Uit de archieven van de klassenstrijd

De eerste twee artikelen in deze reeks (in onze vorige kranten) gingen over de spontane strijd tussen 1919 en 1920: het opeisen van voedsel uit protest tegen de hoge kosten van levensonderhoud en landbezettingen door arme boeren. Deze strijd werd niet afgeremd door de georganiseerde arbeidersbeweging (partij en vakbond) die minder aanwezig was buiten de industriële centra. Dit kan echter niet gezegd worden van de arbeidersstrijd.

door Guy Van Sinoy

In 1919 werd de Italiaanse Socialistische Partij (PSI) een massapartij (158 verkozenen in een parlement met  508 leden). Maar de partij was erg heterogeen. De PSI trad toe tot de Communistische Internationale, maar werd gedomineerd door opportunistische stromingen. De rechtervleugel (Turati, D’Aragona) vertegenwoordigde minder dan 10% van de leden, maar had een meerderheid onder de parlementairen. Het centrum (Serrati) telde een meerderheid (57%) onder de leden, maar wilde niet breken met de opportunisten. De linkervleugel (Bordiga, Gramsci) vertegenwoordigde ongeveer 1/3 van de leden.

In Turijn, waar de syndicalisatiegraad hoog was en de strijdbare arbeidersklasse gepolitiseerd werd door de jongeren van de PSI (vooral Gramsci), begon in de metaalbond FIOM in de herfst van 1919 een strijd om de oude arbeiderscommissies, die vaak enkel uit bureaucraten bestonden, om te vormen tot fabriekscomités die alle arbeiders samenbrengen. Bij Fiat en Lancia verkozen 30.000 arbeiders bij geheime stemming vertegenwoordigers van hun werkplaats. Deze mandaten waren herroepbaar. De vertegenwoordigers van alle werkplaatsen samen vormden het fabriekscomité. Grote bazen zoals Agnelli (Fiat), Olivetti, De Benedetti begrepen het gevaar en informeerden dat er in het bedrijf “maar één macht kan zijn.” De regering concentreerde alle overblijvende zekere troepen in Turijn: alles samen 50.000 soldaten, koninklijke gardes en carabinieri.

In maart 1920 gingen de metaalbewerkers in Turijn in staking uit protest tegen de verlenging van de werktijd. De bazen reageren met een lock-out. De arbeiders bezetten daarop de fabrieken. De stad werd belegerd door de troepen, die tal van provocaties ondergingen. Het weekblad Ordine Nuevo, uitgegeven door Gramsci, werd een dagblad ter ondersteuning van de strijd. De lokale PSI-afdeling riep op tot een algemene staking: alle fabrieken, de post- en telegraafdiensten, de spoorwegen gingen in april in staking en de hele provincie werd platgelegd. De Nationale Raad van de PSI, die in Turijn zou worden gehouden, verhuisde naar Milaan. De afgevaardigden van Turijn eisten de uitbreiding van de staking, maar Turati en D’Aragona verzetten zich ertegen. Na een maand eindigde de Turijnse staking in een zware nederlaag.

In augustus van hetzelfde jaar riep de vakbond FIOM op tot een aanpassing van de lonen aan de stijgende kosten van levensonderhoud. Het patronaat reageerde dat discussie daarover overbodig was. FIOM lanceerde daarop een stiptheidsstaking (verlaging van het werkritme). De bazen beantwoordden dit met een lock-out. Op 30 augustus ontdekten de 2.000 arbeiders van Alfa Romeo in Milaan dat hun fabriek bezet was door het leger. FIOM riep hierop alle metaalarbeiders op om hun fabrieken niet te verlaten, maar te bezetten. Een dag later waren duizend metaalbedrijven in heel het land bezet door 400.000 arbeiders. Op de werkplaatsen werden slaapzalen en keukens ingericht. Gezinnen zorgden voor de bevoorrading. Fanfares speelden Bandiera Rossa op de fabrieksterreinen. Soms waren er grappige situaties. Een beter gestelde burger die een Fiat-wagen had besteld, belde de fabriek om te informeren naar de leverdatum. Aan de andere kant werd hij begroet met de mededeling: “Hallo, dit is de sovjet van Fiat.” De klant verontschuldigde zich en zei later eens te zullen terugbellen…

In de meeste fabrieken werd de productie hervat onder toezicht van het fabriekscomité, dat doorgaans ook besloot om alcohol op de werkplek te verbieden. Om te voorkomen dat het leger in de fabrieken zou tussenkomen, begonnen de arbeiders milities op te richten: de Rode Gardes. Ze kochten wapens en in de werkplaatsen werden handgranaten gemaakt. In Turijn, waar een Militair Arbeiderscomité werd opgezet, beschikte de fabriek Fiat Centro over enkele machinegeweren en 5.000 patronen. In de daaropvolgende week breidde de staking zich uit tot de chemie. In de haven van Genua hielden stakers drie boten bezet.

De nationale leiding van de vakbondsfederatie CGL wilde de staking echter beperken tot de metaalsector. D’Aragona contacteerde de prefecten van Turijn en Milaan om het conflict te beëindigen. Enkele maanden later richt een van de prefecten zich tot de patroons en wijst hij naar D’Aragona: “Dat is de man die Italië kan redden.” De leiding van CGL wilde de bazen ervan overtuigen om geen geweld te gebruiken en het leger niet in te zetten om de bezettingen te stoppen. Dat zou immers “olie op het vuur gooien.”

Op 19 september werd een akkoord getekend door de patroons en de CGL-leiding: 4 lire loonsverhoging (in plaats van 7 lire) en oprichting van een paritair comité van bazen en vakbonden die aan de syndicale basis werd voorgesteld als een vorm van arbeiderscontrole. Twee dagen later liet FIOM het akkoord door de basis goedkeuren, ondanks hevig verzet van de Turijnse afgevaardigden. De Italiaanse arbeidersklasse leed een vreselijke nederlaag die tot diepe demoralisatie leidde.

In januari 1921 hield de PSI een congres in Livorno. Het centrum (Serrati) en rechts (Turati, D’Aragona) stemden samen tegen de stellingen van de Communistische Internationale. Links (Bordiga, Gramsci, Tasca, Togliatti) verliet de zaal en stichtte de Communistische Partij van Italië (PCI). Ondertussen begonnen de bazen en grootgrondbezitters de fascistische milities van Mussolini te financieren.