Leidt de overwinning van Bush tot een nieuwe wereldwanorde? (deel 1)

Het resultaat van de Amerikaanse presidentsverkiezingen is voor heel wat mensen, zowel in de VS als de rest van de wereld, een ontgoocheling nadat ze gehoopt hadden op een nederlaag van het gehate regime van Bush. In een uitgebreid document gaan we na wat het belang van de verkiezingen was en wat de impact van het resultaat zal zijn. In het eerste deel wordt ingegaan op de verkiezingsoverwinning van Bush en de economische achtergrond waartegen Bush zijn tweede ambtstermijn aanvat.

Analyse door het CWI

Met een meerderheid in beide kamers van het parlement, heeft Bush al aangegeven dat hij daar volop gebruik van wil maken om een programma van verdere toegevingen aan de rijken door te voeren en tevens om zijn imperialistische buitenlandse agenda verder te zetten. “Ik heb nieuw politiek krediet verdiend en zal dit gebruiken voor hetgeen ik gezegd heb het te zullen gebruiken.”

Terwijl het geen zin heeft om voorbij te gaan aan de complicaties van de overwinning van Bush, zowel in de VS als elders ter wereld, zou het tegelijk ook fout zijn om de schaal van de electorale “triomf” van Bush te overdrijven. Bush en de neo-conservatieven zijn zoals de oude leden van het koningshuis van Bourbon, ze vergeten niets en ze leren niets. Geen avontuur of verdere militaire interventie is hen teveel, zoals in Irak wordt aangetoond. Maar Irak toont ook aan dat ze moeten opboksen tegen enorme oppositiekrachten zowel in de VS als elders. De realiteit is dat de verkiezingen, zoals marxisten steevast uitleggen, een foto vormen van een bepaald specifiek historisch ogenblik. De omstandigheden die leiden tot een bepaald resultaat – zoals de overwinning van rechtse krachten – kan veranderen, en kan soms bijzonder snel veranderen.

De oppositie tegen Bush, vooral in de VS, kan tijdelijk in het defensief geduwd zijn door de verkiezingsoverwinning van Bush, maar de schaal van de aanvallen die voorbereid worden voor deze tweede ambtstermijn zijn van die aard dat de oppositie onvermijdelijk zal terugkomen. Bovendien is er een minderheid van de meest bewuste lagen die niet aangetast is door de verkiezingen, zeker onder de frisse lagen van jongeren en arbeiders. Zij zullen op zoek gaan naar antwoorden op vragen over de aard van de samenleving en het VS-kapitalisme, waarbij een aantal van hen radicale conclusies zal trekken en zelfs komen tot socialistische en marxistische opvattingen. Iedere actie leidt tot een gelijke en tegengestelde reactie.

De verkiezingen hebben niet op een beslissende wijze de krachtsverhoudingen in de VS veranderd, of de verhouding tussen de VS en de rest van de wereld veranderd. Kerry en de Democraten gaven voordien reeds aan dat hun kritiek op Bush vooral betrekking had op de stijl en niet zozeer op de inhoud. Dat is niet hoe het gezien werd door de massale oppositie tegen Bush. De geschatte toename in de opkomst, zo’n 10%, maakt dat de opkomst de hoogste was in 30 jaar tijd. Dat is een uitdrukking van de oppositie en de haat bij grote delen van de VS-samenleving, zeker onder delen van de jongeren en de meerderheid van de Afro-Amerikanen. Een nederlaag van Bush zou door hen gezien worden als een afwijzing van de militaire strategie van de neo-conservatieven – “preventieve aanvallen” – de oorlog en de semi-militarisering van de VS-samenleving. Dat zou zeker het geval geweest zijn bij de miljoenen deelnemers aan de nooit geziene anti-oorlogsbeweging van vorig jaar. Het zou gezien worden als een gedeeltelijke “compensatie” voor het feit dat de anti-oorlogsbeweging er niet slaagde om de oorlog tegen te houden.

Deze groei van oppositie was echter niet voldoende om een tegengewicht te bieden voor de mobilisatie van miljoenen christelijke fundamentalisten die in 2000 niet stemden, maar nu gemobiliseerd werden om te stemmen voor een reactionair programma tegen abortus, holebi-rechten en steun voor de “oorlog tegen het terrorisme”. Bush en de neo-conservatieven rond hem, zullen de verkiezingsoverwinning ongetwijfeld aanzien als een instemming met een agressieve imperialistische opstelling. De overwinning van Bush zal door de bevolking van de VS, laat staan elders in de wereld, echter niet gezien worden als een goedkeuring van zijn beleid of een instemming met “meer van hetzelfde” in de komende vier jaar. In tegendeel, het falen van het VS-imperialisme in Irak en de catastrofale gevolgen voor haar positie zullen de mogelijkheden voor Bush sterk beperken. In plaats van een assertieve militaire politiek gericht op interventies, zal Bush verplicht zijn om een politiek te voeren zoals die ook door Kerry werd beloofd: het zoeken van een gewapende vrede met Syrië, Iran en Noord-Korea in plaats van een militaire tussenkomst om die regimes omver te werpen.

Dat sluit niet uit dat er militaire interventies zullen zijn door de VS of dichte bondgenoten zoals Israël tegenover “schurkenstaten”. Israël bombardeerde reeds de nucleaire installaties van Irak onder het regime van Saddam, Reagan bombardeerde het Libië van Kadaffi en viel binnen in Granada. Het bombarderen van nucleaire installaties in Iran door Israël kan niet uitgesloten worden. Maar dat zal echter sterk afhankelijk zijn van de interne politieke situatie in Israël, een politieke situatie die veel onstabieler is dan in de periode toen het Irak bombardeerde. Met het falen in Irak vers in het geheugen, is een oorlog tegen Iran met een bezetting niet waarschijnlijk. Iran heeft drie keer meer inwoners dan Irak en, ondanks de illusies over de aantrekkelijkheid van Amerikaanse levensstandaarden, zou een aanval leiden tot een versterking van een Iraans nationalisme, een element dat sterk aanwezig was in de revolutie van 1979-80 en een essentieel kenmerk van het huidige regime vormt. Ondanks de massale oppositie tegen de Islamitische “hardliners”, zou de bevolking bij een Amerikaanse aanval ongetwijfeld met het regime meevechten.

Geen rustige periode

Dat betekent niet dat de VS en de wereld een “rustige” periode zullen kennen. Het feit dat Bush aan de macht blijft en omringd wordt door neo-conservatieven die zich ideologisch baseren op de joods-christelijke fundamentalistische rechterzijde, zal leiden tot een nieuwe periode van unilateralisme, Amerikaans nationalisme en imperialisme op wereldvlak. De enorme militaire macht van de VS kwam tot uiting bij het begin van de oorlog, maar in de oorlog tegen het verzet tegen de bezetting worden de beperkingen van de militaire macht duidelijk. Zelfs volgens Bush is de wil groter dan de macht. Met andere woorden: de wil is er wel om op te treden als “politieman van de wereld” in de “oorlog tegen het terrorisme”, maar dit wordt ondermijnd door de verzwakte economische situatie. De bedoelingen van de VS komen ook tot uiting in het moeras waarin Irak vandaag beland is.

De steeds grotere militaire kosten, samen met de beperkingen op vlak van militaire mankracht, vormen een test voor de enige militaire supermacht van de wereld. Zoals Peter J. Petersen schreef in het magazine Foreign Affairs: “Gedurende het grootste deel van de geschiedenis van de VS, leek het voeren van een oorlog op het organiseren van een grootschalig nationaal programma op jobs te creëren, waarbij het meeste werk werd verricht door onervaren snel opgeleide rekruten. Vandaag lijkt het meer op de maanmissie van de NASA, waarbij er nood is aan een enorme logistieke ondersteunen met een professioneel geleid en soepel orgaan van hoogtechnologische krachten. Twee divisies één week inzetten voor ‘stabiliteitsoperaties’ in Irak kost 1 miljard dollar, hen een volledig jaar inzetten kost evenveel als het volledig BNP van Nieuw-Zeeland.” Voor de ontwikkeling en productie van wapens wordt nu voorzien in een budget dat zal stijgen tot meer dan 100 miljard dollar tegen 2010 – terwijl het na de koude oorlog in de jaren 1990 teruggevallen was op 50 miljard dollar. Dat budget is hoger dan de piek onder Reagan. De grote investeringen in defensie leiden er toe dat het totale defensiebudget veel hoger zou kunnen zijn dan de officiële vooruitzichten van de regering. Met de intrestkosten inbegrepen zou meer dan 1,1 triljoen dollar gespendeerd worden waardoor de begroting zwaar onder druk komt te staan.

Tegelijk zien we dat de VS geconfronteerd wordt met een ernstige militaire overstretch. Zelfs met de hulp van de reservisten en de Nationale Garde kan dit niet vermijden dat er een overbelasting van het leger is. In december 2003 werden slechts 2 op de tien divisies van het leger niet ingezet of in hoge staat van paraatheid. (‘Foreign Affairs’) Bovendien zijn de militaire uitgaven niet zo sterk onderbouwd zoals dat in het verleden het geval was door de economische sterkte van het VS-imperialisme. De VS leent nu meer dan 540 miljard dollar per jaar van de rest van de wereld om de schulden te betalen die veroorzaakt worden door de Amerikaanse consumptie en diensten. Dit cijfer zal wellicht nog stijgen. Dit nooit geziene tekort wordt ofwel betaald door directe leningen, ofwel door de verkoop van Amerikaanse bezittingen aan buitenlandse bedrijven, en dat van voorraden tot bedrijven en vastgoed.

De VS voert dagelijks zowat 4 miljard dollar buitenlands kapitaal in, waarbij de helft daarvan nodig is om het tekort op te vullen en de andere helft dient voor buitenlandse investeringen. Dit tekort is groter dan onder Reagan in 1987, toen de dollar een derde van haar waarde verloor en de beursen in elkaar stortten op “Zwarte Maandag”. Bovendien zal het tekort blijven groeien. Zoals Petersen schreef in ‘Foreign Affairs’: “Als er niets verandert, zou het lenen blijven voortduren tot buitenlanders alles in de VS bezitten. Een stijging van de intrestvoeten (om investeringen te ontmoedigen) en een daling van de dollar (om import te ontmoedigen en export aan te trekken) zou geleidelijk het tekort kunnen dichten. Dat tekort zal niet volledig verdwijnen, maar het zal voldoende afnemen om het buitenlandse aandeel in de VS-economie te stabiliseren.” Fred Bergsten, directeur van het Instituut voor internationale economie, stelt: “We begrijpen eindelijk de echte betekenis van voorzieningseconomie. Buitenlanders voorzien de meeste goederen en al het geld.” Die situatie kan niet onbeperkt blijven duren.

Economische basis ondermijnd

De langdurige economische achteruitgang in de VS, in het bijzonder bij de nieuwe technologie en de industrie, bedreigt de positie van de VS als dominante wereldmacht. Het aantal patenten dat vandaag geclaimd wordt door wetenschappers in Azië, vooral in China, Singapore, Zuid-Korea en Taiwan, neemt toe. Indische bedrijven worden snel de tweede grootste producent van diensten waarbij zowel de ontwikkeling als het beheer van databanken en andere software voor hun rekening wordt genomen. Zuid-Korea vormt meer en meer een concurrent voor de VS op vlak van het produceren van computerchips en software voor telecommunicatie. China heeft indrukwekkende vooruitgang geboekt op vlak van technologie zoals lasers, biotechnologie en geavanceerd materiaal dat gebruikt wordt in semi-conductoren, de luchtvaart en andere terreinen. Het klopt dat de technische dominantie van de VS vrij stevig blijft. Maar de globalisering van onderzoek en ontwikkeling zet het Amerikaanse systeem onder druk. De VS leert dat globalisering een mes met twee kanten is. Het is zowel een katalysator voor de technologische vernieuwingen in de VS als een bedreiging voor haar vroegere dominantie. De VS spendeert twee keer zoveel als Japan voor onderzoek en ontwikkeling (Japan is de tweede grootste factor op dit gebied) en in 2002 werd meer uitgegeven dan in Canada, Frankrijk, Duitsland, Italië, Japan en Groot-Brittannië samen. Tegelijk werd op vlak van onderzoek en ontwikkeling meer uitgegeven dan het BNP van Finland, IJsland, Japan, Zuid-Korea en Zweden. De VS leidt nog steeds de globale technologiemarkt, zeker op vlak van informatie- en communicatietechnologie. Maar tegelijk vormen de stijgende begrotingstekorten en de toenemende druk van de intrestbetalingen ervoor dat dit een grotere hap uit het overheidsbudget voor onderzoek en ontwikkeling wegneemt.

Bovendien staan private onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten onder druk omwille van de vertraging op economisch vlak. Dat heeft op zijn beurt een gevolg op de productiviteit van Amerikaanse wetenschappers en onderzoekers (38% van de Amerikaanse onderzoekers die doctoreren zijn buiten het land geboren, van de doctoraten op wetenschappelijk vlak die toegekend werden aan buitenlandse studenten waren er in de 15 jaar voor 2000 meer dan de helft voor studenten uit China, India, Zuid-Korea en Taiwan). De beperkingen op de toegang van vreemde studenten in de VS hebben nieuwe beperkingen ingebouwd, waardoor Chinese en Indische wetenschappers eerder in hun eigen land blijven. Er ontstaat heel wat nieuwe technologie in de regio rond Shanghai in China, Bangalore in India en Shinchu in Taiwan.

Dit is deels gebaseerd op de aanwezigheid van een grote voorraad van goedkope arbeidskrachten, maar wetenschappers die in de VS opgeleid zijn hebben mee geholpen om deze centra te ontwikkelen waardoor ze vandaag, volgens een Amerikaanse commentator, in China “in staat zijn om gelijk welk project op vlak van software of management uit te voeren waar men in de VS toe in staat is.” In India zijn er hoog opgeleide software “architecten” die tewerk gesteld worden door VS-multinationals. De burgerlijke economische commentatoren vrezen dat de economische problemen in de VS zullen leiden tot een beperktere financiering van wetenschappers, wat “één van de steunpilaren van de toekomstige economie en technologische gezondheid van het land” zou verzwakken.

Delen: Printen: