Seksisme in de sport

Op het laatste EK Turnen besloten de Duitse turnsters om te turnen in een veel comfortabeler lang pak, in plaats van de gekende korte maillots. De reden? Deze outfit is een pak comfortabeler, en ze leveren minder onflatterende foto’s op. Het is maar één van de vele voorbeelden hoe seksisme ook in de sport kampioen is.

Dossier door Irina (Gent), overgenomen vanop CampagneROSA.be

Seksisme in sport heeft vele aspecten. Het gaat om uitsluiting van bepaalde sporten, discriminatie, seksueel geweld en ander grensoverschrijdend gedrag, mediaberichtgeving, toegang tot leidinggevende functies, financiële ongelijkheid,… Zowel in topsport als in de recreatieve sporten (in de wijk of in clubverband) is er sprake van wijdverspreide discriminatie. Commercialisering, onderfinanciering door de overheid en genderstereotypering  dragen hieraan bij.  Op deze manier weerspiegelt de sport de realiteit van veel vrouwen in onze kapitalistische  maatschappij.

Een geschiedenis van uitsluiting

Hoewel het vandaag de dag evident lijkt dat zowel mannen als vrouwen een bepaalde sport beoefenen, was dit lange tijd verre van vanzelfsprekend.

Een bekend, maar ook heel typerend voorbeeld  zijn marathons – vrouwen mogen hier pas sinds de jaren ’70 ook officieel aan deelnemen, dit in de nasleep van de heroïsche deelname van loopster Kathrine Switzer aan de Boston Marathon in 1967. Switzer werd tijdens de loop belaagd door (mannelijke) officials die haar uit de wedstrijd wilden halen – wat niet lukte. Vanaf 1972 werd de Boston Marathon ook opengesteld voor vrouwen, maar het werd pas in 1984 een Olympische discipline bij de vrouwen.

Ook voetbal was lang niet officieel toegankelijk voor vrouwen. De eerste clubs worden opgericht tijdens het interbellum, maar worden al even snel verboden of tegengewerkt. Zo legde de Koninklijke Belgische Voetbalbond (KBV) mannenclubs die vrouwenploegen op hun veld lieten spelen sancties op. Desondanks ontstond een levendige competitie, die echter verwaterde omwille van de Tweede Wereldoorlog. In Nederland is het verhaal gelijkaardig. Het is pas in 1971 dat vrouwelijke ploegen opgenomen worden in de KBV, in hetzelfde jaar laat ook de Nederlandse bond pas vrouwen toe.

Nog frappanter is het verhaal van het Engelse vrouwenvoetbal. De eerste clubs ontstonden tijdens de Eerste Wereldoorlog, vooral onder de vrouwelijke arbeidsters van de munitiefabrieken. De Dick, Kerr Ladies Football Club (vernoemd naar de fabriek waarin ze werkten) met z’n roemruchte spits Lily Sparr wordt razend populair, in 1920 trekt een match van hen in Liverpool een publiek van 60 000 mensen. Van zodra de vrouwenwedstrijden echter populairder dreigen te worden dan de  mannenwedstijden, verbiedt de Football Association (de Engelse voetbalbond) prompt het vrouwenvoetbal, deze sport zou immers “niet geschikt zijn voor vrouwen”. Ook hier komt er pas en nieuwe toelating in 1971.

Waar geen sprake was van regelrechte uitsluiting, was er wel sprake van sterke discriminatie. Zo waren er in het tennis in de jaren ’50 en ’60 wel toernooien voor vrouwen, maar lag het prijzengeld beduidend lager dan voor mannen. Soms bestond de hoofdprijs voor vrouwen zelfs gewoon uit een aankoopbon voor Harrods’, terwijl mannen wel gewoon betaald werden. Het verschil in prijzengeld bedraagt eind jaren 60 gemiddeld 10:1.  Als er ook meer en meer toernooien voor vrouwen afgeschaft worden, besluiten een aantal tennissers, met als grootste boegbeeld Billie Jean King, om de Women’s Tennis Association (WTA) op te richten – een tennisfederatie voor vrouwen, die ijvert voor gelijkwaardige behandeling en verloning. Ze beginnen ook zélf toernooien te organiseren. De WTA betekende een enorme professionalisering in het tennis voor vrouwen, en slaagde er ook in om heel wat seksistische denkbeelden over vrouwentennis te counteren.  Ze zijn vandaag de belangrijkste organisator van tennistoernooien voor vrouwen, met legio prijzengelden.

