In 2019 was er de 40e verjaardag van de Iraanse revolutie. Ondanks de brute onderdrukking van de laatste golf van protesten is het dictatoriale regime dat veertig jaar geleden aan de macht kwam, nu veel zwakker en wordt het geconfronteerd met een ernstige crisis. De cruciale vraag is wat de rol van de arbeidersbeweging in Iran moet zijn en welk programma zij nodig heeft om ervoor te zorgen dat de onvermijdelijke massaprotesten die zich verder zullen ontwikkelen, een einde maken aan deze dictatuur.

Dossier door Nina Mo, Sozialistische Linkspartei (onze zusterpartij in Oostenrijk)

De instabiliteit van het Iraanse regime werd opnieuw aangetoond door de protesten die zich tegen het einde van 2019 over het land verspreidden, als onderdeel van de golf van massabewegingen over de hele wereld tegen het neoliberalisme en de corruptie. Er waren dergelijke protesten in Libanon en Irak, waardoor het Iraanse regime als regionale macht steeds meer onder druk kwam te staan. Vooral in Irak waren deze massale protesten expliciet gericht tegen de rol van het Iraanse regime in het land.

Tegelijkertijd heeft de gerichte moord op Soleimani, de commandant van de Al-Quds-eenheid van de Iraanse Revolutionaire Garde in Bagdad, door de VS opnieuw de oorlogsdreiging op de agenda gezet. Moest het tot een oorlog komen, dan zou deze verwoestende gevolgen hebben voor de hele regio.

Soleimani stond aan het hoofd van de pro-Iraanse contrarevolutie in Irak, net als in Syrië, en was een centrale organisator van onderdrukking en militair ingrijpen in eigen land. Aanvankelijk leek het Iraanse regime na zijn moord de stabiliteit op korte termijn te hebben herwonnen door gebruik te maken van de gerechtvaardigde woede over de Amerikaanse aanval. Miljoenen mensen werden gemobiliseerd om Soleimani te herdenken. Maar onder de oppervlakte was de situatie potentieel explosief. Toen het regime na dagen van ontkenning toegaf dat het onbedoeld het Oekraïense passagiersvliegtuig bij Teheran op 8 januari had neergeschoten, braken er nieuwe protesten uit tegen de leugens en de cynische manier waarop het regime met de dode passagiers was omgegaan.

Op- en neergang van het regime

Na de gestolen revolutie van 1979 slaagden de Iraanse mullahs er gedurende lange tijd in een relatief stabiel reactionair theocratisch regime op te bouwen. De dictatuur van de Sjah werd omvergeworpen door massale demonstraties, algemene stakingen en fabrieksbezettingen van de arbeidersklasse voordat de islamitische leider Ayatollah Khomeini en zijn volgelingen zich aan het hoofd van de beweging konden plaatsen en een nieuw dictatoriaal regime instelden. Zij konden dit alleen doen door fatale fouten van links en arbeidersorganisaties tijdens de revolutionaire gebeurtenissen van 1979. Het begrijpen van die gebeurtenissen is cruciaal als we de ontwikkeling van het regime en de diepe crisis waarin het zich nu bevindt, correct willen inschatten.

Onmiddellijk na de revolutie werd het regime door massale druk gedwongen grote delen van de economie te nationaliseren en andere concessies te doen, zoals het subsidiëren van consumptiegoederen en het verstrekken van gratis medische zorg. Gedurende enkele jaren daarna moest Khomeini zijn steun handhaven met een bijzonder populistische retoriek.

Tegelijkertijd werden echter communisten en socialisten vervolgd en vermoord en werd de arbeidersbeweging stuk voor stuk verpletterd. De oorlog met Irak tussen 1980 en 1988, waarin Soleimani zijn militaire loopbaan vestigde, was een andere belangrijke factor in de consolidatie van het regime, dat in de daaropvolgende jaren een theocratisch sociaal systeem consolideerde gebaseerd op propaganda en repressie.

Toen de economische situatie in de jaren negentig verslechterde, gingen de protestbewegingen door, maar het regime werd niet geconfronteerd met de dreiging van omverwerping. Voor een deel komt dit doordat het de anti-imperialistische stemming binnen de bevolking – tot op de dag van vandaag is dat een doorslaggevende stabiliserende factor – massaal uitbuit door middel van propaganda.

Het is mogelijk om het regime grof te verdelen in de zogenaamde “hervormingsgezinde” krachten en de “conservatieve” fracties. De eerste willen niet veel veranderen in het politieke en economische systeem, maar pleiten voor een gedeeltelijke openstelling van de economie voor het Westen en een buitenlands beleid op basis van een bepaald compromis. Zij worden tegengewerkt door de ultraconservatieve hardliners. Naarmate de gebeurtenissen zich ontwikkelen, worden de illusies in een van deze krachten aangewakkerd.

Het falen van de “hervormingsgezinde” krachten, waaronder de huidige president Hassan Rouhani, zorgde voor bittere teleurstelling en leidde, bij gebrek aan een alternatief, tot een conservatief verzet. Aan het eind van de jaren negentig had bijvoorbeeld een belangrijk deel van de arbeidersklasse en de jeugd grote hoop dat Mohammad Khatami democratische en sociale hervormingen zou doorvoeren. Het zogenaamde “hervormingstijdperk” van Khatami eindigde echter na aanvankelijke concessies met een voortzetting van de status quo en zonder nieuwe democratische vrijheden of echte verbeteringen.

Massale protesten en demonstraties tegen het regime, of in ieder geval tegen bepaalde fracties van het regime, zijn gedurende het hele bestaan voortgezet, maar toen de ultraconservatieve hardliner Mahmoud Ahmadinejad in 2005 president werd, namen de woede en het wantrouwen toe. Ahmadinejad leunde op de armste delen van de bevolking en gebruikt daarbij tot op zekere hoogte populistische retoriek, terwijl hij de privatisering en de overdracht van staatsbedrijven aan het leger en de Pasdaran (Revolutionaire Garde) structuren bevorderde. Dit lokte een groeiende woede uit, wat in 2009 culmineerde in massale protesten als reactie op overduidelijke manipulatie van de verkiezingsuitslag. De ‘Groene Beweging’ schudde het regime op dramatische wijze door elkaar. Wekenlang gingen mensen de straat op om democratische rechten en vrijheid te eisen. Het land beleefde zijn diepste crisis sinds 1979 totdat de beweging op brute wijze werd verpletterd, mede door de politieke beperkingen van haar leiders, de lage participatie van de arbeidersklasse en het uitblijven van uitbreiding van de beweging met stakingen en algemene stakingen.

De heerschappij van Ahmadinejad eindigde in 2013. Na acht jaar van het zogenaamde ‘hervormingsgezinde’ presidentschap van Mohammad Khatami en vervolgens acht jaar van de ultraconservatieve Ahmadinejad, werd Rouhani gepresenteerd als compromiskandidaat tussen de hardliners en de hervormers toen hij de verkiezingen van 2013 won, waardoor hij illusies in zijn presidentschap creëerde met democratische beloften. Velen zagen zijn verkiezingsoverwinning als een overwinning op de krachten die de ‘Groene Beweging’ in 2009 op brute wijze hadden verpletterd.

Hij beloofde niet alleen de liberalisering van de betrekkingen met het Westen, maar probeerde ook een einde te maken aan de sancties en het isolement van het land. Hij beloofde ook stappen te ondernemen om de rechten van vrouwen en de vrijheid van pers en meningsuiting te verbeteren. Maar ondanks de aanvankelijke euforie bleken zijn beloften niet meer dan gebakken lucht. Zijn herverkiezing in 2017 was meer het gevolg van een dominante stemming van ‘het mindere kwaad’. De arbeidersklasse – vooral een nieuwe, jonge generatie – is sindsdien steeds meer vervreemd geraakt van het rotte regime, veel meer dan in 2009.

Economische situatie

Het Iraanse regime heeft lange tijd gebruik gemaakt van escalaties in het buitenlands beleid en oorlogsscenario’s om de aandacht af te leiden van de sociale situatie in het land. Dit is de afgelopen jaren zo massaal verslechterd dat het wel tot massale protesten moest komen. Een belangrijke factor bij het uitbreken van de protesten in 2017/18 was de publicatie van de begroting van de regering van Rouhani in december 2017, die massale besparingen op de sociale, onderwijs- en gezondheidsdiensten en een verhoging van de militaire uitgaven met 30% omvatte.

De laatste verhoging van de benzineprijs in november 2019 werd aangekondigd in het kader van een sterke daling van de olie-inkomsten en maakte tegelijkertijd deel uit van een structurele economische agenda van liberaliseringen en privatiseringen. Rouhani en zijn politieke kamp waren vanaf het begin voorstander van een toenemende economische opening naar het Westen. Privatiseringen in Iran dienen ook om de loyaliteit van de heersende elite, de Revolutionaire Garde, hoge ambtenaren, functionarissen, enz. en hun families aan het regime veilig te stellen.

Het klerikale kapitalisme in Iran heeft speciale structuren die hier niet volledig kunnen worden geschetst, maar die belangrijk zijn voor het begrijpen van het verband tussen economische en democratische strijd. Een belangrijke basis van de Iraanse economie is de export van ruwe olie. De staat heeft veel inkomsten te danken aan de controle over de oliehandel. Daarmee kon het regime delen van de arme bevolking relatief passief houden door middel van subsidies voor voedsel, graan, energie en brandstof. In de afgelopen jaren zijn echter talrijke subsidies verminderd of afgeschaft. Als gevolg van de door de VS opgelegde economische sancties na de terugtrekking van Trump uit het nucleaire akkoord in 2018, is de Iraanse olie-export gekrompen, waardoor de klassenpolarisatie in het land en de conflicten tussen de verschillende fracties van het regime zijn geïntensiveerd.

De burgerij was erg zwak onder het regime van de Sjah, en na de revolutie nam de geestelijkheid de controle over de grote bedrijven over, hetzij rechtstreeks via de staatsinstellingen, hetzij via religieuze stichtingen – bonyads. De bonyads zijn grote, op winst gerichte economische ondernemingen die de belangrijkste gebieden van de economie beheersen en die verondersteld worden sociale diensten te co-financieren waardoor ze een zekere sociale basis kunnen opbouwen. Ze hebben hun eigen structuren en beantwoorden alleen aan de ‘Opperste Leider’ Khamenei. Ondanks hun informele banden met het staatsapparaat maken ze formeel geen deel uit van de staat.

Door de structuur van de bonyads hebben de Revolutionaire Gardes meer dan een derde van de Iraanse economie in handen. Net als de meeste andere Iraanse bedrijven zijn ze niet concurrentieel op de wereldmarkt. Daarom hebben de Iraanse Revolutionaire Gardes geen belang bij een economische of zelfs politieke openstelling van het land voor het Westen en proberen ze het proces te blokkeren. Omdat de gardes alle grensovergangen controleren, verdienen ze veel geld door de smokkel die ‘noodzakelijk’ is om de sancties te doorbreken. Daarom voelen ze geen directe druk om concessies te doen om van de sancties af te geraken. Op deze manier zijn de Iraanse Revolutionaire Gardes zowel de sterkste gewapende vleugel van het regime als de belangrijkste sector van het Iraanse kapitalisme.

Dit is een eigenaardig kenmerk van de Iraanse samenleving en betekent dat fundamentele veranderingen in Iran alleen kunnen worden doorgevoerd tegen het hevige en gewapende verzet van de Iraanse Revolutionaire Gardes. Een ‘soepele overgang’ naar een burgerlijke democratie is onmogelijk. Dat bleek al uit de onderdrukking van de protesten in november 2019.

De neoliberale koers van het regime in combinatie met de economische sancties heeft de afgelopen jaren geleid tot een dramatische verslechtering van de economische situatie van de arbeidersklasse. Sinds twee jaar is de economische crisis in Iran dramatisch verergerd, waardoor het regime steeds meer in een legitimiteitscrisis terecht is gekomen. Bijna de helft van de Iraanse bevolking leeft onder de armoedegrens. Voor het eerst in decennia is de regering gedwongen om voedselrantsoenkaarten uit te geven. Rouhani rechtvaardigde de recente stijging van de brandstofprijs door te zeggen dat het geld zou worden gebruikt om arme gezinnen financieel te ondersteunen, hoewel men al lang geleden is gestopt met het geloven in beloften van het corrupte regime. De mensen begrijpen dat de stijgende brandstofprijzen leiden tot prijsstijgingen op alle andere gebieden. Zo voorspelde het Iraanse ministerie van Handel in 2014 dat een stijging van de brandstofprijzen met tien procent gelijk zou staan aan een stijging van de inflatie met twee procent.

De poging van het regime om de economische situatie uitsluitend toe te schrijven aan de sancties van de VS en zo de aandacht af te leiden van het eigen beleid is duidelijk mislukt. Desalniettemin waren de effecten van de sancties doorslaggevend voor de ontwikkeling van de economische crisis en de radicalisering van de bevolking.

Sinds 2018 is de Iraanse export massaal ingestort. De olie-export is vorig jaar met meer dan 80% gedaald als gevolg van de economische sancties. Een ander gevolg van de sancties is de sluiting van enkele fabrieken en het niet betalen van lonen, een van de oorzaken van de protestgolf eind 2017. Er zijn ook geen tekenen van economisch herstel in 2020. Er zijn geen tekenen dat de sancties zullen worden afgezwakt en de gevolgen van de krimpende economie zullen vooral de levensstandaard van de werkende bevolking blijven aantasten. Trump heeft al aangekondigd dat hij de sancties na de recente escalatie nog verder wil aanscherpen. Tegelijkertijd zullen kleine en middelgrote ondernemingen in deze situatie ook steeds meer onder druk komen te staan en zullen werkenden gedwongen worden op zoek te gaan naar politieke alternatieven.

De protesten tegen het regime in 2017/18 en 2019

Iran is al een tijdje als een borrelende ketel. Na de laatste grote protestgolf in 2017/18, bekend als de “revolutie van de hongersnood”, was er bijna twee jaar lang sprake van kleinschalige syndicale acties in verschillende regio’s van het land, bijvoorbeeld in de suikerfabriek Haft-Tappeh, in de onderwijssector en in de staalindustrie.

In de vroege ochtend van 15 november werd de verdrievoudiging van de brandstofprijzen en een gelijktijdige rantsoenering van brandstof aangekondigd. Duizenden mensen stormden spontaan de straat op. De protesten verspreidden zich snel naar meer dan 100 steden. Deze grote prijsstijging is slechts het topje van de ijsberg in een situatie waarin de inflatie al massaal is gestegen, het ene corruptieschandaal na het andere plaatsvindt en de voedselprijzen de laatste jaren explosief stegen.

De eerste acties waren blokkades van wegen en snelwegen, gevolgd door brandstichtingen en burgerlijke ongehoorzaamheid. Benzinestations en banken werden het doelwit van demonstranten als symbool van het feit dat grote delen van de bevolking verarmd zijn terwijl andere delen steeds rijker worden, maar ook religieuze instellingen zoals moskeeën en islamitische scholen en politiebureaus en overheids- en bestuursgebouwen werden aangevallen vanwege hun banden met het regime. Studenten gingen in staking uit solidariteit, onderdrukte nationale minderheden namen deel aan de protesten, vrouwen en jongeren stonden in de frontlinie.

Ongekende golf van onderdrukking

De snelheid en brutaliteit van de reactie van de veiligheidstroepen en het staatsapparaat op de opstanden in november 2019 was ongekend. Op de tweede dag van de protesten beval Khamenei zelf “al het mogelijke om hen [de demonstranten] tegen te houden.” Politie en veiligheidsdiensten schoten op de erg jonge demonstranten die zich alleen met stenen konden verdedigen. Naar schatting zijn er minstens 1500 mensen gedood, duizenden zijn gearresteerd en zitten in de gevangenis, en er dreigen massa-executies te komen die vergelijkbaar zijn met die van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Als gevolg van de onmiddellijke golf van repressie zijn ook actieve vakbondsmensen gearresteerd. De opstand is na korte tijd bloedig tot stilstand gekomen.

Sinds de onderdrukking beweren de regime-gecontroleerde nieuwszenders en kranten met succes de controle te hebben herwonnen, maar dit is meer omdat de betogers zich in een kortstondige shock-toestand bevonden. Niemand verwachtte een dergelijke reactie, die veel verder ging dan de repressie van 2009 en 2017/18. De angst van het regime voor revolutionaire opstanden en zijn bereidheid om zo ver mogelijk te gaan om deze te voorkomen is duidelijk. Het is onder druk komen te staan om te testen of het nog steeds in staat is om opstanden met geweld te onderdrukken. En de angst is terecht: het is veelzeggend dat dagen nadat het regime zo bruut heeft gereageerd, de mensen nog steeds de straat op gaan.

Keerpunt en perspectieven

Met de protesten van 2017/18 werd duidelijk dat we een nieuwe periode ingaan. Wij legden toen reeds uit dat de intrede van de arbeidersklasse in het protest een nieuwe fase in het verzet tegen het Iraanse regime inluidde. Vooral in de steden en regio’s die de ultraconservatieve vleugel van het regime – religieuze hardliners – als hun bolwerken beschouwen, stort de steun voor het regime in. Zowel de spontaniteit als het radicalisme van de protesten – evenals hun sociale samenstelling en politieke oriëntatie – staan in schril contrast met de zogenaamde ‘Groene Beweging’ van 2009. De vormen van protest zijn meer en meer radicaal en collectief geworden.

De belangrijkste verschillen ten opzichte van 2009 zijn het verlies aan vertrouwen in alle fracties van het regime, de uitbreiding van de protesten buiten de stedelijke centra naar het platteland, de hoge participatie van de werkende en arme bevolking, de toename van acties van burgerlijke ongehoorzaamheid en van syndicale strijd en het verschijnen van slogans die economische en politieke eisen met elkaar verbinden.

In tegenstelling tot tien jaar geleden braken de protesten deze keer niet uit op basis van politieke, maar op basis van economische eisen. In een land als Iran, waar 80% van de toegevoegde waarde wordt gecontroleerd door de economische monopolies van religieuze stichtingen, worden de economische strijd en de protesten onmiddellijk politiek.

In 2009 slaagde het regime er nog gedeeltelijk in om de armste delen van de bevolking achter zich te krijgen tegen de door de liberalen gedomineerde leiding van de Groene Beweging. Gezien de economische situatie is dat nu niet meer mogelijk. De sociale basis van het regime bestaat nu vooral uit de heersende elites, de militairen, de Revolutionaire Garde en delen van de kleine bourgeoisie, terwijl de steun vanuit de arbeidersklasse sterk is afgenomen.

Zo vertrouwde het regime in december 2009 voor de bestrijding van de Groene Beweging op pro-regeringsgezinde tegenbetogingen, waaraan honderdduizenden mensen deelnamen. Deze keer namen in Teheran, een stad met 15 miljoen inwoners, slechts enkele tienduizenden deel, ondanks massale propaganda van het regime.

Natuurlijk gaf de moord op Soleimani het regime de kans om de massa terug te brengen op straat. Vernieuwde agressie en provocaties door het Amerikaanse imperialisme kunnen het regime enige ruimte bieden om het nationalisme op te zwepen en de basis te mobiliseren. Het is echter duidelijk dat deze strategie in de loop der tijd minder effectief is geworden. De massale begrafenismarsen ter herdenking van de dood van Soleimani werden snel gevolgd door een nieuwe explosie van woede die gericht was tegen het regime vanwege de leugens over het neerschieten van het Oekraïense burgervliegtuig.

Hoewel de illusies in het Amerikaanse imperialisme sinds 2009 sterk zijn afgenomen, evenals de steun voor nostalgische pro-Sjah-ideeën, die vooral vanuit het buitenland nog steeds worden verspreid door aanhangers van de voormalige Sjah, vormen ze nog steeds een gevaar.

De vraag hoe onstabiel het regime werkelijk is, kan ondanks de hierboven beschreven factoren alleen definitief worden beantwoord door een extra blik te werpen op de verdeeldheid binnen de heersende klasse. Bij veel beslissingen, zoals die om de brandstofprijs te verhogenzijn er meningsverschillen binnen de politieke en religieuze leiding van het land. De verdeeldheid onder de heersende klasse werd de laatste jaren groter. Maar de conflicten tussen de verschillende vleugels van het regime, die ook verschillende vleugels van de economische elites vertegenwoordigen, lijken nog niet diep genoeg te zijn om in het openbaar uitgevochten te worden tegen de achtergrond van massale protesten. Toch zien we diepere conflicten oplaaien, bijvoorbeeld bij de aanpak van het neerschieten van het passagiersvliegtuig. Deze conflicten zullen in de toekomst alleen maar toenemen.

Actie op de werkvloer

Ondanks de massale onderdrukking en decennialange vervolging van links bestaan er organisaties van de arbeidersklasse, waaronder linkse vakbonden, maar hun omvang is moeilijk in te schatten omdat ze ondergronds werken. Voorbeelden zijn de Vrije Unie van Iraanse Arbeiders, de vakbond van buschauffeurs, de lerarenvakbond of de radicaal linkse vakbond van de arbeiders van Haft-Tappeh. Sinds enkele jaren is er sprake van arbeidsstrijd en stakingen, waarvan sommige de weg hebben vrijgemaakt voor het uitbreken van de protesten in 2017.

Een van de belangrijkste geschillen, die ook de gevolgen van de economische situatie symboliseert, is de strijd van de 7.000 arbeiders van Haft-Tappeh. Toen de suikerraffinaderij in 2015 werd geprivatiseerd, werden de lonen maandenlang niet betaald, wat leidde tot radicale stakingsacties. De eerste tekenen van zelforganisatie ontstonden met de oprichting van arbeidersraden en arbeiders probeerden zich te verenigen met stakers in andere bedrijven en gebieden.

Door dit radicalisme, dat het draagvlak voor de eis van nationalisatie van geprivatiseerde industrieën onder arbeidersbeheer heeft vergroot, zijn de ontwikkelingen bij Haft-Tappeh een bijzondere doorn in het oog van het regime. Steeds weer worden activisten en arbeiders gearresteerd en gecriminaliseerd. Net als de arbeiders in Haft-Tapeh hebben ook de leraren de afgelopen jaren steeds vaker te maken gehad met repressie voor hun vakbonds- en politieke activiteiten. Sinds maart 2018 zijn leraren in meer dan 100 steden herhaaldelijk in staking gegaan. Twee derde van de Iraanse leraren leeft onder de armoedegrens. De overwegend vrouwelijke beroepsbevolking heeft te lijden onder de slechte arbeidsomstandigheden en de lage lonen in de onderwijssector.

De aanhoudende strijd op de werkvloer zal de komende tijd van doorslaggevend belang zijn, want zelfs als acties op straat en burgerlijke ongehoorzaamheid een belangrijk proces van radicalisering vormen, zal een massale staking nodig zijn om het regime te verslaan. Ondanks de objectieve moeilijkheid om een nationale algemene staking te organiseren vanwege het feit dat er slechts enkele, meestal staatsbedrijven zijn in de olie-, metaal- en automobielsector en een enorm aantal kleine werkplaatsen en ondernemingen in Iran, en vooral vanwege het verbod op onafhankelijke vakbonden, zal een dergelijke stap noodzakelijk zijn. Centraal bij de uitbreiding van de stakingsactie tot een algemene staking staat de deelname van werkenden in belangrijke industrieën zoals de olie- en gasindustrie en ook in de openbare diensten. Dit zijn ook precies de economische sectoren die in de komende fase het meest getroffen zullen worden door de economische situatie.

Belang van de sluiting van het internet

De rol van sociale media bij het organiseren van protesten in Iran kan zowel overschat als onderschat worden. De bijna onmiddellijke en zeer uitgebreide internet black-out van het regime in november 2019 was echter een nieuwe kwalitatieve ontwikkeling, die diende om zowel de communicatie tussen de betogers te onderbreken als de berichtgeving over de brute staatsrepressie zoveel mogelijk de kop in te drukken. De protesten in november begonnen, net als in de zogenaamde Arabische lente, op Twitter en Instagram met spontane oproepen tot protest. Onder repressieve regimes als het Iraanse zijn sociale netwerken zoals Telegram vaak het enige middel om te coördineren en internationaal in contact te komen met activisten en groepen. Door de spontaniteit van de opstand en een gebrek aan georganiseerde politieke leiding vervangen Telegramgroepen en andere platforms de gestructureerde organisatie op basis van werkplekken. Meer dan 64 miljoen Iraniërs maken gebruik van mobiel internet en de laatste jaren is het gebruik van sociale netwerken enorm toegenomen. Het is opmerkelijk dat het regime en de bedrijven die het controleert, die ook afhankelijk zijn van internetverbindingen, een dergelijk optreden meer dan tien dagen lang hebben geaccepteerd om de protesten te ondermijnen.

Toen activisten eind december 2019 opnieuw opriepen tot protesten ter nagedachtenis van de mensen die tijdens de protesten van november werden vermoord, en voor de vrijlating van de gevangenen, reageerde het regime uit voorzorg met een nieuwe kortstondige internetstilstand. De regering werkt hard aan de ontwikkeling van een eigen intranet, een nationaal netwerk, om de bevolking te isoleren van internationale netwerken. De strijd voor vrije internettoegang staat daarom ook centraal om de internationale solidariteit effectief te maken.

Voor een socialistische republiek in Iran

Het kapitalisme is niet in staat om de economische ontberingen van de bevolking te verminderen. De afgelopen decennia was er een toename van corruptie, wanbeheer en er was een reeks diepe crises. Deze hebben de kloof tussen arm en rijk dramatisch vergroot, waarbij enkele rijke mullahs en aanhangers van het regime nog rijker zijn geworden. De druk van de wereldwijde markten, het IMF en anderen heeft deze ontwikkelingen nog verergerd. Tegelijkertijd heeft noch het regime noch het Westerse imperialisme er werkelijk belang bij om politieke vrijheden, gelijke rechten voor vrouwen en mannen en voor nationale en religieuze minderheden te garanderen. De strijd voor “brood, werk, vrijheid” moet door de massa’s zelf worden gevoerd en moet onvermijdelijk leiden tot de omverwerping van het regime door middel van een revolutionaire opstand.

De bijzonder jonge bevolking ziet steeds minder een toekomst onder dit regime en heeft niets meer te verliezen. De rol van de jongeren en vrouwen in de protesten is belangrijk, velen werden gedood en gevangen gezet bij de onderdrukking van de novemberprotesten, omdat het regime weet dat zij de frontlinie van toekomstige opstanden zullen vormen. Veel van deze jongeren zijn bekend met linkse en zelfs marxistische ideeën.

Ondanks de versplintering van links, massale onderdrukking, vervolging en executies, zijn linkse ideeën nooit verdwenen in Iran. Wat ontbreekt is een georganiseerde kracht in de vorm van een sterke onafhankelijke arbeiderspartij die op een georganiseerde en politieke manier een rol speelt in de spontane explosies van protest. De toename van strijd op de werkvloer de afgelopen jaren wijst op de noodzaak om de nu nog grotendeels geïsoleerde vakbonds- en politieke krachten met elkaar te verbinden.

Een dergelijke arbeiderspartij zou een onmiddellijk strijdplan moeten ontwikkelen gericht op een politiek programma voor de omverwerping van het regime en de opbouw van een socialistische republiek in Iran. De voorwaarden hiervoor zijn de afgelopen jaren gerijpt met de eerste tekenen van zelforganisatie in de bedrijven en op de universiteiten. Een dergelijk programma zou onder meer inhouden:

  • De vrijlating van alle politieke gevangenen en vakbondsleden
  • De afwijzing van elke vorm van externe imperialistische inmenging
  • De afwijzing van oorlogsvoorbereidingen en bewapening, een einde aan de militaire interventies van Iran in de regio en in het buitenland.
  • Het einde van alle beperkingen van politieke en burgerlijke vrijheden, vrouwenrechten, onderdrukking en discriminerende wetten tegen nationale en religieuze minderheden.
  • De uitbreiding van stakingsacties met het oog op een nationale algemene staking
  • De oprichting van democratisch gekozen actiecomités op de werkplekken, in de dorpen, aan de universiteiten, enz. om verdere politieke actie voor te bereiden.
  • Sociale diensten moeten niet worden gefinancierd door religieuze stichtingen of organisaties als een vorm van liefdadigheid, maar door de staat.
  • De nationalisatie van de belangrijkste sectoren onder de controle en het beheer van de werkenden, het terugdraaien van de privatiseringen met de onteigening van de Bonyads en de Revolutionaire Garde en de overname van de industrie door de werkenden.
  • De omverwerping van het islamitische regime en de oprichting van een Socialistische Republiek Iran onder de controle en het beheer van de werkende massa’s en boeren.

Tegen de achtergrond van de parlementsverkiezingen van februari 2020 en de presidentsverkiezingen van 2021 zou de woede tegen het regime opnieuw tot uiting kunnen komen in de vorm van massale protesten. Vroeg of laat zullen er grote escalaties en opstanden plaatsvinden, die het regime steeds moeilijker onder controle zal kunnen houden.

Het verbinden van de massabewegingen in Irak, Libanon, Iran en andere landen in de regio zal een van de meest centrale taken in de toekomst zijn. Een omverwerping van het Iraanse regime door de arbeidersklasse zou een baken zijn voor de omringende staten en een eerste stap in de richting van een socialistische transformatie van het Midden-Oosten. De ‘Groene Beweging’ van 2009 werd gevolgd door massale opstanden in de hele regio – het was het begin van de golf van opstanden in het Midden-Oosten en Noord-Afrika vanaf 2011. De contrarevolutionaire tegenslagen in de regio en de toename van oorlog en verwoesting hebben de revolutionaire processen vertraagd, maar niet duurzaam gestopt. Vanwege de relatief grote – en intacte – industriële Iraanse arbeidersklasse en de grote tradities van de Iraanse arbeidersbeweging heeft zij een bijzondere rol te spelen in de opbouw van een socialistische federatie van de landen van het Midden-Oosten.