Niet besparen op poetspersoneel, meer middelen voor onderwijs afdwingen!

Ondanks gezondheidscrisis en ondanks expertise over precaire arbeid bespaart Universiteit Antwerpen op poetspersoneel

Actie aan de Universiteit Antwerpen op 8 maart. Foto: 8 maart Comité

De Universiteit Antwerpen publiceert het Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting en ziet dit zelfs als een prestigeproject om de universiteit een sociaal bewogen imago aan te meten. In het laatste Jaarboek staat een stuk over precaire arbeid. Terecht wordt daarin opgemerkt dat dit niet alleen betrekking heeft op het contractuele aspect, maar ook op “onder andere werktijden, inkomen, rechten en sociale bescherming, en collectieve vertegenwoordiging.” Tussen theorie en praktijk gaapt er aan de universiteit een wel erg grote kloof.

Besparen op onderwijs of op schoonmaak?

Twee maand na de voorstelling van dit Jaarboek kwam de Universiteit Antwerpen in het nieuws met de aankondiging dat fors bespaard wordt op schoonmaak. “Het is of besparen op schoonmaak, of op onderwijs,” klonk het bij de woordvoerder van de universiteit. Er werd een akkoord afgesloten met onderaannemer ISS waarbij 18% bespaard werd op de schoonmaak. Vreemd toch in tijden van gezondheidscrisis waarbij het ontsmetten en poetsen net aan belang wint!

De universiteit schoof de verantwoordelijkheid door naar het tekort aan middelen dat van de Vlaamse overheid komt, maar voegde eraan toe dat onderwijs en onderzoek de kerntaken van een universiteit zijn en er daar niet op bespaard wordt. Alsof schoonmaak geen essentieel onderdeel is van onderwijs en onderzoek. Wie maakt de ruimtes schoon waar in normale tijden de colloquia plaatsvinden waarop het Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting wordt voorgesteld? Om lessen en examens mogelijk te maken tijdens de gezondheidscrisis, moest het schoonmaakpersoneel regelmatig extra uren kloppen.

Het nieuwe contract maakt dat deeltijds werk de norm wordt voor schoonmakers. In managementtaal heet dat efficiëntiewinst, maar het zijn niet de managers die zorgen dat de campussen schoon zijn. Voor de getroffen schoonmakers betekent het minder loon, minder vakantiegeld, minder pensioen. Onder druk van protest verklaarde de universiteit dat ISS zou kijken om de uren te compenseren met andere werkplaatsen. Zo werd de hete aardappel naar ISS doorgeschoven. De schoonmakers zelf weten dat dit loze beloften zijn: in de praktijk wordt het moeilijk om poetsen aan de universiteit te combineren met andere plaatsen. Het zal in de praktijk zorgen voor precaire arbeid met een groter risico op armoede.

Ondertussen is al het schoonmaakpersoneel in opzeg geplaatst. Iedereen wordt afgedankt en krijgt een nieuw contract aangeboden dat deeltijds in plaats van voltijds is. De Operations Director Cleaning bij ISS verklaarde daarover: “Je mag als werkgever niet zomaar snoeien in uren van je werknemers. Het enige wat je kan doen als je zo’n gezamenlijke inspanning wil bereiken, is iedereen ontslaan en een aan de nieuwe realiteit aangepast contract geven. Iedereen krijgt een nieuw contract aangeboden; als werknemers dan vanuit zichzelf zeggen dat het voor hen niet meer hoeft, zijn ze natuurlijk vrij om te vertrekken.”

Meer studenten, minder poetsen?

De Antwerpse universiteit telt ruim 20.000 studenten en 6.000 personeelsleden; tien jaar geleden waren dat 14.000 studenten en 4.000 personeelsleden. Terwijl de universiteit groeit, wordt inzake schoonmaak een stap in de andere richting gezet. ISS stelt dat het met efficiëntiewinsten en innovatie op kortere tijd meer kan doen. Extra vuilbakken of matten kunnen echter geen effectief personeel vervangen. Het schoonmaakpersoneel vragen om deeltijds evenveel te poetsen als voltijds, is uiteraard niet mogelijk.

Personeelsleden en studenten haalden met petities ruim 3.000 handtekeningen op om te protesteren. Op 8 maart, de internationale vrouwendag, werd aan het rectoraat actie gevoerd door schoonmakers, studenten, personeelsleden van de UA en sympathisanten, waaronder een delegatie van Campagne ROSA. Hierop zei het bestuur van de universiteit dat het met de vakbonden van de schoonmakers zou overleggen. Ook verklaarde rector Van Goethem bereid te zijn om het debat over insourcing te voeren. Dat mag geen breed en abstract debat zijn waarover nadien wollige academische teksten worden geschreven: schoonmakers zijn essentieel voor een universitaire gemeenschap, waarom hen niet als dusdanig erkennen en als personeel van de universiteit aanwerven aan degelijke voorwaarden?

De reactie van de universiteit maakt duidelijk dat het protest reeds effect heeft. Tegelijk is er nog niets veranderd aan het contract van de universiteit met ISS en zit het schoonmaakpersoneel nog steeds in opzeg. Het onmiddellijke probleem van het verlies aan inkomen van de schoonmakers blijft bestaan. Mogelijk wordt dit op korte termijn opgelost met enkele bijkomende uren elders of zelfs een sociaal fonds, maar dat zijn telkens tijdelijke maatregelen. Zoals de reactie van ISS aangeeft, rekent dat bedrijf erop dat een deel van het personeel ‘vrijwillig’ vertrekt. Nieuwe schoonmakers zullen het met deeltijdse contracten en lonen moeten stellen zonder enige vorm van tijdelijke compensatie.

Met het volledig (hoger) onderwijs strijden voor meer middelen!

Aan verschillende universiteiten werd al actie gevoerd rond het statuut van het schoonmaakpersoneel. Voor de bestuurders is het vaak een cijferkwestie: de krappe budgetten van de overheid voldoen niet om de groei van het aantal studenten en personeelsleden op te vangen. Tekorten leiden tot verdeeldheid, ook aan universiteiten. Er zijn twee reacties mogelijk: de tekorten aanvaarden en besparen op bepaalde groepen personeelsleden of het tekort aan middelen gezamenlijk bestrijden met al wie aan de unief werkt en studeert.

Dat laatste is de benadering die aan de UGent werd gevolgd door de vakbondsdelegatie van ACOD, ondersteund door onder meer Campagne ROSA en anderen. Met een actieplan dat ging van een informatiecampagne en een petitie tot een goed opgevolgde en breed gedragen staking op 9 maart 2020 werd opgekomen voor een minimumloon van 14 euro per uur, statutatisering van het personeel in de sociale sector en insourcing van het schoonmaakpersoneel. Rond de eerste twee eisen werd een principiële beslissing genomen door de Raad van Bestuur. Hierdoor zullen de laagste lonen aan de UGent met minstens 10% stijgen en zullen nieuwe aanwervingen in een hogere schaal gebeuren. De overheveling van contractueel personeel naar een statutaire benoeming is eveneens in principe goedgekeurd. Rond de schoonmaak is de insourcing nog niet bekomen, maar er zijn sociale voorwaarden gesteld in het kader van een nieuwe aanbesteding. Als dit niets oplevert, blijft de kwestie van insourcing uiteraard op de agenda staan.

Ondertussen is ook aan de Leuvense universiteit een petitie opgezet voor een hoger minimumloon van 14 euro per uur, gekoppeld aan de eis dat de universiteit haar onderaannemers eenzelfde minimumloon oplegt. Aan de VUB benadrukt het ABVV in haar campagne voor deze eisen ook de noodzaak van meer publieke investeringen in (hoger) onderwijs en onderzoek. Dat is immers essentieel in de strijd tegen een beleid gebaseerd op tekorten die steeds gevolgen hebben voor het personeel en de studenten.

Een front van het personeel aan alle universiteiten, inclusief dat van onderaannemers, is mogelijk: dezelfde eisen genieten overal een brede steun. Lage lonen en onzekere contracten zijn overal schering en inslag, ook heel wat bursalen (de grootste groep onderzoekers aan de universiteiten) zijn niet rechtstreeks tewerkgesteld op basis van een arbeidsovereenkomst. Bovendien is er een groot ongenoegen onder studenten, wat langs Franstalige kant tot protest leidt (zie pagina 14).

De overwinningen die al geboekt zijn aan de UGent kunnen een basis zijn om tot eengemaakte strijd te komen. Ze tonen aan wat met het betrekken en organiseren van alle personeelsleden en studenten in een gedurfd actieplan mogelijk is. Aan de UGent stemden zelfs rechtse leden van de Raad van Bestuur voor de verhoging van het minimumloon en de statutatisering van het contractueel personeel. Deze strijd uitbreiden naar verschillende universiteiten en hogescholen zal snel de eis van meer publieke middelen voor (hoger) onderwijs stellen.

In een gezondheidscrisis vereist veilig onderwijs meer investeringen in schoonmaak, maar ook in de infrastructuur van het volledige onderwijs. Van het kleuteronderwijs tot het hoger onderwijs zijn er grote noden na jaren van een gebrek aan middelen, met als resultaat een ongelijkheidsbevestigend en zelfs versterkend onderwijs tot frustratie van het personeel en heel wat jongeren. Voldoende personeel dat aan degelijke voorwaarden werkt, degelijke infrastructuur en genoeg aandacht voor het welzijn van de jongeren zijn essentieel in onze ‘kenniseconomie’. Een systeem dat geen middelen heeft voor de toekomstige generaties, heeft zelf geen toekomst. Hoog tijd voor systeemverandering!

Delen: Printen: