Home / Column / Italië 1919-1920 (deel 2): bezetting van de grond

Italië 1919-1920 (deel 2): bezetting van de grond

Uit de archieven van de klassenstrijd

Screenshot uit de film ‘Novecento’ die handelt over de bezettingen van grond in Italië

1919: op een moment dat de woede tegen het dure leven in de steden explodeerde, stak een andere sociale brand het platteland in brand: de grondbezettingen. Tijdens de oorlog beloofde de voorzitter van de Raad: “Na de overwinning zal Italië een groot gebaar van sociale rechtvaardigheid maken: het zal het land aan de boeren geven met alles wat er deel van uitmaakt.” De terugkerende soldaten brachten tot diep op het platteland de hoop op een beter leven en vooral de hoop om eindelijk grond te bezitten.

door Guy Van Sinoy

In de beweging zijn verschillende categorieën landbouwers betrokken: deelpachters (pachters van het land dat zij verbouwen), dagloners die betere contracten eisen, boeren zonder land of werk die land nodig hebben. In maart 1919 begon in Lazio (een regio rond Rome) een bezetting van grond die grootgrondbezitters braak lieten liggen wegens gebrek aan investeringsbereidheid, wat voor boeren in armoede onduldbaar leek. Honderden mannen en vrouwen trokken met hun gereedschap en spandoeken in optochten, voorafgegaan door een fanfare, door de steden vooraleer ze gronden gingen bezetten.

In juni breidde de beweging zich uit met katholieke boerenliga’s die ook tot grondbezettingen overgingen. Nochtans werden die door de katholieke krant Il Popolo Romano afgekeurd als “bolsjewistische daden.” In augustus breidde de beweging zich uit naar het zuiden van het land (Apulië, Calabrië, Sicilië). In Lazio organiseerden tientallen rode bonden en coöperatieven die bij de vakbondsfederatie CGL (Confederazione Generale del Lavoro) aangesloten waren bezettingen in 40 gemeenten op 24 augustus. Maar liefst 25.000 hectare grond werd zo bezet, soms ook reeds bezaaide grond, wat tot hevige reacties van de grootgrondbezitters leidde.

Eind 1919 en in het voorjaar van 1920 werd de strijd heviger. In Emilia (Parma, Modena, Bologna) organiseerden de boeren piketten en blokkeerden ze wegen. De boerenliga’s begonnen een boycot van onwillige verpachters die niet meer het nodige kunnen aanschaffen om hun bedrijf te beheren. In januari 1920 voorzag een ontwerp van regeringsdecreet in hogere straffen voor bezettingen. Toch ging de beweging door. In Puglia bezetten de boeren landbouwgrond, knipten de telegraafdraden door, bliezen bruggen op, ontwapenden de carabinieri en verzetten zich tegen de troepen, waarbij twee doden vielen.

In het noorden van het land sloegen 180.000 pachters en dagloners de handen in elkaar om betere collectieve contracten af te dwingen. De enige tekenen van leven op de velden waren de teams van tientallen ‘rode fietsers’ die tussen de stakers in contact stonden en eventuele werkwilligen overtuigden om niet aan de slag te gaan.

De spontane uitbreiding van de boerenbeweging en de diepte ervan wees op een enorm revolutionair potentieel. Het stelde de onteigening van grootgrondbezitters aan de orde en kon een belangrijke bondgenoot worden voor arbeiders in de steden. Maar er was op dat moment geen enkele politieke kracht die de energie bijeenbracht, centraliseerde en stuurde in de richting van een radicale maatschappijverandering.

(Wordt vervolgd… In onze volgende krant: Bezetting van de fabrieken)