Home / Recensies/Cultuur / Recensie: “Feminisme voor de 99%”

Recensie: “Feminisme voor de 99%”

“Feminisme voor de 99%. Een manifest.”  Door Cinzia Arruzza, Nancy Fraser en Tithi Bhattacharya. In het Nederlands uitgegeven door EPO. 136 pagina’s. 15 €

Recensie door Laura Fitzgerald (Socialist Party, Ierland)

“Feminisme voor de 99%. Een manifest” is een kort boek dat aantrekkelijk is voor een nieuwe generatie die gepolitiseerd wordt door ervaringen met onderdrukking en uitbuiting onder het kapitalisme, maar ook door het voeren van strijd. De tekst haalt uit naar wat het omschrijft als het feminisme van de “overheersing van gelijke kansen”: het feminisme dat wordt verdedigd door het politieke en zakelijke establishment en zich uitdrukkelijk binnen de grenzen van het kapitalisme plaatst. Het boek benadrukt de vrouwenstrijd die wereldwijd ontwikkelt, in het bijzonder het idee van een feministische staking waarvan er inspirerende voorbeelden zijn uit Spanje, Italië, Polen en Latijns-Amerika.

“Feminisme voor de 99%” is een sterk statement tegen het burgerlijke of het liberale feminisme van figuren als Facebook-topvrouw Sheryl Sandberg. De auteurs wijzen op de holle leugens van de identiteitspolitek van het establishment. Dat is erop gericht om een kleine groep bevoorrechte vrouwen in staat te stellen hogerop te geraken in de bedrijfswereld. Het vertrekt van een marktgerichte visie op gelijkheid die perfect aansluit bij het enthousiasme van de bedrijfswereld voor ‘diversiteit.’ “Het echte doel is echter niet gelijkheid, maar meritocratie,” stellen ze. De auteurs stellen voor om de feministische beweging langs klassenlijnen op te delen om in te gaan tegen het pro-kapitalistische feminisme dat uiteindelijk onderdrukking en uitbuiting in stand houdt. Ze streven ernaar de feministische beweging op te delen langs klassenlijnen om zo in te gaan tegen het pro-kapitalistische feminisme dat onderdrukking en uitbuiting in stand houdt.

Een centrale stelling van de auteurs is dat sites van reproductie van een nieuwe beroepsbevolking voor het kapitalisme – huizen, scholen, ziekenhuizen, enz. – waar de tendens bestaat dat vrouwen dominant zijn in de betaalde en onbetaalde arbeid – de komende jaren een cruciale plaats van strijd zullen vormen. Het is zeker waar dat het decennialange neoliberale besparingsoffensief van het kapitalisme gepaard ging met een totale aanval op de publieke sector en delen van deze sector onderwierp aan het winstbejag. Dit leidt tot inspirerende strijd, vaak geleid door vrouwen in deze sectoren. Denk maar aan de massale lerarenstakingen in de VS tot de acties in de zorgsector in Europa.

De aandacht van de auteurs voor de eerder genoemde “feministische staking” (met op 8 maart dit jaar maar liefst 6 miljoen stakers in Spanje!) is zeker gerechtvaardigd. Het feit dat dit fenomeen zich heeft voorgedaan, getuigt van het feit dat de meest strijdbare, radicale delen van de opkomende wereldwijde feministische golf – vooral onder de arbeidersklasse en de jongeren – instinctief naar de traditionele methoden van de strijd van de arbeidersklasse kijken in hun strijd, in het bijzonder naar het krachtigste wapen: de staking.

