Home / Dossier / 25 jaar na de genocide in Rwanda. Deel 2: Kolonisatie en dekolonisatie van Rwanda

25 jaar na de genocide in Rwanda. Deel 2: Kolonisatie en dekolonisatie van Rwanda

Hoe het kapitalisme barbarij creëerde in het gebied van de Grote Meren…

Vijfentwintig jaar geleden vond in Oost-Afrika een gebeurtenis van ongekende en historische gruwel plaats: de genocide op Tutsi’s en de slachting van gematigde Hutu’s. De genocide vond plaats voor de ogen van de wereldmedia. Barbaarsheid op industriële schaal veroorzaakte op amper drie maanden – van april tot juni 1994 – de dood van 800.000 tot een miljoen mensen. Vijfentwintig jaar later kijken we terug op de oorzaken en gevolgen van deze genocide voor Rwanda en de hele regio. We publiceren dit dossier in vijf delen: van de periode voor de kolonisatie tot vandaag.

Dossier door Alain Mandiki 

Imperialisten vechten om de Afrikaanse taart

Geen enkele Afrikaanse staat heeft Duits als taal aan de westerse kolonisatie overgehouden. Dit komt door de internationale machtsverhoudingen die maakten dat Duitsland al zijn koloniën op het continent verloor. Duitsland was al laat in de ‘wedren voor koloniën’. De oorzaak daarvan was de vertraging van de Duitse bourgeoisie in het bereiken van nationale eenheid. Terwijl Engeland, Frankrijk, België, Spanje, Portugal en Nederland al tientallen jaren op verovering gingen, verscheen Duitsland pas laat op het koloniale toneel.

Deze achterstand in de nationale eenwording verklaart ook waarom de jonge Duitse staat zich in 1871 concentreerde op de interne versterking van zijn staat en zich niet direct in de koloniale veroveringsoorlog van zijn rivalen stortte. Aanvankelijk was het privé-kapitaal dat profiteerde van de bescherming van de Duitse staat dat de exploratie, verovering en investering in gang zette. De conferentie van Berlijn in 1885 bepaalde de militaire machtsverhoudingen tussen de verschillende mogendheden waarbij Duits Oost-Afrika ontstond, met onder meer Rwanda-Urundi.

Naast de inter-imperialistische rivaliteit kwamen de tegenstrijdigheden van de Rwandese monarchistische samenleving aan de oppervlakte, wat tot een ernstige regimecrisis leidde. Na de dood van Kigeli IV Rwabugiri werd zijn opvolger geconfronteerd met Belgische militaire invallen op zijn grondgebied. Hij werd na een militaire nederlaag en een intern complot omvergeworpen. Yuhi Musinga nam het koninkrijk over. De jonge koning verbond zich al snel met de Duitsers om zijn macht te stabiliseren. Zoals de Franse historicus Jean-Pierre Chrétien het heel goed verwoordt: “Het is duidelijk dat de Rwandese aristocratie de kaart van het ene Europese kamp tegen het andere heeft gespeeld, het zocht de steun van degenen die het minst gevaarlijk of meest respectvol leken te zijn.” (2) Deze alliantie liet Duitsland toe om zijn koloniale imperium te stabiliseren en het economisch te beheren met behulp van een verlengstuk ter plaatse. Tegelijk liet deze regeling de regerende koninklijke familie toe om zijn macht veilig te stellen.

De Eerste Wereldoorlog herverdeelt de kaarten

De imperialistische mogendheden probeerden hun koloniale geschillen vreedzaam op te lossen via verschillende internationale conferenties. Maar uiteindelijk leidde de hardnekkige logica van de concurrentie tussen de verschillende nationale burgerijen tot de Eerste Wereldoorlog. Deze oorlog werd gevoerd om de kaarten wereldwijd te herverdelen, waarbij elke kapitalistische staat zijn aandeel in de taart wilde vergroten en zijn hegemonie wilde waarborgen. De nederlaag van de drievoudige alliantie (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië) maakte dat Duitsland zijn Afrikaanse kolonies verloor.

De controle over Rwanda-Urundi werd toevertrouwd aan België, dat erin slaagde deze belangrijke regio te recupereren door middel van een evenwichtsspel. De rivaliteit tussen het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk in Oost-Afrika was in die tijd permanent, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het incident in 1898 in Fachoda, nu Zuid-Soedan. Het gebied van Rwanda-Urundi is in verschillende opzichten strategisch, omdat het een toegangspoort tot Congo is, het ligt aan de bron van de Nijl en het is ook een toegangspoort tot Tanganyika en Kenia, die kusten hebben aan de Indische Oceaan.

De kolonisatie van de geesten

Om zijn macht te verzekeren, konden de Belgische kolonisatoren, zoals de Duitsers voorheen, niet alleen op geweld of dwang vertrouwen. Zij baseerden zich op de koninklijke familie, die de vorige macht was, om een basis in de samenleving te hebben. Maar ze moesten ook het verzet wegnemen dat een belemmering kon vormen voor koloniale uitbuiting. Daarom bevroren ze de samenleving die ze vonden en creëerden ze een etnische verdeeldheid in de bevolking. In Rwanda deelde de hele bevolking dezelfde cultuur, sprak dezelfde taal en aanbad dezelfde god “Imana”. De kolonisten vestigden het feit dat dit volk in twee volstrekt verschillende etnische groepen was verdeeld. Bovenaan stonden de Batutsi: een superieur ras van Hamito-semieten of of nilo-Hamito die 5% van de bevolking uitmaken, veefokkers die van nature in staat zijn om te leiden, een laag van heren dicht bij het witte ras. Daaronder stonden de Bahutu’s: Bantoe-boeren, een inferieur ras dat geleid moest worden. De Witte Paters (3) waren van mening dat alleen Batutsi’s konden profiteren van basisonderwijs dat hen in staat stelde om posities in het koloniale bestuur te bekleden. Er werd toen een kleine Tutsi-elite gevormd, maar deze vertegenwoordigde niet de hele bevolking die als Tutsi’s werd bestempeld. De meerderheid van hen werd net als de Bahutu’s uitgebuit.

Om dit proces te vergemakkelijken, was het noodzakelijk om de macht van de koning te beperken en vrijheid van godsdienst toe te staan om het katholicisme op te leggen. Dit proces zal leiden tot het ontslag van Musinga die vervangen werd door een katholieke koning dicht bij het koloniale bestuur: Mutara III Rudahigwa. De Tutsi-elite die rond hem gevormd werd was gebaseerd op de koloniale belangen. Zoals kolonel Jungers de studenten van de Astrida schoolgroep van de Broeders van Liefde van Gent, die de toekomstige elites vormden, eraan herinnerde: “Blijf bescheiden. Het diploma dat je ontvangt is geen bewijs van bekwaamheid. Het is slechts een bewijs dat je in staat bent om competente assistenten te worden.”(4)

In de jaren dertig van de vorige eeuw gaf het koloniale bestuur op de identiteitsdocumenten aan tot welk ras elke Rwandees behoorde. Volgens de Franse historicus Yves Ternon verklaarde 15% van de bevolking zichzelf als Tutsi, 84% Hutu’s en 1% Twa.(5)

Na de oorlog kwam België onder druk te staan als gevolg van de verschrikkelijke hongersnood door het gebrek aan investeringen in landbouw en infrastructuur. België werd gedwongen om het onderwijs voor de Bahutu’s open te stellen. Maar ook in 1948 werd in het tijdschrijf van de oud-studenten van Astrida nog geschreven: “Als onderdeel van het Kaukasische ras, maar ook van de Semieten en de Indo-Europese, hebben de Hamitische volkeren oorspronkelijk niets gemeen met de negers. Fysiek gezien zijn deze rassen prachtig: ondanks de onvermijdelijke kruising die het gevolg is van het langdurige contact met de negers, is de overheersing van het Kaukasische type onder de Batutsi’s nog steeds duidelijk aanwezig.” (6).

Arabica: de basis van het inkomen van de kolonie

Naast zijn geostrategische ligging ligt een van de troeven van Rwanda in zijn landbouwgrond. De Duitse kolonisator, en daarna de Belgische, maakte van Rwanda een land van koffieteelt. Dit proces heeft geleid tot de vervanging van groente- en voedingsgewassen door exportgewassen die afhankelijk zijn van de prijzen op de wereldmarkten. Om deze goederen te kunnen vervoeren, was het noodzakelijk om een wegennet aan te leggen en te onderhouden. Dit gebeurde door dwangarbeid: in 1930 werden alle werkenden gedurende twee maanden op een jaar verplicht om aan deze dwangarbeid deel te nemen. (7) Deze elementen konden de sociale tegenstrijdigheden alleen maar versterken, aangezien de bevolking werd uitgesloten van het werken op het land om de koloniale infrastructuur in stand te houden, maar tegelijk koffie moest verbouwen om belasting te betalen aan de staat. Dit zou leiden tot hongersnood en tot de vlucht van de bevolking naar buurlanden.

Edmond Leplae, directeur Landbouw bij het Ministerie van Koloniën van 1910 tot 1933, zette van 1910 tot 1933 een verplicht teeltsysteem op dat hij naar het Nederlandse model op Java kopieerde. Op dat moment werden er 1 tot 4 miljoen koffieplanten per jaar geplant. Van 11 ton in 1930 steeg de productie tot 10.000 ton in 1942 en 50.000 ton in 1959.

De “koloniale revolutie”: onderdrukte bevolkingen beginnen zich te bevrijden van hun ketenen

Marxisten hebben altijd uitgelegd dat revolutie tot oorlog leidt en oorlog tot revolutie. Na de Tweede Wereldoorlog vond over de hele wereld een revolutionair proces plaats. De objectieve bondgenoten van dit proces konden alleen die landen zijn waar de sociale basis van de staat anders was en waar het productiesysteem een alternatief vormde voor het kapitalistische systeem. De Sovjetunie en vervolgens China vanaf 1949 inspireerden dan ook de revolutionairen. De bureaucratische degeneratie in de Sovjetunie was toen al een relatieve rem, maar de bureaucratische planeconomie (zelfs met haar beperkingen) en de overwinning op de nazi’s gaven de stalinistische bureaucratie immense autoriteit. Het bestaan van een alternatief op het kapitalistische systeem maakte het mogelijk een gunstige internationale krachtsverhouding tot stand te brengen die de burgerij in de ontwikkelde kapitalistische landen dwong tot enorme economische, democratische en sociale toegevingen aan de arbeidersklasse in hun land, en democratische toegevingen in de landen onder koloniale onderdrukking. Bovendien deed de bureaucratie die in de jaren twintig van de vorige eeuw in de Sovjetunie aan de macht kwam er alles aan om de ontwikkeling van democratische socialistische revolutie in ander landen te voorkomen. Dit had immers de strijd in de Sovjetunie zelf voor echte arbeidersdemocratie en democratische economische planning nieuw leven kunnen inblazen. Ondanks deze beperkingen was het dus een model van top-down revolutie en een bureaucratische planeconomie dat in een groot aantal landen als alternatief model is genomen tijdens de opstanden tegen koloniale onderdrukking.

In de strijd tegen het imperialisme in Azië leverde de overwinning van het volksleger van Mao en de vorming van een arbeidersstaat, die vanaf het begin door de bureaucratie was misvormd, een model op voor veel nationalisten in koloniale landen. Het is niet gebaseerd op de methode en het programma van de bolsjewistische partij tijdens de Russische Revolutie, die vertrokken van de strijdbaarheid en de leiding van de Russische arbeidersklasse. Uitgaande van de tegenstrijdigheden die eigen zijn aan de koloniale overheersing, is dit model gebaseerd op de nationalistische kleinburgerij, de bovenlaag van de samenleving (hogere officieren, intelligentsia, …) en geradicaliseerde progressieve elementen die strijden tegen de imperialistische macht. De gebruikte strategie is dus niet de systematische mobilisatie van de hele samenleving door middel van collectieve massale acties zoals betogingen en stakingen, waaruit een situatie van dubbele macht ontstaat, maar eerder de guerrillaoorlog die door deze lagen wordt gevoerd. In een gunstige internationale en nationale situatie leidde dit tot overwinningen en een tijdelijke terugtocht van imperialistische machten.

Dit was bijvoorbeeld het geval in Indochina met de nederlaag van het Franse leger in Diên Biên Phu. In het algemeen inspireert een revolutionair proces in het ene land de strijdende massa’s en revoluties in andere landen. In Afrika en Midden- en Zuid-Amerika waren deze voorbeelden inspirerend voor de lagen die het imperialisme probeerden te verslaan. Dit leidde tot een golf van strijd gebaseerd op guerrillaoorlogsmethoden, zoals in onder meer Cuba en Algerije. Aan het eind van de jaren vijftig waren de meeste onafhankelijkheidsstrijders gewonnen voor nationalisme; sommige lagen van de kleinburgerij werden beïnvloed door socialistische ideeën, maar dan gebaseerd op het model van het volksleger van Mao. De leidende rol in de revolutie werd niet toegeschreven aan de arbeidersklasse en haar onafhankelijke organisaties, maar aan een hogere laag van de samenleving die afhankelijk was van een boerenguerrilla om de macht te grijpen.

