Home / Dossier / 25 jaar na de genocide in Rwanda. Deel 1: Rwanda vóór kolonisatie

25 jaar na de genocide in Rwanda. Deel 1: Rwanda vóór kolonisatie

Foto’s van slachtoffers van de genocide in het Memorial van de Genocide in Kigali Gisozi (Rwanda). Foto: Wikipedia

Hoe het kapitalisme barbarij creëerde in het gebied van de Grote Meren…

Vijfentwintig jaar geleden vond in Oost-Afrika een gebeurtenis van ongekende en historische gruwel plaats: de genocide op Tutsi’s en de slachting van gematigde Hutu’s. De genocide vond plaats voor de ogen van de wereldmedia. Barbaarsheid op industriële schaal veroorzaakte op amper drie maanden – van april tot juni 1994 – de dood van 800.000 tot een miljoen mensen. Vijfentwintig jaar later kijken we terug op de oorzaken en gevolgen van deze genocide voor Rwanda en de hele regio. We publiceren dit dossier in vijf delen: van de periode voor de kolonisatie tot vandaag.

Dossier door Alain Mandiki

Deel 1: Rwanda voor de kolonisatie

Er wordt vaak gezegd dat de geschiedenis door de winnaars wordt geschreven. Het is een andere manier om uitdrukking te geven aan het feit dat menselijke samenlevingen worden doorkruist door krachtsverhoudingen tussen antagonistische klassen die met elkaar botsen. Dit is de drijvende kracht achter de geschiedenis. Voor degenen die de samenleving willen zien veranderen in het belang van de meerderheid van de bevolking, wat wij een democratische socialistische samenleving noemen, is het belangrijk om de geschiedenis te bestuderen in verhouding tot deze klassenstrijd. Zo kunnen we lessen trekken voor de huidige politieke strijd.

Rwanda ligt in Oost-Afrika, in wat het gebied van de Grote Meren wordt genoemd. Het is een regio met een rijke, gevarieerde en complexe geschiedenis. Deze regio omvat de bronnen van de Nijl. Een van de elementen die de historische analyse complex maakt, is dat de dynamiek van de sociale verhoudingen in de regio vaak is bepaald om een bepaald politiek regime ideologisch te verdedigen. Sommige historici in de regio, zoals abt Kagame Alexis, hebben elementen vastgesteld die in een historische periode in een bepaalde geografische regio correct waren. Maar ze gebruikten dit om de overheersing van hun sociale klasse te rechtvaardigen en te bestendigen. Hetzelfde geldt voor de kolonisten, die hun gezag vooral hebben gebaseerd op een nationaal verhaal en een visie op de sociale verhoudingen die beantwoordde aan de noodzaak om te verdelen en te heersen, met name onder meer de racistische theorieën van Gobineau (1). Tijdens de koloniale periode gebeurde dit gebeuren in de vorm van indirect bestuur (2). Daartoe werd ingespeeld op de tegenstrijdigheden in het pre-koloniale Rwanda, om de tegenstellingen te versterken, om nieuwe tegenstellingen te creëren en om het voor te stellen alsof ze er altijd waren. Zo ontstond de genocidale ideologie volgens dewelke de Tutsi’s, een volk van Hamitische herders (3), Rwanda, een land bevolkt door Hutu’s, een volk van Bantoe-boeren, gekoloniseerd hebben.

Een andere uitdaging is om historische processen in hun ontwikkeling en context te kunnen bestuderen. De geschiedenis van het Grote Merengebied vertoont overeenkomsten met de periodes die we in West-Europa hebben meegemaakt, maar er zijn vooral verschillen. We kunnen niet eenvoudigweg spreken van pre-koloniaal Rwanda als middeleeuws Rwanda en een volledige parallel trekken met onze middeleeuwen. Ondanks enkele gemeenschappelijke kenmerken maken de specifieke kenmerken van verschillende koninkrijken en hun evolutie dat we geen overhaaste conclusies mogen trekken. Wetenschappers hebben nog heel wat werk om ons een idee te geven van de pré-koloniale geschiedenis van deze regio, sinds de eerste nederzettingen van de eerste homo sapiens sapiens in Oost-Afrika. Verschillende auteurs, uit de regio of uit landen die betrokken zijn bij het koloniale proces, zijn geïnteresseerd in dit brede onderwerp. Naast de nuances en tegenstrijdige debatten die inherent zijn aan de onmetelijkheid van de taak, ontstaat er een wetenschappelijke consensus en worden er op een aantal belangrijke punten historische feiten vastgesteld.

Gecentraliseerde monarchische staten

In het gebied van de Grote Meren bestonden er mogelijk vanaf de 15e eeuw, maar alleszins reeds in de 18e eeuw, verschillende kleine gecentraliseerde monarchistische staten zoals Bunyro, Buganda, Nkore, Burundi en Rwanda. Deze staten werden geplaagd door strijd tussen verschillende adellijke clans om de interne macht en door sociale tegenstrijdigheden die eigen zijn aan de uitbuiting van sociaal overproductie, waarop de bovenste laag van de samenleving leefde. Ook was er een specifieke wil van elk koninkrijk om uit te breiden ten koste van de buren.

Dit gebeurde in overeenstemming met het potentieel van de productiekrachten en hun ontwikkeling. De hele samenleving, en in het bijzonder de dominante lagen, was georganiseerd op een patrilineaire basis binnen de clan. De clans konden bestaan uit een mix van Hutu’s – Tutsi’s of Bairu – Bahima. Er bestonden ook andere bevolkingsgroepen, zoals de Twas. Een zeer oude bevolking van de regio leefde van de landbouw, graanteelt en veehouderij. Het moet duidelijk zijn dat de verhouding tussen landbouw en veeteelt in de regio even complementair als tegenstrijdig is. Kuddes hebben weilanden nodig om te produceren en zich voort te planten, en weiden hebben kuddes nodig voor de grondbewerking en mest om de grond te bemesten. Grootgrondbezitters stijgen boven de maatschappij uit, net als eigenaars van grote kuddes. Daaronder staan degenen die het vee moeten onderhouden, het land bewerken en de gewassen telen. In Rwanda waren er mensen die Hutu’s werden, die soms vee bezaten, en mensen die Tutsi’s werden, die soms boeren waren, in tegenstelling tot wat de kolonisten nadien beweerden. De koe was een belangrijk kapitaal: een opbrengst van 300 kg bonen werd bijvoorbeeld geruild voor een vaars van 100 kg, een niet gelooide koeienhuid was 30 kg bonen waard of een schoffel, of een jonge geit (5). “Er gaat niets boven de koe,” zegt een Rwandees gezegde. Dit weerspiegelt de primaire status van de koe in de handel. Veeboeren, voornamelijk Tutsi’s, hadden dan ook doorgaans een sterkere machtspositie.

De etnische vraag: ware ideeën kunnen net als misvattingen een materiële kracht worden als ze door de massa worden opgenomen.

Racisme is een geheel van ideeën dat zijn oorsprong vindt in een bepaalde economische en sociale context. Als deze context echter eenmaal de ideologie heeft bepaald die haar weerspiegelt, neemt deze soms een eigen dynamiek aan en beïnvloedt ze de ontwikkeling van de context zelf. De rassenideologie had als context de slavernij in een periode van primitieve kapitalistische accumulatie. Hoewel deze context in deze specifieke vorm is verdwenen, is de raciale ideologie in de geschiedenis meerdere malen naar voren gekomen, met de ernstige gevolgen die we kennen. Het begrijpen van de context die geleid heeft tot het ontstaan van dergelijke ideeën stelt ons beter in staat om ze te bestrijden. Dat noemen wij de theorie van de actie.

Ethnisme in de regio is altijd een ideologisch instrument geweest van een verdeel-en-heersbeleid. Het benadrukken van een etnisch antagonisme helpt om klassenconflicten te verbergen en te voorkomen dat bijvoorbeeld de agrarische vraag wordt beantwoord. Zo vonden Duitse en toenmalige Belgische koloniale historici, ambtenaren en missionarissen het idee uit dat Tutsi’s Hamitici uit Abessinië waren (6) en dat zij beter geschikt waren om leiding te geven. Dit rechtvaardigde de terugtrekking van verschillende lokale chefs (mwami) die zich verzetten tegen de kolonisten en hun vervanging door Tutsi chefs die zich inzetten voor de koloniale zaak. Tijdens de onafhankelijkheidsstrijd werd dit antagonisme in de andere richting uitgespeeld om de koloniale en vervolgens neokoloniale overheersing in stand te houden. Dit gebeurde met name de Belgische christendemocratie. Deze racistische ideologie is gepromoot door pseudowetenschappers die op basis van de fysieke antropologie een tegenstelling hebben geïnstalleerd die het mogelijk maakte om de imperialistische overheersing te vestigen en zo de basis te leggen voor een genocidale ideologie.

Sociale overproductie

Pre-koloniaal Rwanda was een ongelijke samenleving. De periodes tussen twee oogsten, misoogsten en ziektes onder de kuddes veroorzaakten hongersnood die gezinnen of clans in armoede en afhankelijkheid dreven. Een rijk persoon werd gedefinieerd door het aantal mensen dat aan zijn eigendommen (gewassen of vee) werkte. Een deel van de productie van de gemiddelde boer ging naar de chef die hem het perceel had gegeven. Degenen die geen grond bezaten, werkten als dagloners op grond die eigendom was van anderen. Ze deden dit tegen betaling in de vorm van goederen (bonen, sorghum, bier, boter, …) waardoor ze andere goederen konden kopen. Deze status, die als berooid wordt beschouwd, stond aan de rand van de samenleving. Bovendien ontstonden er specifieke verhoudingen tussen een rijke man en zijn personeel, die door de ideologie werden versterkt en gewaardeerd.

Tijdens het ontstaan van de Banyiginya-dynastie in Rwanda aan het eind van de 18e eeuw, was er een versterking van het pastoralisme in de sociale structuur. Er is een systeem ontwikkeld dat vergelijkbaar is met horigheid, waarbij de boer gedurende een bepaald aantal dagen (2 dagen akazi) op het land van de heer moest werken, gedurende een 5-daagse week. Het ubuhake-regime, een stelsel van verplichtingen in het kader van de veeteelt werd uitgebreid en gekoppeld aan de nieuwe machtsstructuren. Toch waren het niet de Tutsi’s in hun geheel die de heersende klasse vormden, maar een minderheid van hen. Geschat wordt dat tussen de 10.000 en 50.000 Tutsi’s van adellijke clan betrokken waren bij de koloniale macht op een totaal van enkele honderdduizenden Tutsi’s in de 18e eeuw.

Zoals we kunnen zien, waren er veel tegenstrijdigheden en breuklijnen in de Rwandese samenleving. Dit leidde tot strijd en verzet. De intrede van de imperialistische mogendheden veranderde het interne machtsevenwicht in de regio en bracht kapitalistische tegenstellingen binnen in Oost-Afrika.

 

Noten

  1. 19e eeuwse Franse politicus en schrijver.
  2. Wijze van toediening van een kolonie op basis van lokale relais.
  3. Veehouders.
  4. Een term van bijbelse oorsprong die pejoratief wordt toegeschreven aan Afrikaanse populaties die afstamt van karakters uit het Eerste Testament.
  5. Claudine Vidal, Économie de la société féodale rwandaise, Cahiers d’Études africaines, 1974.
  6. Regio van de Hoorn van Afrika.