Hoe systematisch de uitsluiting is wordt pas echt duidelijk bij  een evenement zoals de Olympische Spelen, waar heel wat sporten samenkomen.  Op de eerste Olympische Spelen werden vrouwen niet toegelaten (organisator Pierre de  Coubertin vond sportende vrouwen “wansmakelijk”), en het percentage deelnemende vrouwen begint past te stijgen vanaf de jaren ’80, tot 45% van alle atleten op de Spelen in Rio van 2016. Op de spelen in RIO komen bij de vrouwen 131 disciplines aan bod, bij de mannen 161.

De bovenstaande verhalen zijn dus verre van uniek – zowat elke sport kent verhalen van uitsluiting en discriminatie van vrouwen.  Elk van die sporten kent ook haar eigen Katherine Switzers en Billie Jean Kings. Om toegang te krijgen tot sport hebben vrouwen zich vaak moeten organiseren en strijd moeten voeren, en die strijd voor gelijkheid duurt tot op vandaag. Het is dan ook niet toevallig dat de toegang tot veel sporten opgeëist wordt begin jaren ’70, in de nasleep van de tweede feministische golf en bredere strijdbewegingen in de samenleving.

Genderstereotypes benadelen vrouwen

Ondanks de vooruitgang, vooral sinds de jaren ’70, wordt sport nog steeds beschouwd als  een  ‘mannenzaak’,  een plek waar mannen hun ‘mannelijkheid’ ten volle kunnen beleven. Dit komt extra naar voor in competitieve teamsporten zoals voetbal, die nog steeds gekaderd worden als “mannenzaak”, liefs met bijbehorend “mannelijk” drankje erbij (herinner je je de ‘Mannen weten waarom’ van Jupiler bijvoorbeeld). Mannen zouden er hun “mannelijke energie” en “drang naar oorlogje spelen” in kwijt kunnen.  Dat heel wat vrouwen naar een sport als voetbal kijken én het spelen (in de VS is voetbal bij vrouwen zelfs één van de populairste teamsporten) wordt gemakshalve genegeerd.

Dit stereotype vertaalt zich ook in de sportbeleving en deelname aan sport op jonge leeftijd. Zo is er vooral bij jongeren een grote discrepantie tussen de tijd die aan sport besteedt wordt, blijkt uit onderzoek van het Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en Mannen (IGVM). Op een gemiddelde weekenddag spendeert een jongen gemiddeld 2 uur aan sport en spel, waarvan 52 min enkel aan sport. Bij meisjes zakt dit naar 1u23, waarvan 26 minuten sport. Het IGVM verklaart dit verschil vanuit het feit dat jongens structureel meer tijd hebben dan meisjes, en meisjes vaker in de richting van “zachtere” vrijetijdsbesteding gestuurd worden, zoals muziek en literatuur (waarop zich niets mis mee is, uiteraard). Deze ongelijkheid vertaalt zich ook in het genderevenwicht in heel wat publieke sportinfrastructuur zoals voetbalpleintjes en skateparken, die bijna uitsluitend door jongens bevolkt worden – hierdoor wordt de drempel om deze infrastructuur te gebruiken voor meisjes nog veel groter, stelt het IGVM. Al van op jonge leeftijd wordt het idee dat sport een ‘mannenzaak’ is dus gepropageerd in onze maatschappij. Dit betekent ook dat besparingen op die sportinfrastructuur en begeleiding meisjes en vrouwen als eerste treffen.

Jong geleerd is oud gedaan – ook op volwassen leeftijd sporten mannen vaker, en ze doen dit  vaker in clubverband. Slechts 30% van de leden van sportclubs in België is vrouw, al zijn er grote verschillen per sport te noteren. Er zijn geen cijfers over in hoeverre dit kan gelieerd worden aan het feit dat vrouwen vaker zorg- en huishoudelijke taken op zich nemen, maar het is niet heel vergezocht om te stellen dat ook omwille van deze dubbele dagtaak de ruimte voor ontspanning en sport voor vrouwen verkleint.

Deze ongelijkheid zorgt er ook voor dat minder vrouwen doorstromen naar leidinggevende organen van de sportclubs en sportfederaties – er zijn al minder vrouwelijke leden, en ze krijgen bovendien te maken met vooroordelen. Over alle sportfederaties in Vlaanderen zitten er maar gemiddeld 26% vrouwen in een leidinggevende functies, en is slechts 7% voorzitter. Op Europees niveau daalt dit naar 14%, waarvan 4% als voorzitter. Het genderevenwicht bij sportcoaches is ongeveer 50-50, maar ook hier zie je een ‘glazen plafond’, waarbij slechts 22% vrouwen coach is op topsportniveau.

De vrouwelijke takken van sporten worden dan ook makkelijk weggezet als minderwaardig – of het nu gaat om het soort sport (typisch “vrouwelijke” sporten als gymnastiek of kunstschaatsen krijgen beduidend minder aandacht dan typisch “mannelijke” sporten als voetbal of wielrennen), of binnen één sport. Er zijn waslijsten met voorbeelden van denigrerende uitspraken over vrouwelijke sporttakken. Zo vind voetbalcommentator Johan Derksen dat vrouwenvoetbal “niets voorstelt”,  en ex-FIFA voorzitter Sepp Blatter “dat de voetbalvrouwen beter strakkere broekjes zouden aantrekken”.

Er wordt ook gemakshalve van uitgegaan dat, omdat mannen gemiddeld over meer spierkracht beschikken, hun sporttakken automatisch interessanter zouden zijn. Hierbij wordt volledig voorbijgegaan aan het feit dat in heel wat sporten zaken zoals behendigheid en tactiek essentieel zijn. Bovendien, het is niet omdat een looprace bij de vrouwen gemiddeld trager verloopt, dat deze automatisch ook minder spannend of interessant wordt. Het is ook dit soort seksisme dat doorsijpelt in de discussie rond het toelaten van transgender vrouwen in de vrouwensport – men gaat ervan uit dan een (biologische) man van nature beter zal zijn in sport dan een vrouw, en zelfs beter dan de beste atletes binnen die sport. Van seksisme gesproken! Wij socialistisch feministen steunen uiteraard  transgender vrouwen in de sport en vinden we dat ze binnen hun échte gender (en dus niet biologische sekse) moeten kunnen sporten.

Als er echter al een niveauverschil is, heeft dit vaker te maken met het enorme verschil in de financiering en de omkadering, en niet met de intrinsieke capaciteiten van de atletes zelf. Een frappant voorbeeld hiervan is het wielrennen – de laatste tien jaar wordt hier meer in geïnvesteerd, de professionalisering is groter, wat resulteert in interessantere wedstrijden en een groter deelnemersveld. Dit vertaalt zich ook in meer fans en kijkers – zo zagen dit voorjaar bijna een half miljoen kijkers Marianne Vos Gent-Wevelgem winnen, een record. Ook voor de Amstel Gold race stemden een half miljoen kijkers af op de (overigens prachtige) wedstrijd bij de vrouwen.

Verslaggeving door de normatieve mannelijke blik versterkt seksisme verder

Dat sport wordt weggezet als “mannenzaak”, en dat we in een diep seksistische maatschappij leven, maakt dat ook de sportverslaggeving vaak doorspekt is van seksisme.

Een eerste probleem is dat er gewoon veel minder over de vrouwelijke takken van sporten gesproken wordt – afhankelijk van het land gaat slechts 3 tot 10 procent van de berichten over vrouwensport. Als er dan toch aandacht voor is – zoals bijvoorbeeld de afgelopen jaren in het wielrennen – is de conversatie vaak ongemakkelijk.

Een analyse van Cambridge University uit 2016 (ref) geeft aan dat er ook anders over vrouwelijke atleten gepraat wordt in de media – het gaat minder vaak over hun sportieve prestaties, dan wel over hun privéleven (met wie is ze getrouwd/single) of hun lichaam. Er zijn nog subtielere, maar daarom niet minder schadelijke taalverschillen zijn: zo wordt vaak over ‘vrouwenvoetbal’ en ‘vrouwenwielrennen’ gesproken, maar hebben we het niet over bv ‘mannenvoetbal’ – de standaard is de mannelijke sport, is de onderliggende boodschap. Mannelijke atleten en mannenploegen worden meestal ook zo benoemd, als “mannen”, terwijl bij vrouwen vaker over ‘de meisjes”, ‘de meiden”, of “ de dames” gesproken wordt, veel minder neutrale termen. In het geval van “meisjes” of “meiden” kan je dit zelfs benoemen als infantilisering.

Het pijnlijkst zijn de commentaren op de lichamen van vrouwelijke sporters. Zo werden tennissers Venus en Serena Williams soms weggezet als “te gespierd” en zelfs “apen” (naast seksistisch ook plat racistisch), kreeg zwemster Katie Ledecky te horen “dat ze zwemt als een man”, turnsters MckKayla Maroney en Simone Biles kregen dan weer verwijten “te weinig te glimlachen”. Ook topsporters en olympische medaillewinnaars Justine Hénin en Tia Hellebaut kregen regelmatig commentaar op hun “onvrouwelijke” uiterlijk.

De outfits van sporters zijn eveneens een bron van seksualisering in van het vrouwenlichaam in de media. De onnodig korte pakjes van turnsters werden al eerder aangehaald. De Beach Volley spelers kunnen ervan meespreken – meestal spelen ze deze sport om praktische redenen in bikini (minder zand dat in je kleren kan kruipen, het is geen verplichte outfit meer), maar dit geeft eveneens aanleiding tot het in de markt zetten van de sport als “sexy”, en tot legio commentaren op de lichamen van de atletes. De sportieve prestaties lijken wel bijzaak. Dit effect wordt verder versterkt door sociale media, waarbij een foto of filmpje al snel een eigen leven kan gaan leiden.

Ook binnen de sportverslaggeving is er sprake van een genderonevenwicht: Slechts 33% van journalisten vandaag is vrouw, binnen sportjournalistiek is dit nog veel minder. Bij de spelen in Rio was bv. slechts 1 op 27 Vlaamse sportverslaggevers vrouw, volgens het IGVM. De sportjournalistes getuigen ook van seksisme binnen hun vakgebied – van redacteurs die niet in hun capaciteiten geloven omdat ze vrouw zijn, over seksuele intimidatie op de werkvloer, tot sporters die in ruil voor een interview al te makkelijk eens vragen om een date of seks.

#MeToo in de sport

Net zoals in de brede samenleving zijn ook binnen de sport vrouwen extra kwetsbaar voor seksueel geweld en grensoverschrijdend gedrag. De weg naar de top passeert in de sport meestal via bepaalde clubs of coaches, wat de sporters zelf kwetsbaar maakt voor machtsmisbruik. Dit is uiteraard ook zo voor sportende jongens, maar meisjes en jonge vrouwen blijken door hun maatschappelijke positie vaak nog extra kwetsbaar. Ze komen in een positie van afhankelijkheid terecht, binnen een maatschappelijke context waarin vrouwen nog steeds geobjectiveerd en gedenigreerd worden.

Een aantal recente schandalen binnen de gymnastiek maken dit duidelijk. In de VS kwam gymcoach Larry Nassar in opspraak nadat hij honderden jonge atletes misbruikt heeft tijdens zogenaamde “behandelingen”. Wie haar mond opendeed, zag kansen op een olympisch ticket of internationale wedstrijden verdwijnen. Dichter bij huis kwam recent ook de gymnastiekfederatie in opspraak voor grensoverschrijdend gedrag van topcoaches. Hier ging het niet om seksueel misbruik, maar wel om pesterijen en vernederingen van tienermeisjes, vaak met ernstige psychische klachten tot gevolg. Topcoach Gerrit Beltman gaf zelfs openlijk toe te denken dat dit zo hoorde (Beltman gaf de mishandeling ook toe en excuseerde zich). Ook hier werd dit geweld dus genormaliseerd, en was het bijzonder moeilijk voor de slachtoffers in kwestie om zich erover uit te spreken. Wie sprak, mocht vertrekken of werd weggepest. In zo’n omgeving is het bijzonder moeilijk om eventueel misbruik of grensoverschrijdend gedrag bespreekbaar te maken.

Niet enkel in de gymnastiek is grensoverschrijdend gedrag een probleem – de almacht van coaches werkt machtsmisbruik in de hand.  In 2017 getuigden een judoka, een atlete en een zwemster nog over seksueel misbruik door coaches, en in Engeland kwam grootschalig misbruik van jongens in het jeugdvoetbal aan het licht – het zou gaan om 800 slachtoffertjes, over 300 clubs.

De #metoo beweging maakte dit misbruik al wat beter bespreekbaar. Maar binnen de sport kan er pas wat veranderen als de machtsstructuren binnen sportclubs aangepakt worden –  geen enkele atleet zou haar of zijn carrière in gevaar moeten brengen voor melden van misbruik.

Commercialisering van de sport vergroot de ongelijkheid

Je kan het seksisme in de sport  niet aanpakken zonder ook het financieringsmodel in vraag te stellen; ook binnen veel sporten is winst voor een kleine groep het motief.

Er gaat veel geld om in populaire sporten. Sport wordt door grote bedrijven gezien als een wingewest, waarbij in ruil voor sponsoring de naambekendheid kan vergroot worden. Tegelijk moet er op  alle mogelijke manier winst gemaakt worden  – denk maar aan de vaak veel te dure merchandise en tickets voor wedstrijden. Aangezien de typische “mannensporten”, zoals voetbal (Europa en Latijns Amerika), American Football en honkbal (in de VS), cricket, wielrennen, … een grote populariteit kennen, worden zij ook als “commercieel interessantst” gezien. Hier is een pervers mechanisme aan het werk, waarbij grote bedrijven bekende sporters en teams zien als een soort levend advertentiebord, en het feit dat fans zeer veel over hebben voor hun favoriete club of sporter genadeloos uitgebuit wordt. Hoe ver dit gedreven kan worden werd onlangs nog duidelijk in het debacle over de creatie van een Super League in het voetbal, waarbij een extra competitie tussen Euopese topclubs nog meer geld moest opleveren – voor die topclubs en hun sponsors, welteverstaan.

Deze doorgedreven commercialisering resulteert in een concentratie van middelen in de grote clubs van de populaire sporten, waarbij heel wat kleinere sporten, maar ook de vrouwelijke takken van sporten, ondergefinancierd blijven. De ongelijke financiering werkt ongelijke verloning in de hand. Zo is het jaarloon van topvoetballer Neymar jr. zo’n 60 miljoen euro, dat van topspeelster Alexis Morgan 382 000 euro. De tien best betaalde mannelijke voetballers verdienen samen zo’n 265 miljoen euro, de tien best betaalde vrouwen… 1.5 miljoen. Volgens ex-voetballer Imke Courtois verdient een vrouwelijke topvoetballer minder dan een mannelijke voetballer – uit 4e provinciale. Volgens de Cyclists Alliance (die ijvert voor de belangen van vrouwen in de wielersport) krijgt 17% van de 300 ondervraagde wielrensters helemaal geen loon, terwijl de helft het moet stellen met minder dan 10 000 euro per jaar.

Ook qua prijzengeld blijft er een kloof: de BBC vergeleek zo’n 55 sporten en kwam tot een gemiddelde kloof van ongeveer 17%. In heel wat sporten, zoals wintersporten, atletiek, veldrijden en tennis werden prijzengelden gelijkgetrokken, vooral sinds de jaren 2000. Vooral in de grote, gecommercialiseerde sporten zoals wielrennen, voetbal en golf blijft de kloof echter bestaan. Zo is er in de Tour de France zo’n 2.3 miljoen euro aan prijzen te rapen, tegenover slechts 50 000 euro in de Giro Rosa (de grootste meerdaagse rittenkoers voor vrouwen). In het voetbal zijn de verschillen nog frappanter – de winnaars van de WK Voetbal 2018, Frankrijk, kregen hier 38 miljoen euro voor, de vrouwen (VS) 4 miljoen euro.

Het hoeft dan ook niet te verbazen dat het hierdoor veel minder evident is voor vrouwen om te leven van hun sport, en dit dus enkel weggelegd is voor een select groepje ‘elitesporters’ – een groepje dat nog veel kleiner is dan bij de mannen. De kleinere geldpot zorgt er eveneens voor dat er minder middelen zijn voor professionele omkadering. Merk trouwens op dat in het huidige financieringsmodel het verschil tussen de profspelers ook heel groot is, met sterspelers die de grote bedragen binnenrijven en al de rest die veel minder verdient – een effect dat zowel bij de mannen als bij de vrouwen speelt. Een verdere commercialisering van de vrouwelijke sporttakken zal dus geen fundamentele verandering betekenen – deze commercialisering maakt sporten immers net minder toegankelijk, zowel voor sporters als voor fans.

Een echte gelijkheid bekomen

Het organiseren van echte gelijkheid begint bij een sterke financiering en democratisering van sport, en dit op alle niveaus. Het model van commercialisering van de sport, naar het voorbeeld van populaire sporten zoals voetbal, kan geen echte, duurzame gelijkheid voorzien. Er kunnen hierbinnen wel stappen vooruit gezet worden, zoals het tennis en in mindere mate het wielrennen aantonen, maar ook hier bots je op de limieten van het systeem: de prijs voor grotere budgetten is ook grotere uitbuiting van zowel sporters als fans, en de ongelijkheid tussen de elitesporters (en hun inkomsten) en het gros van de profsporters die verder uitvergroot wordt.

Wij stellen hier tegenover een sport in publieke handen, onder democratisch beheer. Dit omvat een stevige investering door de overheid, via voorzien van infrastructuur, budgetten, begeleiding en opleidingen door de overheid, én het creëren en ondersteunen van democratisch beheerde sportclubs, waarbij zowel sporters, de omkadering, als de supporters mee besturen.

Op deze basis kan je ervoor zorgen dat ook de vrouwelijke sporters en clubs voldoende gefinancierd worden, toegang hebben tot materiaal en infrastructuur, en professioneel omkaderd kunnen worden. Dit komt niet alleen de topsport ten goede, maar nog meer de vele recreatieve sporters. Het zorgt er ook voor dat jongeren (m/v/x) hun interesses kunnen exploreren, zonder dat hierbij financiële of sociale drempels in de weg staan. Deze democratisering doorbreekt ook de hiërarchische structuren in de sportwereld en breekt de macht van coaches en verzorgers, waardoor de kans op misbruik verkleint. In zo’n context is het een stuk eenvoudiger om eventueel misbruik te melden en aan te pakken.

Als socialistisch feministen pleiten we tegen het normaliseren van het scheiden van sportclubs en -infrastructuur volgens gender. Dit draagt immers niet bij aan een inclusievere of veiligere sportomgeving – integendeel, dit versterkt net de verdeling en draagt verder bij aan het idee dat vrouwen een “beschermde soort” zijn, die, als ze buiten hun “veilige plek” zouden sporten, “aangeschoten wild” zijn (en het idee dat mannen geen controle zouden hebben over hun handelingen). Een écht veilige en inclusieve context voor vrouwen bestaat waar seksistisch gedrag en discriminatie niet getolereerd worden, waar dan ook.

Meer vrouwen betrekken in de sport, het democratiseren van sport en het bestrijden van genderstereotypes kan je niet los zien van de maatschappelijke context waarin we werken. Het kapitalisme overleeft op basis van verdeling en uitbuiting, en organiseert deze ongelijkheid. Het eisen van meer middelen voor sport, en van de democratisering van sport, is dan ook zeker een feministische eis. Het gaat niet zomaar om een randactiviteit – sport en spel maken deel uit van onze ontwikkeling als mens, en zijn ook ontspannend en gezond. Dat vrouwen hierin systematisch benadeeld en ontmoedigd worden is dan ook een groot onrecht – een onrecht dat alleen op basis van een brede beweging voor een andere, socialistische maatschappij rechtgezet kan worden.

Bronnen:

https://en.wikipedia.org/wiki/Women%27s_Tennis_Association

https://igvm-iefh.belgium.be/nl/adviezen/vrouwen_en_sport

https://npokennis.nl/longread/7843/waarom-krijgen-sportvrouwen-minder-betaald

https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2019/10/18/sportjournalisten-getuigenissen/

https://sportmagazine.knack.be/sport/andere-sporten/de-sportmomenten-van-het-jaar-metoo-ook-in-de-sport/article-normal-941439.html

https://www.standaard.be/cnt/dmf20171010_03123327

https://nl.wikipedia.org/wiki/Vrouwenvoetbal_in_Belgi%C3%AB#:~:text=Reeds%20voor%20de%20Tweede%20Wereldoorlog,Femina%20Club%2C%20en%20anderen%20volgden.

https://www.vox.com/2016/8/5/12386612/rio-olympics-2016-women

https://www.statista.com/statistics/1090581/olympics-number-athletes-by-gender-since-1896/

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20180426_03484669

https://www.standaard.be/cnt/dmf20160811_02421083

https://weekend.knack.be/lifestyle/fitness/waarom-dragen-vrouwelijke-beachvolleybalspelers-een-bikini/article-normal-741501.html

https://www.vrouwenvoetbalkrant.be/nieuws/2018-04-19/imke-courtois-spreekt-over-de-loonkloof-tussen-mannen–en-vrouwenvoetbal

Delen: Printen: