Joachim Coens. Foto: Wikimedia

Eventjes leek het erop dat een uitweg gevonden was met het in de steigers zetten van een vierkleurenregering of Vivaldi-coalitie. In de dagen vlak voor de informateurs Coens en Bouchez naar de koning moesten, maakte Bart De Wever enkele uitspraken die geïnterpreteerd werden als een “opening” naar paars-geel. En dus zijn we terug bij af.

Door Anja Deschoemacker uit maandblad ‘De Linkse Socialist’

De bekommernissen van werkenden en armen in ons land

Op 28 januari betogen we voor een sterke sociale zekerheid. Deze “kathedraal van de Belgische arbeidersklasse” staat er immers slecht voor: het tekort zou bij ongewijzigd beleid tegen 2024 oplopen tot 6,4 miljard euro. En dat terwijl leven van een uitkering na dertig jaar van besparingen gelijk staat aan armoede.

Zo kan een groot deel van de gepensioneerden enkel van hun pensioen leven indien ze eigenaar zijn van hun eigen woonst. Het gemiddelde pensioen bedroeg volgens AXA 1.065 euro per maand (17/04/2018), terwijl men voor een rusthuis al snel 1800 per maand betaalt.

Zo heeft de decennialange jacht op de werklozen ertoe geleid dat mensen met het statuut van samenwonende (vooral vrouwen en jongeren) veroordeeld zijn tot afhankelijkheid van de partner of de ouders. Studies toonden aan dat 27% van de Waalse vrouwen zich in zo’n situatie bevindt (tegenover 12% van de mannen).

Als je om één of andere reden buiten de sociale zekerheid valt, is de situatie nog erger. Het bestaansminimum voor alleenstaanden bedraagt slechts 940,11 euro/maand, voor samenwonenden 626,74 euro/maand. Met een kind ten laste is dat bedrag nog steeds slechts 1270,51 euro/maand. Ter vergelijking: de gemiddelde huurprijs voor een appartement in Vlaanderen en Brussel ligt rond 700 euro/maand, in Wallonië rond 500 euro/maand.

Het kan dan ook niet verwonderen dat de OCMW’s overstelpt worden met aanvragen voor bijkomende hulp en dat het aantal gezinnen dat nood heeft aan voedselhulp constant blijft stijgen. Volgens Europese cijfers leeft net geen 20% van de Belgische bevolking in armoede. Redenen genoeg om te betogen voor een herstel van de sociale zekerheid. Maar blijkbaar niet voldoende om de verkozen partijen enige zin voor urgentie bij te brengen…

Verlenging opdracht Coens en Bouchez: rondjes draaien voor perceptie

Wat centraal staat in de federale regeringsvorming is niet die sociale crisissituatie, maar de posities van de partijen die erin betrokken zijn. En nu is die regeringsvorming opnieuw beland bij discussies over een coalitie die in alle eerdere pogingen van tafel werd geveegd.

Deze krant stelde het van in het begin: voor zowel N-VA als voor PS zou paars-geel politieke zelfmoord betekenen. Beide partijen hebben voldoende signalen gegeven dat ze dat begrepen hebben. Le Soir overliep hun verklaringen sinds de verkiezingen (13 en 14 januari).

Magnette zei reeds op 13 juni zeer duidelijk: “de PS zal niet regeren met de N-VA.” Op 3 oktober luidde het: “We hebben elkaar veel gezien, we zijn nergens en over niets akkoord met de nationalisten.” Op 17 december verklaarde Rudy Demotte: “Men is bezig mensen te doen geloven dat een coalitie met de N-VA mogelijk is. Dat is een leugen. Het is geen optie.”

Bij de N-VA wordt wat meer warm én koud geblazen, maar de verklaringen die ingaan tegen een dergelijke samenwerking zijn veel talrijker. Zo hebben we de verklaringen van Ben Weyts op 8 november: “De Vlamingen willen een rechtse socio-economische politiek. Het zijn de Vlamingen die de meeste belastingen betalen. Men moet hen niet sanctioneren.” Of Bart De Wever op 9 december: “De facturen overdragen aan een ander is gemakkelijk. In Vlaanderen moet je dan uitleggen aan je kiezers – die een andere migratie- en veiligheidspolitiek willen, de creatie van jobs – dat je dat niet kunt voorzien. Want je moet miljarden aan belastingen ophalen om passieve kiezers in het zuiden van het land te onderhouden.”

Het idee dat N-VA niet de kans heeft gekregen om die piste te onderzoeken, is een argument dat voorbijgaat aan de passage van preformateurs Bourgeois en Demotte, in wier verslag we het volgende kunnen lezen: “De fundamentele verschillen zijn van die aard dat ze niet toelaten een volgende fase in te gaan die gebouwd is rond die twee partijen.”

