Joachim Coens. Foto: Wikimedia

Bij één van de vorige politieke crisissen in dit land, stelde toenmalig CD&V-kopstuk Dehaene voor om geen staatshervorming te doen en slechts een tijdelijke regering op de been te brengen. Dehaene wist dat dit onaanvaardbaar was voor N-VA, in 2007 de kartelpartner van CD&V. Hij schreef op zijn nota de veel besproken woorden: “Quid N-VA?”. Was N-VA bereid om het ‘staatsbelang’ centraal te stellen of niet? Uiteindelijk zou N-VA in 2008 uit de regering-Leterme stappen en was het kartel verleden tijd. Vandaag werpt zich stilaan de vraag op wat het lot van de christendemocratie is: ‘Quid CD&V’?

In de hoogdagen van de christendemocratie – ruwweg tot eind jaren 1960 – werden scores tot boven de 40% gehaald. Dit was het resultaat van een beleid van klassenverzoening waarbij verschillende standen bediend werden. Het verzet van de arbeidersbeweging werd afgekocht door het afvijlen van de scherpe kantjes van de burgerlijke politiek. Daar blijft vandaag niet veel van over. CD&V doet zelfs geen poging meer om het ACV te vriend te houden. In de Vlaamse regering kreeg Wouter Beke de taak om het middenveld aan te vallen. Hij doet dit zonder morren en met een arrogantie die het protest verder aanwakkert. Na de verkiezingen van mei vorig jaar was er voorzichtige kritiek van ACV-toppers op de rechtse koers van CD&V en het asociale karakter van de Zweedse regering, die daarvoor net electoraal was afgestraft. De reactie van de CD&V-top was opmerkelijk hard: zo sterk als het ACV werd bekritiseerd, klonk de kritiek op N-VA de afgelopen weken nooit. De lijm tussen CD&V en N-VA lijkt sterker dan die met het ACV.

Niets lijkt erop te wijzen dat CD&V opnieuw een brede partij kan of zelfs wil worden, met daarin zowel vertegenwoordigers van de arbeidersbeweging als van de burgerij. CD&V plakt zich vast aan N-VA. Mogelijk doet de partij dit vanuit politieke berekeningen: de hoop om de verantwoordelijkheid voor de politieke crisis naar anderen door te schuiven. Ook in Vlaanderen denkt 40% dat vooral N-VA verantwoordelijk is voor de impasse (peiling in Het Nieuwsblad, 1 februari). Het is echter een erg onzekere gok indien CD&V hoopt dat het daarvan kan profiteren. Er is in de maatschappij gelatenheid tegenover de politieke impasse en tegelijk afkeer van de traditionele politiek. Dat maakt dat CD&V in geen enkel scenario echt kan winnen: als er alsnog een regering zonder N-VA komt, zal de lange duur van de regeringsvorming aan CD&V toegeschreven worden. Bij nieuwe verkiezingen wordt Vlaams Belang wellicht de grote winnaar in Vlaanderen, ten koste van zowel CD&V, N-VA, VLD als SP.a. De laatste peilingen zetten CD&V rond de 11%, nog eens een pak minder dan bij de verkiezingen van mei.

De historische neergang van CD&V is niet louter toe te schrijven aan de huidige generatie partijleiders, er is een breder failliet van de traditionele partijen. Het afkopen van sociale vrede zit vandaag net zoals het sociaal overleg in het algemeen in een impasse: de winsthonger van de kapitalisten laat geen ruimte voor sociale toegevingen. Het maakt dat de ruimte voor een ‘volkspartij’ erg klein is, terwijl tegelijk de concurrentie op de rechterzijde erg groot is. Bij dit alles is de belangrijkste vraag voor de arbeidersbeweging wat de ACV’ers doen. De breuk met CD&V wordt door die partij zelf keer op keer bevestigd. Om de eigen eisen op de politieke agenda te zetten, kan het ACV niet op CD&V rekenen. Het zal enkel door strijd gebeuren en daarin zal de noodzaak blijken van een eigen politiek verlengstuk van werkenden en jongeren.