Home / Dossier / 70 jaar geleden: de Chinese revolutie

70 jaar geleden: de Chinese revolutie

Intrede van het Chinese Volksleger in Peking in 1949. Foto: Wikipedia

Xi Jinping, de ‘sterke man’ van China, zal een groots militair optreden voorzitten ter gelegenheid van de 70ste verjaardag van de Chinese Revolutie op 1 oktober 1949. 70 jaar geleden werden het kapitalisme en imperialisme door het boerenleger van Mao Zedong uit China verdreven. De politieke macht ging over in de handen van de stalinistische ‘communistische’ partij (CCP). Vandaag berust de dictatuur van de CCP op een fundamenteel andere klassenbasis dan zeventig jaar geleden: het is nu een imperialistische mogendheid – de op een na machtigste ter wereld – die een autoritair en door de staat geleid kapitalistisch model hanteert.

Vincent Kolo van chinaworker.info kijkt naar wat de revolutie en het regime van Mao werkelijk vertegenwoordigden

China telt vandaag het tweede grootste aantal miljardairs ter wereld. Het aantal is bijna verdubbeld van 251 naar 476 sinds Xi Jinping in 2012 aan de macht kwam. Dit is een veel sterkere stijging dan in de VS onder Obama en Trump, waar het aantal miljardairs in dezelfde periode van 425 naar 585 ging. Ondanks het veelbesproken economische “wonder” en de vooruitgang in de strijd tegen de armoede, hadden 577 miljoen Chinezen op het platteland vorig jaar een gemiddeld beschikbaar inkomen per hoofd van de bevolking van 14.617 yuan (2.052 US$). Dat is 5,60 US$ per dag, een beetje meer dan de 5,50 US$ die de Wereldbank in de ‘hogere middeninkomenslanden’ als grens voor armoede beschouwt.

Als commentatoren zeggen dat Xi zijn heerschappij baseert op het regime van Mao Zedong, dan bedoelen ze de autocratische heerschappij en repressie, in plaats van Xi’s economisch beleid dat pro-rijken en anti-werkende klasse is. In plaats van de revolutie van 1949 te verheerlijken, zal de officiële viering van China’s jubileumviering vooral nadruk leggen op nationalisme en thema’s als de mondiale rol en de militaire kracht van het land, de toenemende dreiging van ‘buitenlandse krachten’ (d.w.z. de VS), en de reden waarom China hopeloos verloren zou zijn indien de heerschappij van de CCP niet langer alles onder controle zou hebben.

Revolutionaire veranderingen

De CCP is niet aan de macht gekomen als voortrekker van de arbeidersbeweging. Met haar stalinistische visie en methoden stond ze aanvankelijk voor een relatief beperkte agenda om een “Nieuwe Democratie” op te richten, terwijl een kapitalistische economie behouden bleef. Maar bijna ondanks zichzelf werd de CCP door een van de machtigste revolutionaire golven in de wereldgeschiedenis naar voren geduwd. Het was deze massale revolutionaire vurigheid, binnen het internationale kader na de Tweede Wereldoorlog, die Mao’s regime ertoe aanzette om veranderingen door te voeren die China fundamenteel transformeerden.

China stond al lang bekend als de “zieke man van Azië” – het was arm, zelfs naar de normen van Azië in die tijd. Met zijn enorme bevolking (475 miljoen in 1949) was China al een eeuw lang de grootste “mislukte staat” ter wereld. Van 1911 tot 1949 werd het verscheurd tussen rivaliserende krijgsheren, met een corrupte centrale regering, en geteisterd door inmengingen van buitenlandse mogendheden. Het beëindigen van de vernederende buitenlandse douanekantoren en de aanwezigheid van imperialistische legers op Chinese bodem was slechts een van de vele verworvenheden van de revolutie. Mao’s regime introduceerde ook een van de meest verstrekkende landhervormingen in de wereldgeschiedenis – niet zo groot als die van Rusland, maar met een plattelandsbevolkign die vier keer zo groot was.

Zoals de historicus Maurice Meisner opmerkt, vernietigde deze agrarische revolutie “China’s adellijke eigenaren als sociale klasse, waardoor eindelijk de langst bestaande heersende klasse in de wereldgeschiedenis werd uitgeschakeld, een klasse die al lang een belangrijke belemmering vormde voor de wederopstanding en modernisering van China.” In 1950 vaardigde de regering van Mao een huwelijkswet uit die gearrangeerde huwelijken, polygamie en bigamie verbood en de scheiding voor beide geslachten gemakkelijker maakte. Dit was een van de meest dramatische beleidsverandedringen op het gebied van huwelijks- en gezinsrelaties ooit.

Toen de CCP aan de macht kwam, was vier vijfde van de bevolking analfabeet. Dit werd verminderd tot ongeveer 35% in 1976, toen Mao stierf. Als gevolg van de verpletterende onderontwikkeling waren er vóór 1949 in heel China slechts 83 openbare bibliotheken en slechts 80.000 ziekenhuisbedden. In 1975 waren er 1.250 bibliotheken en 1,6 miljoen ziekenhuisbedden.

De gemiddelde levensverwachting, in 1949 slechts 35 jaar, werd in dezelfde periode verhoogd tot 65 jaar. Innovaties in de openbare gezondheidszorg en het onderwijs, hervorming (vereenvoudiging) van het geschreven alfabet, en later het netwerk van ‘blotevoetenartsen’ dat de meeste dorpen omvatte, veranderde de omstandigheden voor de armen op het platteland. Deze prestaties, in een tijd waarin China veel armer was dan nu, zijn een aanklacht tegen de huidige crisis in de gezondheidszorg en het onderwijs, die het gevolg is van commercialisering en privatisering.

De afschaffing van het feodalisme en de imperialistische controle was een cruciale voorwaarde om China op de weg van moderne industriële ontwikkeling te zetten. Aanvankelijk hoopte het regime van Mao op een alliantie met delen van de kapitalisten en liet het belangrijke delen van de economie in particuliere handen. Maar halverwege de jaren vijftig was het regime gedwongen om de hele weg te bewandelen en zelfs de ‘patriottische kapitalisten’ te onteigenen en hun bedrijven op te nemen in een staatsplan naar het voorbeeld van het bureaucratische planningssysteem in de Sovjet-Unie. Vergeleken met een regime van echte arbeidersdemocratie was het maoïstisch-stalinistische plan een tamelijk bot instrument, maar het was toch een onvergelijkbaar veel dynamischer instrument dan het corrupte Chinese kapitalisme.

Gezien de lage basis van de Chinese economie aan het begin van dit proces, was de industrialisatie die tijdens de planeconomie werd bereikt, werkelijk verbazingwekkend. Van 1952 tot 1978 steeg het aandeel van de industrie in het BBP van 10 procent naar 35 procent (OECD Observer 1999).

Dit is een van de snelste industrialisatietempo’s ooit, groter dan in Groot-Brittannië in 1801-41 of Japan in 1882-1927. In deze periode creëerde China vliegtuigen, nucleaire, maritieme, automobiel-, en zware machinebouwindustrieën. Het BBP gemeten in koopkrachtpariteiten steeg met 200%, terwijl het inkomen per hoofd van de bevolking met 80% steeg. Zoals Meisner betoogt: “Het was tijdens de Mao-periode dat de essentiële fundamenten van de industriële revolutie in China werden gelegd. Zonder Mao zouden de hervormers van na Mao weinig te hervormen hebben gehad.”

De twee grote revoluties van de vorige eeuw, de Russische (1917) en de Chinese (1949), hebben meer gedaan om de wereld waarin we leven vorm te geven dan welke andere gebeurtenissen in de menselijke geschiedenis dan ook. Beide waren het resultaat van het totale onvermogen van het kapitalisme en het imperialisme om de fundamentele problemen van de mensheid op te lossen. Beide waren ook massabewegingen op epische schaal, geen militaire staatsgrepen zoals veel kapitalistische politici en historici beweren. Dit gezegd zijnde, waren er fundamentele, beslissende verschillen tussen deze revoluties.

Stalinisme

Het door Mao opgezette sociale systeem was er een van stalinisme in plaats van socialisme. Het isolement van de Russische Revolutie na de nederlaag van de revolutionaire bewegingen in Europa en elders in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw leidde tot de opkomst van een conservatieve bureaucratie onder Stalin, die zich baseerde op de staatseconomie, waaruit zij haar macht en privileges putte. Alle elementen van arbeidersdemocratie – beheer en controle door gekozen vertegenwoordigers en de afschaffing van de voorrechten – werden aan de kant geschoven.

Nochtans heeft een planeconomie, zoals Leon Trotski uitlegde, democratische controle van de arbeiders nodig, zoals een menselijk lichaam zuurstof nodig heeft. Zonder deze democratische controle, onder een regime van bureaucratische dictatuur, kan het potentieel van een planeconomie niet gerealiseerd worden en uiteindelijk, zoals twee decennia geleden is bewezen, wordt het hele stelsel bedreigd.

Toch was het dit stalinistische model dat de CCP aannam toen het in 1949 aan de macht kwam. Hoewel dit verre van echt socialisme was, oefende het bestaan van een alternatief economisch systeem voor het kapitalisme, en de zichtbare voordelen die dit voor de massa van de bevolking met zich meebracht, een krachtig radicaliserend effect uit op de wereldpolitiek. China en Rusland speelden op basis van hun staatseconomieën een rol bij het dwingen van het kapitalisme en imperialisme om toegevingen te doen, met name in Europa en Azië.

De Chinese revolutie heeft de druk op de Europese imperialisten vergroot om hun koloniën in het zuiden te verlaten. Het heeft er ook toe geleid dat het Amerikaanse imperialisme de snelle industrialisatie in Japan, Taiwan, Hongkong en Zuid-Korea heeft gesponsord en deze landen heeft gebruikt als buffer tegen de verspreiding van de revolutie, waarvoor het bang was. Zoals Marx stelde, is hervorming vaak een bijproduct van revolutie. Dit was het geval met de landhervorming en de vernietiging van het feodalisme door Aziatische militaire regimes in de jaren vijftig van de vorige eeuw binnen de Amerikaanse controledomeinen. Dit was de oorsprong van de snelle groei van het Aziatische kapitalisme vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw.

Verschillende klassenbasis en -programma’s

Terwijl zowel de Russische als de Chinese revoluties werden geleid door massale communistische partijen, waren er fundamentele verschillen tussen hen wat betreft programma, methoden en vooral hun klassenbasis – het verschil tussen marxisme en de stalinistische karikatuur ervan.

De Russische Revolutie van 1917 had een proletarisch karakter – een factor van doorslaggevend belang. Dit gaf haar de politieke onafhankelijkheid en historische durf om een nooit eerder beproefde weg in te slaan. De leiders van die revolutie, vooral Lenin en Trotski, waren internationalisten en zagen de revolutie als de opmaat tot een wereldwijde socialistische revolutie.

De meeste leiders van de CCP’s daarentegen waren in werkelijkheid nationalisten met slechts een dun laag internationalistisch vernis. Dit kwam overeen met de boerenbasis van de Chinese revolutie. Lenin merkte op dat de boerenbevolking de minst internationale van alle klassen is. Haar versnipperde en geïsoleerde levensomstandigheden geven haar een parochiale kijk op het leven, waarbij ze in veel gevallen niet eens een nationaal perspectief nastreeft. Lenins toespraak over de vorming van de Sovjetregering op 25 oktober 1917 eindigde met de woorden: “Lang leve de wereldwijde socialistische revolutie!”. Mao’s toespraak op 1 oktober 1949 sprak niet over de arbeidersklasse, maar legde de nadruk op het feit dat de Chinezen opstonden en verwees zelfs naar “de overzeese Chinese en andere patriottische elementen.”

Het karakter van de Chinese Revolutie werd bepaald door de boeren en de kleinburgerij. In plaats van een massale arbeidersbeweging en gekozen arbeidersraden – de motor van de Russische Revolutie – en het bestaan van een democratische marxistische arbeiderspartij, de bolsjewieken, was het in China het op boeren gebaseerde volksbevrijdingsleger (PLA) die de macht overnam. De arbeidersklasse speelde geen onafhankelijke rol en kreeg zelfs het bevel om niet te staken of te demonstreren, maar om de komst van de PLA in de steden af te wachten.

Hoewel de boeren in staat zijn tot groot revolutionair heldendom, zoals de geschiedenis van de strijd van het Rode Leger/PLA tegen Japan en het dictatoriale regime van Tsjang Kai-sjek aantoont, is zijn ze niet in staat om een onafhankelijke rol te spelen. Net zoals de dorpen zich door de steden laten leiden, zo steunt de boer politiek gezien een van de stedelijke klassen – de arbeidersklasse of de kapitalisten. In China was het niet de stedelijke bevolking die het platteland op sleeptouw nam, maar kwam de CCP aan de macht door een massale aanhang onder de boerenbevolking op te bouwen en vervolgens de grotendeels passieve, door oorlog uitgeputte steden te bezetten. De klassenbasis van de revolutie betekende dat ze een bestaand maatschappelijk model kon nabootsen, maar geen nieuw model kon creëren.

De boerenoriëntatie van de CCP kwam voort uit de vreselijke nederlaag van de revolutie van 1925-27, veroorzaakt door de tweestadiatheorie van de Communistische Internationale onder Stalin. Omdat China zich pas in het stadium van de burgerlijke revolutie bevond, moesten de communisten volgens deze theorie de burgerlijke nationalistische partij van Chiang (Kwomintang) steunen en dienen. De jonge en indrukwekkende arbeidersbasis van de CCP werd op brute wijze verpletterd.

Maar terwijl zich kort na deze nederlaag een belangrijke trotskistische minderheid vormde, die correcte conclusies trok dat de arbeidersklasse en niet de kapitalisten de Chinese revolutie moesten leiden, hield de meerderheid van de CCP-leiders vast aan het concept van de stalinistische tweestadiatheorie, hoewel ze er ironisch genoeg in de praktijk mee braken na de machtsovername in 1949.

Eind jaren twintig van de vorige eeuw ging de belangrijkste groep CCP-kaderleden, voornamelijk afkomstig uit de intelligentsia, met deze verkeerde pseudo-marxistische ideeën de strijd aan met de guerrilla op het platteland. Chen Duxiu, de oprichter van de CCP en later aanhanger van Trotski, waarschuwde dat de CCP dreigde te ontaarden in een “boerenbewustzijn” – een profetisch oordeel. In 1930 was slechts 1,6% van de leden arbeider, vergeleken met 58% in 1927. Deze klassenstructuur bleef vrijwel onveranderd tot de partij in 1949 de macht veroverde en vloeide automatisch voort uit de aandacht van de leiders voor de boeren en de afwijzing van de stedelijke centra als de belangrijkste arena van de strijd.

Daarnaast was er de toenemende bureaucratisering van de partij, de vervanging van het interne debat en de democratie door een regime van commando’s en zuiveringen, en de persoonlijkheidscultus rond Mao – allemaal gekopieerd van Stalin’s regeermethoden. Een boerenmilieu en een voornamelijk militaire strijd zijn veel meer bevorderlijk voor de groei van de bureaucratie dan een partij die zich opbouwt in de strijd van werkende mensen. Terwijl de Russische Revolutie onder ongunstige historische omstandigheden ontaardde, was de Chinese Revolutie van meet af aan bureaucratisch misvormd. Dit verklaart de tegenstrijdige aard van het maoïsme, van belangrijke sociale verworvenheden naast brute repressie en dictatoriale heerschappij.

Haat tegen Kuomintang

Toen de Japanse bezettingsoorlog in 1945 eindigde, was het Amerikaanse imperialisme niet in staat China rechtstreeks zijn eigen oplossing op te leggen. De stemming om “de troepen naar huis te brengen” was te sterk. De VS had geen andere keuze dan enkel militaire en andere steun te geven aan het corrupte en incompetente regime van Tsjang-Kai-Tsjek. In totaal werd voor zes miljard dollar steun gegeven.

Dat Washington weinig vertrouwen had in de Kwomintang-regering bleek uit de opmerking van president Truman enkele jaren later: “Het zijn dieven, allemaal dieven, allemaal verdomme. Ze stalen 750 miljoen dollar van de miljarden die we naar Tsjang stuurden. Ze hebben het gestolen, en geïnvesteerd in onroerend goed in Sao Paulo en sommigen zelfs hier in New York.”

Voor de massa’s was het nationalistische regime een regelrechte ramp. In de laatste jaren van de Kwomintang-heerschappij waren er meldingen uit verschillende steden van “hongerlijdende mensen die onbeheerd op straat liggen en sterven.” Fabrieken en werkplaatsen werden gesloten wegens gebrek aan voorraden of omdat de werknemers door honger te verzwakt waren om de machines te bedienen. Willekeurige executies door overheidsagenten en ongebreidelde misdaad door bendes waren de norm in de grote steden.

Naast de landhervorming die in de bevrijde gebieden werd doorgevoerd, was de grootste troef van de CCP de haat tegen de Kwomintang. Dit leidde ook tot massale deserties van Tsjang’s troepen naar het Rode Leger/PLA. Vanaf de herfst van 1948 behaalden de legers van Mao in verschillende belangrijke veldslagen overwinningen. In stad na stad door het hele land gaven de Kwomintang-strijdkrachten zich over of kwamen ze in opstand om zich aan te sluiten bij de PLA. Het regime van Tsjang verrotte van binnenuit, waardoor de CCP onder uitzonderlijk gunstige omstandigheden de confrontatie met dit regime aanging. Latere maoïstische guerrillabewegingen, zoals die in Maleisië, de Filippijnen, Peru en Nepal, die het succes van Mao probeerden na te bootsen, hadden minder geluk.

