omgekeerde. Dit wil niet zeggen dat vraag en aanbod, kartelvorming, klassenstrijd enz. geen invloed hebben op de prijsvorming, maar de fundamentele factor die de prijzen bepaalt, is de gemiddelde hoeveelheid maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd die nodig is voor de productie en verwerking van goederen en diensten. Andere factoren kunnen de prijzen onder of boven de reële (ruil)waarde drukken, maar altijd tijdelijk.

Marx verwierp ook het idee dat loonstijgingen de oorzaak zijn van inflatie. In ‘Loon, prijs en winst’ stelde hij: “dat een gevecht om een loonsverhoging slechts wordt gevoerd in het spoor van voorafgaande veranderingen en het noodzakelijke resultaat is van voorafgaande veranderingen in de omvang der productie, de productiekracht van de arbeid, de waarde van de arbeid, de waarde van het geld, de duur of de intensiteit van de uitgeperste arbeid, de fluctuaties van de marktprijzen, afhankelijk van fluctuaties van vraag en aanbod en in overeenstemming met de verschillende fasen van de industriële cyclus — kortom, als een afweerreactie van de arbeid tegen de voorafgaande actie van het kapitaal. Als u het vechten voor een loonsverhoging onafhankelijk van al deze omstandigheden neemt, als u slechts op de veranderingen van het loon let en alle andere veranderingen waaruit ze voortspruiten buiten beschouwing laat, gaat u van een verkeerd uitgangspunt uit en komt u tot verkeerde gevolgtrekkingen.”

In tegenstelling tot de verschillende economische scholen van het kapitalisme, koos Marx niet één of enkele symptomatische kenmerken (geldhoeveelheid, loonkosten …) om ze tot de hoofdoorzaak van alles te maken, maar benaderde hij de economie als een globaal samenspel van tegenstrijdige krachten.

In zijn World Economic Update lijkt het IMF dit onbewust te bevestigen. Het wijst erop dat de loonstijging tot dusver over het algemeen stabiel is en dat, ondanks een recente opleving van de loonstijging in de VS, de lonen niet wijzen op een bredere druk op de arbeidsmarkt en dat de gegevens uit Canada, Spanje en het VK soortgelijke patronen van over het algemeen stabiele loonstijging laten zien. Met andere woorden, als er in dit stadium al sprake is van een ‘kostenstijging’, dan is die niet het gevolg van lonen, maar van prijsverhogingen door bedrijven, deels als gevolg van stijgende kosten van grondstoffen, basisproducten en andere elementen, deels als gevolg van verstoringen door Covid, en deels in een poging om de winsten te verhogen. Als we het vanuit een breder perspectief bekijken, zien we dat het aandeel van arbeid in het BBP in de geavanceerde kapitalistische landen al tientallen jaren aan het krimpen is. In de VS is het gekrompen van een gemiddelde van 63% in de jaren vijftig en zestig tot 57% in het afgelopen decennium. De lonen kunnen dus niet verantwoordelijk worden gehouden voor de prijsstijgingen. Indien de lonen sinds de jaren ’60 op hetzelfde niveau waren gebleven, zouden de Amerikaanse werknemers elk jaar samen een triljoen dollar meer hebben verdiend.

Het IMF noemt het automatiseringsproces een in wezen deflatoire factor, of in zijn woorden, een “prijsgevoeligheidsverlagende” factor. Marx heeft dit duidelijker en uitvoeriger uitgelegd. Hij wees op het feit dat kapitalisten, om hun concurrenten de loef af te steken, de “meerwaarde” (in wezen de onbetaalde arbeid van arbeiders die door de bazen als winst wordt aangenomen) gebruiken om de productiviteit te verhogen door betere en efficiëntere technologieën te installeren. Als gevolg daarvan daalt de vereiste arbeidstijd per productie-eenheid. Dus terwijl het aanbod van goederen en diensten de neiging heeft te stijgen, zal de reële waarde – de hoeveelheid arbeid die gemiddeld aan de productie wordt besteed – van elk goed of elke dienst dalen bij een stijging van de productiviteit van de arbeid. Dat verklaart waarom er een inherente tendens is dat de prijzen van goederen dalen in plaats van stijgen. Kapitalisten proberen deze tendens en het effect ervan op de winstvoet tegen te gaan door meer uitbuiting van arbeiders en door monetaire middelen.

Voor arbeiders vergroot een prijsdaling of deflatie hun koopkracht en spaargeld, maar voor kapitalisten vreet het aan hun winsten, maakt het de terugbetaling van schulden moeilijker en maakt het productieve investeringen minder aantrekkelijk. Zij beschouwen een gecontroleerde inflatie als gezond omdat zij de winsten verhoogt, de terugbetaling van schulden draaglijker maakt, de lonen uitholt en de consumptie stimuleert. Onlangs noemde Kenneth Rogoff, voormalig hoofdeconoom van het IMF, “een beetje inflatie geen slechte zaak.” Hij stelt dat centrale banken na de financiële crisis in 2008 negatieve rentetarieven hadden moeten invoeren en een inflatie van 4-6% voor een paar jaar hadden moeten toestaan. Hij pleit nu voor een inflatiedoelstelling van 3% (in plaats van de 2% van de Fed) en citeert zijn voorganger Olivier Blanchard die in 2010 pleitte voor een verhoging van de inflatiedoelstellingen tot 4%.

Inflatie is moeilijk te beheersen

Onder een “gezonde” inflatie wordt een inflatie verstaan die iets hoger ligt dan de gecombineerde groeipercentages van de productiviteit en de beroepsbevolking. Tot het midden en het einde van de jaren zeventig werd in de geavanceerde kapitalistische landen 4% als gezond beschouwd; later, toen de productiviteitsgroei vertraagde, werd 2% de algemeen aanvaarde inflatiedoelstelling. Kenneth Rogoff pleit er eigenlijk voor om de marge tussen inflatie en productiviteitsstijging te verruimen in de hoop dat dit niet alleen de schuldenlast zal verminderen en de vraag zal doen toenemen, maar ook de productie zal stimuleren. Het probleem is dat inflatie moeilijk te beheersen is.

De afgelopen 20 jaar zijn de centrale banken er niet in geslaagd hun doelstelling van 2% te halen, deels omdat zij vreesden voor een herhaling van het begin van de jaren zeventig, toen zij de controle volledig kwijtraakten, met als gevolg wat toen een stagflatieval werd genoemd: economische stagnatie in combinatie met een inflatie met dubbele cijfers of een galopperende inflatie. Er was een combinatie van brutale aanvallen op de arbeidersbeweging en een sterke rem op de geldhoeveelheid (die een nieuwe recessie uitlokte) voor nodig om de kapitalisten een uitweg te laten vinden. Thatcher in het Verenigd Koninkrijk verhoogde de reële rente tussen 1979 en 1982 van -3% tot 4% en de werkloosheid steeg van 5% tot 11% in 1983. Volcker, toen voorzitter van de Fed in de VS, verhoogde de reële rente van negatief tot 5%, en de werkloosheid verdubbelde tot 10% in 3 jaar tijd, maar de inflatie daalde van 13% tot 3%. Het neoliberalisme werd toen het dominante beleid voor een heel historisch tijdperk.

Dat is, zoals we al eerder hebben aangegeven, niet langer houdbaar. In de huidige crisis hadden de kapitalisten en hun vertegenwoordigers in de centrale banken en regeringen geen andere keus dan hun toevlucht te nemen tot meer interventionistische maatregelen. Ze vonden het niet leuk, maar het was noodzakelijk om een nog grotere economische ramp te voorkomen die hun systeem had kunnen bedreigen. Maar zij deden dat met het spookbeeld van controleverlies in hun achterhoofd.

Goederen en diensten, met inbegrip van productiegoederen (machines, grondstoffen, fabrieken en kantoren) worden over het algemeen eenmalig of slechts enkele malen verkocht voor consumptie en verlaten snel de circulatie. Zij worden zelden opgepot en hun snelheid – het aantal keren dat zij in omloop komen en weer uit omloop verdwijnen – is beperkt, gemakkelijk te traceren en te controleren. Dat is niet het geval met geld. Dezelfde hoeveelheid geld kan vele malen in en uit omloop gaan, van eigenaar naar eigenaar gaan of gewoon worden opgepot en helemaal niet circuleren. Bij de geldhoeveelheid is de omloopsnelheid een veel grilliger factor, oppotten kan voorkomen dat geld in omloop komt, maar wanneer de activiteit toeneemt en geld begint te rollen, kan het “multiplicatoreffect” gemakkelijk exponentieel worden.

Dit is waar Nouriel Roubini, alias Dr. Doom, voor waarschuwt in verband met inflatie. Het is moeilijk om hier een duidelijk standpunt over in te nemen. In dit stadium lijken deflatoire tendensen nog steeds de overhand te hebben, maar de economie bevindt zich op een koord en er zijn veel factoren die de balans in de ene of de andere richting kunnen doen doorslaan. Roubini wijst op het voor de hand liggende: de schuldratio’s zijn tegenwoordig bijna drie keer zo hoog als in de jaren zeventig en een losse geldkraan in combinatie met aanbodschokken kan tot inflatie leiden, maar aan de andere kant zijn schulden nog steeds relatief goedkoop omdat de rentevoeten historisch laag zijn en door de centrale banken laag worden gehouden.

De losse geldhoeveelheid heeft echter activa- en kredietzeepbellen aangewakkerd met hoge koers-winstverhoudingen, lage risicopremies en opgeblazen tech-activa. Het heeft ook irrationele crypto-manie, hoogrentende bedrijfsschulden, meme-aandelen (aandelen die plotse en dramatische veranderingen ondergaan als gevolg van een hype in de sociale media), enz. verder gestimuleerd. Dat kan culmineren in wat economen een Minsky-moment noemen: een plotseling verlies van vertrouwen, wat leidt tot paniek die een crash teweegbrengt.

Tien jaar geleden liepen de voedselprijzen uit de hand toen speculanten de termijnmarkt overspoelden. Dit leidde tot voedselrellen en het was een belangrijk element in wat de zogenaamde Arabische lente werd. Een herhaling van een dergelijk scenario, vooral in een periode van schaarste die veel speculatieve mogelijkheden creëert, is heel goed denkbaar, maar de gevolgen ervan zouden nog desastreuzer zijn in de context van klimaatrampen, overgewaardeerde financiële markten en een woedende pandemie.

Er is ook sprake van “huizenkoorts” nu de vastgoedprijzen in de OESO-landen in het eerste kwartaal van 2021 met 9,4% zijn gestegen. In de VS bereikten de huizenprijzen in april hun snelste groei in 30 jaar. Lage leenkosten, aanbodtekorten, stijgende bouwprijzen en welgestelde mensen die op zoek zijn naar grotere woningen liggen hieraan ten grondslag. De huizenprijzen stijgen veel sneller dan de inkomens, waardoor de ongelijkheid nog toeneemt. Fannie Mae, de federale woningbouwvereniging van de VS, beweert dat grotere hypotheken tot hogere huren zullen leiden en de algemene inflatie zullen opdrijven.

Catch 22

Als de inflatie op middellange of langere termijn verder toeneemt, komen de centrale banken in een catch 22-situatie terecht: de inflatie kan in de dubbele cijfers lopen als zij hun ruime geldvoorraadbeleid voortzetten en in een stagflatieval terechtkomen. In landen die hun overheidsschuld hoofdzakelijk in binnenlandse valuta aanhouden, zal de overheidsschuld aanvankelijk draaglijker worden. In landen met een overheidsschuld in vreemde valuta (waaronder veel van de landen met de zwaarste schuldenlast in Afrika en Latijns-Amerika) zou dat niet het geval zijn. Een toenemend aantal van deze landen het risico lopen in gebreke te blijven en hun schulden moeten herstructureren. Dit kan een keten van wanbetalingen uitlokken, wat de internationale spanningen zou doen toenemen en protectionisme in de hand zou werken.

Ook de spreads van particuliere schulden ten opzichte van veiliger staatsobligaties zouden toenemen en door de stijgende inflatie zouden de inflatierisicopremies stijgen. Ongeveer een vijfde van de bedrijven in de VS en nog meer in Europa worden als zombiebedrijven beschouwd, wat betekent dat zij zonder toegang tot goedkoop geld niet in staat zijn om hun schulden af te lossen. Als deze bron opdroogt, zouden veel van deze bedrijven failliet gaan en een keten van faillissementen met zich meebrengen.

Indien de centrale banken hun interventies echter terugschroeven en de rente verhogen om de inflatie te bestrijden, zou een enorme schuldencrisis, een aaneenschakeling van wanbetalingen en faillissementen en een diepe recessie op de loer liggen. Daarom waarschuwt het IMF voor een voorbarige monetaire verstrakking. Nu wordt erkend dat de Europese Centrale Bank een grote fout heeft gemaakt toen zij de rente na de recessie van 2008/9 te vroeg verhoogde. Onlangs heeft zij haar beleid bijgesteld van een inflatiedoelstelling van 2% of minder naar een beleid dat accepteert dat de inflatie gedurende een periode gematigd boven deze doelstelling kan stijgen. Dit kan worden geïnterpreteerd als een lichtjes andere formulering, maar het is in feite een grote verschuiving weg van de grondbeginselen van de ECB en van het idee van de Duitse Bundesbank dat prijsstabiliteit de hoogste prioriteit heeft. Dit beginsel werd door het Duitse establishment standvastig verdedigd, zelfs ten koste van het opleggen van een krimp van 25% aan de Griekse economie na de grote recessie van 2008/9, die onmetelijke ontberingen voor de bevolking heeft veroorzaakt. Het is niet overdreven te stellen dat dit beleid er in belangrijke mate toe heeft bijgedragen dat de Griekse brandweer niet in staat was het hoofd te bieden aan de dodelijke branden die daar onlangs een ravage hebben aangericht.

De Amerikaanse Fed lijkt voor te lopen op de ECB door te verklaren “een beleid te voeren dat de in het verleden niet bereikte inflatiedoelstelling goedmaakt”, wat betekent dat de Fed er actief naar zal streven de inflatie tot boven de doelstelling op te drijven. Hoewel dit niet de uitgesproken bedoeling van de ECB is en het zeker tot grote meningsverschillen zou leiden, vooral met de Bundesbank, kunnen we toch verwachten dat haar beleid niet zo ver van dat van de Fed zal afwijken als de eurozone door soortgelijke schokken wordt getroffen.

Het probleem verder voor zich uitschuiven

Het meest waarschijnlijke scenario is dat centrale banken en regeringen doorgaan met een losser beleid, zij het misschien van een meer gerichte aard en met de bedoeling het mettertijd af te bouwen, maar zeer voorzichtig en waarschijnlijk niet zonder regelmatige meningsverschillen en bochten. De reden hiervoor is dat dit onder uiterst moeilijke omstandigheden zal moeten gebeuren. Logischerwijs had de pandemie moeten leiden tot meer internationale samenwerking, maar het kapitalisme heeft volledig gefaald. Beschermingsmateriaal; tests en beademingsapparatuur werden tot wapen gemaakt om nationale belangen te bevorderen en vervolgens zagen we de verschijning van ‘vaccindiplomatie’ en ‘vaccinimperialisme’. De tendens tot protectionisme werd niet omgebogen maar versterkt. Nationale regeringen werden onder druk gezet om meer zelfredzaamheid na te streven. Verdere aanbodschokken als gevolg van protectionisme die de inflatie aanwakkeren, zijn niet minder geworden, maar hebben juist meer kans van slagen.

