Hoe kan de revolutie in Myanmar winnen?

Betogers versus politie in Mandalay, de tweede stad van Myanmar, op 3 maart. (Foto: Wikimedia Commons)

Algemene stakingen tonen potentieel om coup te verslaan. Beweging moet samenleving zelf beginnen organiseren.

Meer dan een maand na de militaire staatsgreep onder leiding van Min Aung Hlaing houdt de strijd tussen de bevolking en het leger van Myanmar aan. Stakingen verlammen het dagelijkse leven, algemene stakingen op 22 februari en 8 maart vormden hoogtepunten van de beweging. Het leger, de Tatmadaw, reageerde na 22 februari met nog meer geweld waarbij heel wat doden vielen.

Dossier door Geert Cool

Het bekendste slachtoffer van de dodelijke repressie is de 19-jarige Angel Kyal Sin. Zij werd op 3 maart in Mandalay, de tweede grootste stad van het land, vermoord terwijl ze een t-shirt droeg met daarop de slogan: “Everything will be OK.” Op 3 maart vielen er 38 doden, wat het de bloedigste dag tot hiertoe maakt. Het eerste dodelijke slachtoffer was de 20-jarige studente studente Mya Thwate Khaing die op 9 februari werd neergeschoten en tien dagen later overleed.

Deze martelaren van de beweging zijn jonge vrouwen, net als veel andere voortrekkers van de beweging. De werkende klasse neemt een centrale positie in: het stakingswapen blijkt opnieuw bijzonder efficiënt. Onder de eerste groepen die in staking gingen, bevonden zich arbeiders uit sectoren die de afgelopen jaren al in actie kwamen. Zorgpersoneel stond vooraan na een jaar van gezondheidscrisis. Personeel uit de snel groeiende textielsector, ondertussen goed voor 900.000 werkenden waaronder veel vrouwen, ging in 2019 al in actie voor betere arbeidsvoorwaarden. De wereldwijde pandemie en dalende vraag naar textiel door grote kledingmerken leidde tot afdankingen en protest daartegen. Het onderwijspersoneel kwam in 2014-15 in actie tegen een hervorming van het onderwijs waartegen zowel jongeren als personeelsleden protesteerden.

De algemene stakingen tonen het potentieel om de coup te verslaan. Als de werkende bevolking alles plat legt, kan de legerleiding geen kant meer uit. Om hen echt van de macht te verdrijven, moet de beweging zelf de samenleving beginnen organiseren vanuit de belangen en de betrokkenheid van de meerderheid van de bevolking. Een overwinning zou internationale gevolgen hebben. Straks worden niet enkel symbolen als het gebaar uit de ‘Hunger Games’ met drie opgestoken vingers internationaal overgedragen van beweging naar beweging, maar ook het bijzonder krachtige stakingswapen.

Algemene stakingen

In de aanloop naar de algemene staking van 22 februari waren er diverse acties om het dagelijkse leven te verstoren. Zo werd op 17 februari opgeroepen om motorpannes te veinzen waardoor alle verkeer in grote steden als Yangon tot stilstand kwam. In de dorpen werden boomstammen over de wegen gelegd om de komst van legervoertuigen onmogelijk te maken.

In de eerste fase van het protest tegen de militaire coup van 1 februari namen werkenden uit het zorgpersoneel en het onderwijs het voortouw. Ze legden het werk neer en dit voorbeeld werd al gauw gevolgd in tal van andere sectoren. Er is geen lange traditie van vakbonden in Myanmar. In de beweging van 1988 ontstonden opnieuw vakbonden en sinds 2011 functioneren ze legaal. De algemene Confederatie van Vakbonden telde in 2018 slechts 65.000 leden op een bevolking van 54 miljoen. Er zijn enkele meer militante vakbonden die gegroeid zijn op basis van acties. Dat is onder meer het geval in de textielsector die de afgelopen jaren bijzonder snel gegroeid was, waarop de arbeiders hun deel van de koek begonnen te eisen. In 2019 was er een golf van stakingen voor loonsverhogingen en betere arbeidsvoorwaarden. In 2020 volgden stakingen tegen willekeurige afdankingen, waarbij vakbondsmilitanten werden geviseerd, en voor veilige arbeidsomstandigheden tijdens de gezondheidscrisis. Doorheen het huidige protest tegen de staatsgreep groeien de vakbonden en ontstaan er nieuwe.

Op 22 februari legden miljoenen mensen het werk neer. Niet alleen in sectoren waar al gestaakt werd, maar in alle delen van de economie. Van de mijnen en de fabrieken tot de restaurants en de informele straatverkopers. Alles ging plat en dat bleef zo de hele dag. Honderdduizenden mensen trokken de straten op in alle steden en op het platteland. Deze algemene staking wordt de “22222-revolutie” genoemd, naar de vijf tweeën die voorkomen in de datum 22 februari 2021. De nieuwssite Irrawaddy.com berichtte dat het in Mandalay, de tweede stad van het land, leek alsof letterlijk elke inwoner op straat kwam in een betoging die volgens veteranen van het protest een pak groter was dan in de beweging van 1988. Zelfs in Naypyidaw, een stad die tussen 2002 en 2012 kunstmatig werd aangelegd om dienst te doen als veilige hoofdstad voor het regime, werd gestaakt en betoogd.

Een staking die zo algemeen is, legt het volledige land plat. Dat heeft gevolgen. Acties van het bankpersoneel zorgen ervoor dat de coupplegers de lonen niet kunnen uitbetalen, terwijl ze de soldaten hard nodig hebben om de macht te behouden. Honderden personeelsleden van de private en publieke banken werden lid van vakbonden en sloten zich aan bij de Civil Disobedience Movement (CDM), de overkoepelende protestbeweging. Door de staking hebben bedrijven en de overheid amper toegang tot geld. Het doet wat denken aan de reactionaire Kapp-putsch in Duitsland in 1920, toen de rechtse coupplegers in heel Berlijn geen drukkerij vonden waar nog gewerkt werd waardoor ze de officiële aankondiging van de machtsgreep niet konden laten drukken.

Dit betekent natuurlijk niet dat het spel gespeeld is. Het opvoeren van de repressie door de legerleiding is een uitdrukking van wanhoop, maar die kan bijzonder gevaarlijk zijn. De nieuwe algemene staking op 8 maart bevestigde het potentieel van de beweging en het falen van de repressie. Als twee algemene stakingen niet volstaan om het regime ten val te brengen, moet een algemene staking van onbepaalde duur worden uitgeroepen. In een aantal sectoren zijn werkenden al sinds begin februari in staking.

Civil Disobedience Movement

In de beweging van onderuit tegen de militaire dictators speelt de Civil Disobedience Movement een belangrijke rol. Dat is op zich opmerkelijk: voorheen werd de Nationale Liga voor Democratie (NLD) van Aung San Suu Kyi algemeen gezien als de spreekbuis van de oppositie tegen het leger. De regeringsdeelname en samenwerking met het leger ondermijnden de rol van de NLD echter. De protestbeweging werd op gang getrokken door zorgpersoneel, leerkrachten en andere werkenden. Zij lanceerden de Civil Disobedience Movement als een Facebook-pagina met ondertussen ruim 300.000 volgers.

Het zorgpersoneel neemt een bijzondere plaats in na een gezondheidscrisis die ook in Myanmar toesloeg. Bovendien is er een zekere syndicale organisatie in de sector. In het onderwijs is er een relatief sterke vakbond, de Myanmar Teachers’ Federatie met naar eigen zeggen 100.000 leden. Het is de omvang van het protest die een aantal werkgevers en internationale bedrijven ertoe bracht om de samenwerking met de regering op te zeggen. Het is eveneens de druk van de beweging die internationale leiders als Biden tot uitspraken en sancties aanzet.

De kracht van stakingen is belangrijk, maar tegelijk moet dit georganiseerd worden in stakerscomités en regionale actiecomités. In de beweging van 1988 speelden stakerscomités en ‘volkscomités’ een belangrijke rol. Dergelijke organen zijn ook nu nodig. Ze waren destijds belangrijk om ervoor te zorgen dat de protestbeweging niet werd gekaapt door oude krokodillen. Nu de meerderheid van de bevolking in Myanmar uitkijkt naar de volledige val van het militaire regime, zal het nodig zijn dat de beweging eigen organisaties en instrumenten opzet en controleert. Het General Strike Committee voor de staking van 22 februari was een interessante aanzet. Het zou echter beter zijn om het algemeen stakerscomité te verkiezen vanuit lokale comités die op de werkvloer en in de wijken opgezet worden, in plaats van met nationale organisaties samen te komen en dit een algemeen stakerscomité te noemen van waaruit vervolgens lokale comités worden opgezet.

Ondanks wereldwijde illusies in concepten als leidingloze bewegingen, is er steeds de neiging om een vacuüm inzake leiding in te vullen. Als de werkenden en arme boeren het niet van onderuit doen, zullen er altijd wel figuren zijn die zichzelf van bovenaf aanbieden. In de beweging van 1988 werd dit geprobeerd door voormalig premier U Nu. Zijn poging werd doorkruist door de snelle ontwikkeling van een nieuwe politieke partij vanuit de beweging: de Nationale Liga voor Democratie (NLD). Die partij keek naar Aung San Suu Kyi, de pas in het land teruggekeerde dochter van een voormalige vrijheidsstrijder, als nieuwe leider. ASSK werd eerder toevallig de leider van de beweging.

Vandaag zit Aung San Suu Kyi in een gelijkaardige positie als U Nu in 1988. Haar NLD speelde geen centrale rol in de organisatie van het protest. Het beleid waar de NLD mee verantwoordelijk voor was, heeft duidelijk gefaald. Toch kan de NLD door het ontbreken van een politieke vertaling van de massabeweging en door de autoriteit die ze krijgt door de repressie terug aan zet komen. Op 2 maart werd door een comité van NLD-parlementsleden het Cabinet of Committee Representing Pyidaungsu Hluttaw (CRPH, Pyidaungsu Hluttaw is de naam van het parlement) opgezet. Dat is een alternatieve regering met vier ministers: drie NLD-prominenten en een onafhankelijke academicus. Het gaat om dokter Zaw Wai Soe, die rector is van de medische universiteit en een centrale rol speelde in de Covid-19-bestrijding in Yangon. Hij deed meteen een oproep aan alle ambtenaren om de Civil Disobedience Movement (CDM) te vervoegen. De CDM roept uitdrukkelijk op om de CRPH te erkennen en geeft zo eigenlijk het initiatief terug aan de NLD.

Het is normaal dat er onder de bevolking illusies zijn in de CRPH en terecht wordt voor de vrijlating van alle politieke gevangenen gepleit. De vraag is echter welk beleid de CRPH voorstelt, welke tactieken in de strijd tegen het leger en welk alternatief indien de coupplegers verdreven zijn. Een terugkeer naar hoe het voorheen was, vormt geen afdoende antwoord op de bekommernissen van de bevolking. Samenwerking met het leger zal bijvoorbeeld niet zomaar aanvaard worden. Om het leger weg te krijgen, moet het niet alleen op het politieke maar ook op het economische terrein bestreden worden. Bij de privatiseringen sinds 1988 speelde de legertop een actieve rol. Er zijn heel wat belangrijke bedrijven in militaire handen, onder meer de Myanmar Economic Corporation (MEC) of de Myanmar Economic Holding Ltd (MEHL), die enkele lucratieve onderdelen van de economie opkochten in de privatiseringsgolf. Dit wordt instinctief begrepen in de beweging: zo worden bier van Myanmar Beer of telecomoperator MyTel (onderdelen van MEC) geboycot.

De protestbeweging heeft een programma nodig om de macht echt aan de bevolking te geven. Dit betekent niet alleen democratische verkiezingen, maar de controle van de bevolking over de sleutelsectoren van de economie, zodat een democratische planning van de enorme rijkdommen van het land mogelijk wordt. Dit zal niet gebeuren door de CRPH, zelfs indien dit orgaan onder druk van de beweging een radicaler profiel moet aannemen dan wat voorheen door de NLD werd verdedigd. De politiek van samenwerking met het leger heeft gefaald, daar moet de NLD bijgevolg op terugkomen. Daarop terugkomen, volstaat echter niet om tot fundamentele verandering te komen.

Internationale reacties

In de beweging wordt instinctief begrepen dat solidariteit in zowel eigen land als internationaal belangrijk is. Er is een gezonde opstelling omtrent de nationale kwestie en de rechten van de vele minderheden in het land. Met Engelstalige protestborden doen de betogers expliciet een oproep tot internationale solidariteit. Ze richten zich daarbij niet zozeer op de internationale instellingen en leiders, maar op de gewone bevolking, waarbij uitdrukkelijk gekeken wordt naar protestbewegingen in Thailand en Hongkong. Hier en daar zijn er illusies in de rol van de VS, maar dit lijkt momenteel eerder marginaal binnen de beweging.

De internationale kapitalistische leiders toonden nooit interesse in de belangen van de meerderheid van de bevolking in Myanmar. Toen Aung San Suu Kyi werd vrijgelaten en de NLD aankondigde deel te nemen aan tussentijdse verkiezingen voor 45 zetels in 2012, trok het internationale establishment met alle mogelijke toeters en bellen naar Myanmar in de hoop lucratieve zakendeals in de wacht te slepen. Dat er iets te rapen viel, was al duidelijk geworden na de privatiseringen en het openen van de economie na 1988: zo stapten Total, Chevron en het Thaise PTT in het olie- en gasbedrijf Myanma Oil and Gas Enterprise.

Politieke leiders, zoals Hillary Clinton, vielen bijna over elkaars voeten om als eerste bij Aung San Suu Kyi op de thee te gaan toen ze regeringsverantwoordelijkheid opnam. De Wall Street Journal merkte destijds op: “Het potentieel van Myanmar is voor investeerders te groot om het te negeren. Het land is rijk aan olie, gas, hout en edelstenen en heeft het potentieel een belangrijke exporteur van rijst en vis te worden.” (‘Firms See Myanmar as Next Frontier’, WSJ 30 november 2011).

Bovendien wilden de VS en Europa de invloed van China beperken. In 2010 waren er al voor 12,3 miljard dollar Chinese investeringen in het land. Het Chinese regime hoopt via Myanmar toegang te krijgen tot de Indische Oceaan, wat belangrijk is in de ‘nieuwe zijderoute’. De legerleiding – destijds verantwoordelijk voor een dictatoriaal regime dat zich modelleerde op Mao’s China – probeert vandaag wanhopig de Chinese steun voor de coup te behouden. Het Chinese regime weigert de staatsgreep te veroordelen en spreekt over een “herschikking van de regering.” Toch moest de Chinese ambassadeur in Myanmar, Chen Hai, erkennen dat de huidige situatie “absoluut niet is wat China wil zien.” Ongetwijfeld bedoelt Chen Hai daarmee dat het Chinese regime liefst geen massaprotest in de regio ziet. De minister van Buitenlandse Zaken van Singapore, naast China een belangrijke handelspartner van Myanmar, verklaarde dat hij hoopt dat het Aziatisch blok ASEAN een “discrete constructieve rol” kan spelen om de “terugkeer naar normaliteit en stabiliteit in Myanmar te faciliteren.” De Indische premier Modi, die in het verleden goede banden had met legerleider Min Aung Hlaing, houdt zich zoveel mogelijk op de vlakte over de gebeurtenissen in het oostelijke buurland.

De houding van de grootmachten tegenover de militaire coupplegers mag dan al verschillen, ze hebben met elkaar gemeen dat ze liefst zo snel mogelijk het einde van de massabeweging zien.

Hoe verder?

De huidige beweging toont de kracht van de werkende klasse, ook in een land waar de meerderheid van de bevolking in de landbouw actief is. De werkende klasse in actie trekt de bevolking op het platteland mee. Er wordt vooral betoogd voor democratische eisen en tegen de militaire dictatuur, maar het is duidelijk dat elke democratische eis al gauw een sociaal karakter krijgt. Het breken van de macht van de legerleiding betekent onvermijdelijk ook het breken van de economische positie ervan en het in vraag stellen van het volledige systeem. Het openen van de economie voor privaat initiatief en buitenlandse bedrijven vanaf 1988 betekende voor de meerderheid van de bevolking geen sociale vooruitgang. Zelfs voor het afdwingen van democratische eisen, moet het volledige systeem bestreden worden. Enkel een socialistische maatschappijverandering kan deze eisen reële inhoud geven. Daartoe moeten de sleutelsectoren van de economie, inclusief de natuurlijke rijkdommen, genationaliseerd worden. Geen nationalisaties zoals na 1963 in handen van een kleine kliek aan de top, maar onder democratische controle van de bevolking.

Om de beweging richting te geven, moet er discussie zijn over de eisen en een alternatief op een systeem waarin het leger een centrale rol speelt. Stakerscomités en actiecomités in de bedrijven, wijken en dorpen zijn nodig om de volgende stappen van het protest democratisch te bespreken en met een zo groot mogelijke betrokkenheid te organiseren. Dergelijke comités zijn ook noodzakelijk om de verdediging tegen repressie te organiseren. Deze comités moeten zich coördineren op lokaal en nationaal vlak, waarbij tegelijk elementen van het dagelijks bestuur worden opgenomen zoals de organisatie van de distributie van voedsel, medische zorgen en andere dringende behoeften. Een duidelijke leiding voor de beweging zou een aantrekkingskracht uitoefenen op gewone politie-agenten en soldaten. Deze elementen van dubbelmacht zouden de basis leggen voor een ander type samenleving. Een grondwetgevende vergadering verkozen door de werkende klasse, de bevolking op het platteland en de onderdrukten zou daar richting aan kunnen geven.

De meest dringende stappen in deze fase van de beweging zijn de structurering ervan en de discussie over eisen en alternatieven. Beide elementen gaan uiteraard samen: structurering van de beweging zal onvermijdelijk leiden tot inhoudelijke discussies en anderzijds vereist maatschappijverandering de uitbouw van hefbomen waarmee deze verandering kan gerealiseerd worden. Revolutionairen, zoals de leden van International Socialist Alternative, zouden uiteraard een actieve rol spelen in dergelijk proces en steevast pleiten voor socialistische maatschappijverandering. Doorheen een massabeweging kan een dergelijk programma snel een breed gehoor vinden, maar zelfs dan is er uiteraard nog een organisatie van revolutionairen nodig om dit programma te ontwikkelen, verfijnen en ingang te doen vinden zodat het een materiële factor wordt.

De beweging staat sterker als het elke poging van verdeel-en-heers beantwoordt met eengemaakte strijd. Dit betekent dat aandacht voor nationale eisen en gevoeligheden essentieel is, zeker in een land met meer dan 135 etnische groepen. Het militaire regime heeft een lange traditie van geweld tegen minderheden, van de uitdrijving van honderdduizenden Tamils in de jaren 1960 onder Ne Win tot de vervolging van de Rohinya-moslims in het noordwesten van het land die vanaf 2015 tot in het extreme werd opgedreven. De NLD van Aung San Suu Kyi heeft zich medeplichtig gemaakt aan de onderdrukking van minderheden. De protestbeweging moet daar tegen ingaan. Het bijeenbrengen van werkenden en onderdrukten van de Bamar meerderheidsbevolking met Shan, Karan, Rakhine, Chinezen … maakt de beweging de sterker. Deze eenheid vereist respect en dus het erkennen van het zelfbeschikkingsrecht.  Terwijl wij geen voorstander zijn van het zwaaien met nationale of regionale vlaggen, was het op zich positief dat op betogingen tijdens de algemene staking van 22 februari uitdrukkelijk vlaggen van verschillende nationale minderheden werden meegedragen door de actievoerders. Een programma dat het recht op zelfbeschikking erkent kan dit instinctieve gevoel vorm geven zodat het een krachtig argument wordt om de beweging verder te versterken onder alle etnische groepen.

Dit zijn een aantal centrale elementen van onze socialistische benadering die erop gericht is om het kapitalisme omver te werpen en te vervangen door een socialistische samenleving met een democratische planeconomie waarin de enorme rijkdom van het land samen met de creatieve en jonge werkende klasse ten volle kunnen ingezet worden in het belang van de volledige bevolking. Zo’n stap zou meteen een enorm gehoor in de regio en de rest van de wereld krijgen.

 


Annex. Hoe we hier gekomen zijn – enkele elementen uit de geschiedenis

Om de huidige situatie te begrijpen, is het nuttig om enkele aspecten van de historische context aan te halen.

Van Britse kolonie tot onafhankelijkheid

Het gebied dat vandaag Myanmar vormt, werd door de Britten gekoloniseerd en vormde onderdeel van India. De Britten waren meesters in het gebruik van verdeel-en-heersmethoden waarbij de meerderheidsbevolking in Birma achtergesteld werd. Het antikoloniale verzet, dat vooral onder de studenten sterk stond, dwong in 1937 af dat Birma voortaan als een afzonderlijke Britse kolonie zou gezien worden, los van India dus.

Eén van de bekendste leiders van het verzet tegen de Britse kolonisatoren in Birma was Bogyoke Aung San, de vader van Aung San Suu Kyi. Maar ook de latere dictator Ne Win was een prominente strijder. Het antikolonialisme werd beperkt tot een nationalistische visie waarbij er geen fundamenteel antwoord kwam op de sociale omstandigheden voor de meerderheid van de bevolking. Sociale thema’s werden enkel in woorden opgenomen, niet in daden.

Aung San stond in de jaren 1930 mee aan de wieg van de Communistische Partij in het land, maar aarzelde samen met anderen niet om Japan te steunen in de Tweede Wereldoorlog. Het feit dat Japan aan de kant van de nazi’s stond en overging tot een brutale onderwerping van de lokale bevolking, werd ondergeschikt gemaakt aan het argument dat de Britten tenminste weg waren. De vijand van mijn vijand is mijn vriend, was het argument om met de Aziatische bondgenoot van het fascisme in zee te gaan. Het was onder de Japanse bezetting dat de dodenspoorweg van Birma naar Thailand werd aangelegd, een operatie waarbij tienduizenden doden vielen en die nadien bekendheid kreeg door de roman ‘Brug over de rivier Khwae’.

Het feit dat de Japanners het marionettenregime in Birma aan de kant schoven wegens te eigenwijs zorgde er samen met de geallieerde opmars in de Wereldoorlog voor dat Aung San en zijn nationalisten van kamp wisselden. Ze vormden de ‘Anti-Fascistische Organisatie’, later omgevormd tot de Anti-Fascistische Volksbevrijdingsliga. Ze keerden zich tegen de Japanners en begonnen onderhandelingen met de Britten. Die kwamen in 1945 terug in Birma, maar konden niet langer eenzelfde economische en militaire rol spelen. De VS en de Sovjetunie kwamen als dominante wereldmachten uit de oorlog. Bovendien verdween het antikoloniale verzet niet.

In Birma was er in 1946 een algemene staking waarmee ook hier de algemene revolte in de kolonies tot uiting kwam. Het Britse Rijk moest wel instemmen met onafhankelijkheid. In januari 1947 ondertekende Aung San een akkoord met de Britten om het land binnen het jaar onafhankelijk te maken. Nog voor die formele onafhankelijkheid op 4 januari 1948 tot stand kwam, werd Aung San vermoord. Voor veel Birmezen blijft Aung San een held van de onafhankelijkheidsstrijd, het feit dat hij geen rol kon spelen in de chaos na de onafhankelijkheid heeft dat nog versterkt.

Over een aantal fundamentele punten waren Aung San en de nationalisten bijzonder onduidelijk. Het akkoord van 1947 bepaalde dat Birma een unie zou vormen met rechten voor etnische minderheden die het recht zouden hebben om na tien jaar de unie te verlaten. Een bevolkingsgroep zoals de Karen die onmiddellijke onafhankelijkheid eiste, werd echter niet in het akkoord opgenomen. De opvolger van Aung San, U Nu, probeerde een gecentraliseerde eenheidsstaat op te leggen zonder rechten voor de minderheden. Dat leidde tot etnische guerrilla die tot op vandaag een rol speelt in het land.

Een ander fundamenteel punt was het gebrek aan alternatief op het kapitalisme. De nationalisten beweerden voor een ‘sociaal democratisch beleid’ te staan waarbij delen van de industrie werden genationaliseerd. Het ging echter om gezamenlijk bezit van de industrie door de overheid en grote buitenlandse bedrijven. De rijstexport kwam nooit terug op het niveau van voor de oorlog. De economie zakte steeds verder weg, enkel het leger kreeg steeds meer middelen. Tegen eind jaren 1950 ging 30% van de overheidsuitgaven naar het leger.

Dat is de achtergrond waartegen de militaire staatsgreep door generaal Ne Win in 1962 plaatsvond. De poging tot vestiging van een stabiel kapitalistisch onafhankelijk Birma maakte geen kans in het tijdperk van het imperialisme.

Militaire dictatuur naar Chinees en Russisch model

Een deel van de legerleiding rond generaal Ne Win zocht naar een uitweg uit de impasse en de instabiliteit. Ze baseerden zich op de bankroete middenklasse in de steden en op de bevolking van het platteland. Er werd gekeken naar het model van Mao in China, zelf gebaseerd op de karikatuur van het Russische stalinisme anno 1949 en niet op het model van de Bolsjewieken in 1917. Dit was niet zozeer een bewuste keuze voor een ‘socialistische’ samenleving, maar wel een poging om tussen de klassen te balanceren om een grotere stabiliteit tot stand te brengen. Elementen van een bureaucratisch geplande economie werden gekoppeld aan een bewind van ‘orde en tucht’ waarbij democratische rechten aan de kant werden geschoven, inclusief de rechten van nationale minderheden. Er kwam een éénpartijstaat onder leiding van de Birmese Socialistische Programma Partij (BSPP).

Onder het regime van Ne Win werden alle buitenlandse bedrijven, banken en grote bedrijven genationaliseerd. Het kapitalisme werd uitgeschakeld. De machthebbers hadden het over de “Birmese weg naar het socialisme”, maar het was een karikatuur van socialisme. Het was een imitatie van het stalinisme in de Sovjetunie en China aangevuld met Boeddhistische retoriek en nationalisme. Een kleine elite hield alle touwtjes in handen, de oppositie werd onderdrukt.

Het regime van Ne Win bouwde een indrukwekkende legermacht op. Aanvankelijk genoot het regime op het platteland een brede steun. Het kwijtschelden van alle schulden van de boeren aan de banken, de overheidsleningen aan de boeren, het invoeren van tractoren uit Tsjecho-Slowakije en andere maatregelen zorgden voor die steun. Ook was er een versterking van het onderwijs, tegen 1986 konden 86% van de mannen en 74% van de vrouwen lezen en schrijven.

Maar tegelijk bleven de tegenstellingen tussen het platteland en de industriële ontwikkeling bestaan en kwam er ook geen antwoord op de nationale kwestie. Het enige antwoord van het regime op de bestaande tegenstellingen bestond uit repressie gecombineerd met extreem nationalisme en xenofobie. Het economische isolement en de erg primitieve planning van de economie met bureaucratische controle vormden een rem op iedere verdere ontwikkeling.

Toen in de jaren 1980 de prijzen voor grondstoffen begonnen te zakken, werd de situatie helemaal onhoudbaar. Ne Win voerde een devaluatie van de munt door, er was een inflatie van 200 tot 500%. Dat was de achtergrond waartegen de opstand van 1988 plaatsvond.

Studentenopstand en algemene staking van 1988

In maart 1988 werd een student vermoord door het leger. Het kwam onmiddellijk tot protestacties aan de universiteit van Yangon. De politie reageerde met dodelijke repressie, 41 studenten kwamen in politiewagens om door verstikking toen ze naar de gevangenis werden gebracht. De protestbeweging die daarop volgde, zou het voortbestaan van het regime bedreigen.

De hele lente en zomer waren er grote protestacties voor democratie, economische hervormingen en het vervolgen van de militaire moordenaars. De studenten kregen steun van syndicalisten die arbeiderscomités vormden in de bedrijven. Monniken en ambtenaren kwamen in actie.

Ne Win probeerde het protest te stoppen door af te treden als partijleider en met de belofte om een referendum te houden over het eenpartijstelsel. Achter de schermen bleef hij de touwtjes in handen houden. Het protest ging door en bouwde zich verder op.

Op 8 augustus 1988 lag het land volledig plat door een algemene staking waarbij miljoenen betogers de straat op kwamen. Er vielen honderden gewonden en ook doden. Maar de opstand hield aan met betogingen, stakingen en rellen. Het regime kreeg het steeds moeilijker, de repressie was enkel mogelijk door soldaten van andere etnische groepen tegen betogers in te zetten. Het loon van de soldaten werd met 45% opgetrokken om hun steun te behouden. Onder druk van het protest beloofde het regime economische hervormingen.

Deze aankondigingen werden op vreugde onthaald, maar de betogingen gingen verder. Eind augustus was er een nieuwe algemene staking van onbepaalde duur. In verschillende dorpen en steden namen ‘volkscomités’ de controle over. De generaals waren machteloos, de straat nam de macht over. Het probleem was echter een gebrek aan coördinatie en alternatieve leiding. Het ontbrak de opstand aan eigen georganiseerde kanalen en een politieke leiding om de opstand te wapenen met een democratisch socialistisch programma.

Een aantal figuren speelde op de beweging in. De meeste steun daarbij ging naar Aung San Suu Kyi, een toevallige leider van de beweging. Ze was net vanuit Groot-Brittannië naar Birma teruggekeerd om haar zieke moeder te verzorgen. Omwille van de autoriteit van haar vader en door het ontbreken van enige banden met zowel het militaire regime als de democratische voorloper ervan die verandering kon teweegbrengen, was Aung San Suu Kyi een ideaal symbool.

De aankondiging van verkiezingen leidde tot de oprichting van een nieuwe partij: de Nationale Liga voor Democratie, die geleid werd door Aung San Suu Kyi. De NLD genoot massale steun in alle delen van het land. Het alternatief van de partij was echter allesbehalve duidelijk. Aung San Suu Kyi benadrukte van het begin de ideeën van “eenheid” en “dialoog” met het militaire regime. De toegevingen van de dictatuur waren niet gericht op dialoog maar op het winnen van tijd om de controle over het land opnieuw te verwerven. De enige ‘ideologie’ van het regime was steeds het behoud van de eigen macht.

Veranderingen na 1988

Omdat de revolutie onvoltooid bleef, konden de militairen de zaken terug in handen nemen. Belangrijke oppositieleiders werden opgepakt. Er kwam een nieuwe sterke man, Saw Maung, die dicht bij Ne Win stond. De nieuwe militaire leiding nam de naam SLORC (State Law and Order Restoration Council) aan, later omgedoopt tot de State Peace and Development Council (SPDC). De SLORC schrapte de verwijzingen naar socialisme en gaf het land de nieuwe naam Myanmar. De verkiezingen van 1990 leverden een overwinning voor de NLD op (de partij haalde 60% van de stemmen), maar de militaire leiding had tegen dan de protestbeweging gebroken en erkende de verkiezingsresultaten niet.

De militaire dictatuur werd hersteld. Economisch waren er wel grote veranderingen: het land werd opengesteld voor buitenlandse kapitalisten die interesse toonden in de omvangrijke natuurlijke rijkdommen van het land. Thaïse bedrijven konden tekeer gaan in de grote teakbossen. Later volgden ook bedrijven uit Japan, Singapore, China … Het oliebedrijf werd verkocht aan verschillende bedrijven, waaronder het Franse Total, het Amerikaanse Chevron en het Thaise PTT. De legerleiders zelf zorgden ervoor dat hun economische positie behouden bleef bij privatiseringen.

Het ‘nieuwe economische beleid’ leverde niet de gewenste resultaten op. Het gebrek aan infrastructuur, de corruptie en de onmogelijkheid om een plaatsje op de reeds door imperialistische machten gedomineerde kapitalistische wereldmarkt te veroveren, speelden daarbij een rol. Het leidde tot spanningen aan de top, aangevuld met nieuw protest van onderuit. In 2007 waren er acties tegen de stijgende energieprijzen. Dat groeide uit tot nationale betogingen van boeddhistische monniken. Ook daartegen was er repressie, er vielen minstens 31 doden.

Verkiezingen van 2010-12 en opening internationale relaties

Protest tegen de vervolging van de Rohinya in 2015 in Antwerpen.

Net als in 1988 werd op de beweging van 2007 gereageerd met de belofte van verkiezingen. Opnieuw zouden die verkiezingen pas enkele jaren later gehouden worden. Na 1988 was het tot 1990 wachten op verkiezingen, na de beweging van 2007 volgden de verkiezingen van 2010. Deze werden volledig gecontroleerd door het leger en daarom geboycot door de NLD. Bij tussentijdse verkiezingen voor 45 zetels (van de 664) in 2012 nam de NLD wel voor het eerst sinds 1990 deel en haalde het 41 verkozenen. De Union Solidarity and Development Party (USDP) van Thein Sein was de partij van het leger.

Na jaren van huisarrest trad Aung San Suu Kyi het parlement binnen en ging ze akkoord met het leger om samen een regering te vormen. Met de NLD als kleine partner was dit nog aanvaardbaar voor het leger. Aung San Suu Kyi opende internationale deuren die voorheen gesloten bleven en bovendien was de machtsdeelname van de NLD een krachtig wapen om intern protest in het land te stoppen. De grootste zwakte van de NLD was eens te meer het gebrek aan een alternatief: de partij stapte in een neoliberaal beleid gericht op de winsten van de grote bedrijven, inclusief de door militairen en hun marionetten geleide bedrijven. Bovendien werd repressie tegen minderheden ondersteund en bracht de NLD steeds meer een nationalistisch discours.

Bij de verkiezingen van 2015 haalde de NLD een meerderheid in het parlement, ondanks het feit dat een kwart van de zetels zonder verkiezingen door het leger werd ingenomen. De NLD vormde een regering zonder de USPD van Thein Sein, maar bleef met het leger samenwerken. De verkiezingen van 2020 bevestigden de positie van de NLD die nog licht vooruitging inzake zetels. Die overwinning toonde vooral een grote afkeer tegenover het leger.

Delen:
Printen:
Voorpagina van De Linkse Socialist