In Rwanda werden ook de nationale elites door dit proces getroffen. Maar de etnische verdeling van de samenleving verdeelde de elite in twee kampen die verschillende conclusies trokken over koloniale onderdrukking. In 1957 werd de Vereniging voor Sociale Promotie van de massa’s (APROSOMA) opgericht. Helaas werd dit niet georganiseerd op klassenbasis, maar op etnische basis. Ook in 1957 werd het Bahutu Manifest geschreven door 9 Hutu-intellectuelen, waaronder de toekomstige president van de Republiek Gregoire Kayibanda. Het manifest hekelde niet de kolonisatie maar wel de Tutsi-macht. Voor deze intellectuelen was de kwestie van onafhankelijkheid ondergeschikt aan de kwestie van de strijd tegen de economische, politieke en culturele overheersing door de Batutsi.

De fundamenten van de genocidale ideologie zijn aanwezig in dit manifest. Het neemt de indeling in categorieën over die door het koloniale bestuur werd gecreëerd om er de noodzaak uit af te leiden dat de Hutu-meerderheid de macht naar zich moet toe trekken. Op basis van deze ideologie werd de Partij van de Hutu-emancipatiebeweging opgericht: PARMEHUTU. Voor de Tutsi-elite rond de Rwandese Nationale Unie (UNAR) waren de onafhankelijkheid en het vertrek van het koloniale bestuur, alsmede het herstel van een constitutionele monarchie in Rwanda, noodzakelijk. Daarnaast ontstond er een partij die de westerse belangen behartigde: de Rassemblement démocratique rwandais (RADER), die voormalige “astridiens” (8) en Bahutu’s bij elkaar brengt.

De koloniale macht zag het gevaar van controleverlies en veranderde haar bondgenootschappen. Ze maakte gebruik van de Hutu-bourgeoisie door het idee van de “meerderheidsbevolking” te promoten. Dit werd grotendeels gedragen door de christendemocratie, vooral de Vlaamse, en de elite van de katholieke kerk ter plaatse. Er kwamen verkiezingen die gewonnen werden door PARMEHUTU. De eerste republiek werd opgericht met Gregoire Kayibanda als president. Er kwam een beleid van systematische discriminatie van Batutsi’s, ondersteund door geweld en pogroms tegen degenen die als zodanig werden geïdentificeerd. Het geweld leidde de woede van de massa’s af tegen een geïdentificeerde vijand waardoor niet langer gekeken werd naar de problemen van Rwanda: de economische ongelijkheid en het onopgeloste landbouwprobleem. De eerste Republiek duurde van 1962 tot 1973. Maar de ontevredenheid onder de bevolking bleef bestaan. En op basis hiervan gebruikte de jonge Habyarimana uit het noorden van het land de regionale spanningen tussen de Hutu kleinburgerij in het centrum en die in het noorden van het land om in 1973 aan de macht te komen.

 

Voetnoten

  1. In het gebied van de Grote Meren wordt voor de namen van de bevolking in het meervoud het voorvoegsel ‘Ba-‘ toegevoegd en in het enkelvoud ‘Mu-‘. Bijvoorbeeld: voor één ‘Tutsi’ en één ‘Hutu’ zouden we zeggen ‘Mututsi’ en ‘Muhutu’. Voor meerdere Tutsi’s wordt het dan Batutsi’s en meerdere Hutu’s: Bahutu’s
  2. Jean-Pierre Chrétien, L’Afrique des grands lacs. Deux mille ans d’histoire, Parijs, Aubier, 2000, blz. 188.
  3. Religieuze zendingsorde, gesticht door kardinaal Lavigerie.
  4. Jean-Pierre Chrétien, L’Afrique des grands lacs…, blz. 240.
  5. Yves Ternon, Rwanda 1994. Analyse van een genocidaal proces, in “Revue d’Histoire de la Shoah” 2009/1 (n°190).
  6. Citaat opgenomen in: Jean-Pierre Chrétien, L’Afrique des grands lacs…., blz. 247.
  7. Ibidem, blz. 245.
  8. Alumni van het Butare-scholencomplex (ex-Astrida).