Home / Dossier / 25 jaar na de genocide in Rwanda. Deel 3: Tweede Republiek, burgeroorlog en de genocide van 1994

25 jaar na de genocide in Rwanda. Deel 3: Tweede Republiek, burgeroorlog en de genocide van 1994

Schedels en botten van slachtoffers van de genocide. (foto vanop Wikipedia)

Hoe het kapitalisme barbarij creëerde in het gebied van de Grote Meren…

Vijfentwintig jaar geleden vond in Oost-Afrika een gebeurtenis van ongekende en historische gruwel plaats: de genocide op Tutsi’s en de slachting van gematigde Hutu’s. De genocide vond plaats voor de ogen van de wereldmedia. Barbaarsheid op industriële schaal veroorzaakte op amper drie maanden – van april tot juni 1994 – de dood van 800.000 tot een miljoen mensen. Vijfentwintig jaar later kijken we terug op de oorzaken en gevolgen van deze genocide voor Rwanda en de hele regio. We publiceren dit dossier in vijf delen: van de periode voor de kolonisatie tot vandaag.

Dossier door Alain Mandiki

Hoe de genocide verklaren?

Een van de clichés van de koloniale propaganda om de kolonisatie van Afrika door de imperialistische mogendheden te rechtvaardigen was de “beschavingsmissie”. De racistische propaganda van die tijd stelde Afrika voor als een barbaars continent in de greep van Arabisch-islamitische slavernij en etnische oorlogen. De missie van het Westen was om vrede en economische ontwikkeling te brengen. Dit zou democratie en vooruitgang brengen.

De realiteit is echter dat de invoering van het kapitalistisch productiesysteem en de integratie in de wereldmarkt de gemiddelde normen van de democratie niet aanwezig zijn en dat de vrede op het hele continent, en met name in Oost-Afrika, nog lang niet gewaarborgd is. In plaats van te zoeken naar verklaringen in de tegenstrijdigheden van het kapitalisme, gaven veel ideologen er de voorkeur aan om verklaringen te vinden in de racistische propaganda van de koloniale jaren.

Naar onze mening is het hoogtepunt van de “etnische” spanningen gebaseerd op een heersende klasse die met alle middelen vecht om de controle te behouden en te genieten van de kruimels die van de tafel van de wereldhandel vallen. In deze strijd was de fysieke uitschakeling van een uitdager als ‘definitieve oplossing’ en het aanwijzen van de vijand als het ras dat alle tegenstrijdigheden zou veroorzaken de optie van de Hutu-macht, de extremisten van het Habyariman-regime. Volgens de eerder vermelde ideologen is dit niet het geval: de genocide zou verband houden met een etnische en barbaarse strijd eigen aan Afrika en de Afrikanen. Dit is een ironische manier om de totale mislukking van het koloniale project te erkennen. Sommige intellectuelen zien de tegenstrijdigheid in deze argumentatie en duwen het tot het absurde door met de eis van een nieuwe kolonisatie van Afrika. (1)

De eerste twee delen van dit dossier boden elementen van antwoorden op deze reactionaire stroming die de verdraaiing van de geschiedenis en de racialisering van de samenleving gebruikt als een middel om imperialistische ambities te verbergen. Er is echter een stroming van ideologen die als ‘progressief’ en ‘wetenschappelijk’ wordt beschouwd en die ook moet worden ontmaskerd.

Neo-malthusianisme in dienst van het kapitalisme

Het analyseren van genocide als een “modern” fenomeen dat verbonden is met de tegenstrijdigheden van het kapitalisme is een filosofisch materialistische, d.w.z. rationele, houding. Maar vandaag de dag, met de arbeidsverdeling in de intellectuele wereld en de afwezigheid van een wereldwijde betwisting van het kapitalistisch systeem, is een dergelijke benadering veel minder hoorbaar. Experts in elke discipline benaderen een algemene vraag vanuit het unieke perspectief van hun expertise en veralgemeniseren dit door te proberen de realiteit te matchen met hun analyse. Dit is wat we een filosofisch idealistische reflectie noemen.

Het is in deze context dat de analyses van Jared Diamond moeten worden gezien. Deze geograaf en bioloog is beter bekend in de Angelsaksische wereld, maar zijn stellingen worden ook in de Franstalige en Belgische wereld verspreid door academici zoals Jean-Philippe Platteau van de Universiteit van Namen. In het algemeen maakt het neomalthusianisme met de milieucrisis een comeback. We horen vooraanstaande leiders zoals de Franse president Emmanuel Macron zeggen dat de oorzaak van de onderontwikkeling in Afrika te wijten is aan de buik van Afrikaanse vrouwen (2). We horen ook een aantal ecologen oproepen om de voortplanting te stoppen om de planeet te redden (3).

Marxisme wordt vaak afgeschreven omdat het een “oude theorie” zou zijn. Maar in het algemeen hergebruiken tegenstanders even oude ideeën die in hun tijd al weerlegd zijn. Jared Diamond was een van degenen die Malthus’ ideeën opnieuw naar voren bracht. (4) Hij heeft twee boeken over dit onderwerp geschreven. Een daarvan is: “Zwaarden, paarden en ziektekiemen.” Daarin legt hij uit hoe Westerlingen Afrika konden koloniseren. Geografische en biologische elementen worden benadrukt als bepalend voor de westerse superioriteit. Dit onderwerp komt ook aan bod in een tweede boek ” Ondergang: waarom zijn sommige beschavingen verdwenen en hoe kan de onze haar ondergang voorkomen?”. Hij legde uit dat overmatige druk op milieurijkdommen de oorzaak is van de ineenstorting van beschavingen. Hij neemt als voorbeeld de bewoners van het Paaseiland, de Pascuanen, en hun beelden (Moaï). In hetzelfde boek staat een heel hoofdstuk over de genocide in Rwanda, getiteld “Malthus in Afrika”. Hij gebruikt het voorbeeld van genocide om zijn stelling te ontwikkelen: overbevolking was een van de bepalende factoren.

In absolute termen mag overbevolking niet worden uitgesloten als verklarende factor. Hiermee moet ook rekening worden gehouden om de sociale spanningen in de regio op een gedetailleerde manier te begrijpen. De analyses van Platteau en co over Rwanda zijn daarom om meer dan één reden interessant.

Maar de fout bestaat erin één element van een analyse te nemen en het te veralgemenen om er het belangrijkste element van causaliteit van te maken door het kapitalistische productiesysteem als een invariabele te beschouwen. Dat verdoezelt de sociale en economische tegenstrijdigheden die met het kapitalisme verbonden zijn en stellen het systeem voor een onoverkomelijk vaststaand gegeven voor de mensheid. Deze analyse vergeet dus hoe in de context van een acuut klassenconflict over onbehandelde landeisen, de demografische problematiek de crisis verergert. Dat is Diamond’s fout. In het hoofdstuk over genocide schrijft hij: “Demografische druk was een van de belangrijke factoren bij de Rwandese genocide. Malthus’ rampscenario kan soms werkelijkheid worden en Rwanda was een model. Ernstige problemen van overbevolking, milieueffecten en klimaatverandering kunnen niet eindeloos voortduren: vroeg of laat lossen ze zichzelf op, op de manier zoals in Rwanda of een andere manier die we ons niet voorstellen, als we er niet in slagen om ze zelf met onze eigen acties op te lossen. Een soortgelijke dynamiek kan in de toekomst opnieuw plaatsvinden in andere landen, die zoals Rwanda hun milieuproblemen niet kunnen oplossen. Het kan ook in Rwanda zelf opnieuw gebeuren, waar de bevolking nog steeds met 3% per jaar groeit, waar vrouwen op vijftienjarige leeftijd hun eerste kind ter wereld brengen en waar het gemiddelde gezin tussen de vijf en acht kinderen telt.”

In zijn “Essay on the Population Principle” had Malthus dezelfde benadering. Karl Marx weerlegde Malthus door het demografische element terug te brengen in het dialectische verband met de kapitalistische productieverhoudingen. De instortingstheorie van Diamond is in zijn geheel weerlegd (5). Intellectuelen hebben zijn analyse van de Pascuan-samenleving beantwoord. Maar er is heel weinig geschreven over zijn analyse van de genocide.

Het element dat we aan de weerlegging van Diamond willen toevoegen betreft zijn analyse van de genocide in Rwanda. We doen dit op een specifiek materialistische manier. Het kapitalisme ontwikkelt zich niet lineair en homogeen. Dit is wat marxisten “ongelijke en gecombineerde ontwikkeling” noemen. Het genereert mogelijkheden van reserves tot het moment dat alle regio’s van de wereld onderworpen zijn aan kapitalistische productieverhoudingen. De manier waarop kapitalistische betrekkingen worden opgelegd aan nieuwe samenlevingen kan niet vreedzaam zijn. Dit komt enerzijds door de confrontatie tussen de oude en de nieuwe productieverhoudingen en anderzijds door de imperialistische concurrentie. Om zijn overheersing te vestigen, hergebruikt het imperialisme de oude sociale organisatie door haar te hervormen in overeenstemming met de eigen belangen. De oude sociale organisatie wordt zodanig getransformeerd waardoor nieuwe sociale relaties en dus nieuwe tegenstrijdigheden ontstaan. Dit is wat we ook wilden illustreren met de eerste twee delen van dit dossier. Het is in die zin dat we de zogenaamde “progressieve” en “wetenschappelijke” analyses zoals die van Diamond niet volgen.

Een analyse van de crisis in de Tweede Rwandese Republiek en de genocide illustreert dit punt goed.

De crisis in de Tweede Republiek

Juvenal Habyarimana nam de macht over in 1973. De fractie van de heersende klasse veranderde: een kleine Hutu-minderheid uit het noorden van het land nam de controle over de staatsmacht over en gebruikte deze macht om zich te verrijken op basis van hun rol als tussenpersoon bij de export van de belangrijkste grondstoffen van het land, voornamelijk landbouwgrondstoffen (koffie, thee). Om zijn macht te versterken, baseerde het regime zich op de strikte organisatie van het land, met een bevolking die onder strenge administratieve controle stond. Er was een verdeling van het land in 10 prefecturen, onderverdeeld in subprefecturen, en 145 gemeenten verdeeld in sectoren van 5.000 inwoners, onderverdeeld in cellen van 1.000 mensen. Elke cel werd gecontroleerd door 5 personen die dicht bij het regime stonden. Elke zaterdag moest de bevolking deelnemen aan gemeenschapswerk en indoctrinatiebijeenkomsten van het regime. Deze strikte controle van de bevolking zal het regime van dienst zijn als het de plannen voor de fysieke eliminatie van de Batutsi’s uitvoert (6). Het eenpartijregime werd gesteund door 7.000 soldaten en een 1.500 man sterke Pretoriaanse garde (7). Tijdens de dictatuur van het Habyarimana-regime ontwikkelde zich een sterke militaire en diplomatieke samenwerking met Frankrijk, dat deze gelegenheid te baat nam om de voormalige Belgische koloniale macht te verzwakken en zich in Oost-Afrika te vestigen.

Rwanda werd destijds gepresenteerd als een modelland voor ontwikkelingssamenwerking. De economie van het land onderging een infuus van internationale hulp. Dit kon de zwakke punten van het regime tijdelijk verhulden, maar de economische tegenstrijdigheden speelden bijzonder hard op tijdens de daling van de grondstoffenprijzen, met name aan het einde van de jaren tachtig toen de prijzen voor thee en koffie daalden. Dit dwong de Rwandese leiders om bij het IMF aan te kloppen en zich te onderwerpen aan de beruchte structurele aanpassingsplannen, de voorouders van de besparingsplannen en andere memoranda van vandaag. Dit gebeurde in een tijd waarin de hongersnood eind jaren tachtig en begin jaren negentig toesloeg na een droogte in het zuiden van het land. Aangezien de landbouwkwestie niet geregeld is, concentreert een minderheid het grootste deel van het land: 16% van de bevolking is eigenaar van 43% van de grond en de koffie-inkomsten vormen 80% van de inkomsten van de staat. Tussen 1962 en begin jaren negentig steeg de bevolking van 2.400.000 tot 7.148.000 mensen. De bevolking leeft vooral op het platteland en is erg jong. Er is hongersnood en ellende die door de drastische besparingen die van buitenaf opgelegd worden erger worden. (7)

Tegelijkertijd organiseerden de Batutsi’s, die in het begin van de Eerste Republiek in de jaren zestig de macht moesten opgeven, zich in de diaspora binnen verschillende politieke en militaire organisaties. Een deel van de Batutsi’s in de grenslanden was in staat om zich op te werken en de mogelijkheid te creëren om de macht in Rwanda te betwisten. Eind jaren zeventig werd het Oeganda van president Idi Amin Dada geconfronteerd met een guerrillaoorlog. Na een fractiestrijd slaagt de guerrillero Yoheri Museveni met het nationale verzetsleger (NRA) erin om zich als staatshoofd van Oeganda te vestigen. Batutsi-guerrilla’s vochten vanaf het begin in deze groep totdat Museveni aan de macht komt. Fred Rwigema, een van de oprichters van het Rwandese Patriottische Front (RPF), maar ook Paul Kagame, de huidige president van Rwanda, waren hierin aanwezig en deden militaire ervaring op. Het RPF komt voort uit de Rwandese Alliantie voor Nationale Eenheid (RANU), de politieke groepering van de Tutsi diaspora. Eenmaal aan de macht, installeerde Yoheri Museveni zijn broers op sleutelposities. Concurrentie om posities bracht de familieleden van Museveni ertoe om de aanwezigheid van Batutsi’s in leidinggevende posities in Oeganda aan te vechten. Museveni verdreef de Batutsi’s uit zijn regime en stuurde hen terug naar Rwanda. Rwigema werd bij de eerste aanval in onduidelijke omstandigheden gedood. Paul Kagame, die militaire training in de Verenigde Staten volgde, keerde terug om leiding te geven aan het Rwandese Patriottische Leger (RPA), de militaire vleugel van het RPF.

Dit is het begin van de Rwandese burgeroorlog die vanuit Oeganda naar het noorden van het land trekt. De tegenstrijdigheden van het Rwandese regime zijn te sterk en het RPA, dat goed gefinancierd, zeer goed opgeleid en gedisciplineerd is, boekt al snel militaire overwinningen. Om de druk van het RPF te stoppen, vroeg het regime de steun van Franse soldaten en diplomaten. Die steunden het regime tot de val ervan. Frankrijk wilde in de regio een regime dat positief stond tegenover de Franse belangen. Het wilde een nieuw Fachoda (conflict tussen Britse en Franse troepen in Soedan in 1898) vermijden en de ontwikkeling van een Angelsaksisch regime of een heerschappij in Oost-Afrika stoppen. Frankrijk stelde voor dat het regime onderhandelingen zou opstarten met het oog op een democratische (met meerdere partijen) en vreedzame overgang onder toezicht van de Verenigde Naties. Het leidde tot de akkoorden van Arusha en een troepenmacht, UNAMIR, die naar Rwanda trok. De onderhandelingen weerspiegelen de interne maar ook de internationale krachtsverhoudingen. Het regime was niet bereid om ook maar een duimbreed toe te geven en werd daarin gesteund door Frankrijk.

Het regime reageerde op de crisis door de raciale propaganda te versterken. Geconfronteerd met de woede en ellende van de bevolking waarschuwde het regime tijdens de indoctrinatievergaderingen voor de terugkeer van de oude feodale ‘Tutsi-orde’. Dit leidde tot uitbarstingen van woede en pogroms, maar naarmate de militaire situatie in het voordeel van de RPF keerde, voerde het regime zijn raciale discours op. Sinds het begin van de jaren negentig ontwikkelde zich een extremistische beweging rond de vrouw van de president, die ook uit het noorden van het land komt. Dit is de ideologie van Hutu Power en de fysieke eliminatie van tegenstanders. De voorbereidingen voor genocide werden getroffen door middel van een racistische ideologische opgang die met moderne middelen werd versterkt. Zoals eerder vermeld, moest de bevolking wekelijks deelnemen aan indoctrinatiebijeenkomsten. De Hutu-burgerij uit het noorden financierde de Radio Télévision Libre des Mille Collines (RTLM), die in het hele land een klimaat van racistische haat uitstraalde waarin de mututsi’s als de oorzaak van alle problemen werden aangewezen. Het was een kwestie van het ontmenselijken van de mututsi’s door ze te voor te stellen als ‘kakkerlakken’ die uit het buitenland kwam om de muhutu’s te onderdrukken. In een situatie van vreselijke economische en sociale crisis en droogte die tot hongersnood leidde en daarnaast de militarisering van de samenleving door indoctrinatie en massamedia, ontstond een cocktail die verklaart waarom een deel van de bevolking overtuigd werd om aan deze slachting deel te nemen.

Dit geeft aan dat de genocide geen spontane uiting van woede was. Het was het resultaat van een proces dat zorgvuldig werd voorbereid door een deel van de wanhopige compradore burgerij (8) in concurrentie met een ander deel van de burgerij. In de eerste fase van de genocide werden de eerste moorden gepleegd op basis van een vooraf opgestelde lijst van Batutsi’s die als sympathisanten van het RPF werden beschouwd.  Het was de presidentiële garde, gesteund door extremistische Hutu Interahamwe-milities, die de ‘jacht’ uitvoerde. Pas in een tweede fase werd de fysieke eliminatie als “definitieve oplossing” van de Batutsi als etnische groep voorgesteld om het gevaar van herstel voorgoed uit te sluiten. Het regime werd hierin gesteund door Frankrijk, meer bepaald door François Mitterrand, Hubert Védrine en Bernard Kouchner, die het regime tot het einde toe steunden en het na het verlies van de oorlog naar het naburige Congo exporteerden.

Een genocide onder het waakzame oog van de wereldmedia

Sinds het begin van de oorlog en zeker sinds 1992 was het dubbele discours van het regime duidelijk. Dit bleek tijdens de akkoorden van Arusha (9) toen ‘onderhandeld’ in het Frans vertaald werd als ‘opgeroepen tot moord’ in de Rwandese taal (Kanyarwanda). De media over de hele wereld volgden de ontwikkelingen, er was een VN-macht ter plaatse (maar die trok zich terug na de moord op 10 Belgische blauwhelmen).

De genocide op de Batusti en de moord op de Bahutu’s die zich tegen het heersende regime verzetten, hebben geleid tot een ineenstorting van de Rwandese samenleving en de verwoesting van de hele subregio. Enkele honderdduizenden Bahutu’s van het regime of die bloedbaden hebben aangericht, maar ook degenen die bang waren voor represailles of die op de vlucht waren voor armoede, gingen in ballingschap, met name in het naburige Congo. De opkomst van het RPF heeft de interne en internationale machtsverhoudingen in de regio veranderd. Het raciale discours had een impact op de hele Centraal- en Oost-Afrikaanse regio, met name op de Banyamulenge (10) in de Democratische Republiek Congo (DRC).

De tegenstrijdigheden verbonden met het kapitalisme zijn niet verdwenen, maar zijn veranderd, waardoor een nieuwe situatie en een nieuw machtsevenwicht zijn ontstaan. In het laatste deel komen we terug op de situatie na de genocide. Wij willen hieraan toevoegen dat er over het verloop van de slachting zelf en van de genocide in het algemeen, veel documenten, analyses, documentaires, documentaires, boeken, etc. zijn. Het is noodzakelijk om ze te raadplegen om een nauwkeurig beeld te krijgen van de situatie en ook om ons voor te stellen in hoeverre het geweld de regio heeft verscheurd. Dat is ook noodzakelijk om meteen alle revisionistische of negationistische ideeën de kop in te drukken; deze zullen immers ongetwijfeld opduiken onder de nostalgische voorstanders van het regime van 1973.

Tot slot vonden wij het noodzakelijk om ter gelegenheid van de 25ste verjaardag van de genocide een analyse te publiceren om aan te geven hoe marxisten tegenover de huidige situatie in Oost-Afrika staan. Zoals we in het eerste deel hebben aangegeven, bepaalt de klassenstrijd het verloop van de geschiedenis. In deze strijd vertrouwen we op de sociale meerderheid die tegen de onderdrukking door een minderheid vecht om een antwoord te geven op problemen en tegenstrijdigheden van het kapitalisme. Deze aanpak sluit elke raciale verdeeldheid in de samenleving uit. Het stelt een programma voor dat gericht is op de eenheid van alle uitgebuite en onderdrukte lagen en stelt vast dat alleen de sociale meerderheid een samenleving kan opbouwen waarin aan de behoeften van de hele bevolking wordt voldaan. Wij noemen deze samenleving democratisch socialisme.

 

Voetnoten

  1. http://www.slate.fr/story/152360/article-bienfaits-colonisation-revue-scientifique.
  2. https://www.nouvelobs.com/politique/20180706.OBS9286/7-ou-8-enfants-par-femme-en-afrique-le-refrain-demographique-de-macron.html.
  3. https://www.lalibre.be/actu/planete/ne-pas-faire-d-enfant-pour-sauver-la-planete-5bbc5ececd70a16d814e8a16.
  4. 19e eeuwse intellectueel die de theorie van de overbevolking ontwikkelde
  5. https://www.scienceshumaines.com/la-theorie-de-l-effondrement-s-effondre_fr_24958.html.
  6. In het gebied van de Grote Meren wordt voor de namen van de bevolking in het meervoud het voorvoegsel ‘Ba-‘ toegevoegd en in het enkelvoud ‘Mu-‘. Bijvoorbeeld: voor één ‘Tutsi’ en één ‘Hutu’ zouden we zeggen ‘Mututsi’ en ‘Muhutu’. Voor meerdere Tutsi’s wordt het dan Batutsi’s en meerdere Hutu’s: Bahutu’s
  7. Yves Ternon, Rwanda 1994. Analyse d’un processus génocidaire, dans « Revue d’Histoire de la Shoah » 2009/1 (N°190).
  8. Lokale tussenpersonen van het imperialisme.
  9. Onderhandelingen onder toezicht van Frankrijk, die officieel tot doel hadden een politieke oplossing voor de burgeroorlog te vinden.
  10. Bevolkingsgroepen in Oost-Congo die historisch uit de regio komen die vandaag Rwanda vormt.