Dit zal nog worden verergerd door de vergrijzing van de bevolking in de geavanceerde en de opkomende economieën en door strengere migratiebeperkingen, vooral omdat een groeiend aantal lage-inkomenslanden te maken zal krijgen met gezondheidsrampen, economische implosie, oorlogen en burgeroorlogen, alsook klimaatrampen. De rivaliteit tussen het Amerikaanse en het Chinese imperialisme over de wereldhegemonie is omgeslagen in een totale koude oorlog, die soms heet kan worden. De allianties zullen instabiel zijn, waarbij sommige kleinere mogendheden de patstelling tussen de twee dominante imperialistische machten zullen aangrijpen om hun eigen regionale imperialistische ambities te verwezenlijken. Een minder veilige en instabielere wereld ligt in het verschiet en dreigt de wereldeconomie te fragmenteren en de bevoorradingsketens onbetrouwbaarder te maken, met nog meer schokken in het verschiet.

Hoewel er een zekere erkenning is voor de noodzaak van een groene transitie, heeft het infrastructuurplan van Biden hier weinig mee te maken en is het er vooral op gericht om niet door China te worden ingehaald. De technologie- en cyberoorlogen zijn al in volle gang. Er is geen enkele kans dat het recente IPCC-rapport over klimaatverandering zal doen wat de pandemie niet heeft gedaan: de kapitalisten wereldwijd wakker schudden en overtuigen om hun nationale belangen opzij te zetten voor internationale samenwerking. Geen enkele kapitalist zal vrijwillig afzien van vervuiling tenzij hij daarvoor goed wordt gecompenseerd met overheidsgeld dat uiteindelijk zal worden opgebracht door de werknemers en hun gezinnen. De klimaatuitdaging vereist vrije uitwisseling van kennis en technologie, internationale samenwerking, democratische planning en massale plannen van overheidsinvesteringen in een groene overgang. Particuliere belangen en woekerwinsten, de belangrijkste ingrediënten van een markteconomie, kunnen niet bijdragen aan deze oplossing, maar zijn het grootste obstakel dat haar in de weg staat.

Men kan niet met zekerheid vaststellen of de deflatoire tendens, die nu nog overheerst, sterk genoeg zal zijn om de inflatoire druk in de geavanceerde kapitalistische landen terug te dringen. Er zijn te veel onzekerheden die de balans kunnen doen doorslaan. Als de inflatie in de dubbele cijfers terechtkomt, zal dat massaal verzet uitlokken. Denk aan de ‘gele hesjes’ in Frankrijk in 2018 als voorgerecht. Maar zelfs als de kapitalisten erin slagen de onmiddellijke dreiging van een inflatiecrisis in te dammen, zal dat ook geen van de grote onderliggende systeemproblemen oplossen. Eisen over arbeidsomstandigheden en lonen, evenals bewegingen tegen onderdrukking en omtrent de klimaatcatastrofe zullen zich nog steeds ontwikkelen

Eén ding is zeker: de illusie dat beslissingen kunnen worden overgelaten aan de wijsheid van de markt en dat de rol van centrale banken en regeringen kan worden teruggebracht tot die van louter technocraten die de samenleving ‘besturen’, behoort tot het verleden. Het idee van de “onafhankelijkheid” van centrale banken stamt uit een ander tijdperk en regeringen zullen, of ze nu willen of niet, gedwongen worden om door te gaan met meer interventionistisch beleid. Het zal niet meer mogelijk zijn voor het establishment om te beweren dat de samenleving alle ideologieën heeft overwonnen en dat het besturen ervan slechts een kwestie is van slimme technici.

Integendeel, de politiek zal haar primaat opnieuw laten gelden en daarmee zal de ideologische strijd over politieke keuzes opbloeien. Het zullen moeilijke tijden worden voor het politieke centrum omdat de polarisatie zal toenemen. De valse illusie dat men noch links noch rechts is, wat uiteindelijk altijd heeft betekend dat men in wezen het bestaande rechtse beleid aanvaardde, zal verdwijnen. Grote problemen, onoplosbaar binnen het kader van de kapitalistische maatschappij, zullen het zoeken naar radicalere oplossingen stimuleren. Rechts-populistische krachten zullen dit trachten uit te buiten. Het zou een illusie zijn te denken dat dit beantwoord kan worden door links reformisme of “populisme”. Alleen een serieuze houding ten opzichte van analyse, perspectieven, programma en organisatie kan een socialistische internationalistische uitweg bieden uit het verval van het kapitalisme.

Delen: Printen: