Ivoorkust: verzet tegen imperialistische bezetting

Bij de voorbereidingen van de Amerikaanse invasie van Irak hadden een aantal anti-oorlogsactivisten illusies in de houding die ingenomen werd door onder meer de Franse regering en de pogingen die deze regering ondernam om een oorlog te vermijden. Is de Franse regering een progressief tegengewicht voor het Amerikaans en Brits imperialisme? De recente gebeurtenissen in Ivoorkust maken duidelijk dat dit absoluut niet het geval is.

Keith Pattenden

De voormalige Franse kolonie Ivoorkust werd ooit naar voor gebracht als het voorbeeld van economische groei en politieke stabiliteit. Op basis van de groeicijfers in de jaren 1960 en 1970 zou het rijkste land van Westelijk Afrika omgevormd worden tot een westerse democratie, hoopten de kapitalisten. Vandaag heeft het opbreken van een vredesakkoord geleid tot verdere chaos waarbij het bestaan van Ivoorkust als land bedreigd wordt.

Deze situatie zal ook enorme gevolgen hebben voor de buurlanden. Burkina Faso in het noorden en Liberia in het westen zijn bang voor mogelijke vluchtelingenstromen naar hun landen.

De meeste burgerlijke commentatoren schrijven de problemen toe aan de militaire staatsgreep in 1999, maar de basis voor het etnisch conflict gaat veel verder terug. Het land was rijk geworden door de export van cacao, het land stond in voor 40% van de wereldproductie. Maar de westerse grondstoffenmarkten bepaalden de prijzen, terwijl de munt in Ivoorkust verbonden was aan de Franse frank.

Die twee factoren zorgden ervoor dat echte economische onafhankelijkheid of industriële ontwikkeling onmogelijk was. De lokale neo-koloniale kapitalisten waren niet van plan om te investeren in een ontwikkeling van de lokale markt zolang de winsten uit de cacao binnen stroomden. De dalende prijzen en de devaluatie van de frank midden jaren 1990 leidden tot een ernstige economische crisis en politieke problemen.

Ivoorkust was een éénpartij-staat tot 1990 toen de heersende Democratische Partij van Ivoorkust (DPCI) ook andere partijen moest toelaten. Sinds de onafhankelijkheid werd het land gedomineerd door de zuidelijke christelijke politieke elite en haar vertegenwoordiger in de vorm van de DPCI. De neergang van de economie zorgde ervoor dat de noordelijke, voornamelijk islamitische elite, meer invloed en macht begon op te eisen.

Burgeroorlog

Toen Alassane Ouattara (een voormalige vertegenwoordiger van het IMF en afkomstig uit het noorden) aankondigde dat hij kandidaat zou zijn bij de presidentsverkiezingen van 2000 tegenover de zittende president, Robert Guei, die net de macht had gegrepen met een militaire staatsgreep, werd de etnische kaart gespeeld en werd beweerd dat Ouattara geen echte Ivoriaan was aangezien zijn ouders uit Burkina Faso kwamen.

Guei’s voorganger, Bedie, had het concept van ‘Ivorianen’ naar voor gebracht om zijn steun te versterken. Daarbij werden politieke functies enkel open gesteld voor mensen van Ivoriaanse afkomst, waardoor heel wat noordelijke inwoners niet konden deelnemen aan verkiezingen. Deze maatregelen werden beperkt door Guei van de DPCI en Laurent Gbagbo van het Ivoriaans Volksfront (FPI). Gbago’s aanhangers weigerden de resultaten te aanvaarden en begonnen rellen waarbij Guei moest vluchten. Gbagbo werd aangesteld als president en de FPI werd de grootste parlementaire fractie.

De basis voor een burgeroorlog was toen reeds aanwezig. Ondanks een akkoord tussen de drie belangrijkste partijen om de macht te delen, waren er gedurende de daaropvolgende jaren verschillende gewapende opstanden en uiteindelijk zelfs een volledige burgeroorlog.

Begin 2003 werd een vredesakkoord gesloten waarbij er ook 4.000 Franse vredestroepen naar Ivoorkust trokken, samen met troepen van de VN en de Afrikaanse Unie. Maar zoals wij toen reeds stelden, was dit in feite een herkolonisatie door het Franse imperialisme. De kapitalistische machten kwamen tussen om hun nationale belangen te verdedigen en het was onvermijdelijk dat de Fransen uiteindelijk zouden gezien worden als een bezettingsmacht.

Bezetting

Het breekbare vredesakkoord moest op een bepaald ogenblik in elkaar stuiken. Toen het conflict in maart opnieuw een opgang kende, voerde de regering van Gbagbo een reeks luchtaanvallen uit in het noorden van het land. De VN-troepen waren zoals gewoonlijk niet in staat om dit tegen te houden. Toen het Franse leger antwoordde met acties werden 9 Franse militairen vermoord. Gbagbo beweerde dat dit een oorlogsdaad was en hierop werden Franse handelszaken in de hoofdstad Abidjan aangevallen.

Tot nu toe zijn er 200 slachtoffers gevallen, voornamelijk Ivorianen, en er is geen einde van de crisis in zicht ondanks de tussenkomst van de Zuid-Afrikaanse president Thabo Mbeki en de Afrikaanse Unie.

Franse en Europese onderdanen worden per vliegtuig het land uit gebracht, terwijl de Afrikaanse Unie heeft gesteld dat er sancties zouden opgelegd worden. Dit snelle antwoord zodra de imperialistische belangen bedreigd worden staat in een schil contrast met de houding van het Westen en de Afrikaanse Unie tegenover de slachtingen in Soedan of Congo.

Het Westen is vooral bezorgd om het geweld binnen te perken te houden en te vermijden dat het een regionale invloed zou kunnen krijgen. Na eeuwen van imperialistische uitbuiting en verdeel-en-heerspolitiek, is het echter duidelijk dat er geen blijvende vrede kan zijn in de regio.

Alle bestaande politieke partijen vertegenwoordigen een fractie van de rijke elite. Geen enkele partij komt op voor de belangen van de meerderheid van de bevolking.

Ivoorkust, Liberia en Sierra Leone tonen aan wat de toekomst van Westelijk Afrika is tenzij de arbeidersklasse zelf op het toneel komt. Enkel de arbeidersklasse kan een einde maken aan de verdeeldheid van etnische groepen, en dat onder de vlag van klasseneenheid tegenover het imperialisme en de lokale vertegenwoordigers van het imperialisme.

Arbeiders en arme boeren in Ivoorkust kunnen inspiratie opdoen bij hun collega’s in Nigeria, waar militante actie van de arbeiders de potentiële macht van zo’n eengemaakte actie aantoont.

Delen: Printen: