Home / Dossier / Oost-Europa 1989. Revolutionaire beweging met contrarevolutionaire gevolgen

Oost-Europa 1989. Revolutionaire beweging met contrarevolutionaire gevolgen

Analyse door Rob Jones – Sotsialisticheskaya Alternativa (Rusland)

In Polen kwam op 13 september 1989 een regering onder leiding van de vakbond ‘Solidarnosc’ aan de macht: de eerste ‘niet-communistische’ regering in het voormalige Sovjetblok sinds 1948. Twee maanden later werd de Berlijnse Muur afgebroken. De spectaculaire gebeurtenissen van 1989 in Oost-Europa, althans op dat ogenblik, inspireerden de arbeidersklasse van de hele wereld, ook al eindigde het jaar met de live op televisie uitgezonden executie van de gehate Roemeense dictator, Nicolae Ceauşescu, en zijn vrouw Elena.

In slechts twee jaar tijd werd het voormalige Oost-Duitsland overgenomen door het Westen, Joegoslavië werd opgedeeld en na de mislukte staatsgreep in augustus 1991 viel de Sovjet-Unie uit elkaar. Het kapitalisme werd in de hele regio hersteld. De Koude Oorlog eindigde toen het ‘Warschaupact’, het militaire blok dat was opgericht tegen het Amerikaanse imperialisme, instortte. De burgerlijke filosoof Francis Fukuyama kondigde het ‘einde van de geschiedenis’ aan.

Ramp na 1989

De massabewegingen werden gedreven door de hoop dat het leven drastisch beter zou worden indien de gruwelijke bureaucratieën die het Sovjet-blok beheersten aan de kant geschoven werden. De regio bracht het daaropvolgende decennium echter in een verschrikkelijke economische depressie door, erger dan die van de jaren 1930. De voorheen centraal geplande economie werd vervangen door de chaos van de vrije markt. Zelfs de Wereldbank, een van de belangrijkste architecten van de overgang, meldde dat het BBP in Midden- en Oost-Europa tussen 1989 en 2000 met 15% was gedaald en in de voormalige USSR met 40%. Het aantal mensen in absolute armoede steeg van 4% tot 20%.

Voor het eerst sinds 1945 braken er oorlogen uit in Europa en Centraal-Azië. Wrede etnische conflicten hebben naar schatting 140.000 mensen het leven gekost en 4 miljoen mensen ontheemd omdat de imperialistische mogendheden en de nieuwe nationale elites vochten om de verdeling van het voormalige Joegoslavië. Minstens 150.000 mensen stierven in de twee Russisch-Tsjetsjeense oorlogen en nog eens 60.000 in de Tadzjiekse burgeroorlog. De conflicten in Moldavië, Georgië, tussen Armenië en Azerbeidzjan en in Oost-Oekraïne blijven onopgelost.

Eerste tekenen van Sovjet-ontevredenheid

De voormalige stalinistische staten waren autoritaire regimes met grootschalige controle op de bevolking en onderdrukking van tegenstanders. De eerste tekenen van ontevredenheid in de Sovjet-Unie volgden vaak op toevallige gebeurtenissen of secundaire kwesties. De explosie en de brand in de kerncentrale van Tsjernobyl in 1987 deden de bezorgdheid over het milieu toenemen. In de drie Baltische staten, waarvan de opname in de Sovjet-Unie als onderdeel van het Hitler-Stalin-pact in 1939 een zeer bittere nasmaak achterliet, ontwikkelden zich in eerste instantie nationalistische protesten rond milieukwesties. In Estland was dit rond plannen om te beginnen met de fosfaatwinning; in Letland tegen de bouw van een waterkrachtcentrale. Mensen begonnen ‘vaderlandslievende liederen’ te zingen na officiële muziekfestivals. In de Kaukasische republieken bleek uit een aardbeving die 50.000 doden veroorzaakte in een gebied in de buurt van een kerncentrale dat er een gebrek aan medische voorzieningen was en dat de woningen niet goed gebouwd waren. Dit leidde tot een massale escalatie van nationalistische sentimenten en het begin van de Nagorno-Karabach oorlog.

Oost-Europese ervaring

In de rest van Oost-Europa bouwden de protesten eind jaren tachtig voort op eerdere ervaringen van verzet tegen het stalinistische bewind. In de voormalige DDR (Oost-Duitsland) nam de arbeidersklasse in 1953 en vervolgens in Hongarije in 1956 deel aan algemene stakingen om de terugtrekking van de Sovjet-troepen en vrije verkiezingen te eisen, met behoud van de socialistische eigendom van de industrie, maar geleid door arbeidersraden met vrije vakbonden, het stakings- en vergaderingsrecht, persvrijheid en godsdienstvrijheid, enzovoort.

Deze eisen, basisvereisten in een democratische arbeidersrepubliek, waren voor Moskou onaanvaardbaar. Beide opstanden werden brutaal neergeslagen door Sovjet-tanks. Werkenden bleven verbitterd achter, terwijl het Sovjetsysteem internationaal in diskrediet werd gebracht. De communistische partijleden werden bekend als ‘tankies’.

De wortels van het stalinisme

De acties van de toenmalige Sovjetleiding die door Stalin en zijn opvolger, de zogenaamde hervormer Chroesjtstjov, werd gecreëerd, stonden ver af van de idealen van Lenin, Trotski en de bolsjewieken in 1917. De Russische Revolutie had als doel om een echte democratische en socialistische samenleving op te bouwen waarin de rijkdom en de middelen van het land in publiek bezit werden genomen met productie en distributie gepland door gekozen arbeiderscomités. De bolsjewieken waren internationalistisch en garandeerden het zelfbeschikkingsrecht van de naties van het voormalige Russische keizerrijk, terwijl ze pleitten voor een vrijwillige federatie van socialistische staten. De bolsjewieken waren ervan overtuigd dat de nieuwe arbeidersrepubliek alleen kon overleven en naar het socialisme toe kon groeien als in de meer ontwikkelde landen revoluties ontwikkelden.

De revolutionaire golf die een einde maakte aan de oorlog en aan de Duitse monarchie, waarbij in Hongarije en Beieren Sovjetrepublieken werden hervormd en in Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije sovjets, mislukte helaas. De nieuwe Russische republiek werd aangevallen door 15 imperialistische legers die bij de ondersteuning van de reactionaire witte legers een ravage aanrichtten. Veel van de beste arbeiders werden bij de gevechten betrokken en kwamen om het leven. Anderen moesten de fabrieken verlaten om de nieuwe staat te beheren. Het revolutionaire Rusland was uitgeput, verwoest en geïsoleerd aan het einde aan de burgeroorlog.

Een laag van bureaucraten, van wie velen zich tegen de revolutie hadden verzet en die zich door het uitblijven van een internationale revolutie gesterkt wisten, vond in Jozef Stalin een leider. Deze laag nam de politieke macht over van de arbeidersklasse. Het consolideerde zijn macht door middel van een nieuwe burgeroorlog met massale arrestaties, terreur en executies van oude bolsjewieken. Het internationalisme werd vervangen door de ideologie van ‘socialisme in één land’. In feite was dit een politieke contrarevolutie die een bureaucratisch staatsapparaat vestigde waarin heel wat elementen van de tsaristische en zelfs kapitalistische samenleving toezicht hielden op de genationaliseerde planeconomie. Zoals Trotski verklaarde, was er voor het herstel van een echte Sovjetdemocratie geen sociale revolutie nodig om de economische basis van de samenleving te veranderen, maar een politieke revolutie om de bureaucratie omver te werpen.

Verspreiding van het stalinisme in Oost-Europa

Ondanks de incompetentie van de stalinistische bureaucratie en dankzij de planeconomie en de vastberadenheid van het sovjetvolk, kwam de Sovjet-Unie als winnaar uit de Tweede Wereldoorlog. Oost-Europa, waaronder een deel van Duitsland, werd gecontroleerd door het Sovjetleger. Naarmate het vorderde, stortten de oude burgerlijke staten in en, vooral in Tsjecho-Slowakije, ontwikkelde zich een ontluikende revolutionaire beweging. Aanvankelijk wilde Stalin het kapitalisme in de regio in stand houden met marionettenregeringen als buffer tussen Oost en West. Maar deze positie bleek niet houdbaar. Uit angst voor de ontwikkeling van onafhankelijke socialistische republieken waarmee het idee van ‘socialisme in één land’ werd ondermijnd, ontbond het Sovjetleger de protestbewegingen. De bureaucratische planeconomie werd

uitgebreid tot de hele regio. Waar de Russische Revolutie een ontaarding kende, zouden de nieuwe regimes in Oost-Europa vanaf het begin misvormd zijn.

De planeconomie had te lijden onder vreselijk bureaucratisch wanbeheer en verspilling, maar bleek toch een tijdlang efficiënter te zijn dan de markteconomie van het Westen. In de Sovjet-Unie zelf groeide de economie. In de jaren zeventig bereikte de levensstandaard bijna het westerse niveau. In de verwoeste economieën van Oost-Europa was de groei per hoofd van de bevolking in de twintig jaar na de oorlog ongeveer 2,4 keer hoger dan in Europa als geheel.

Dit verklaart voor een groot deel waarom de opstanden in de DDR en Hongarije, waar de arbeiders zich de vooroorlogse fascistische regimes herinnerden, geen antisocialistisch karakter kregen. De voornaamste eisen waren de terugtrekking van het Sovjetleger en de eis dat arbeidersdemocratie een einde moest maken aan de bureaucratische overheersing.

Toen Stalin aan de macht kwam, telde de bureaucratie een paar honderdduizend mensen. In de jaren tachtig van de vorige eeuw was het een 20 miljoen sterk en alomvattend monster geworden. De bureaucratie verspilde niet alleen een deel van de maatschappelijke rijkdom door diefstal en omkoping, maar ook door bureaucratische incompetentie die ervoor zorgde dat tot 30% van de industriële en landbouwproductie verloren ging. Zelfs om begraven te worden, was er omkoping nodig. Aan het hoofd stond een kleine elite met een bijzonder luxueuze levensstijl. Denk maar aan de collectie luxewagens van Brezjnev.

Praagse Lente

In Oost-Europa was de situatie moeilijker. De stalinisten eisten dat deze landen enorme herstelbetalingen zouden doen voor de oorlogsschade op het grondgebied van de Sovjet-Unie. Er ontstonden onevenwichtigheden doordat het Sovjetregime grote nadruk legde op de ontwikkeling van de zware industrie, vooral in de defensiesector, ten koste van de consumptiegoederen.

Deze onevenwichtigheden troffen vooral Tsjecho-Slowakije, dat voor de oorlog een relatief ontwikkelde industriële economie had. In 1953 gaf het Kremlin opdracht tot een devaluatie van de munt, waardoor de levensstandaard met 11% daalde. De economie had het volgende decennium moeite om te groeien. Toen Alexander Dubcek in 1968 voorzitter van de Tsjechische Communistische Partij werd, lanceerde hij een programma om de economie te liberaliseren en beperkte democratische rechten in te voeren: ‘socialisme met een menselijk gezicht’. Tijdens de Praagse Lente van 1968 kreeg zijn programma massaal steun.

Aanvankelijk probeerde het Kremlin Dubcek ervan te overtuigen om van deze hervormingen af te zien. Onder druk van de naburige stalinistische staten werd in augustus tot repressie overgegaan: de Praagse Lente werd verpletterd door Sovjet-tanks.

Solidarnosc

In het naburige Polen maakte de dramatische stijging van de voedselprijzen het leven moeilijk voor de arbeidersklasse. In 1976 werd dit ongenoegen met geweld de kop ingedrukt. Maar ondergronds vormden oppositiekringen een nieuwe onafhankelijke vakbond. Toen in 1980 stakingen uitbraken op de iconische Lenin-werf in Gdansk, werd de vakbond ‘Solidarnosc’ opgericht. In 1981 organiseerde zij een succesvolle vier uur durende algemene staking met 14 miljoen arbeiders, waaronder veel gewone communisten. In december werd de staat van beleg afgekondigd en kwam het tot grootschalige repressie.

Solidarnosc werd opgericht om het recht te verdedigen van werkenden om zich te organiseren tegen prijsstijgingen, voor fatsoenlijke lonen en in belangrijke mate ook tegen de Poolse bureaucratie. Aangezwengeld door de lange geschiedenis van tsaristische onderdrukking van Polen voerde ‘Solidarnosc’ ook campagne tegen de Sovjet-aanwezigheid in het land. Maar de invloed van intellectuelen rond de ‘KOR’-groep en in toenemende mate van de katholieke kerk, op onder meer vakbondsleider Lech Walesa, duwde de vakbond niet alleen in een anti-stalinistische richting, maar in toenemende mate ook in verzet tegen het socialisme in het algemeen.

Dit was niet onvermijdelijk. Op het eerste congres van Solidarnosc, dat voor de staat van beleg werd gehouden, positioneerde de leiding de vakbond als een instrument om te onderhandelen over toegevingen van de regering. Het stelde zelfs voor dat de leden op vrijwillige basis op zaterdag zouden werken om het land uit de economische crisis te helpen. Een radicale minderheid, misschien 40% van de afgevaardigden, argumenteerde dat “het zelfbestuur van arbeiders de basis zal vormen voor een zelfbesturende republiek.” Dit werd opgenomen in het programma van Solidarnosc.

Verkeerde positie

Hoewel het bedoeld was als meer radicale weg, maakte het zelfbeheer dat door deze groep voorgesteld werd de weg vrij voor ondernemingen die economisch onafhankelijk waren en onderhevig aan de markt. Het zou uiteindelijk, zoals in Joegoslavië, tot kapitalistisch herstel geleid hebben. De radicale minderheid stelde geen programma voor om de stalinistische bureaucratie aan te pakken.

Generaal Jaruzelski, die de staat van beleg afkondigde, beweerde later dat het Kremlin hem niet wilde helpen, en dat de VS zijn machtsovername steunde. Zijn probleem was dat de wind van verandering zich in de Sovjet-Unie aan het opbouwen was. Na de dood van Brezjnev nam Joeri Andropov, die de onderdrukking van de Hongaarse opstand had geleid en ook de KGB leidde, over. Hij had geconcludeerd dat er verandering nodig was om de heerschappij van de Sovjet-bureaucratie te kunnen handhaven. Zijn korte heerschappij, gevolgd door de nog kortere termijn van de bejaarde Viktor Tsjernenko, maakte in 1985 de weg vrij voor Michail Gorbatsjov.

De hardliners waren op hun retour in de Sovjet-Unie. Jaruzelski kon het niet riskeren dat er een openlijke opstand tegen zijn autoritair bewind kwam. Hij begon een dialoog met Solidarnosc, waar de radicalen na verloop van tijd geïsoleerd waren geraakt en plaats maakten voor openlijke verdedigers van het kapitalisme. Er was een belangrijk keerpunt in 1988 toen Margaret Thatcher een bezoek bracht aan Gdansk om eerst met de communistische leiding te spreken en vervolgens met Solidarnosc. Amper tien maanden later kwamen er vrije verkiezingen die Solidarnosc overtuigend won.

Oorsprong van etnische conflicten

In Joegoslavië ontwikkelde zich een andere crisis. Na zijn botsing met Stalin in 1948 had Josip Tito de bureaucratie in stand gehouden, maar met een zekere onafhankelijkheid van Moskou. Tito gebruikte zijn gezag als partizanenleider tijdens de Tweede Wereldoorlog en slaagde erin een evenwicht te bewaren tussen de zeven naties in Joegoslavië. Dit was mee mogelijk omdat de economie een sterke groei kende. Tegen zijn dood in 1980 kampte het model van ‘marktsocialisme’ gebaseerd op ‘zelfbeheer’ echter met toenemende buitenlandse schulden en een werkloosheid van 20%. Er kwam hulp van het IMF die gepaard ging met ‘hervormingen’ om de economie te openen voor het Westen.

Tito was weg en de economische situatie leidde tot ongenoegen. De nieuwe Servische leider, Slobodan Milosevic, probeerde hiervan gebruik te maken om de Servische overheersing te versterken. Hij botste daarbij op hevig verzet van de leiders van andere republieken, die elk hun deel van de koek wilden naarmate het land uiteenviel. Toen Milosovic de Kosovaarse autonomie in Servië probeerde op te heffen, gingen de Kosovaarse mijnwerkers in staking. De basis was gelegd voor de etnische conflicten van de jaren 1990.

‘Perestrojka’ en ‘Glasnost’ veroorzaken chaos

Nu kwam er in de Sovjet-Unie zelf een ernstige crisis op gang. Gorbatsjov vertegenwoordigde de bureaucraten die de noodzaak zagen om de economie nieuw leven in te blazen. Hij begon met een verbod op alcohol, dat als

een boemerang terugkeerde toen er een suikertekort ontstond doordat mensen eigen sterke drank distilleerden. Vervolgens leidde zijn hervormingsprogramma van ‘glasnost’ (openheid) en ‘perestrojka’ (wederopbouw) tot toenemende economische chaos. De Sovjetmassa’s zagen dat de heersende elite in een crisis verkeerde. Dit gaf hen vertrouwen om zich uit te spreken. De heersende elite had de massa’s zestig jaar lang buiten de politiek gehouden. De terugkeer gebeurde eerst voorzichtig, maar kende een explosieve ontwikkeling naarmate het vertrouwen groeide.

Zoals reeds opgemerkt, hadden de eerste protesten betrekking op het milieu. De lucht in veel steden was zo vervuild dat de levensverwachting daalde. Het Baikalmeer en de Kaspische Zee waren vervuild door industrieel afval. Het Aralmeer in Centraal-Azië, ooit het op drie na grootste meer ter wereld, was vrijwel verdwenen door Brezjnev’s gedwongen katoenteelt in Oezbekistan.

Deze protesten toonden een enorme ontevredenheid in de Sovjetmaatschappij, ook rond de nationale kwestie. Toen de bolsjewieken in 1917 aan de macht kwamen, hadden ze een zeer geavanceerde en gevoelige benadering van nationale minderheden. De kapitalistische voorlopige regering die van februari tot oktober 1917 in Rusland aan de macht was, beloofde vrijheid voor de nationale minderheden maar kon dit niet waarmaken. De Bolsjewieken daarentegen hadden minder dan een week nodig om het recht op onafhankelijkheid van Finland te erkennen. Dit werd snel gevolgd door steun voor de onafhankelijkheid van Oekraïne, Moldavië, Litouwen, Estland, Transkaukasië, Wit-Rusland, Polen en Letland. Onder Stalin en zijn opvolgers werd daarentegen alles beslist in het belang van de gecentraliseerde staatsbureaucratie.

De opgekropte frustraties kregen de vrije loop toen nationale minderheden vochten om aan de repressieve, gecentraliseerde controle te ontsnappen. Terwijl de massa’s vochten voor nationale bevrijding, trokken grote delen van de heersende elite, die het einde van de Sovjet-Unie voelden naderen, de nationalistische kaart om de roep naar nationale bevrijding in hun eigen belang te gebruiken.

In 1988 was er een bloedige waarschuwing voor latere gebeurtenissen. Om een einde te maken aan een massabeweging voor de overdracht van Nagorno-Karabach van Azerbeidzjan naar Armenië, organiseerde de communistische partij een bloedige pogrom: honderden Armeniërs werden vermoord. De daaruit voortvloeiende etnische oorlog duurde jaren en is nog steeds niet opgelost.

De val van de Berlijnse Muur

De gebeurtenissen in Oost-Europa versnelden de ontwikkelingen in de Sovjet-Unie, die op hun beurt de processen elders versnelden. Toen Oost-Duitsers de toename van het publieke debat in Moskou zagen, iets waartegen de DDR-leiding zich probeerde te verzetten, en de Hongaarse en Tsjechoslowaakse regeringen beslisten om reizen naar West-Europa toe te laten, ontstonden wekelijkse betogingen die in november uitmondden in een miljoen mensen tellende optocht in Oost-Berlijn.

Aanvankelijk wilde men geen hereniging met het kapitalistische West-Duitsland. De eisen van de betogers waren: “vrije verkiezingen, vrije media, vrijheid van reizen en democratisch socialisme.” Er was echter geen georganiseerde kracht die deze eisen concreet opnam. De West-Duitse burgerij zag een kans om het land onder haar controle te herenigen. Na de val van de Berlijnse Muur werd een ‘schoktherapie’ toegepast met een snelle en brute herinvoering van het kapitalisme.

Mijnwerkersstaking in de Sovjet-Unie

De doodsklok van het Sovjetregime luidde in juli 1989 toen een massale staking van mijnwerkers uitbrak in het Kuzbass-kolenveld in Siberië, Donbass in Oekraïne, Vorkuta in de poolcirkel en Karaganda in de Kazachse steppe.

De heersende elite beweerde dat de Sovjet-Unie een “ontwikkelde socialistische samenleving” was die in het belang van de arbeidersklasse werd geleid. De realiteit was heel anders. Veel arbeiders kenden vreselijke leef- en werkomstandigheden. De mijnwerkers in Siberië en de poolcirkel hadden relatief hoge lonen, maar er was niets om hun geld aan uit te geven. Vaak woonden meerdere gezinnen samen in houten barakken van voor de revolutie.

Toen de zeep op was in de douches van de mijnen, barstte de beweging helemaal los. Honderdduizenden mijnwerkers staakten en eisten betere levensomstandigheden en minder bureaucratie. De mijnwerkers stonden voor een keuze. Met een eigen politieke partij hadden ze de bureaucratie kunnen omverwerpen om een echt socialistische samenleving op te bouwen. Het had kunnen leiden tot arbeiderscontrole en –bestuur op alle niveaus. Het had kunnen leiden tot vrijheid van vakbonden en politieke partijen, vrijheid om te reizen en vrijheid van protest. Het recht op zelfbeschikking had kunnen leiden tot een echte unie van vrije, gelijkwaardige socialistische staten. De middelen die vrijkwamen door het einde van de verspilling en overconsumptie van de bureaucratie, zouden de levensomstandigheden van de werknemers drastisch verbeteren.

De arbeiders waren echter politiek onvoorbereid. Bovendien had een groeiende laag van de bureaucratie eigen plannen. De partijbazen werden aangetrokken door de westerse levensstijl, dit was vooral zo onder de bevoorrechte Jonge Communisten en leden van de KGB die thuis westerse mode droegen en naar geïmporteerde muziek luisterden. Veel van deze parasitaire bureaucraten zagen hun systeem spartelen en keken naar het kapitalisme om hun eigen vel te redden.

Zij pleitten steeds vaker voor markthervormingen. Om “een beschaafde samenleving” te herstellen, moest de industrie in private handen komen, dat wil zeggen in hun handen. De arbeidersklasse kwam niet met een alternatief, waardoor deze ideeën terrein wonnen in de hele samenleving.

De ‘perestrojka’ van Gorbatsjov was bedoeld om de verspilling en het wanbeheer van de bureaucratie te verminderen zonder de macht van hen over te nemen: hervormingen van bovenaf om revolutie van onderuit te voorkomen. Het opende echter de deur naar kapitalistisch herstel in de Sovjet-Unie en Oost-Europa.

Inspiratie maar teleurstelling

Al wie bij deze gebeurtenissen betrokken was, moest wel onder de indruk zijn van de vastberadenheid en het initiatief van degenen die voor een betere samenleving opkwamen. Er waren de werkenden van Boedapest die slechts enkele dagen nodig hadden om een nationaal politiek systeem te organiseren gebaseerd op gekozen arbeidersraden en een arbeidersparlement. Degenen die alle wegwijzers veranderden om de Sovjet-tanks die Tsjecho-Slowakije binnenvielen in verwarring te brengen. De Poolse vrouwen die tijdens de staat van beleg het ondergrondse verzet organiseerden. Arbeiders in Berlijn die geen printer hadden, maakten er een van een oude wasmachine. De Azeris in Nagorno-Kharabach die hun Armeense buren voor de stalinistische geïnspireerde pogroms verborgen hielden. De Siberische mijnwerkers die in staking gingen en de hele stad onder controle kregen. De lijst is eindeloos.

