Dertig jaar geleden gingen de mensen de straat op tegen het stalinistische regime van Ceausescu, na jaren van ontbering, bureaucratische controle op de samenleving en een gebrek aan vrijheden. Nicolae en Elena Ceausescu werden berecht, schuldig bevonden aan genocide en op dezelfde dag, 25 december 1989, geëxecuteerd. De opstand die vooral door arbeiders en jongeren van onderaf werd gedreven, werd echter niet gevolgd door de vrijheid en welvaart waar men op hoopte.

Door Vlad B van Mâna de Lucru, het CWI in Roemenië

De herinvoering van het kapitalisme, die volgde op de opstand van december 1989, leidde tot een grootschalige ineenstorting van de industrie en de landbouw, waardoor miljoenen mensen gedwongen werden te emigreren. De meerderheid van de overgeblevenen wordt geconfronteerd met armoede, lage lonen, werkonzekerheid, onzekere openbare diensten en een politieke kaste die uitsluitend in dienst staat van de kapitalistische elites.

Na dertig jaar neoliberaal beleid is de levensstandaard in Roemenië zeer ver verwijderd van de glimmende beloften van de “vrije markt”-ideologie van de jaren negentig. Vandaag de dag loopt ongeveer een derde van de bevolking het risico om in armoede te vervallen, terwijl 20% van de actieve beroepsbevolking onder de armoedegrens leeft. Ongeveer 40% van de mensen die in de particuliere sector werken, hebben een minimumloon dat – ondanks verhogingen in de afgelopen jaren – slechts 446 euro per maand bedraagt, meer dan 100 euro minder dan een loon dat nodig is om te overleven. Dat gaat gepaard met een daling van het aantal vaste banen na 1990 van 12 naar 6 miljoen.

Ondertussen bestaat de heersende klasse enerzijds uit oligarchen en bureaucratische netwerken die vaak uit de ruïnes van de vroegere stalinistische nomenclatuur zijn ontstaan en anderzijds uit een zogenaamde ‘comprador’ elite die de belangen van het buitenlands kapitaal verdedigt. De staatsinstellingen en de belangrijkste politieke partijen staan ten dienste van de verschillende fracties van deze heersende klasse. Roemenië is dus een sterk gepolariseerde samenleving, de op twee na meest ongelijke in de hele EU, na Bulgarije en Litouwen, met extreme niveaus van rijkdom en armoede die kenmerkend zijn voor een neokoloniaal land. Tussen deze uitersten ligt een kwetsbare middenklasse, geconcentreerd in enkele stedelijke centra zoals Boekarest, Cluj en Timisoara.

Veel Roemenen zijn van mening dat deze schrijnende situatie niet zozeer het gevolg is van het kapitalisme op zich, maar van het “verkeerde” soort kapitalisme dat in Roemenië wordt toegepast. Zij geloven dat een voor het overige eerlijk en efficiënt systeem is geperverteerd door inheemse corruptie en cliëntelisme. Dit is een illusie. Waar het kapitalisme de gewone mensen welvaart en rechten heeft verschaft, deed het dat ondanks zichzelf, onder de druk van onderaf van mensen die zich organiseren en vechten tegen bazen en hun politieke trawanten. De afwezigheid of de zwakte van een dergelijke collectieve druk van onderaf laat het kapitalisme toe zijn ongehinderde uitbuiting en onderdrukking voort te zetten, waarbij fatsoenlijke lonen, waardige werkplekken of overheidsinvesteringen hindernissen zijn die worden vermeden. Dit is precies wat er sinds 1989 in Roemenië is gebeurd, waar politiek links en de arbeidersbeweging te zwak was om effectief verzet te kunnen bieden. Met andere woorden, het Roemeense kapitalisme is in feite een zeer authentieke vorm van kapitalisme, aangezien het maximaliseren van de winst hier minder wordt belemmerd dan in de meeste Europese landen.

Koloniale status en corruptie

De winstmaximalisatie komt vooral ten goede aan buitenlandse bedrijven, met name uit Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk, Nederland en de VS. Zij betalen niet alleen zeer lage lonen aan een grotendeels goed gekwalificeerde beroepsbevolking, maar er is ook een van de laagste, forfaitaire vennootschapsbelastingen in de EU: 16%. Daar komt nog bij dat zij vaak hun werkelijke winsten onderschatten – een vorm van structurele corruptie die het gangbare anticorruptiebeleid gemakshalve heeft genegeerd. Het huidige beleid tegen corruptie bestaat vaak uit maatregelen van de ene fractie van de heersende klasse tegen de andere.

Roemenië is dus ook een goede illustratie van een ander belangrijk kenmerk van het kapitalisme: de ondergeschiktheid van ontwikkelingslanden aan ontwikkelde landen. Niet minder dan 85% van de top-100 bedrijven in Roemenië zijn multinationals, die een verpletterende dominantie hebben over de belangrijkste sectoren van de economie, waaronder energie, handel, het bankwezen, de zware industrie, de auto-industrie, de voedingsindustrie, enz. In 33 van de 41 provincies van het land is het meest succesvolle bedrijf er één dat door buitenlandse investeerders wordt gecontroleerd.

Voor de West-Europese heersende klassen is Roemenië geen arm familielid, dat ze willen helpen de achterstand in te lopen, zoals het naïeve pro-Europeanisme beweert. Zelfs de Nationale Bank van Roemenië, die zich gewoonlijk plichtsgetrouw aan de richtlijnen van het IMF en de EU-instellingen houdt, verklaarde in 2018 dat grote buitenlandse banken Roemenië bewust in een staat van financiële onderontwikkeling houden en weigeren om voldoende krediet te verstrekken aan lokale bedrijven. Dit toont eens te meer aan dat het land een ondergeschikte plaats inneemt in het internationale economische systeem. Want in een systeem dat gebaseerd is op gewetenloze concurrentie zullen de sterkere landen altijd proberen te profiteren van de zwakkere landen en zo hun ontwikkeling te beperken of te sturen in overeenstemming met hun eigen belangen. De relatief succesvolle gevallen van onderontwikkelde landen die erin geslaagd zijn het Westen gedeeltelijk en ongelijkmatig in te halen, hebben dat gedaan door middel van zware staatsinterventie in de economie, hoewel ze zelf niet immuun zijn voor de ongelijkheden en tegenstrijdigheden van het kapitalisme.

In het geval van Roemenië probeert de staat echter niet eens op noemenswaardige wijze in te grijpen in de dominantie van het buitenlands kapitaal, ondanks enkele demagogische verklaringen van de onlangs afgezette regering onder leiding van de sociaaldemocratische partij (PSD). In feite heeft de PSD tussen 2016 en 2019 verdere maatregelen in dienst van de rijken en de bazen genomen, waaronder de verlaging van de forfaitaire inkomstenbelasting tot 10%, de overdracht van sociale bijdragen van de werkgever naar de werkenden en de intrekking van de werkloosheidsuitkering van mensen die om het even welke job weigeren. De nieuwe openlijk neoliberale regering van de Nationale Liberale Partij (PNL) – gesteund door een parlementaire coalitie van rechtse krachten tegen PSD – wil het gaspedaal nog verder induwen ter verdediging van de winsten, met inbegrip van een mogelijke verlaging van het minimumloon.

Natuurlijk komt dit beleid niet alleen ten goede aan buitenlandse bedrijven, maar ook aan binnenlandse kapitalisten en oligarchen, die niet minder meedogenloos zijn in de uitbuiting van hun arbeidskrachten. De illusie dat we ons moeten verzetten tegen de dominantie van het buitenlandse kapitaal door het nationale kapitaal te helpen, moet dan ook resoluut worden verworpen. Alleen omdat ze Roemeens zijn, worden kapitalisten geen betere vrienden van de rechten en belangen van de werkenden. De strijd tussen kapitaal en arbeid blijft van het grootste belang in de huidige samenleving, en Roemeense werkenden moeten hun bazen uitdagen, ongeacht hun nationaliteit.

Sommige van deze oligarchen hebben vaak de politieke macht in eigen handen genomen, zoals de voormalige PSD-leider Dragnea, die nu in de gevangenis zit voor corruptie. Het is door dit te begrijpen dat we het brandende probleem van de corruptie kunnen vatten. Het is niet een soort culturele of nationale ziekte, maar een essentieel onderdeel van het kapitalisme – een vehikel voor de primitieve accumulatie van kapitaal door een beginnende, post-1989 kapitalistische klasse die zowel heeft moeten concurreren met, als parasiteren op, een veel sterker buitenlands kapitaal, zowel economisch als politiek, gesteund door EU-verdragen en -richtlijnen die zijn gevormd op basis van hun belangen. Met andere woorden, corruptie is bedoeld om het tekort aan kapitaal en markttoegang te compenseren dat de nieuwe Roemeense burgerij (of elke andere opkomende nationale burgerij in de geschiedenis van het kapitalisme) bij aanvang had – als een voetbalteam dat het spel begint met een achterstand van 5-0 en moet vals spelen om dit in te halen, wat uiteraard niet echt lukt.

Ontgoocheling onder de bevolking

Het onvermijdelijke effect van deze post-1989-realiteit is een toenemende politieke ontreddering. Het feit dat de opkomst bij de parlementsverkiezingen sinds 2004 nooit boven de 50% kwam, vat het samen. Alle belangrijke partijen, zowel de oude als de nieuwe, hebben ondanks de talrijke herschikkingen steeds bewezen dat zij alleen de elites vertegenwoordigen, zowel die uit eigen land als uit het buitenland. Bij gebrek aan een echt links alternatief blijft de PSD de populairste partij van het land, de enige die enkele minimale sociale toegevingen biedt. Zijn rivalen, PNL in het bijzonder, zitten vast in een dogmatische neoliberale agenda die buitenlandse investeringen, deregulering, lage overheidsuitgaven en privatiseringen verheerlijkt.

Zoals hierboven geïllustreerd is de PSD zelf een groot voorstander van een dergelijk beleid, dat gepaard gaat met een toenemend sociaal conservatisme, zoals blijkt uit de goedkeuring van het referendum tegen het homohuwelijk in 2018. Dit plaatst de partij in hetzelfde ideologische kamp als Recht en Rechtvaardigheid uit Polen of Fidesz uit Hongarije. Daarom maakt Roemenië, ondanks wat sommige liberale commentatoren beweren, de laatste jaren deel uit van de brede regionale trend van rechts populisme, dat zwakke sociale toegevingen mengt met een demagogisch beroep op “traditionele waarden” en “natie” om te profiteren van de breed aanwezige ontgoocheling in het westerse, neoliberale model van de democratie.

Maar noch deze rechtse populisten, noch de verdedigers van het pro-westerse, neoliberale model hebben haalbare oplossingen voor de echte problemen van de Roemeense samenleving. Noch groei op basis van hogere lonen, noch extreme maatregelen om buitenlandse investeringen (d.w.z. winsten) te vergemakkelijken, kunnen het land uit zijn structurele onderontwikkeling en economische ondergeschiktheid halen. Steeds meer mensen worden zich bewust van het onvermogen van het kapitalisme en zijn politieke vertegenwoordigers om het probleem van de lage lonen, van de onzekere werkgelegenheid, van de ontoereikende openbare diensten, van de onbetaalbare huisvesting, van een economie die te afhankelijk is van buitenlandse industrieën, van de vernietiging van het milieu, van de onderdrukking van vrouwen en andere groepen op te lossen. In tegenstelling tot de eerste twee decennia van het kapitalistische herstel zijn we de afgelopen tien jaar getuige geweest van een toenemende verwerping van de voorheen onbetwiste ideologie van de vrije markt, met name bij de industriële arbeiders en de jongeren.

Op zoek naar een alternatief

Deze veranderingen in het bewustzijn zijn begonnen met de crisis van 2007-2008 en de daaropvolgende besparingen in binnen- en buitenland. Deze legden in het laatste decennium de basis voor de opkomst van een onafhankelijk linkerzijde in Roemenië, aanvankelijk verzameld rond redactionele projecten zoals “CriticAtac” of de “Gazet van politieke kunst”, die enkele van de eerste antikapitalistische boodschappen in post-1989 Roemenië brachten. Zij hielpen op hun beurt bij de ontwikkeling van activistische groepen die deelnamen aan campagnes over belangrijke onderwerpen zoals huisvesting, zoals het “Gemeenschappelijk Front voor het Recht op Huisvesting en Sociale Huizen Nu”.

Meer recentelijk zijn we ook getuige geweest van de relatieve verjonging of de oprichting van expliciet linkse politieke organisaties, zoals de Socialistische Roemeense Partij (PSR) en Demos. Hoewel dit de bewustzijnsverschuiving in sommige lagen van de samenleving bevestigt, vertonen beide organisaties enorme ideologische beperkingen: in het ene geval neostalinistisch, in het andere geval sociaaldemocratisch. Ondanks het feit dat er recentelijk enkele nieuwe jonge activisten zijn aangetrokken, wordt PSR nog steeds gekenmerkt door nostalgie naar het regime van Ceausescu – een van de ergste uitingen van bureaucratisch bestuur in Midden- en Oost-Europa, waarvan het late economische beleid neerkwam op een brutale bezuiniging die het IMF zelf destijds heeft geprezen. PSR combineert dit met een oproep tot “een socialistische markteconomie”, waarbij het hedendaagse kapitalistische en imperialistische China als model wordt gebruikt en de kwestie van vrouwenrechten of discriminatie van de Roma volledig wordt genegeerd.

Aan de andere kant gelooft Demos in een kapitalisme met “een menselijk gezicht”, wat lijkt op de visie van de Keynesiaanse sociaaldemocratie van na de Tweede Wereldoorlog. Het soort hervormingen dat dit met zich mee zou brengen, is echter eenvoudigweg niet haalbaar in de context van een diepe systeemcrisis van het kapitalisme die zeer weinig ruimte laat voor toegevingen, zeker niet in het geval van een zwakke staat als Roemenië, die ondergeschikt is aan het buitenlands kapitaal en aan het Europese institutionele kader. De leiding van Demos ziet dat niet in en onderschrijft in plaats daarvan een soort naïef Europeanisme dat lijkt op dat van de Britse liberaal-democraten.

Daarom is een realistisch links alternatief in feite een radicaal, socialistisch alternatief dat ervoor opkomt om het systeem gebaseerd op winst te vervangen door een systeem gebaseerd op de behoeften – wat nu, met de milieuramp die steeds gevaarlijker wordt, nog noodzakelijker is. Het soort socialisme waar Mana de Lucru (CWI-sympathisanten in Roemenië) voor vecht, is kwalitatief anders dan het ontaarde, bureaucratische systeem dat vóór 1989 bestond. Een economie die gericht is op het vervullen van de behoeften van alle mensen en de bevolking kan niet werken tenzij je mensen en de bevolking vraagt wat hun behoeften zijn! Democratie is dus onontbeerlijk voor het socialisme, dat anders voorbestemd is om opnieuw gegijzeld en vervormd te worden door een nieuwe bevoorrechte kaste.

Tegelijkertijd kunnen socialisten het zich niet veroorloven om sektarisch te zijn. Mana de Lucru staat open voor principiële samenwerking met andere echte linkse krachten die zich willen oriënteren op de massa van arbeiders en jongeren. Daarom roepen we de andere linkse groepen en de vakbonden op om een gestructureerde vorm van discussie en samenwerking op te bouwen die ons in staat stelt om nieuwe lagen van arbeiders en jongeren aan te trekken die in de strijd komen. Dit zou de basis kunnen vormen voor de oprichting van een nieuwe massale arbeiderspartij die de belangen van onze klasse zou vertegenwoordigen, die op de werkplek, op straat en in de instellingen zou strijden voor betere lonen, waardige banen, hoogwaardige openbare diensten, betaalbare huisvesting voor iedereen en, in het algemeen, voor een economie onder democratische controle die ten dienste staat van de mensen en het milieu, en niet andersom.

Er zijn meer mogelijkheden om in Roemenië een politiek alternatief te creëren dan in de afgelopen dertig jaar van het kapitalisme. In 2019 waren we getuige van de belangrijkste stakingsgolf in decennia. Arbeidsconflicten zoals die bij Astra in Arad, waar Roemeense en Indiase arbeiders de handen ineen sloegen om betere lonen voor iedereen te vragen, of die bij Electroaparataj in Targoviste, die meer dan drie maanden duurden, laten zien welk enorm potentieel er is. De honger naar strijd van de Roemeense arbeidersklasse is zichtbaar toegenomen en politiek links moet samen met de vakbonden het enige echte alternatief voor de status-quo opbouwen: een strijdende, massale arbeidersbeweging die een democratisch en socialistisch alternatief kan voorstellen.