Alain Mandiki is een politieke activist en vakbondsmilitant. Hij is lid van LSP in Namen. Oorspronkelijk komt hij uit Noord-Kivu. Eerder publiceerden we een uitgebreid dossier dat hij schreef over de genocide in Rwanda. Naar aanleiding van een actie in Brussel tegen de genocide in Beni, op initiatief van Kyaghanda België, op woensdag 15 januari spraken we met hem.

Er vinden bloedbaden plaats in Oost-Congo. Dit komt in ons land amper in de media. Kan je eerst even schetsen wat er gebeurt in Oost-Congo?

“Sinds enkele jaren vindt er in het oosten van Congo een reeks slachtingen plaats, met name in de voormalige provincie Kivu. In de afgelopen weken is vooral het gebied rond de stad Beni in Noord-Kivu getroffen, evenals Bunia in Ituri. Een bijzonder groot aantal mensen is vermoord. Het is zeer ernstig en er is veel te weinig over gezegd. De moorden gaan vaak ook gepaard met massaverkrachtingen en hele dorpen worden geplunderd of zelfs platgebrand. Veel gezinnen hebben naaste familieleden verloren en zijn vaak gedwongen te vluchten, waardoor er in de hele regio een vluchtelingenstroom op gang komt.

“Deze slachtpartijen zijn het gevolg van het feit dat er in de regio verschillende gewapende groepen strijden om de controle over de grondstoffen en de grond. Het gaat om de strijdkrachten van de Democratische Republiek Congo, ADFNALU, FDLR, CNRD, Mayi-Mayi en andere. Het doel van de moorden is de toe-eigening van grondstoffen, d.w.z. landbouwgrond, kostbaar hout, mijnen, olie.

“En dat heeft verschillende gevolgen. Op menselijk niveau natuurlijk, met deze moorden en slavernij, maar ook met de ontheemding van de bevolking. De lokale economische structuur wordt vernietigd, omdat de hele structuur van de samenleving wordt omgebogen naar het bevredigen van de nood aan grondstoffen van grote multinationale ondernemingen. De bevolking wordt in die zin uitgebuit, vooral in de mijnbouw. Als gevolg van deze onrust is 25% van het Nationale Park van Virunga door de Congolese staat gedegradeerd voor de exploitatie van de oliereserves.”

Hoe profiteren multinationale ondernemingen van de situatie?

“In de afgelopen jaren hebben we een snelle groei gezien in de telefoniesector met smartphones en telecom, maar ook de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie met concurrentie tussen grote economische machten om computers met een hoge capaciteit te ontwikkelen. Op de achtergrond vereisen deze ontwikkelingen mineralen zoals kobalt en koper, die in Katanga worden aangetroffen, en coltan en wolfraam, die in het oosten van Congo worden aangetroffen. Om zich een deel van de inkomsten uit deze handel te kunnen toe-eigenen, hebben gewapende groepen, die verschillende lokale economische groepen vertegenwoordigen, zakelijke relaties en concurreren ze tegelijkertijd met elkaar.”

En wat is de houding van de Congolese staat?

“In 2006, toen Kabila zijn eerste officiële mandaat begon, was een van zijn vijf belangrijkste doelstellingen de stabiliteit in het Oosten en het ‘herstel van de nationale soevereiniteit’. Kabila was 12 jaar aan de macht, maar van dit project werd niets gerealiseerd. Dat is overigens ook voor andere doelstellingen het geval.

“Het probleem is complex. Tussen 2001 en 2006 was er, om de gewapende spanningen in het land op te lossen, de formule van één president en vier vice-presidenten, het samenvoegen van het leger en het proces dat ‘Ontwapening, Demobilisatie en Re-integratie’ werd genoemd. Maar de nieuwe vorm van het nationale leger heeft zo divisies met de 1+4-formule geërfd. Elke entiteit werkt aan de verdediging van haar belangen die op gespannen voet staan met die van de meerderheid van de bevolking.

“Zo publiceerde Global Witness in 2009 een studie over samenspanning bij de exploitatie van minerale rijkdommen tussen hoge officieren van de strijdkrachten van Congo en de FDLR, de Democratische Strijdkrachten voor de Bevrijding van Rwanda. Dit is een gewapende groep die is opgebouwd op basis van voormalige betrokkenen bij de genocide, die na de tragische gebeurtenissen van 1994 uit Rwanda zijn gevlucht. Het Congolese leger is niet de enige kracht die met de FDLR heeft samengewerkt. In dezelfde studie wordt het Kagame-regime in Rwanda ervan beschuldigd met hen te hebben samengewerkt.”

Waarom is er kritiek op de houding van MONUSCO, de VN-missie die in de regio aanwezig is, en groeit de eis voor hun vertrek?

“De afgelopen 20 jaar heeft MONUSCO zijn ineffectiviteit bewezen. Tot een paar jaar geleden was het de grootste VN-operatie ter wereld, zowel qua personeel als budget. Eén van de expliciete missies in zijn mandaat was de bescherming van de bevolking en de mogelijkheid om de daders van de slachtpartijen te arresteren en voor het gerecht te brengen. Sommige van de slachtpartijen vonden plaats in de buurt van MONUSCO-bases die hadden kunnen reageren. MONUSCO heeft nooit getracht de uitbuiting van de bevolking, bijvoorbeeld van de mijnwerkers, te stoppen en heeft de belangen van de multinationals in de regio vrij spel gelaten. Men kan dus terecht concluderen dat dergelijke operaties en krachten niet nuttig zijn om de belangen van de bevolking ter plaatse te verdedigen.

“Eerdere ervaringen toonden ons dat we niet kunnen vertrouwen op militaire operaties van imperialistische mogendheden. Zo is Frankrijk sinds 2013 in Mali betrokken bij Operatie Serval, dat vervolgens Barkhane werd en straks Operatie Takuba zal zijn. Ondanks de inzet van de strijdkrachten kennen Mali en het Sahelgebied een toenemende instabiliteit. Geen enkele militaire operatie kan de sociale problemen, landroof, massale werkloosheid, gebrek aan kansen voor de jeugd, gebrek aan toegang tot basisvoorzieningen en zorg aanpakken. Deze problemen hebben, in combinatie met eerdere imperialistische interventies in Libië en de vroegere burgeroorlog in Algerije, de basis gelegd voor de destabilisering van Mali en de hele Sahel. En ondanks de imperialistische militaire aanwezigheid gaan de slachtpartijen in de Sahel door. Bovendien grijpt Frankrijk niet militair in om aan de behoeften van de bevolking te voldoen, maar om de toegang tot grondstoffen zoals uranium uit Niger te waarborgen. Het is de Franse groep Orano, voorheen Areva, die de mijnen in dit land exploiteert. En ten slotte laat het toe om te proberen de migratie als gevolg van deze situatie onder controle te houden. We kunnen deze reflectie veralgemenen tot al dit soort interventies, ongeacht de imperialistische macht.”

Hoe ontstaat de kwestie van de vluchtelingen?

“Op basis van de ontwikkeling van de crisis in de afgelopen decennia is het vluchtelingenvraagstuk uiterst gevoelig geworden en wordt het door verschillende regimes gebruikt als een speelkaart om hun hegemonie te vestigen. In 1994, na de nederlaag van het Habyarimana regime in Rwanda na de burgeroorlog en de genocide, vluchtte een groot deel van de leden van het regime naar Oost-Congo. Ze werden beschermd door Frankrijk en werden verwelkomd door het Mobutu-regime, dat zelf de kaart van de communautaire spanningen speelde om zijn regime in stand te houden. Voeg daarbij de tegenstanders van de Museveni-dictatuur in Oeganda die door het organiseren van guerrilla voet aan grond hebben gekregen in de regio, en er is een basis voor communautaire spanningen die de grenzen in de regio overschrijden. De aanwezigheid van deze groepen was het argument dat Kagame en Museveni gebruikten om militair in te grijpen in het naburige Congo en, nog belangrijker, om de toegang tot de grondstoffen en de rijkdommen in Congo veilig te stellen.

“Er zijn enkele honderdduizenden of zelfs miljoenen migranten, waaronder enkele van de verantwoordelijken voor oorlogsmisdaden die zich in de regio hebben gevestigd. In de loop van de verschillende militaire operaties heeft geen enkele macht deze situatie aangepakt. Het is de lokale bevolking die er dagelijks mee moet omgaan. En dit in een context van tekorten en een vreselijk gebrek aan openbare diensten.”

Hoe kan er een einde komen aan dit geweld en de gevolgen ervan?

“In het kader van de strijd tegen het derde mandaat van Kabila zijn door verschillende groepen acties georganiseerd. Er waren betogingen, sit-ins en oproepen tot “dode steden” (villes mortes). Naast de eisen voor het vertrek van Kabila was er woede over het gebrek aan resultaat op vlak van economie en veiligheid. Deze mobilisaties waren verspreid over heel het land en zelfs in de diaspora, waarbij ze de provinciale en communautaire grenzen overschreden. Alleen door dit soort bewegingen op te bouwen, kunnen we een begin van toekomstperspectief voor alle gemeenschappen bieden.

“Er wordt vaak gezegd dat geld ervoor zorgt oorlogen uitbreken en blijven duren. De strijd en de mobilisaties moeten erop gericht zijn om middelen en rijkdommen (zowel in de grond als wat de arbeidskrachten betreft) te onttrekken aan de multinationals en de verschillende gewapende groepen.

“Strijdbewegingen zijn een gelegenheid om te bespreken hoe werkenden in de mijnbouwsector zich kunnen verdedigen tegen de uitbuiting door gewapende groepen, en om een beeld te hebben van de collectieve sociale behoeften waarin de mijnbouw in de regio zou kunnen voorzien. Dit moet niet alleen in de mijnen gebeuren, maar in feite in het hele land en de hele regio. Het beheer en de controle van de geproduceerde rijkdom, en de oriëntatie ervan op de behoeften van de grote meerderheid van de bevolking, is wat nodig zou zijn om aan die behoeften te voldoen.

“De klassenstrijd bepaalt het verloop van de geschiedenis. In deze strijd vertrouwen we op de sociale meerderheid die vecht tegen onderdrukking door de minderheid als reactie op de problemen en tegenstrijdigheden van het kapitalisme. Deze aanpak sluit elke sektarische opdeling van de samenleving uit. Er is nood aan een programma gericht op de eenheid van alle uitgebuite en onderdrukte lagen en dat vertrekt vanuit de vaststelling dat alleen de meerderheid van de bevolking een samenleving kan opbouwen waarin aan de behoeften van de hele bevolking wordt voldaan. Het is voor zo’n democratische socialistische samenleving dat de LSP in België en in de hele wereld vecht, samen met onze internationale organisatie.