Het is ook opvallend hoe snel de gebeurtenissen zich ontvouwden, vaak veroorzaakt door schijnbaar onschuldige kwesties, of het nu ging om de bouw van een nieuwe fosfaatmijn of de manipulatie van lokale verkiezingen, verwoesting veroorzaakt door een aardbeving of het gebrek aan zeep in douches. Boris Popovkin, een mijnwerker uit Vorkuta (en later lid van het CWI), toonde in juli 1989 de noodzaak van doortastende actie toen hij zijn werkmakkers op een massabijeenkomst overtuigde om het compromisvoorstel van het stedelijke stakerscomité af te wijzen. Hij waarschuwde dat “op compromissen gerichte tactieken nooit tot succes leiden.” De beweging groeide van daaruit en bracht binnen twee jaar de almachtige stalinistische bureaucratie ten val.

Naarmate de gebeurtenissen zich in een razend tempo voltrekken, groeit ook het bewustzijn. Maar zoals de gebeurtenissen van 1989 aantonen, is er een ideologische strijd om de politieke leiding van de beweging. Wat begon als een potentieel revolutionaire beweging tegen het stalinisme in Oost-Europa, leidde uiteindelijk tot het overdragen van de macht aan contrarevolutionairen. Als werkenden niet willen dat vijandige klassenkrachten winnen, moeten ze een eigen politiek alternatief opzetten: een partij met een socialistisch programma. Het werk om een dergelijk alternatief op te bouwen kan niet worden uitgesteld totdat de beweging van start gaat, socialisten moeten zich nu organiseren om voorbereid te zijn.

Het waren natuurlijk in de eerste plaats de werkenden en de jongeren die het slachtoffer waren van het etnisch geweld en de vluchtelingenstroom waarbij miljoenen Oost-Europeanen uit hun land wegtrokken op zoek naar werk. Zij betaalden de prijs voor de afwezigheid van een socialistisch alternatief op het stalinisme. Maar de ineenstorting van het stalinisme had ook internationaal een diepgaand effect op de arbeidersbeweging. Sinds de overwinning van de bolsjewieken in 1917, zelfs tijdens de donkere dagen van Stalins zuiveringen en vervolgens de koude oorlog, toonde het bestaan van het Sovjetblok aan dat het mogelijk was om een alternatief voor het kapitalisme te hebben. Eens dit schijnbare alternatief verdwenen was, zagen we hoe voormalige linkse partijen doorheen de wereld zelfs in woorden de socialistische oriëntatie opgaven. Pas nu, na dertig jaar, is er een begin van een heropleving van steun voor socialistische ideeën, vooral onder de jongeren.

De revolutionaire linkerzijde was niet immuun voor dit proces. Er was theoretische onrust met hevige interne controverses. Het CWI (Committee for a Workers’ International) had het verval van het stalinisme onderschat en dacht zelfs in de jaren zeventig en tachtig dat het herstel van het kapitalisme onmogelijk was. Collectieve discussies tijdens deze periode, verrijkt door de ervaring van nieuwe leden uit de regio, droegen bij tot het rechtzetten van deze fout. Toch bleek een conservatieve laag binnen het CWI rond Ted Grant en Alan Woods niet in staat zich aan te passen aan deze scherpe verandering in de wereldsituatie. Ze klampten zich vast aan de oude ‘fundamentele’ formules, alvorens af te splitsen om een eigen organisatie (de IMT) te vormen, die jarenlang weigerde te aanvaarden dat er een kapitalistische restauratie had plaatsgevonden.

De gebeurtenissen van 1989 toonden de kracht van de georganiseerde arbeidersklasse. Het is nu onze taak om ervoor te zorgen dat we de volgende keer klaar zijn om die energie te kanaliseren om een werkelijk democratische en internationalistische socialistische samenleving tot stand te brengen.