Home / Edito - Belgische politiek / PS en N-VA praten, maar onderhandelen niet

PS en N-VA praten, maar onderhandelen niet

Waarom de regering-Michel/De Wever werd afgestraft: gewone werkenden en hun gezinnen gaan erop achteruit

Vijf maand na de verkiezingen en binnenkort een jaar na de val van de federale regering is van een federale regeringsvorming nog steeds geen sprake. Officieel zijn Demotte (PS) en Bourgeois (N-VA) dan wel “preformateurs” en geen informateurs, maar van echte onderhandelingen tussen PS en N-VA is geen sprake. “We zijn niet geëvolueerd naar een fase van onderhandelingen. (…) Met de informateurs hebben we informele vergaderingen, waar de partijen elk hun ideeën naar voor brengen, niet meer, niet minder,” aldus Magnette, pas verkozen voorzitter van de PS. (Le Soir online, 21/10)

Edito door Anja Deschoemacker

Hoezeer een aantal Vlaamse journalisten en academici ook mogen roepen dat paars-geel nu eenmaal moet, want “de enige andere optie met een federale meerderheid (paars-groen) heeft geen meerderheid in Vlaanderen,” zet dit voorlopig geen zoden aan de dijk. En iedere maal dat men uit een opmerking van een PS-kopstuk meent te lezen dat er “openingen” zijn, wordt de deur door de PS-top steevast toegegooid. Een noodzaak van een meerderheid in Vlaanderen maakt in Wallonië en Brussel weinig indruk na de passage van een Zweedse regering die niet eens een kwart van de Franstalige stemmen vertegenwoordigde.

Enkelen menen hierin “politieke spelletjes” te ontwaren, maar in realiteit zou een paars-gele regering dodelijk kunnen zijn voor de twee belangrijkste formaties erin, zowel voor PS als voor N-VA.

Uiteraard is de PS – jammer genoeg – niet half zo links als ze zich voordoet. Het is een partij die al sinds eind jaren ’80 getrouw het programma van de burgerij uitvoert. Toetreden tot een regering met openlijk Thatcheriaanse kenmerken, zoals de vorige Zweedse regering, is echter een brug te ver, zeker nu de PS concurrentie krijgt op haar linkervleugel.

Van de N-VA anderzijds verwachten dat ze na het confederalisme ook haar sociaaleconomische provocatieve discours en programma laat vallen om de PS het sociale masker te gunnen die die partij nodig heeft, is evenmin zeer waarschijnlijk. Daarom kregen we naast de communicatie van Theo Francken eind september – “een regering met de PS is niet onmogelijk” – tegelijk in de pers de versie van Peter De Roover te horen: “Hebt u aandelen van paars-geel, ik zou ze verkopen.” (De Standaard 24 en 27/09)

Voor een “Belgisch compromis” zijn er centen noch politieke instrumenten

De commentatoren die verwijzen naar het “Belgische compromis” blijven nadrukkelijk aanwezig in vooral de Vlaamse pers, maar ze doen dat op een onhistorische, idealistische wijze. Het Belgisch compromis, waarbij men voor de verschillende tegenstellingen – arbeid/kapitaal; Vlaams/Waals; katholiek/vrijzinnig – steeds een pragmatische oplossing vond, kon enkel ontwikkelen in een specifieke periode en context, met name die van de naoorlogse periode. En die periode is definitief voorbij.

Een eerste element die het “Belgische compromis” mogelijk maakte, was de enorme economische groei van die periode, waarin het voor het kapitalisme mogelijk was een toenemende levensstandaard voor de werkende bevolking te combineren met superwinsten. De arbeidersklasse moest nog altijd vechten om haar te dwingen tot betere lonen en sociale bescherming, maar ze had naast haar organisatie en actiebereidheid van de basis ook nog een andere kaart achter de rug, namelijk het bestaan van het “rode gevaar” achter de Berlijnse muur. Vandaag liggen beide elementen al enige decennia achter ons.

De realiteit is dat het Belgische compromis op alle vlakken een enorme inzet van middelen vergde: voor een sociale politiek om de arbeidersklasse tevreden te stellen, voor het naast elkaar bestaan van twee door de staat gesubsidieerde onderwijs- en gezondheidszorgnetten, voor de machtsdeling op nationaal vlak waarbij elke investering in Vlaanderen gecompenseerd moest worden door een investering in Wallonië en omgekeerd.

Die middelen zijn er al enige tijd niet meer, maar in een eerste fase kon het compromis nog worden verdergezet als een “evenwicht in verlies”. We gingen over van win-win tot lose-lose, het verhaal van de evenwichtige afbouw. Zo veranderden bijvoorbeeld de IPA-onderhandelingen van onderhandelingen waarin de sterkste sectoren de zwakste naar boven trokken naar onderhandelingen waarin de mogelijkheden van de zwakste sectoren de bovengrens werden voor de sterkere sectoren. De staatshervormingen verdeelden niet langer de middelen onder de regionale eenheden, maar juist de besparingen. In de afbouw van onderwijs en gezondheidszorg werden de verschillende netten evenredig getroffen.

Een tweede voorwaarde voor het ontwikkelen van het befaamde Belgische compromis was het bestaan van partijen die dat compromis konden belichamen. Algemeen waren dat de traditionele partijen, maar toch vooral de christen- en de sociaaldemocratie en dan vooral CVP en PS, de partijen die in hun taalgebied dominant waren en tegelijk banden hadden met zowel de vakbonden als met de levensbeschouwelijke netten. In de laatste verkiezingen kregen CD&V en SP.a nog net iets meer dan 25% van de Vlaamse stemmen achter zich, in de laatste peilingen was dat onder de 20% gezakt. In Wallonië is het iets beter: PS en CDH kregen 37% van de stemmen, in de peilingen herleid tot 31,5%. Voor de vier vernoemde partijen spreken we over de slechtste percentages sinds WOII. Zelfs als je de derde traditionele partij – de liberalen – erbij voegt, kom je noch in Vlaanderen, noch federaal aan de helft van de stemmen.

Welke opties voor een federale regering?

Paars-geel kan niet volledig uitgesloten worden indien er voldoende externe druk komt: economische crisis, banken die moeten worden gered, sociale kosten die snel oplopen … Maar indien de Zweedse regering een kibbelkabinet wordt, zou zo’n regering al snel slaande ruzie hebben.

Een paars-groene regering zou gemakkelijker een verhaal kunnen uitwerken om de verdergaande besparingen verkocht te krijgen, maar de prijs ervan zou een verdere versterking van de Vlaams-nationalistische partijen zijn. De burgerij kan in dat geval hopen dat de N-VA zich vanop de federale oppositiebanken opnieuw versterkt tegenover het Vlaams Belang.

Als geen van beide opties mogelijk blijkt, kan een noodregering met een beperkt programma in geval van hoge nood niet uitgesloten worden. Wat wel uitgesloten is: de terugkeer naar een stabiel compromisbeleid!