Van 15 tot en met 17 november hield LSP een nationaal congres. De politieke discussie werd voorbereid met een perspectieventekst die wekenlang besproken werd in alle afdelingen. We publiceren deze tekst in drie delen. Vandaag het eerste deel. 

[divider]

Het afgelopen jaar was een turbulente periode voor het CWI en LSP. Acht maanden van intense discussie leidden uiteindelijk tot een afsplitsing door een deel van de historische leiding. Dit was op basis van de inschatting van de huidige periode en enkele cruciale aspecten van onze taken, programma, methode en benadering.

Het is niet toevallig dat deze crisis plaatsvond tegen de achtergrond van een nieuw belangrijk keerpunt in de objectieve situatie. Het kapitalisme staat aan de vooravond van een nieuwe recessie, met uitgeleefde politieke instrumenten die hun sociale steun en krediet in de samenleving grotendeels verloren zijn, en dit tegen de achtergrond van een steeds luider tikkende sociale- en klimaat-tijdbom.

Dergelijke keerpunten provoceerden reeds vele debatten en crises binnen de revolutionaire marxistische beweging in het verleden. Dat was zo in de naoorlogse periode en in het begin van de jaren ‘60 met discussies in de 4de Internationale en opnieuw begin jaren ‘90, binnen het CWI, na de val van het stalinisme.

Op het IEC van augustus 2019 werd gesteld dat dit de eerste economische crisis is sinds die van ’73-’75 die werd getriggerd door geopolitieke ontwikkelingen. Sinds ‘75 wisten de kapitalisten en hun politieke vertegenwoordigers dat de oude keynesiaanse politiek niet langer werkte. Ze hadden echter nog geen alternatieve politiek. Daarvoor was de burgerij te zwak en de arbeidersbeweging was wel sterk genoeg, maar beschikte niet over een leiding die een machtsovername door de arbeidersbeweging als een optie beschouwde. Het resultaat was een periode van grote politieke instabiliteit – destijds Italianisatie genoemd. Italië kende na Mussolini de ene regeringscrisis na de andere (41 regeringen tussen 1941 en 1979). Dat kwam vooral omdat de PCI in de naoorlogse periode altijd het grootst aantal stemmen behaalde, maar nooit genoeg voor een absolute meerderheid. Dat zorgde voor tegennatuurlijke regeringen die als enig bindmiddel het van de macht houden van de PCI hadden en chronisch instabiel waren. Met Italianisatie bedoelde onze internationale dat de politieke instabiliteit van Italië zich ook elders voordeed. Tussen ’77 en ’81 telde België liefst 7 regeringen. Het was het resultaat van de zwakte van de burgerij die de macht wou behouden en de sterkte van de arbeidersbeweging die wel sterk genoeg was om de macht te nemen, maar niet over een leiding beschikte die dat ook wou. Deze periode van politieke instabiliteit duurde tot uiteindelijk Thatcher in GB (1979) en Reagan in de VS (1981), aanvankelijk gezien als ‘halve gekken’, overnamen en de basis legden voor het neoliberalisme als nieuwe dominante economische politiek.

We denken dat we ook nu weer door een dergelijke beslissende periode gaan. Dat het neoliberalisme als dominante economische politiek niet langer werkt, is steeds duidelijker. Een alternatief is echter nog niet voorhanden en dat zorgt voor instabiliteit op alle vlakken. De ‘nieuwe wereldorde’, ontstaan na de val van het stalinisme, die het einde inluidde van een voorgaande periode en het begin van een nieuw historisch tijdperk, is nu letterlijk uiteen aan het vallen.

 

Nieuwe recessie maakt compromis tussen de klassen onmogelijk

Slechts met uitzonderlijk gigantische maatregelen werd na de crisis van 2008-9 een depressie vergelijkbaar met de jaren ‘30 vermeden. Al deze maatregelen hebben geen enkele van de tegenstellingen opgelost, integendeel. Nu een nieuwe recessie zich aandient, rijst de vraag of de centrale banken en overheden nog over voldoende middelen beschikken.

Niet alleen een nieuwe recessie en het gebrek aan voldoende fiscale en monetaire middelen om deze te lijf te gaan, baart de kapitalistische klasse grote zorgen. De crises waarmee het kapitalisme vandaag geconfronteerd wordt, zijn veelvuldig. Het belangrijkste gevolg van de crisis van het kapitalisme is misschien wel hoe het gebrek aan perspectief en bijna 40 jaar neoliberalisme haar sociale steun in de samenleving heeft uitgehold en hoe het de burgerlijke politieke instrumenten heeft gediscrediteerd.

De afgelopen jaren werd noodgedwongen geregeerd met minderheidsregeringen, verschillende vormen van technocratische en/of nood-regeringen, regeringen met rechts populistische en extreem rechtse partijen, … In sommige landen was de dreiging van politieke verlamming nooit ver weg.

Een voorbeeld daarvan zijn de recente ontwikkelingen in het VK. De ultra-neoliberale en kapitalistische krant Financial Times (FT) schreeuwde moord en brand toen Boris Johnson het parlement vijf weken buiten spel zette. Deze verontwaardiging had te maken met het feit dat de Britse kapitalistische klasse absoluut een no deal wil vermijden. Tegelijk vreesde ze ook de banalisering van de burgerlijke democratie en een meer verregaande radicalisering van het politieke landschap. Het was dezelfde FT die openlijk de parlementaire oppositie opriep om Boris Johnson ten val te brengen en, als dat moet, zelfs een Corbyn-regering te overwegen als minste kwaad. Twee van de grootste banken actief in de City of London, Citibank en Deutsche Bank, titanen van het financieel systeem, stellen zich de vraag: “Is Corbyn net zo erg als een no-deal? Misschien niet meer.” (The Telegraph 3 sept 2019).

Als Corbyn zich echter steeds verder laat duwen in de positie van leider van het kapitalistische (remain) kamp, maakt hij zichzelf onschadelijk en ongeloofwaardig als links alternatief en uitdager van datzelfde kapitalistische establishment.

Het model om het kapitalisme te beheren op basis van een klassencompromis is in crisis omdat het ontoepasbaar wordt. De polarisatie neemt toe, het midden verdwijnt, de klassen staan steeds scherper tegenover elkaar, maar ze missen aangepaste politieke instrumenten en een politiek beleid waarmee ze hun belangen kunnen verdedigen.

Het verklaart de huidige crisis en de turbulentie binnen de ooit zo sterke en dominante klassieke kapitalistische partijen, zoals de Tories in Groot-Brittannië, de CDU in Duitsland, UMP/LR in Frankrijk, …

In Frankrijk werden de klassieke partijen bijna van de kaart geveegd en ontstond het fenomeen LREM van Macron. Dit scenario werd met interesse gevolgd in andere landen waar men naarstig op zoek is naar een dergelijke figuur om op z’n minst tijdelijk een oplossing te vinden voor de crisis van leiderschap. Maar Frankrijk toont aan dat ook een figuur als Macron, die zich wat losmaakte van het klassieke politieke establishment en zo een meer directe vertegenwoordiger van het Franse kapitaal werd, op de limieten van de klassentegenstellingen stoot. Bewuste desorganisatie van de vakbondsleiders en het sektarisme en reformisme van de Franse linkerzijde, ondanks verschillende correcte voorstellen en initiatieven tot organisatie en eenmaking van de strijd door la France Insoumise van Mélenchon, zorgden ervoor dat de stakingsbeweging in de richting van een algemene staking tegen Macron faalde. Het leidde tot het type van protest van de Gilets Jaunes, waarbinnen een groot wantrouwen heerste tegenover zowel de vakbonden als politieke partijen. Het was vooral extreemrechts dat er electoraal garen bij spon, ook al werd extreemrechts in de beweging vele malen door de Gilets Jaunes afgestoten. In de Europese verkiezingen verloor Macron van het tot Rassemblement National herdoopte Front National van Le Pen. Macron is daarmee nog niet afgeschreven, toch niet zolang er geen alternatief is, maar het mirakel blijkt kwetsbaar terwijl er nieuwe confrontaties aankomen, o.a. over de pensioenen. Het toont dat ook een dergelijk politiek fenomeen niet aan de wetten van de klassenstrijd ontsnapt en dat elke nieuwe aanslag op de levensstandaard van de arbeidersbeweging het potentieel heeft om de sociale strijd te doen heropleven.

De Nederlandse economie staat er dan weer relatief beter voor dan de meeste andere Europese landen, met een begrotingsoverschot van 10 miljard euro, een verwachte economische groei voor dit jaar van 1,8% en een lage werkloosheid van 3,4%. Dit betekent echter geen sociale en politieke stabiliteit. Er heerst een breed ongenoegen onder de werkenden omdat zij niet geprofiteerd hebben van de economische groei van de afgelopen jaren, over de enorme problemen in zorg en onderwijs, precaire jobs en de grote woningnood. In 2017 en 2018 waren er al de meeste stakingsdagen geteld in 30 jaar, met name door de massale acties van leraren in het basisonderwijs. In 2019 volgden opnieuw sociale explosies, met tienduizenden (vooral scholieren) die op straat kwamen voor het klimaat en duizenden die betoogden voor vrouwenrechten en tegen racisme in het voorjaar. Daarop volgde een historische staking van het openbare vervoer tegen pensioenverslechteringen in mei. Inmiddels blijkt dat ook de grote pensioenfondsen in de problemen zitten en lagere pensioenen zullen uitkeren. Politiek is er geen sprake van stabiliteit. Bij de nationale verkiezingen van 2017 kreeg de ex- sociaaldemocratische PvdA de grootste dreun in haar geschiedenis vanwege haar deelname aan de voorgaande besparingsregering. Bij de Provinciale Statenverkiezingen van 2019 werd het extreemrechtse Forum voor Democratie de grootste partij. De versplintering van het politiek landschap gaat verder: geen enkele partij kreeg meer dan 14% van de stemmen. De SP (enigszins vergelijkbaar met de PVDA, maar reeds veel verder afgegleden richting reformisme) miste een hele reeks kansen om een politiek instrument van de werkende klasse te worden, halveerde tijdens de Provinciale Statenverkiezingen en verloor haar beide zetels in het Europees parlement. Voor de werkenden en de jongeren is er geen duidelijk links alternatief. De regeringspartijen worden steeds meer gezien als de partijen van de multinationals. Zij beseffen dit maar al te goed en proberen dit beeld nu te veranderen. Premier Rutte van de neoliberale VVD riep zelfs de ceo’s op om niet alleen aan zichzelf te denken maar ook de lonen van hun werknemers fors te doen stijgen. In de in september gepresenteerde begroting voor 2020 zijn maatregelen om de koopkracht te doen stijgen en investeringen in woningbouw opgenomen, naast een investeringsfonds van tientallen miljarden geleend geld om de economie een impuls te geven. Dit is echter volstrekt onvoldoende om de noden van de bevolking op te lossen, noch om Nederland te behoeden voor een recessie.

Het gebrek aan arbeiderspartijen of het falen van de nieuw linkse partijen om een afdoend antwoord te bieden op de crisis en om richting te geven aan het verzet van de arbeidersbeweging tegen de massale post-crisis besparingsprogramma’s van 2008-9, maakte in een aantal landen de weg vrij voor rechts populistische en extreemrechtse partijen. Met een combinatie van een sterke anti-establishment retoriek en een anti-immigranten discours zijn ze deels in staat de woede, onzekerheid en wanhoop te kanaliseren. Vooral daar waar links in de voorgaande periode onvoldoende of niet in staat was het verschil te maken, ging de pendule van links terug naar rechts.

Maar de situatie is zeer volatiel. Ook dit rechts krijgt geen vrij spel, en valt al snel door de mand wat betreft haar beloftes op sociaal vlak. Van de sociale beloftes van de Italiaanse regering onder leiding van Salvini bleef er (onder druk van de EU) niet veel over. Desondanks liet het establishment de poging van Salvini om zijn populariteit in de peilingen te verzilveren en zijn coalitiepartner verder te verzwakken, niet onbenut. Met een andere parlementaire meerderheid werden onmiddellijke verkiezingen vermeden en kreeg men de regie terug zelf in handen. De nieuwe regering, met de gediscrediteerde PD en de veel van haar pluimen verloren Vijfsterrenbeweging, moet nu een meer aanvaardbaar compromis maken met de EU en Italië door een nieuwe crisis loodsen. De EU zal weliswaar wat soepeler zijn met een regime dat ze meer onder controle heeft, maar zware besparingen en nieuwe aanvallen op de Italiaanse arbeidersklasse zullen nodig zijn om de overheidsschuld en het begrotingstekort te saneren. De burgerij heeft zichzelf extra tijd gekocht, maar het gevaar van een rechts populistische oppositie tegen de opgelegde normen van Europa door een in de peilingen versterkte Lega is niet verdwenen. In realiteit geeft het anti-democratische, pro-EU en pro-besparingskarakter van deze regering nieuwe argumenten aan Salvini en extreemrechts om hun basis te mobiliseren en uit te breiden. Onze kameraden in Italië wijzen erop dat de vorming van deze regering ook een rem zette op de ontwikkeling van anti-Salvini protesten, die een zekere dynamiek begonnen te krijgen afgelopen zomer. Nu is het opnieuw de Lega en extreemrechts die op straat komen met Salvini en Meloni (leider van de Fratelli d’Italia, dat nu op 8,5% staat in de peilingen) die samenkomsten en betogingen organiseren over heel het land tegen de “geel-rode” regering.

Ook in Spanje raakt maar geen stabiele regering gevormd. Er wordt nu voor de vierde keer op vier jaar tijd naar verkiezingen gegaan omdat men er niet in geslaagd is een nieuwe regering te vormen op basis van de uitslagen van de laatste.

Dit zijn slechts de meest extreme voorbeelden. Deze crisis is niet beperkt tot Zuid-Europa. Ook in Duitsland, Nederland en Frankrijk vonden politieke aardbevingen plaats die, onder druk van de economische en sociale crisis, een stabiele positie voor de traditionele politieke partijen van de burgerij in de nabije toekomst uitsluiten.

We zijn een uitzonderlijk volatiele periode binnengetreden. Het kapitalisme kan niet meer gewoon terug naar de orde van de dag. Haar voornaamste troef tot op vandaag  blijft nog  altijd dat ook de arbeidersklasse (nog) niet in staat is geweest zich ideologisch en organisatorisch te herstellen van de nederlagen van het verleden (die van na de val van het stalinisme) waardoor zowat elke referentie naar socialisme uit het collectieve geheugen (vooral van de nieuwe generaties) is verdwenen.

Dit heeft belangrijke gevolgen gehad voor de organisatie en de sterkte van het verzet, de organisatiegraad en het bewustzijn van de werkende bevolking. Het staat overal nog voor de taak om het type syndicale en politieke organisaties uit te bouwen die, zowel wat betreft organisatiekracht als qua programma, tegemoet komen aan de noden die de klassenstrijd vandaag heeft. Dit betekent niet dat er helemaal geen ontwikkeling is in die richting.

Opgang van strijd en zoektocht naar een alternatief

In de VS was er een trendbreuk in 2018 met een record aantal stakingen (US bureau of labor statistics). Het begon met stakingen van de leerkrachten in West-Virginia, en ging door met onder meer de Marriot-arbeiders die piketten opzetten in 4 verschillende staten. Een totaal van 485.000 werknemers legde het werk neer – het hoogste aantal sinds ‘86 – waaronder cabinepersoneel, vuilnisophalers en staalarbeiders. Dit jaar waren er het personeel van “Stop & Shop” (Delhaize), de Amazon- en McDonalds-arbeiders, … Daarbij viel op dat de werknemers die het eerst ageerden veelal degenen waren met de meest precaire arbeids- en loonvoorwaarden en uit sectoren die niet de meest sterke syndicalisering kennen. In de geschiedenis van de arbeidersbeweging is dat niet uitzonderlijk, het is eerder de regel. Eigenlijk was de naoorlogse periode van economische bloei en het enorme vertrouwen van de arbeidersbeweging dat daarmee gepaard ging een uitzondering daarop. Het neemt doorgaans tijd vooraleer de meer georganiseerde lagen van de arbeidersbeweging in actie komen, maar als ze dat doen zijn ze doorgaans beslissend. De recente stakingen bij General Motors (met 49.000 deelnemers, piketten, en steun van de Teamsters die weigerden om GM auto’s te vervoeren uit solidariteit met de staking) lijken aan te tonen dat de strijd van de minder georganiseerden nu begint over te slaan naar de meer georganiseerde industriële sectoren. Zo kan een dynamiek van strijd, voor lonen en arbeidsvoorwaarden, maar ook tegen discriminatie en seksisme, die in eerste instantie tot uiting kwam buiten de structuren van de vakbondsorganisaties, het effect hebben de strijd van de sterkere bataljons aan te steken.

Deze opgang van strijd gaat hand in hand met de groei van socialistische organisaties in de VS (vooral de DSA) en de groeiende populariteit van linkse en reformistische kandidaten zoals AOC. De verkiezing van Kshama Sawant in de gemeenteraad van Seattle in 2013 toonde aan wat er electoraal mogelijk was. Al vijf maanden later slaagde de beweging in een perfecte één-twee door een $15 minimumloon af te dwingen in een eerste grote stad in de VS. Seattle toonde het potentieel en hielp mee de weg voor te bereiden. Maar het was vooral Sanders’ kandidatuur bij de vorige primaries van de Democraten die een grote impact had op het bewustzijn en enkele socialistische eisen kon populariseren. Sanders’ campagne kreeg kenmerken van een beweging, stimuleerde een klassenbewustzijn en opende een discussie over socialisme.

Alle ervaringen en ontwikkelingen uit de voorbije 11 crisisjaren hebben het bewustzijn in positieve zin doen evolueren. Het zorgt ervoor dat de arbeidersklasse, geconfronteerd met een nieuwe recessie, beter voorbereid zal zijn dan in 2008-9 om de strijd aan te gaan. Ook de discussies over een politiek alternatief zullen op een ander en hoger niveau worden gevoerd door de ervaringen met Syriza in Griekenland, Chavez in Venezuela, … de campagnes van Sanders, Corbyn en Mélenchon.

Impact van een nieuwe wereldwijde recessie

Tot voor kort voedde het relatieve economische herstel van de afgelopen jaren bij een groot deel nog de hoop dat we langzaam uit het dal aan het kruipen waren. Het stimuleerde de strijd voor een groter deel van de koek. Een nieuwe recessie zal het perspectief om zelfs maar terug aan te knopen bij de situatie van voor 2008-9, weer helemaal teniet doen. Het kan bij een deel opnieuw een No Future gevoel creëren en mogelijks de onmiddellijke anti-politieke reflex versterken. Tegelijk zal het ook de zoektocht naar een alternatief versterken.

Bepalend voor de perspectieven, het effect op het bewustzijn en de strijd, is hoe snel een recessie zich zal of kan realiseren, hoe diep die zal snijden en hoe lang ze zal duren. Het is niet uitgesloten dat een scherpe en diepe inzinking, gepaard met een snelle ontwikkeling van de werkloosheid, opnieuw verlamming teweegbrengt en het vertrouwen in strijd voor een bepaalde tijd beperkt en zo tijdelijk een einde maakt aan de opgang van strijd van de afgelopen jaren.

De wereldwijde economische vertraging is reeds een feit en maakt haar eerste slachtoffers in de vorm van economische werkloosheid en een nieuwe golf van afdankingen. De Standaard rapporteerde op 10 september op haar voorpagina: “Het feest op de jobmarkt is voorbij”. Eind augustus was er reeds de bekendmaking dat het auto-toeleveringsbedrijf Punch Powertrain in Sint Truiden enkele honderden arbeiders zou ontslaan door problemen die direct te maken hebben met de inzinking van de Chinese automarkt. Een groot deel van de arbeiders waren vorig jaar reeds regelmatig economisch werkloos. Sinds deze zomer regent het ontslagen in verschillende bedrijven. In enkele bedrijven in het Brusselse anticiperen patroons door enkele van hun meest strijdbare delegees te ontslaan. Het kunnen de kanaries in de mijn zijn!

Hoe snel de vertraging van de wereldeconomie, vooral in China, maar ook in de VS en Europa, zal leiden tot een spiraal van jobverlies is moeilijk te voorzien, maar de eerste tekenen zijn aanwezig. In België waren in juli reeds 7% minder uitzendkrachten aan het werk dan vorig jaar. Steeds meer bedrijven maken gebruik van het systeem van tijdelijke werkloosheid. Uit cijfers van de RVA blijkt dat er in het tweede trimester 93.000 werknemers tijdelijk werkloos waren. Dat zijn er 8,6% meer dan in dezelfde periode vorig jaar. Vooral de industrie zou in eerste instantie getroffen worden. Het aantal faillissementen zit terug dichtbij het record van 2013 (ruim 12.000 bedrijven), met in de eerste drie kwartalen van 2019 8741 faillissementen, wat 15,2% meer is dan vorig jaar. Daarbij gingen 15.871 jobs verloren, een stijging van 19,3% in vergelijking met dezelfde periode vorig jaar.

Belangrijk voor de Belgische economie zijn de economische vooruitzichten voor de naburige landen: vooral van Duitsland, Frankrijk en Nederland, maar ook de Brexit kan zware gevolgen hebben. Na Ierland zou België het zwaarst getroffen worden in de handel met het VK. De wereldwijde groeivertraging en de handelsoorlog lijken in eerste instantie Duitsland, dat in het derde kwartaal in recessie ging, hard te treffen. Als daar een slechte Brexit, een no-deal Brexit of een nieuwe olieschok bij komt, kan dit heel de wereldeconomie in recessie dompelen. Deze zal direct de realiteit blootleggen in de financiële sector, waar de winsthonger heeft geleid tot gelijkaardige speculatie en risico’s die 12 jaar geleden het hele financiële systeem deden wankelen.

Wanneer de werkende bevolking om nieuwe opofferingen wordt gevraagd, is het niet onbelangrijk hoe de vorige periode werd ervaren. De natuur van het herstel sinds 2008-9 is niet vergeten. Vooral hoe de kapitalistische klasse in de eerste plaats in staat is geweest haar eigenbelang te verdedigen en haar winsten te herstellen met een hard besparingsbeleid op de rug van de massa’s en de werkende bevolking wereldwijd, staat met kop vooraan in het bewustzijn.

Rapporten zoals die van Oxfam over de verder toenemende kloof tussen arm en rijk in dezelfde crisisperiode, voeden het antikapitalistische sentiment. 82% van de gecreëerde rijkdom in 2018 ging naar de rijkste 1% van de globale wereldbevolking, terwijl de armste helft geen enkele vooruitgang kende. De Financial Times (19/9/’19) met als titel “Capitalism, time for a reset” gaf interessante cijfers die de trend naar grotere ongelijkheid bevestigen. Tussen 1949 en 1973 ging het mediaan inkomen per gezin in de VS jaarlijks omhoog met 3%. Aan dit tempo was er 96% kans dat een kind een hoger inkomen zou hebben dan zijn of haar ouders. Sinds 1973 bedroeg de jaarlijkse toename slechts 0,4%. Het resultaat is dat 28% van de kinderen vandaag over een lager inkomen beschikken dan hun ouders. Het aandeel van de top 1% van VS inkomens (voor de aftrek van taksen) sprong van 11% in 1980 tot 20% in 2014!

De kapitalistische klasse is zich zeer bewust van dit ontwikkelende anti-kapitalistische sentiment. De open brief van CEO’s van de Business Roundtable in de VS, ondertekend door 181 CEOs van bedrijven als Amazon, Pepsi, Walmart, JP Morgan Chase, … is een erkenning van het groeiend wantrouwen tegenover grote bedrijven. Zo proberen de CEO’s de rol van bedrijven te herdefiniëren of beter te camoufleren. Ze benadrukken in hun brief dat ondernemingen niet meer alleen meerwaarde voor de aandeelhouders mogen nastreven, maar dat ook klanten en werknemers er belang bij moeten hebben. Het contrast tussen woord en daad blijft echter groot. Slechts een verbeten en vasthoudende strijd om het verzet van dezelfde patroons te breken, leidde tot overwinningen van de 15$. Deze brief is slechts één voorbeeld van hoe de kapitalistische klasse zelf aanvoelt in hoeverre het vertrouwen in haar systeem is ondermijnd. Zoals één van haar actoren in de FT (7/9/2019) verklaarde: “Als we nu niet ageren, denk ik niet dat het kapitalisme nog zal bestaan in de volgende 50 jaar”.

Met zo’n brief spelen ze in op een beperkt antikapitalistisch bewustzijn in de samenleving. Ze voeden de illusie dat het mogelijk is om een humaan, klimaatvriendelijk kapitalisme te creëren. Vanuit deze invalshoek is het de taak van ons allen om te bekijken hoe we dit kunnen realiseren en kunnen er ook vanuit de kapitalistische klasse positieve bijdragen worden geleverd. Het is een gedachtegang die de vaak dominante kleinburgerlijke ideeën voedt als: we zijn allemaal verantwoordelijk, verandering begint bij jezelf, we moeten andere waarden voorop plaatsen, we hebben ook macht als consument, laat ons zelf bouwen aan een solidaire, circulaire economie, … Het is o.a. de taak van marxisten om duidelijk te maken dat de samenleving zoals we ze vandaag kennen het gevolg is van de logica van het systeem. Dat het hem niet gaat om een klein ontwerpfoutje in het systeem dat moet worden rechtgezet. Ongelijkheid, oorlog, uitbuiting … zitten allemaal in het DNA van het systeem.

Tegelijk doen dezelfde CEO’s er alles aan om de ontwikkeling van socialistische ideeën en de populariteit van socialistische kandidaten te bestrijden, zoals recent in Seattle. Daar sloten diezelfde bedrijven een mega-pact om te voorkomen dat Kshama Sawant herverkozen wordt. Dit is ook de inzet van de top van het establishment van de Democratische Partij: al het mogelijke doen om te vermijden dat Sanders de kandidaat wordt om Trump volgend jaar uit te dagen. Ze doen daarvoor beroep op zogenaamde progressieve kandidaten, omdat de openlijk rechtse kandidaten die door dezelfde kapitalisten gesteund worden, geen impact meer hebben.

Het programma van Sanders is geen revolutionair socialistisch programma, maar breekt wel met de neoliberale consensus en populariseert het idee van het vrijmaken van massale publieke middelen om te kunnen investeren in een publieke gezondheidszorg voor iedereen, onderwijs, een klimaattransitie weg van fossiele energie, etc … . Ook de oproep van Sanders tot meer “workplace democracy” die jongeren en werkenden moet aanzetten zich massaal te syndiceren en via syndicale strijd hogere lonen en betere arbeidsvoorwaarden af te dwingen, is een zeer belangrijke ontwikkeling. Dat alles kan een dynamiek van organisatie en strijd teweegbrengen die kan helpen om het klassenbewustzijn onder brede lagen van werkenden te genereren. Dit is wat de kapitalistische klasse meer dan wat ook vreest.

In wezen is het programma van Sanders een programma van belangrijke hervormingen, met meer staatsinterventie en een herverdeling van de rijkdom om tegemoet te komen aan de sociale noden. Het is zeer populair en radicaal in de bestaande conjunctuur. Strijd voor de realisatie ervan zal botsen met wat de kapitalistische klasse kan en wil toestaan. Maar de vraag tot meer staatsinterventie zal niet alleen komen van de arbeidersbeweging en links. Ook het kapitalisme zal beroep doen op de staat om haar systeem te stutten. Dat is niet nieuw. Het was bijvoorbeeld een belangrijk onderdeel van de New Deal in de nasleep van de crisis van de ‘30.

De ommekeer in de conjunctuur leidt tot hernieuwde discussie over de nood aan stimuli om de economische vertraging af te remmen of op zijn minst om een nieuwe recessie te bestrijden. Maar de ruimte ervoor vandaag is beperkt door het recordniveau aan schuld bij alle overheden, de grote schuldenberg van China (die vorige keer nog een motor was van groei), de reeds zeer lage rentevoeten, maar ook omdat de toegenomen inter-imperialistische rivaliteit een gecoördineerde internationale actie zoals in 2008 uitsluit.

De nieuwe acties van de FED en de ECB, om de reeds lage rente nog verder te verlagen en de nieuwe opkoop van obligaties door de ECB (voorlopig voor 20 miljard €/maand, na 2600 miljard € gepompt te hebben in het financiële systeem tussen halverwege 2015 en eind 2018), is aanleiding tot discussie.

In De Tijd van 24 augustus wordt de econome Frances Coppola aan het woord gelaten met een pleidooi voor een “people’s” quantitative easing: nieuwe stimuli, niet in de vorm van lage rente in de hoop om aan te zetten tot lenen en investeren, maar door overheden aan te zetten tot grootschalige overheidsinvesteringen. De nieuwe voorzitter van de ECB, Christine Lagarde, dringt aan bij de Eurozone om de Maastrichtnormen te versoepelen opdat overheden over extra instrumenten zouden beschikken in geval van recessie. In Duitsland wordt het aanzwengelen van de binnenlandse vraag belangrijker nu de export terugvalt. De SPD-minister van Economie wil de “oorlogskas” van 50 miljard inzetten voor een programma van grote infrastructuurwerken, o.a. voor groene transitie. Uiteraard is een dergelijk budget slechts mogelijk in de meest geavanceerde, rijkste landen. Onder druk van massastrijd en revolutie kan dit wapen versneld ingezet worden.

Een terugkeer naar een lange en stabiele periode van keynesianisme zoals na WO2 is echter uitgesloten. Dit was maar mogelijk in de naoorlogse groeifase nadat de vernietigingen tijdens WO2 er de voorwaarden voor creëerden, toen de dreiging van een stalinistisch blok een constante druk zette en men probeerde om met hervormingen van bovenaf, revolutie van onderuit te voorkomen.

Grotere polarisatie en strijd tegen discriminatie en klimaatverandering

De sociale crisis dwong de arbeidersklasse reeds tot actie en zal dit steeds opnieuw blijven doen. Ondanks alle pogingen om de klasse te verdelen met racisme, nationalisme, religie, gender, etc … kwamen de sociale kwesties steeds opnieuw aan de oppervlakte. Dit was zo internationaal, maar ook in België.

Deel van het succes van de slogan “Make America Great Again” was Trumps belofte om de jobs en de welvaart van de Amerikanen te beschermen. Dit is ook de retoriek van Salvini en het Vlaams Belang in België. Ze laten dit steevast gepaard gaan met een anti-immigratie retoriek, waarbij slogans als “send them back” appelleren aan die bevolkingsgroep die het makkelijkst te misleiden is met dergelijke slogans en dikwijls het meest sociaal kwetsbaar is. Bij afwezigheid van een sterke linkse kracht, met een programma dat de werkende bevolking kan verenigen in de strijd tegen degenen die een echte bedreiging zijn voor hun jobs en lonen en dat zich uitspreekt tegen elke vorm van verdeel en heers, kan zo’n retoriek de klassenstrijd tijdelijk desoriënteren en afremmen.

Maar ook deze demagogen kijken vroeg of laat de klassenstrijd in de ogen. Zo komt zelfs de AFL-CIO baas in de VS (oorspronkelijk en schandalig genoeg één van de verdedigers van Trump toen hij aantrad als president) tot de conclusie: “Trump kwam naar onze leden en zei ‘Ik zal de regels van de economie veranderen’ en ze geloofden hem. Spijtig genoeg doen de veranderingen die hij doorvoerde onze leden pijn. Trump verzette zich tegen elke verhoging van het minimumloon, veranderde de sociale regelgeving betreffende overuren voor een paar miljoen mensen, stelde miljarden dollars besparingen voor in de gezondheidszorg en ondermijnde de veiligheids – en arbeidscondities op de werkplaats”. En “ondanks de consistente economische groei en bloeiende bedrijfswinsten dankzij de massale belastingverlagingen voor bedrijven, zijn de reële lonen lager door de stijgende huurprijzen en ziekteverzekeringen”. Een verslaggever van de New York Times schrijft “met de ene hand animeert Trump de massa, met de andere hand, weg van de spotlichten, perst hij de arbeiders uit, dag na dag”.

Niet alleen migratie en vluchtelingen worden gebruikt voor deze verdeel-en-heerspolitiek. Deze rechtse populisten hanteren ook een zeer reactionaire agenda tegenover vrouwen en LGBTQI+. Op hetzelfde ogenblik proberen ze zich voor te doen als hun verdedigers, met een retoriek rond veiligheid waarbij voor een meer repressieve aanpak wordt gepleit en de vrouwen wordt aangeraden om terug naar de haard te gaan voor hun eigen veiligheid en voor de kinderen. Het leeuwendeel van seksistisch geweld vindt evenwel plaats in de thuisomgeving, doorgaans door daders die dicht bij het slachtoffer staan: 80% van de feminicides wordt gepleegd door een partner of ex-partner. De tweederangspositie van vrouwen in de samenleving maakt hen nog kwetsbaarder, arme vrouwen zijn twee keer zo vaak slachtoffer van verkrachting. Rechtse populisten staan net als traditionele partijen echter voor een beleid van toenemende onzekerheid (onzekere jobs, gebrek aan openbare diensten,…). Het verklaart de wereldwijde massale bewegingen tegen discriminatie en voor democratische rechten en het meer uitgesproken radicalisme en de strijdbaarheid van deze groepen in de maatschappij. De bewegingen tegen seksisme, die in sommige landen tot de grootste betogingen in de geschiedenis leidden, dragen ertoe bij om barsten in de neoliberale ideologie te brengen. Steeds bredere lagen van de bevolking in heel de wereld beseffen dat seksisme een maatschappelijk probleem is dat bijgevolg collectief moet aangepakt worden en niet individueel. Het is belangrijk om in het debat tussen te komen over de methoden en wie onze bondgenoten zijn in deze strijd.

Het liefst regeert de burgerij zonder leiders als Trump in de VS of Bolsonaro in Brazilië. Ze dreigen het sociale klimaat nog verder te radicaliseren en de burgerij vreest het radicalisme en de polarisatie die de zweep van de contrarevolutie kan teweegbrengen. Tegelijk worden deze figuren gebruikt om te zien hoe ver gegaan kan worden in het verdelen van de werkende bevolking en in het voortzetten van een ultra-neoliberaal programma.

Er heerst een enorme internationale economische en politieke instabiliteit met massale revoltes en bewegingen zoals die in Hongkong, Puerto Rico, Algerije en Soedan, … die de heersende klassen doen beven op hun grondvesten.

De klimaatcrisis draagt bij tot dat gevoel van urgentie bij jongeren en arbeiders wereldwijd om maatschappelijke verandering te realiseren. Op 20 september kwamen meer dan 4 miljoen jongeren en werkenden op straat tegen klimaatverandering, met in sommige landen historisch grote betogingen en scholierenstakingen. Een nieuwe generatie is voor de eerste keer sinds de massale anti-oorlogsprotesten massaal in actie gegaan. Het potentieel van de klimaatbeweging is nog lang niet uitgeput.

Socialistische ideeën kunnen in een dergelijke context terug aan populariteit winnen en de kansen om een revolutionaire partij als de onze uit te bouwen sterk doen toenemen.

Dit zijn slechts enkele van de belangrijkste elementen van de internationale context tegen dewelke de Belgische politieke crisis zich afspeelt. De teksten van het IEC over de economische perspectieven en de oorzaken van de crisis binnen het CWI zijn een belangrijke bijdrage tot de perspectieven discussie op ons Nationaal Congres, en moeten samen met deze tekst gelezen worden (International Members Bulletin 1) .