Met een echt marxistisch beleid had de omverwerping van de Kwomintang vrijwel zeker sneller en minder pijnlijk kunnen gebeuren. Vanaf september 1945, na de militaire ineenstorting van Japan, tot eind 1946, brachten arbeiders in alle grote steden een prachtige stakingsgolf op gang, met 200.000 stakers in Shanghai. Ook studenten gingen de straat op in een nationale massabeweging die de radicalisering van de middenlagen van de samenleving weerspiegelde.

De studenten eisten democratie en verzetten zich tegen de militaire mobilisatie van de Kwomintang voor de burgeroorlog tegen de CCP. De arbeiders eisten vakbondsrechten en een einde aan de loonstop. In plaats van deze beweging te stimuleren, drong de CCP er bij de massa’s op aan om niet tot het “uiterste” te gaan in hun strijd. In dit stadium was Mao nog steeds vastbesloten om een “verenigd front” te vormen met de “nationale” burgerij, die niet tegen de borst mocht gestoten worden door strijd van de arbeidersklasse.

De studenten werden door de CCP slechts als onderhandelingstroef gebruikt om druk uit te oefenen op Tsjang met het oog op vredesbesprekingen. De CCP deed haar uiterste best om de studenten- en arbeidersstrijd gescheiden te houden. De onvermijdelijke wetten van de klassenstrijd zorgden ervoor dat deze beperking tot een nederlaag en demoralisatie heeft geleid. Veel studenten- en arbeidersactivisten werden meegesleurd in een golf van repressie. Sommigen werden geëxecuteerd. Een historische kans werd gemist, waardoor het leven van Tsjang’s dictatuur werd verlengd en de stedelijke massa’s grotendeels passief bleven tijdens de rest van de burgeroorlog.

Tweestadiatheorie

In overeenstemming met de stalinistische tweestadiatheorie schreef Mao in 1940: “De Chinese revolutie in haar huidige fase is nog geen socialistische revolutie voor de omverwerping van het kapitalisme, maar een burgerlijk-democratische revolutie, met als centrale taak vooral het bestrijden van buitenlands imperialisme en binnenlands feodalisme.” (Mao Zedong, Over Nieuwe Democratie, januari 1940).

Om een blok met de ‘progressieve’ of ‘patriottische’ kapitalisten te bereiken, beperkte Mao de landhervorming (pas in de herfst van 1950 werd deze in slechts een derde van China doorgevoerd). Terwijl de bedrijven van de ‘bureaucratische kapitalisten’ – Kwomintang-vrienden en ambtenaren – onmiddellijk genationaliseerd werden, behielden de particuliere kapitalisten hun controle en waren ze in 1953 goed voor 37% van het BBP.

Een cruciale test kwam met de Koreaanse oorlog die in juni 1950 uitbrak. Dit bracht een enorme escalatie van de Amerikaanse druk, economische sancties en zelfs de dreiging van een nucleaire aanval op China met zich mee. De oorlog en de daarmee gepaard gaande gepolariseerde wereldsituatie (de Koude Oorlog tussen de Sovjet-Unie en de VS) betekende dat het regime van Mao, om aan de macht te blijven, geen andere keuze had dan de sociale transformatie te voltooien, de landhervorming te versnellen en de controle over de hele economie te vergroten.

De Chinese revolutie was dus een paradoxale, onafgewerkte revolutie, die niet alleen tot monumentale sociale vooruitgang leidde, maar ook tot een monsterlijke bureaucratische dictatuur waarvan de macht en de privileges het potentieel van de planeconomie steeds meer ondermijnden. Tegen de tijd dat Mao stierf, was het regime diep verdeeld en in crisis, uit angst voor massale omwentelingen die het van de macht zouden kunnen verdrijven.

Sommigen in China zijn vandaag de dag verharde anticommunisten geworden die het kapitalisme steunen en geloven dat dit op de een of andere manier een alternatief is voor het huidige regime. Anderen hebben zich gericht op de erfenis van Mao, die naar hun mening is verraden door zijn opvolgers. Binnen deze toenemende sociale en politieke turbulentie zijn echte marxisten, georganiseerd in het CWI in China, Hongkong en Taiwan, via de website chinaworker.info en andere publicaties actief om steun te winnen voor wereldwijd democratisch socialisme als enige weg vooruit.