De reden waarom we dan toch nog twee weken rondjes zullen draaien, ligt in de existentiële crisis van CD&V. Die partij ontwikkelde in de vorige eeuw van katholieke establishmentpartij naar volkspartij en de machtsfactor bij uitstek in de grootste gemeenschap in het land en met institutionele banden met de grootste vakbond van het land. Vandaag blijft daar nog slechts een schijntje van over.

In totale paniek maakt deze partij steeds opnieuw de foute keuzes: in plaats van haar band met haar grootste sociale basis te herstellen, kiest ze steeds opnieuw voor een rechtse en Vlaamse koers, waarbij de breuk met de christelijke arbeidersbeweging steeds dieper wordt. Haar handelingen in de Vlaamse regering hebben er in de recente maanden toe geleid dat voor het eerst in de geschiedenis een golf van protest opkwam tegen de Vlaamse regering zelf. Het lijkt weinig waarschijnlijk dat CD&V die breuk met haar sociale basis, het befaamde middenveld in Vlaanderen, nog zal kunnen overkomen. Dat zal zeker niet gebeuren met haar geduw en getrek om op federaal niveau eenzelfde koers aan te houden en uit alle macht te werken tegen een federale regering met een socialer gelaat.

Na sociale kaalslag onder Zweeds zullen een paar sociale toegevingen niet volstaan

Elders in deze krant leggen we uit hoe het gat in de sociale zekerheid bewust is gecreëerd door de inkomsten systematisch af te bouwen. Marc Reynebeau gaat in De Standaard (15 januari) in op een aantal elementen van de afbouw van de inkomsten voor de federale overheid.

Zo stelt hij: “Het was al bekend dat de fiscale voordelen die de nu aflijvige ‘Zweedse’ coalitie aan de bedrijven heeft gegeven budgettair onvoldoende waren ‘gedekt’ – ze slaan een gat in de begroting. En dan bleek eind december dat vooral daardoor de federale overheid in 2019 nog dik 2 miljard minder aan fiscale inkomsten boekt dan voorzien door toenmalig minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA). Ongeveer tezelfdertijd bevestigde de Nationale Bank wat de Gentse econoom Gert Peersman eerder al had berekend: dat bedrijven de opbrengst van de taxshift en de indexsprong minder gebruikten om hun concurrentiekracht te verbeteren, maar vooral om hun winstmarges te verhogen.” Hij vermeldt ook dat België, op Luxemburg, Zwitserland en Slovenië na, het enige land in Europa is dat geen belasting heft op vermogenswinsten (meerwaarden van aandelen).

De arbeidersbeweging kan enkel op haar eigen mobilisatiekracht rekenen

De nota-Magnette kon de indruk wekken – en dat was zeker de bedoeling ervan – dat de PS toch nog steeds de arbeiderspartij is waar ze historisch is uit voortgekomen. Dat de goedkeuring van die nota door ABVV-leider Verteneuil er kwam met een ernstige waarschuwing – ‘dit mag geen nota zijn waarop nog veel toegevingen volgen na onderhandelingen met de liberale partijen’ – toont gelukkig dat daarover in syndicale middens ernstige scepsis bestaat. De PS is een burgerlijke partij geworden, ondanks haar electorale basis onder werkenden, en was sinds de tweede helft van de jaren ’80 absoluut centraal in de omschakeling naar een neoliberaal beleid.

Haar huidige “sociale gelaat” gaat niet verder dan de vaststellingen in kapitalistische instellingen dat gewoon verder gaan met neoliberaal beleid, zonder sociale tegemoetkomingen, het kapitalisme zelf dreigt te ondergraven. Het debacle van links in Vlaanderen wordt misschien nog het best duidelijk door de huidige openingen door partijtoppers binnen SP.a naar paars-geel omdat ze ook in die formule opgenomen wordt. Zelfs op haar doodsbed – want dat is de situatie van de laatste jaren – slaagt de partij er niet in zich te differentiëren van VLD of CD&V. Over Groen kan feitelijk hetzelfde worden gezegd.

Er is gelukkig de electorale opgang van de PVDA/PTB, maar om tot andere krachtsverhoudingen te komen, zal enkel de sociale mobilisatie en de ontwikkeling van een eisenplatform van structuurhervormingen in die strijd uitweg kunnen bieden. Als de PVDA een rol kan spelen in het ontstaan van een formatie die, via democratisch debat en het betrekken van iedereen die wil vechten, de huidige krachtsverhoudingen kan keren, zou dat een uitweg bieden. Puur electorale verschuivingen afwachten, doet dat echter niet.