De auteurs wijzen erop dat deze beweging stakingen heeft “gedemocratiseerd en hun reikwijdte heeft uitgebreid” en dat “zij zich niet alleen richt op lonen en werkuren, maar ook op seksuele intimidatie en aanranding, barrières voor reproductieve rechtvaardigheid en beperkingen van het stakingsrecht.” Als de sterk gebureaucratiseerde vakbondsleiding geen initiatief neemt of toelaat, gebeurt dit langs andere kanalen en wordt zo voor een nieuwe dynamiek in de strijd van de werkende klasse gezorgd. De Spaanse acties zijn daar een voorbeeld van: het was slechts door de grote druk van onderuit dat de officiële vakbonden uiteindelijk de oproep voor acties op 8 maart steunden.

De acties van scholieren en studenten rond het klimaat geven de werkenden eveneens vertrouwen om hun eigen vakbonden ertoe aan te zetten om tot actie over te gaan, met inbegrip van stakingen. Het is een zwak punt in het boek dat de auteurs geen commentaar geven over de noodzaak om de vakbonden opnieuw op te bouwen en nieuw leven in te blazen, noch op het falen van sommige vakbondsleiders om effectief te strijden rond economische kwesties of bredere elementen van onderdrukking en ongelijkheid. Maar het positieve referentiepunt van het gebruik van het stakingswapen van de arbeidersbeweging is effectief belangrijk, net als de inspirerende politieke stakingen die al plaatsvonden.

Op een gegeven moment verwijzen de auteurs kort naar mannelijke werkenden die een solidariteitsactie ondernemen. Het is jammer dat dit niet duidelijker wordt bepleit. In feite is het idee dat alleen vrouwen moeten staken een onderwerp van debat binnen de vrouwenbeweging, waarbij veel liberale feministen slechts een symbolische staking willen om de rol van vrouwen in de samenleving te illustreren, in plaats van een meer gecoördineerde confrontatie tegen het politieke en zakelijke establishment. In Spanje hebben mannelijke arbeiders die in het kader van de algemene staking op de Internationale Vrouwendag solidariteitsacties ondernomen. Dat heeft een groter deel van de economie platgelegd, waardoor de impact van de beweging een pak groter was.

Deze zwakte in het boek hangt samen met een andere zwakte of onevenwichtigheid in het Manifest. De auteurs maken een terecht punt dat het kapitalisme het werk van vrouwen onderwaardeert – in het bijzonder in de zorg, zowel wat betaald als onbetaald werk betreft. Om daarop te antwoorden, stellen de auteurs voor om “de macht van vrouwen” centraal te stellen: “de macht van diegenen wier betaalde en onbetaalde arbeid de wereld doet draaien” met het idee van “het terugtrekken uit huishoudelijk werk, seks en glimlachen.” Uiteraard moeten werkloze vrouwen mee op straat komen en zich organiseren in hun buurt – dit was altijd een belangrijk onderdeel van arbeidersstrijd en revolutionaire geschiedenis. Maar een staking van “onbetaald reproductief werk” is niet alleen onmogelijk voor veel arbeidersvrouwen (denk maar aan het ophalen van kinderen van school, voeding geven aan een baby, zorgen dat bejaarde familieleden uit bed geraken, …), maar het biedt ook niet hetzelfde potentieel als een staking in de zin van het werk in loondienst neerleggen.

De kracht van een staking komt grotendeels voort uit het feit dat werkenden essentieel zijn om winsten te creëren onder het kapitalisme. Er kan bovendien een krachtige en strategische solidariteit opgebouwd worden op de werkvloer. De impact en verstoring van het systeem door samen met de collega’s het werk neer te leggen, inclusief het betaalde ‘reproductieve’ werk (waarbij de arbeidskrachten voor het kapitalisme worden geproduceerd) zoals in de zorgsector, zijn van cruciaal belang.

Het is positief dat dit korte boek oproept om deel te nemen aan strijd tegen het kapitalistische systeem van uitbuiting, onderdrukking en milieuvernietiging. Het schiet wel tekort als er niet expliciet voor een socialistisch alternatief wordt opgekomen. Maar ongetwijfeld zal het boek heel wat lezers aanzetten om verder te zoeken naar wat socialistisch feminisme nu juist betekent.